Hoofdstuk 1

1.
en kroon! oom baard (hij) is gekomen bij (de) dagen en (hij) bedekte (...) hem bij (de) kledingstukken noch (hij) is bronstig geweest als
2.
en (zij) spraken als slaven (...) hem (zij) zochten aan liggers van kroon! meisje maagd en (zij) heeft gestaan voor kroon! en (zij) was als XKNT en (zij) heeft gelegen bij (de) boezem (...) jou en hete aan liggers van kroon!
3.
en (zij) zochten meisje mooie in alle grens Israël en (zij) vondden (tot) Abisag (de) Sunamitische en voert in! (met) haar aan koning
4.
en het meisje mooie tot zeer en (zij) was aan koning XKNT en (jullie) dienden (...) hem en kroon! niet (zij) heeft geweten
5.
en naar liggers zoon HCIT MTNSA te spreken ik AMLK en (hij) heeft gemaakt als wagen en ruiters en vijftig man rennen voor hem
6.
noch bedroeft! vader (...) hem wateren (...) hem te spreken waarom? zodoende (jij) hebt gedaan en ook hij goede (hij) heeft beschreven zeer en (met) hem (zij) heeft gebaard na Absalom
7.
en (zij) waren woorden (...) hem met Joab zoon Zeruja en met Abjathar de priester en (zij) hielpen na naar liggers
8.
en heb gelijk! de priester en Benaja zoon Jojada en (hij) heeft gegeven de profeet en hoor toe! en achtervolg! en de helden die aan oom niet (zij) zijn geweest met Adonia
9.
en (hij) slachtte Adonia kleinvee en rundvee WMRIA met steen EZHLT die naast oog voet en (hij) noemde (tot) alle broers (...) hem bouw! kroon! en aan alle mens (...) mij Juda werk! kroon!
10.
en (tot) (hij) heeft gegeven de profeet en Benaja en (tot) de helden en (tot) Salomo broers (...) hem niet (hij) heeft genoemd
11.
en (hij) sprak (hij) heeft gegeven naar dochter zeven als Salomo te spreken immers (jij) hebt toegehoord dat koning Adonia zoon HCIT en liggers (...) ons oom niet (hij) heeft geweten
12.
en nu ga! (ik) adviseerde (...) jou toch advies en red! (tot) ziel (...) jou en (tot) ziel zoon (...) jou Salomo
13.
ga! en bij (de) eiland naar kroon! oom en (jij) hebt gesproken naar hem toch? (met) haar liggers van kroon! (jij) hebt gezworen aan waarheid (...) jou te spreken dat Salomo zoon (...) jou (hij) heerste na en hij inwoner op stoelen van en waarom? koning Adonia
14.
hier is jij (...) nog spreek(t) daar met kroon! en ik (ik) kwam na jou en (ik) ben vol geweest (tot) woorden (...) jou
15.
en (zij) kwam dochter zeven naar kroon! (is het zo) dat (zij) is binnengedrongen en kroon! baard zeer en Abisag (de) Sunamitische dien(t) (tot) kroon!
16.
en (jij) brandde dochter zeven en (jij) boog je diep aan koning en (hij) sprak kroon! wat? aan jou
17.
en (jij) sprak als liggers van (met) haar (jij) hebt gezworen bij Jahweh jouw God aan waarheid (...) jou dat Salomo zoon (...) jou (hij) heerste na en hij inwoner op stoelen van
18.
en nu hier is naar liggers koning en nu liggers van kroon! niet (jij) hebt geweten
19.
en (hij) slachtte os WMRIA en kleinvee aan meerderheid en (hij) noemde aan alle bouw! kroon! en aan Abjathar de priester WLIAB aanvoerder de leger en aan Salomo slaaf (...) jou niet (hij) heeft genoemd
20.
en (met) haar liggers van kroon! bestudeer! alle Israël op jou te vertellen aan hen water van inwoner op stoel liggers van kroon! na hem
21.
en (hij) is geweest als lig neer! liggers van kroon! met vaders (...) hem en (ik) ben geweest ik en bouw! Salomo zondaars
22.
en hier is zij (...) nog spreek(t) met kroon! en (hij) heeft gegeven de profeet (hij) is gekomen
23.
en (zij) vertelden aan koning te spreken hier is (hij) heeft gegeven de profeet en (hij) kwam voor kroon! en (hij) boog zich diep aan koning op neuzen (...) hem naar land
24.
en (hij) sprak (hij) heeft gegeven liggers van kroon! (met) haar (jij) hebt gesproken Adonia (hij) heerste na en hij inwoner op stoelen van
25.
dat (hij) is gedaald vandaag en (hij) slachtte os WMRIA en kleinvee aan meerderheid en (hij) noemde aan alle bouw! kroon! en aan Sarai de leger en aan Abjathar de priester en hier zijn zij eten-en en twee voor hem en (zij) spraken leve! kroon! Adonia
26.
en aan mij ik slaaf (...) jou en aan rechtvaardigheid de priester en aan Benaja zoon Jojada en aan Salomo slaaf (...) jou niet (hij) heeft genoemd
27.
als honderd liggers van kroon! (wij) waren het woord deze noch (jij) hebt meegedeeld (tot) slaven (...) jou water van inwoner op stoel liggers van kroon! na hem
28.
en wegens kroon! oom en (hij) sprak (zij) hebben genoemd aan mij aan dochter zeven en (zij) kwam voor kroon! en (jij) stond vast voor kroon!
29.
en (hij) was verzadigd kroon! en (hij) sprak levende Jahweh die (hij) heeft bevrijd (tot) ziel (...) mij van alle ellende
30.
dat zoals (ik) heb gezworen aan jou bij Jahweh mijn God Israël te spreken dat Salomo zoon (...) jou (hij) heerste na en hij inwoner op stoelen van in de plaats van mij dat zo (ik) werd gedaan vandaag deze
31.
en (jij) brandde dochter zeven neuzen land en (jij) boog je diep aan koning en (jij) sprak leve! liggers van kroon! oom aan eeuwigheid
32.
en (hij) sprak kroon! oom (zij) hebben genoemd aan mij gelijk te hebben de priester en (jullie) hebben overnacht de profeet en aan Benaja zoon Jojada en voert in! voor kroon!
33.
en (hij) sprak kroon! aan hen neemt! met jullie (tot) werk! liggers (...) jullie WERKBTM (tot) Salomo bouw! op scheid! (er)naar die aan mij en (jullie) zijn naar beneden gehaald (met) hem naar CHWN
34.
en (hij) heeft gezalfd (met) hem daar heb gelijk! de priester en (hij) heeft gegeven de profeet aan koning op Israël en (jullie) hebben geblazen bij (de) ramshoorn en (jullie) hebben gesproken leve! kroon! Salomo
35.
en (jullie) zijn opgegaan na hem en (hij) is gekomen en inwoner op stoelen van en hij (hij) heerste in de plaats van mij en (met) hem (ik) heb opdracht gegeven te zijn leider op Israël en op Juda
36.
en wegens Benaja zoon Jojada (tot) kroon! en (hij) sprak amen! zo (hij) sprak Jahweh mijn God liggers van kroon!
37.
zoals (hij) is geweest Jahweh met liggers van kroon! zo wees met Salomo en (hij) groeide (tot) stoel (...) hem van stoel liggers van kroon! oom
38.
en (hij) is gedaald heb gelijk! de priester en (hij) heeft gegeven de profeet en Benaja zoon Jojada en (ik) zal vernietigen en (ik) heb laten vallen en (zij) reedden (tot) Salomo op PRDT kroon! oom en (zij) gingen (met) hem op CHWN
39.
en (hij) nam heb gelijk! de priester (tot) hoorn de olie vanuit de tent en (hij) zalfde (tot) Salomo en (zij) bliezen bij (de) ramshoorn en (zij) spraken alle het volk leve! kroon! Salomo
40.
en (zij) verhieven alle het volk na hem en het volk ontheiligen bij (de) doden en maak blij! (...) hen vreugde grootheid WTBQO het land bij (de) klank (...) hen
41.
en (hij) hoorde toe Adonia en alle (is het zo) dat noem! (...) hen die (met) hem en zij kunt! aan eten en (hij) hoorde toe Joab (tot) klank de ramshoorn en (hij) sprak waarom? klank de stad ruis(t)
42.
hij (...) nog woestijn en hier is Jonathan zoon Abjathar de priester (hij) is gekomen en (hij) sprak Adonia (hij) is gekomen dat man macht (met) haar en goede (jij) kondigde aan
43.
en wegens Jonathan en (hij) sprak aan Adonia rouw liggers (...) ons kroon! oom (hij) heeft gekroond (tot) Salomo
44.
en (hij) zond weg (met) hem kroon! (tot) heb gelijk! de priester en (tot) (hij) heeft gegeven de profeet en Benaja zoon Jojada en (ik) zal vernietigen en (ik) heb laten vallen en (zij) reedden (met) hem op PRDT kroon!
45.
en (zij) zalfden (met) hem heb gelijk! de priester en (hij) heeft gegeven de profeet aan koning BCHWN en (zij) verhieven van daar maak blij! (...) hen en (zij) ruiste de stad hij de klank die (jullie) hebben toegehoord
46.
en ook inwoner Salomo op stoel (is het zo) dat heers! (er)naar
47.
en ook (zij) zijn gekomen werk! kroon! te zegenen (tot) liggers (...) ons kroon! oom te spreken (hij) was goed jouw God (tot) daar Salomo van naam (...) jou en (hij) groeide (tot) stoel (...) hem van stoel (...) jou en (hij) boog zich diep kroon! op de bed
48.
en ook zodoende woord kroon! gezegende Jahweh mijn God Israël die (hij) heeft gegeven vandaag inwoner op stoelen van en bestudeer! zicht
49.
en (zij) schroken en (zij) wraakten alle (is het zo) dat noem! (...) hen die aan Adonia en (zij) gingen man aan weg (...) hem
50.
en Adonia gezien van aanzicht van Salomo en (hij) stond op en (hij) ging en (hij) versterkte bij (de) hoornen het altaar
51.
en (hij) werd verteld aan Salomo te spreken hier is Adonia gezien (tot) kroon! Salomo en hier is Achaz bij (de) hoornen het altaar te spreken (hij) was verzadigd aan mij zoals dag kroon! Salomo als (hij) doodde (tot) (zij) hebben gewerkt bij (het) zwaard
52.
en (hij) sprak Salomo als (hij) was tot zoon macht niet (je) zult vallen MSORTW naar land en als herder (jij) vond bij hem en dode
53.
en (hij) zond weg kroon! Salomo en (zij) werden naar beneden gehaald (...) hem boven het altaar en (hij) kwam en (hij) boog zich diep aan koning Salomo en (hij) sprak als Salomo aan jou aan huis (...) jou

Hoofdstuk 2

1.
en (zij) brachten nader dagen van oom te sterven en (hij) gaf opdracht (tot) Salomo bij ons te spreken
2.
ik beweging bij (de) weg alle het land en (jij) bent sterk geworden en (jij) bent geweest aan man
3.
en (jij) hebt gehouden (tot) bewaring Jahweh jouw God te gaan bij (de) wegen (...) hem te bewaren grondwetten (...) hem voorschriften (...) hem en rechtsregels (...) hem en getuigen (...) hem zoals geschreven bij (het) Wetboek van Mozes opdat (jij) werd wijs (tot) alle die (jij) deed en (tot) alle die (jij) wendde je daar
4.
opdat (hij) vestigde Jahweh (tot) spreekt! die woord op mij te spreken als (zij) bewaarden zonen (...) jou (tot) generatie (...) jullie te gaan voor bij (de) waarheid in alle hart (...) hen en in alle ziel (...) hen te spreken niet (hij) hakte af aan jou man boven stoel Israël
5.
en ook (met) haar (jij) hebt geweten (tot) die (hij) heeft gedaan aan mij Joab zoon Zeruja die (hij) heeft gedaan aan tweede Sarai legers Israël aan Abner zoon licht en aan Amasa zoon rest en (hij) doodde (...) hen en pas toe! lijk! strijd bij (de) gehele en (hij) gaf lijk! strijd bij (jij) hebt omgord (...) hem die bij (de) lendenen (...) hem en bij (de) schoen (...) hem die bij (de) voeten (...) hem
6.
en (jij) hebt gedaan als (jij) bent wijs geworden (...) jou noch (jij) werd naar beneden gehaald ouderdom (...) hem bij (de) gehele (hij) heeft gevraagd
7.
en aan zonen van ijzer-en van de gedenktekens van (jij) deed genade en (zij) zijn geweest bij eet! tafel (...) jou dat zo (zij) hebben nader gebracht naar mij bij vlucht! van aanzicht van Absalom broers (...) jou
8.
en hier is met jou hoor toe! zoon Gera zoon de rechterhanden van van Bahurim en hij vervloek! (...) mij vervloeking NMRßT bij (de) dag te gaan (...) mij kampen en hij (hij) is gedaald mij tegemoet de Jordaan en (ik) zwoer als bij Jahweh te spreken als (ik) doodde (...) jou bij (het) zwaard
9.
en nu naar (jij) maakte schoon (...) hem dat man wijze (met) haar en (jij) hebt geweten (tot) die (jij) deed als en (jij) bent naar beneden gehaald (tot) ouderdom (...) hem bij (het) bloed dodenrijk
10.
en (hij) lag neer oom met vaders (...) hem en (hij) begroef bij (de) stad oom
11.
en de dagen die koning oom op Israël veertig jaar bij Hebron koning zeven twee en met Jeruzalem koning dertig en drie twee
12.
en Salomo inwoner op stoel oom vader (...) hem en (jij) bereidde koningin (...) hem zeer
13.
en (hij) kwam Adonia zoon HCIT naar dochter zeven als Salomo en (jij) sprak de vrede (hij) is gekomen (...) jou en (hij) sprak vrede
14.
en (hij) sprak woord aan mij naar jou en (jij) sprak woord
15.
en (hij) sprak (tot) (jij) hebt geweten dat aan mij (zij) is geweest (is het zo) dat heers! (er)naar en op mij zijn naam alle Israël aanzichten (...) hen aan koning en (jij) legde opzij (is het zo) dat heers! (er)naar en (zij) was aan broer dat van Jahweh (zij) is geweest als
16.
en nu vraag één ik (hij) heeft gevraagd van jou naar Thisbiet (tot) aanzicht van en (jij) sprak naar hem woord
17.
en (hij) sprak Amoriet toch aan Salomo kroon! dat niet (hij) gaf terug (tot) aanzichten (...) jou en (hij) gaf aan mij (tot) Abisag (de) Sunamitische aan vrouw
18.
en (jij) sprak dochter zeven goede ik (ik) sprak op jou naar kroon!
19.
en (zij) kwam dochter zeven naar kroon! Salomo te spreken als op Adonia en (hij) stond op kroon! haar tegemoet en (hij) boog zich diep aan haar en inwoner op stoel (...) hem en pas toe! stoel natie kroon! en (jij) woonde aan dagen (...) ons
20.
en (jij) sprak vraag één kleine ik (jij) hebt gevraagd van jou naar (jij) woonde (tot) aanzicht van en (hij) sprak aan haar kroon! vraag! moeder (...) mij dat niet (ik) gaf terug (tot) aanzichten (...) jou
21.
en (jij) sprak (hij) gaf (tot) Abisag (de) Sunamitische aan Adonia broers (...) jou aan vrouw
22.
en wegens kroon! Salomo en (hij) sprak natie (...) hem en waarom (tot) (jij) hebt gevraagd (tot) Abisag (de) Sunamitische aan Adonia en vraag! als (tot) (is het zo) dat heers! (er)naar dat hij broer (de) grote (van)uit mij en als en aan Abjathar de priester en aan Joab zoon Zeruja
23.
en (hij) was verzadigd kroon! Salomo bij Jahweh te spreken zo (zij) heeft gemaakt aan mij God en zo (hij) voegde toe dat bij (de) ziel (...) hem woord Adonia (tot) het woord deze
24.
en nu levende Jahweh die (hij) heeft voorbereid (...) mij WIWSIBINI op stoel oom vader en die (hij) heeft gedaan aan mij huis zoals woord dat vandaag (hij) zal worden laten sterven Adonia
25.
en (hij) zond weg kroon! Salomo bij (de) hand Benaja zoon Jojada en (hij) trof bij hem en (hij) stierf
26.
en aan Abjathar de priester woord kroon! ONTT aan jou op roven (...) jou dat man dood (met) haar en bij (de) dag deze niet (ik) doodde (...) jou dat (jij) hebt gedragen (tot) kist liggers van Jahweh voor oom vader en dat ETONIT in alle die (is het zo) dat (jij) antwoordde vader
27.
en (hij) verjoeg Salomo (tot) Abjathar om te zijn priester aan Jahweh vol te zijn (tot) woord Jahweh die woord op huis op mij bij Sela
28.
en laat horen! (er)naar kom(t) tot Joab dat Joab (wij) bogen om na naar liggers en na Absalom niet (wij) bogen om en (hij) vluchtte Joab naar tent Jahweh en (hij) versterkte bij (de) hoornen het altaar
29.
en (hij) werd verteld aan koning Salomo dat teken Joab naar tent Jahweh en hier is naast het altaar en (hij) zond weg Salomo (tot) Benaja zoon Jojada te spreken aan jou (hij) heeft getroffen bij hem
30.
en (hij) kwam Benaja naar tent Jahweh en (hij) sprak naar hem zo woord kroon! ga weg! en (hij) sprak niet dat mond (ik) stierf en inwoner Benaja (tot) kroon! woord te spreken zo woord Joab en zo wolken van
31.
en (hij) sprak als kroon! (hij) heeft gedaan zoals woord en (hij) heeft getroffen bij hem en (jij) hebt begraven (...) hem WEXIRT lijk! gratis die monding Joab ontvreemd! en boven huis vader
32.
en (hij) heeft teruggegeven Jahweh (tot) (zij) hebben geleken op hoofd (...) hem die (hij) heeft getroffen bij (de) tweede mensen rechtvaardigheid-en en ben goed! (...) hen (van)uit hem en (hij) doodde (...) hen bij (het) zwaard en vader oom niet (hij) heeft geweten (tot) Abner zoon licht aanvoerder leger Israël en (tot) Amasa zoon rest aanvoerder leger Juda
33.
en woont! bloed (...) hen bij (het) hoofd Joab en bij (het) hoofd (zij) hebben gezaaid aan eeuwigheid en aan oom en te zaaien (...) hem en aan huis (...) hem en aan stoel (...) hem (hij) was vrede tot eeuwigheid bij vandaan Jahweh
34.
en (hij) verhief Benaja zoon Jojada en (hij) trof bij hem en (zij) stierven (...) hem en (hij) begroef bij (het) huis (...) hem bij (de) woestijn
35.
en (hij) gaf kroon! (tot) Benaja zoon Jojada in de plaats van hem op de leger en (tot) heb gelijk! de priester (hij) heeft gegeven kroon! in de plaats van Abjathar
36.
en (hij) zond weg kroon! en (hij) noemde toe te horen (...) mij en (hij) sprak als (hij) heeft gebouwd aan jou huis bij Jeruzalem en (jij) hebt gewoond daar noch (jij) ging uit van daar waarheen? en waarheen?
37.
en (hij) is geweest bij (de) dag uit te gaan (...) jou en (jij) bent voorbijgegaan (tot) wadi (zij) zijn donker geworden (...) hen (hij) heeft geweten (jij) wist dat dood (jij) stierf bloed (...) jou (hij) was bij (het) hoofd (...) jou
38.
en (hij) sprak hoor toe! aan koning goede het woord zoals woord liggers van kroon! zo (zij) heeft gemaakt slaaf (...) jou en inwoner hoor toe! bij Jeruzalem dagen twisten
39.
en wees van eind drie twee en (zij) vluchtten tweede slaven toe te horen (...) mij naar Achis zoon Maächa koning wijnpers en (zij) vertelden toe te horen (...) mij te spreken hier is slaven (...) jou bij (de) wijnpers
40.
en (hij) stond op hoor toe! en (hij) verbond (tot) klei (...) hem en (hij) ging naar wijnpers naar Achis te zoeken (tot) slaven (...) hem en (hij) ging hoor toe! en (hij) kwam (tot) slaven (...) hem van wijnpers
41.
en (hij) werd verteld aan Salomo dat beweging hoor toe! van Jeruzalem wijnpers en inwoner
42.
en (hij) zond weg kroon! en (hij) noemde toe te horen (...) mij en (hij) sprak naar hem immers (is het zo) dat (ik) ben verzadigd geweest (...) jou bij Jahweh WAOD bij jou te spreken bij (de) dag uit te gaan (...) jou en (jij) bent gegaan waarheen? en waarheen? (hij) heeft geweten (jij) wist dat dood (jij) stierf en (jij) sprak naar mij goede het woord (ik) heb toegehoord
43.
en waarom? niet (jij) hebt gehouden (tot) zeven Jahweh en (tot) het voorschrift die (ik) heb opdracht gegeven op jou
44.
en (hij) sprak kroon! naar hoor toe! (met) haar (jij) hebt geweten (tot) alle de herder die (hij) heeft geweten hart (...) jou die (jij) hebt gedaan aan oom vader en (hij) heeft teruggegeven Jahweh (tot) medemens (...) jou bij (het) hoofd (...) jou
45.
en kroon! Salomo gezegende en stoel oom (hij) was juiste voor Jahweh tot eeuwigheid
46.
en (hij) gaf opdracht kroon! (tot) Benaja zoon Jojada en uitgaande en (hij) trof bij hem en (hij) stierf en het rijk juiste bij (de) hand Salomo

Hoofdstuk 3

1.
WITHTN Salomo (tot) farao koning Egypte en (hij) nam (tot) dochter farao en (hij) bracht (er)naar naar stad oom tot schoondochter (...) hem te bouwen (tot) huis (...) hem en (tot) huis Jahweh en (tot) muur van Jeruzalem rondom
2.
lege het volk altaars bij (de) verhogingen dat niet (wij) bouwden huis aan naam Jahweh tot de dagen die
3.
en (hij) had lief Salomo (tot) Jahweh te gaan bij (de) grondwetten oom vader (...) hem lege bij (de) verhogingen hij altaar en laat roken
4.
en (hij) ging kroon! CBONE aan slachting daar dat zij de verhoging de grootheid duizend beklimmingen (hij) verhief Salomo op het altaar dat
5.
bij Gibeon (wij) lieten zien Jahweh naar Salomo bij (de) droom de nacht en (hij) sprak God (hij) heeft gevraagd wat? (met) hen aan jou
6.
en (hij) sprak Salomo (met) haar (jij) hebt gedaan met slaaf (...) jou oom vader genade grote zoals beweging voor jou bij (de) waarheid en bij (de) weldadigheid en (jij) hebt aangekondigd hart met jou en (jij) bewaarde als (tot) de genade (de) grote deze en te geven (...) hen als zoon inwoner op stoel (...) hem zoals dag deze
7.
en nu Jahweh mijn God (met) haar (jij) hebt gekroond (tot) slaaf (...) jou in de plaats van oom vader en ik jeugd kleine niet (ik) wist uit te gaan en (hij) is gekomen
8.
en slaaf (...) jou binnen met jou die (jij) hebt gekozen met meerderheid die niet (hij) benoemde noch (hij) vertelde van meerderheid
9.
en (jij) hebt gegeven te bewerken (...) jou hart nieuws aan rechter (tot) met jou te begrijpen tussen goede aan kwaad dat water van (hij) zal kunnen aan rechter (tot) met jou de lever deze
10.
en (hij) was goed het woord bij bestudeer! liggers van dat (hij) heeft gevraagd Salomo (tot) het woord deze
11.
en (hij) sprak God naar hem wegens die (jij) hebt gevraagd (tot) het woord deze noch (jij) hebt gevraagd aan jou dagen twisten noch (jij) hebt gevraagd aan jou rijkdom noch (jij) hebt gevraagd ziel vijanden (...) jou en (jij) hebt gevraagd aan jou (hij) heeft begrepen aan nieuws rechtsregel
12.
hier is (ik) heb gedaan zoals woorden (...) jou hier is (ik) heb gegeven aan jou hart wijze en verstandige die zoals jij niet (hij) is geweest voor jou en na jou niet (hij) wraakte zoals jij
13.
en ook die niet (jij) hebt gevraagd (ik) heb gegeven aan jou ook rijkdom ook eer die niet (hij) is geweest zoals jij man bij (de) koningen alle dagen (...) jou
14.
en als (jij) ging bij (de) wegen van te bewaren wetten van en voorschrift (...) mij zoals beweging David vader (...) jou en (ik) heb verlengd (tot) dagen (...) jou
15.
en (hij) is wakker geworden Salomo en hier is droom en invoer Jeruzalem en (hij) stond vast voor kist verbond liggers van en (hij) verhief beklimmingen en (hij) heeft gemaakt vergoedingen en (hij) heeft gemaakt banket aan alle slaven (...) hem
16.
destijds (zij) kwam (...) haar twee worden verlaten hoererij naar kroon! en (jullie) stondden vast voor hem
17.
en (jij) sprak de vrouw de één bij mij liggers van ik en de vrouw (de) deze (jij) hebt gewoond bij (het) huis één en (ik) baarde met haar bij (het) huis
18.
en wees bij (de) dag (de) derde te baren (...) mij en (jij) baarde ook de vrouw (de) deze en wij samen (er is) niet krans (met) ons bij (het) huis behalve twee wij bij (het) huis
19.
en (hij) stierf zoon de vrouw (de) deze nacht die (zij) heeft gelegen op hem
20.
en (zij) stond op binnen de nacht en (jij) nam (tot) bouw! MAßLI en waarheid (...) jou er is (...) haar WTSKIBEW naar bij (de) boezem en (tot) (hij) heeft gebouwd dood! ESKIBE bij (de) boezems van
21.
WAQM bij (het) rundvee LEINIQ (tot) bouw! en hier is dode en (ik) beschouwde naar hem bij (het) rundvee en hier is niet (hij) is geweest bouw! die (ik) heb gebaard
22.
en (jij) sprak de vrouw (de) andere niet dat bouw! (de) levende en zoon (...) jou dood! en deze (jij) hebt gesproken niet dat zoon (...) jou dood! en bouw! (de) levende en (jullie) spraken voor kroon!
23.
en (hij) sprak kroon! deze (jij) hebt gesproken dit bouw! (de) levende en zoon (...) jou dood! en deze (jij) hebt gesproken niet dat zoon (...) jou dood! en bouw! (de) levende
24.
en (hij) sprak kroon! neemt! aan mij zwaard en voert in! het zwaard voor kroon!
25.
en (hij) sprak kroon! wortel (...) hem (tot) het kind (de) levende aan twee en geeft! (tot) (de) halve aan één en (tot) (de) halve aan één
26.
en (jij) sprak de vrouw die (hij) heeft gebouwd (de) levende naar kroon! dat NKMRW heb medelijden! (er)naar op (hij) heeft gebouwd en (jij) sprak bij mij liggers van geeft! aan haar (tot) EILWD (de) levende en dood! naar (jullie) doodden (...) hem en deze (jij) hebt gesproken ook aan mij ook aan jou niet (hij) was wortel (...) hem
27.
en wegens kroon! en (hij) sprak geeft! aan haar (tot) EILWD (de) levende en dood! niet (jullie) doodden (...) hem zij moeder (...) hem
28.
en (zij) hoorden toe alle Israël (tot) de rechtsregel die rechter kroon! en (zij) lieten zien van aanzicht van kroon! dat (zij) hebben gezien dat (jij) bent wijs geworden God bij (zij) hebben nader gebracht te doen rechtsregel

Hoofdstuk 4

1.
en wees kroon! Salomo koning op alle Israël
2.
en deze (is het zo) dat zingen die als Azarja zoon heb gelijk! de priester
3.
ALIHRP en (ik) leefde bouw! dat (hij) droeg boeken Josafat zoon AHILWD de sekretaris
4.
en Benaja zoon Jojada op de leger en heb gelijk! en Abjathar priesters
5.
en Azarja zoon (hij) heeft gegeven op de heft-en WZBWD zoon (hij) heeft gegeven priester herder kroon!
6.
WAHISR op het huis WADNIRM zoon OBDA op de belasting
7.
en aan Salomo twee rijkdom heft-en op alle Israël WKLKLW (tot) kroon! en (tot) huis (...) hem maand in het jaar (hij) was op één LKLKL
8.
en deze namen (...) hen zoon Hur bij (de) heuvel Efraïm
9.
zoon DQR BMQß WBSOLBIM en huis zon en Elon huis (hij) heeft gratie verleend
10.
zoon genade bij (de) sprinkhanen als SKE en alle land Hefer
11.
zoon Abinadab alle NPT DAR ÐPT dochter Salomo (zij) is geweest als aan vrouw
12.
BONA zoon AHILWD (zij) antwoordde (...) jou en Megiddo en alle huis draag! (...) hen die naast ßRTNE onder vandaan aan Jizreël van huis draag! (...) hen tot rouw Mehola tot trek(t) door LIQMOM
13.
zoon man bij (jij) bent hoog geweest gedenkteken als boerderij van (hij) verlichtte zoon Manasse die bij (het) gedenkteken als koord Argob die bij (de) Basan zestig steden groeiende (mv) muur en grendel koper
14.
AHINDB zoon ODA MHNIME
15.
Ahimaaz bij Nafthali ook hij lering (tot) bij (jij) hebt geplaatst dochter Salomo aan vrouw
16.
BONA zoon haast je! wat betreft en bij (de) beklimmingen
17.
Josafat zoon bloeie! bij Issaschar
18.
hoor toe! zoon ALA bij Benjamin
19.
man zoon leeuw bij (het) land gedenkteken land Sihon koning de Amoriet en (hij) heeft cirkel getrokken koning de Basan en (wij) stelden op één die bij (het) land
20.
Juda en Israël twisten zoals zand die op de zee aan meerderheid eten-en en twee en maak blij! (...) hen

Hoofdstuk 5

1.
en Salomo (hij) is geweest heers(t) in alle de rijken vanuit de rivier land Filistijnen en tot grens Egypte MCSIM geschenk en slaven (tot) Salomo alle dagen van leef! (...) hem
2.
en wees brood Salomo aan dag één dertig veld bloem(meel) en zestig veld meel
3.
tien rundvee schep! (...) hen en twintig rundvee achtervolg! en honderd kleinvee alleen van ram en pracht WIHMWR WBRBRIM troggen
4.
dat hij daal! (er)naar in alle kant de rivier MTPXH en tot naar kracht in alle heers! kant de rivier en vrede (hij) is geweest als van alle kanten (...) hem van rondom
5.
en inwoner Juda en Israël zich te verzekeren man in de plaats van wijnstok (...) hem en in de plaats van TANTW van Dan en tot put zeven alle dagen van Salomo
6.
en wees aan Salomo veertig duizend ARWT paarden tot van wagen (...) hem en twee rijkdom duizend ruiters
7.
WKLKLW de heft-en (de) deze (tot) kroon! Salomo en (tot) alle bied aan! naar tafel kroon! Salomo man maand (...) hem niet IODRW woord
8.
en de poorten en het haksel aan paarden WLRKS voert in! naar de plaats die (hij) was daar man zoals rechtsregel (...) hem
9.
en (hij) gaf God wijsheid aan Salomo en wijsheid veel zeer en breedte hart zoals zand die op oever van de zee
10.
en (zij) vermeerderde (jij) bent wijs geworden Salomo van wijsheid van alle bouw! voorkant en van alle (jij) bent wijs geworden Egypte
11.
en (hij) werd wijs van alle de mens van sterke de burgers van en Heman WKLKL WDRDO bouw! van zand en wees zijn naam in alle de volken rondom
12.
en (hij) sprak drie van duizenden heerser en wees zingt! vijf en duizend
13.
en (hij) sprak op de bomen vanuit de ceder die bij (de) Libanon en tot (is het zo) dat (ik) vloeide die uitgaande bij (de) muur en (hij) sprak op de vee en op de vogel en op de kruipend gedierte en op de vissen
14.
en voert in! van alle de volkeren aan nieuws (tot) (jij) bent wijs geworden Salomo honderd alle heers! het land die (zij) hebben toegehoord (tot) wijsheid (...) hem
15.
en (hij) zond weg Hiram koning rots (tot) slaven (...) hem naar Salomo dat nieuws dat (met) hem (zij) hebben gezalfd aan koning in de plaats van vader (...) hem dat (hij) heeft liefgehad (hij) is geweest Hiram aan oom alle de dagen
16.
en (hij) zond weg Salomo naar Hiram te spreken
17.
(met) haar (jij) hebt geweten (tot) oom vader dat niet (hij) heeft gekund te bouwen huis aan naam Jahweh zijn God van aanzicht van de strijd die (zij) is rondgegaan (...) hem tot te geven Jahweh (met) hen in de plaats van zoals monden voet (...) hem
18.
en nu (hij) heeft rust gegeven Jahweh mijn God aan mij van rondom (er is) niet satan en (er is) niet (hij) heeft getroffen kwaad
19.
en hier ben ik woord te bouwen huis aan naam Jahweh mijn God zoals woord Jahweh naar oom vader te spreken zoon (...) jou die (met) hen in de plaats van jou op stoel (...) jou hij (hij) bouwde het huis aan namen van
20.
en nu geef opdracht! en (zij) hakten af aan mij ceders vanuit de Libanon en werk! (zij) waren met slaven (...) jou en beloning slaven (...) jou (met) hen aan jou zoals alle die (jij) sprak dat (met) haar (jij) hebt geweten dat (er is) niet bij ons man (hij) heeft geweten LKRT bomen KßDNIM
21.
en wees toen Hiram (tot) spreek! Salomo en (hij) maakte blij zeer en (hij) sprak gezegende Jahweh vandaag die (hij) heeft gegeven aan oom zoon wijze op het volk de meerderheid deze
22.
en (hij) zond weg Hiram naar Salomo te spreken (ik) heb toegehoord (tot) die (jij) hebt gezonden naar mij ik (ik) werd gedaan (tot) alle wens (...) jou bij (de) houten ceders en bij (de) bomen van cipressen
23.
werk! (zij) zijn gedaald vanuit de Libanon naar dag en ik (ik) plaatste (...) hen woorden bij (de) zee tot de plaats die (jij) zond weg naar mij en (ik) heb verspreid (...) hen daar en (met) haar (jij) droeg en (met) haar (jij) deed (tot) wens! te geven brood huis-en van
24.
en wees HIRWM (hij) heeft gegeven aan Salomo houten ceders en houten cipressen alle (zij) hebben gewenst
25.
en Salomo (hij) heeft gegeven aan Hiram twintig duizend veld tarwe om te kunnen aan huis (...) hem en twintig veld olie fijngestampte zo (hij) gaf Salomo aan Hiram jaar in het jaar
26.
en Jahweh (hij) heeft gegeven wijsheid aan Salomo zoals woord als en wees gehele tussen Hiram en tussen Salomo en (zij) hakten af verbond die twee
27.
en (hij) verhief kroon! Salomo belasting van alle Israël en wees de belasting dertig duizend man
28.
en (hij) zond weg (...) hen naar Libanon tiental duizenden bij (de) maand HLIPWT maand (zij) waren bij (de) Libanon twee maanden bij (het) huis (...) hem WADNIRM op de belasting
29.
en wees aan Salomo zeventig duizend verheven XBL en tachtig duizend HßB bij (de) heuvel
30.
alleen van Sarai de heft-en aan Salomo die op het handwerk drie van duizenden en drie honderd (is het zo) dat daal! (...) hen bij (het) volk (is het zo) dat maak! (...) hen bij (het) handwerk
31.
en (hij) gaf opdracht kroon! en (zij) reisden stenen groeiende (mv) stenen waardevolle (mv) te vestigen het huis stenen van bewerkte steen
32.
en (zij) houwden bouw! Salomo en bouw! HIRWM WECBLIM en (zij) bereidden voor de bomen en de stenen te bouwen het huis

Hoofdstuk 6

1.
en wees bij tachtig jaar en vier honderd jaar uit te gaan bouw! Israël van land Egypte in het jaar ERBIOIT bij (de) maand deze hij de maand (de) tweede aan koning Salomo op Israël en (hij) bouwde het huis aan Jahweh
2.
en het huis die (hij) heeft gebouwd kroon! Salomo aan Jahweh zestig natie (zij) hebben geduurd en twintig (zij) zijn breder geworden en dertig natie hoogte (...) hem
3.
en de zaal op aanzicht van paleis het huis twintig natie (zij) hebben geduurd op aanzicht van breedte het huis rijkdom bij (de) natie (zij) zijn breder geworden op aanzicht van het huis
4.
en (hij) heeft gemaakt aan huis (zij) zijn ziek geworden (...) mij SQPIM AÐWMIM
5.
en (hij) bouwde op muur het huis IßWO rondom (tot) muren het huis rondom aan paleis en aan aanspraakplaats en (hij) heeft gemaakt ribben rondom
6.
EIßWO ETHTNE vijf bij (de) natie plein WETIKNE zes bij (de) natie plein WESLISIT zeven bij (de) natie plein dat MCROWT (hij) heeft gegeven aan huis rondom naar straat opdat niet Achaz bij (de) muren het huis
7.
en het huis bij (jij) hebt begrepen (...) hem steen Salomo tocht (wij) bouwden WMQBWT WECRZN alle gereedschap ijzer niet (wij) hoorden toe bij (het) huis bij (jij) hebt begrepen (...) hem
8.
opening de rib (is het zo) dat (zij) is eerlijk geweest naar schouder het huis rechtse en vermengde (mv) (zij) verhieven op (is het zo) dat (zij) is eerlijk geweest en vanuit (is het zo) dat (zij) is eerlijk geweest naar de dertig
9.
en (hij) bouwde (tot) het huis en (zij) heeft gekund (...) hem en (hij) heeft toegevoegd (...) hen (tot) het huis CBIM WSDRT bij (de) ceders
10.
en (hij) bouwde (tot) EIßWO op alle het huis vijf (ik) stierf hoogte (...) hem en (hij) greep (tot) het huis bij (de) houten ceders
11.
en wees woord Jahweh naar Salomo te spreken
12.
het huis deze die (met) haar (hij) heeft gebouwd als (jij) ging bij (de) grondwet (...) mij en (tot) rechtsregels van (jij) deed en (jij) hebt gehouden (tot) alle voorschrift (...) mij te gaan bij hen en (ik) heb gevestigd (tot) spreek! (met) jou die woord (...) mij naar oom vader (...) jou
13.
en (ik) heb gewoond binnen bouw! Israël noch (ik) verliet (tot) met mij Israël
14.
en (hij) bouwde Salomo (tot) het huis en (zij) heeft gekund (...) hem
15.
en (hij) bouwde (tot) muren het huis naar van huis bij (de) ribben ceders MQRQO het huis tot muren (is het zo) dat voeg toe! (...) hen wachter boom van huis en (hij) overtrok (tot) QRQO het huis bij (de) ribben cipressen
16.
en (hij) bouwde (tot) twintig natie van heupen (...) mij het huis bij (de) ribben ceders vanuit EQRQO tot de muren en (hij) bouwde als van huis aan aanspraakplaats te heiligen de heiligheden
17.
en veertig bij (de) natie (hij) is geweest het huis hij het paleis voor
18.
en ceder naar het huis naar aanzicht MQLOT PQOIM en laat vrij! (...) mij ßßIM (de) alle ceder (er is) niet steen (wij) lieten zien
19.
en aanspraakplaats binnen het huis naar van aanzicht (hij) heeft voorbereid te geven (...) hen daar (tot) kist verbond Jahweh
20.
en voor de aanspraakplaats twintig natie lange en twintig natie breedte en twintig natie hoogte (...) hem en (hij) overtrok (...) hem goud slot en (hij) overtrok altaar ceder
21.
en (hij) overtrok Salomo (tot) het huis naar van aanzicht goud slot en (hij) ging voorbij BRTIQWT goud voor de aanspraakplaats en (hij) overtrok (...) hem goud
22.
en (tot) alle het huis wachter goud tot onschuldige alle het huis en alle het altaar die aan aanspraakplaats wachter goud
23.
en (hij) heeft gemaakt bij (de) aanspraakplaats tweede als zijn veel houten olie rijkdom (ik) stierf hoogte (...) hem
24.
en vijf (ik) stierf vleugel de beeld van meerderheid de één en vijf (ik) stierf vleugel de beeld van meerderheid de tweede rijkdom (ik) stierf van einden vleugels (...) hem en tot einden vleugels (...) hem
25.
en rijkdom bij (de) natie de beeld van meerderheid (de) tweede maat één WQßB één aan tweede de beelden van meerderheid
26.
hoogte van de beeld van meerderheid de één rijkdom bij (de) natie en zo de beeld van meerderheid (de) tweede
27.
en (hij) gaf (tot) de beelden van meerderheid binnen het huis (de) binnenste en (zij) spreidden uit (tot) vleugels van de beelden van meerderheid en (zij) stierf vleugel de één bij (de) muur en vleugel de beeld van meerderheid (de) tweede (jij) hebt aangeraakt bij (de) muur (de) tweede en vleugels (...) hen naar midden het huis (jij) hebt aangeraakt vleugel naar vleugel
28.
en (hij) overtrok (tot) de beelden van meerderheid goud
29.
en (tot) alle muren het huis leg(t) opzij gordijn open! (...) mij MQLOWT als zijn veel en (jij) bent opgerezen en laat vrij! (...) mij ßßIM weg van aanzicht WLHIßWN
30.
en (tot) QRQO het huis wachter goud naar aan aanzicht WLHIßWN
31.
en (tot) opening de aanspraakplaats (hij) heeft gedaan deuren houten olie de ram deurposten HMSIT
32.
en schering deuren houten olie en gordijn op hen MQLOWT als zijn veel en (jij) bent opgerezen en laat vrij! (...) mij ßßIM en wachter goud en (hij) is gedaald op de beelden van meerderheid en op ETMRWT (tot) het goud
33.
en zo (hij) heeft gedaan open te doen het paleis deurposten houten olie honderd vierde
34.
en schering deuren houten cipressen tweede ßLOIM de deur de één CLILIM en tweede gordijnen de deur de tweede CLILIM
35.
en gordijn als zijn veel WTMRWT en laat vrij! ßßIM en wachter goud effen(t) op EMHQE
36.
en (hij) bouwde (tot) het grondgebied (de) binnenste drie kolommen van bewerkte steen en kolom (jij) hebt afgehakt ceders
37.
in het jaar ERBIOIT vestig! huis Jahweh bij (de) maan deze
38.
en in het jaar de één tien bij (de) maan BWL hij de maand (de) achtste schoondochter het huis aan alle woorden (...) hem en aan alle rechtsregel (...) hem en (hij) bouwde (...) hem zeven twee

Hoofdstuk 7

1.
en (tot) huis (...) hem (hij) heeft gebouwd Salomo drie tien jaar en (hij) heeft gekund (tot) alle huis (...) hem
2.
en (hij) bouwde (tot) huis bos de Libanon honderd natie (zij) hebben geduurd en vijftig natie (zij) zijn breder geworden en dertig natie hoogte (...) hem op vier kolommen van staanders van ceders WKRTWT ceders op de staanders
3.
en voeg toe! (...) hen bij (de) ceder boven op de ribben die op de staanders veertig en vijf vijf rijkdom de kolom
4.
WSQPIM drie kolommen en van borst naar van borst drie twee keer
5.
en alle de openingen en de deurposten kwart (mv) SQP en tegenover van borst naar van borst drie twee keer
6.
en (tot) maar de staanders (hij) heeft gedaan vijftig natie (zij) hebben geduurd en dertig natie (zij) zijn breder geworden daarentegen op aanzichten (...) hen en staanders en wolk op aanzichten (...) hen
7.
daarentegen de stoel die (hij) berechtte daar voorhal de rechtsregel (hij) heeft gedaan en voegt toe! (...) hen bij (de) ceder MEQRQO tot EQRQO
8.
en huis (...) hem die inwoner daar grondgebied (de) andere van huis aan zaal zoals Mozes deze (hij) is geweest en huis (zij) heeft gemaakt aan dochter farao die lering Salomo zoals zaal deze
9.
alle deze stenen IQRT zoals maten bewerkte steen MCRRWT BMCRE van huis en buiten WMMXD tot EÐPHWT en buiten tot het grondgebied de grootheid
10.
en vestig(t) stenen waardevolle (mv) stenen groeiende (mv) stenen van rijkdom (ik) stierf en stenen van acht (ik) stierf
11.
WMLMOLE stenen waardevolle (mv) zoals maten bewerkte steen en ceder
12.
en grondgebied de grootheid rondom drie kolommen bewerkte steen en kolom (jij) hebt afgehakt ceders en aan grondgebied huis Jahweh (de) binnenste en aan voorhal het huis
13.
en (hij) zond weg kroon! Salomo en (hij) nam (tot) Hiram van smalle
14.
zoon vrouw weduwe hij van stam Nafthali en vader (...) hem man schep! stille koper en (hij) was vol (tot) de wijsheid en (tot) de wijsheid en (tot) de kennis te doen alle handwerk bij (het) koper en invoer naar kroon! Salomo en (hij) heeft gemaakt (tot) alle handwerk (...) hem
15.
en fabriceer! (tot) tweede de staanders koper acht tien natie hoogte van de staander de één WHWÐ twee tien natie (hij) legde opzij (tot) de staander (de) tweede
16.
en schering (jij) hebt omsingeld (hij) heeft gedaan te geven op hoofden van de staanders MßQ koper vijf (ik) stierf hoogte van (is het zo) dat (jij) hebt omsingeld de één en vijf (ik) stierf hoogte van (is het zo) dat (jij) hebt omsingeld de tweede
17.
dat ween! (...) hen Mozes dat (hij) heeft geweend grootheden Mozes SRSRWT LKTRT die op hoofd de staanders zeven LKTRT de één en zeven LKTRT de tweede
18.
en (hij) heeft gemaakt (tot) de staanders en tweede kolommen rondom op ESBKE de één aan bekleding (tot) (is het zo) dat (jij) hebt omsingeld die op hoofd de granaatappels en zo (hij) heeft gedaan LKTRT de tweede
19.
en (jij) hebt omsingeld die op hoofd de staanders Mozes Susan bij (de) zaal vier (ik) stierf
20.
en (jij) hebt omsingeld op tweede de staanders ook boven MLOMT de buik die door te trekken dat (hij) heeft geweend en de granaatappels honderd paar ÐRIM rondom op (is het zo) dat (jij) hebt omsingeld de tweede
21.
en (hij) stond op (tot) de staanders aan voorhal het paleis en (hij) stond op (tot) de staander (de) rechtse en (hij) noemde (tot) zijn naam (hij) bereidde voor en (hij) stond op (tot) de staander (de) linkse en (hij) noemde (tot) zijn naam Boaz
22.
en op hoofd de staanders Mozes Susan en (zij) verbaasde zich handwerk van de staanders
23.
en (hij) heeft gemaakt (tot) de zee gegoten rijkdom bij (de) natie van oever (...) hem tot oever (...) hem stierkalf rondom en vijf bij (de) natie hoogte (...) hem en (hij) heeft gehoopt dertig bij (de) natie (hij) legde opzij (met) hem rondom
24.
WPQOIM onder vandaan aan oever (...) hem rondom ga rond! (...) hen (met) hem rijkdom bij (de) natie MQPIM (tot) de zee rondom tweede kolommen EPQOIM IßQIM bij (jij) hebt uitgegoten (...) hem
25.
sta vast! op tweede rijkdom rundvee drie aanzicht naar Noorden en drie aanzicht naar dag en drie aanzicht (zij) heeft afgedroogd en drie aanzicht naar Oosten en de zee op hen weg van hoogte en alle na hen naar huis
26.
en wolken (...) hem handbreedte en oever (...) hem zoals Mozes oever van beker bloem Susan duizenden dochter IKIL
27.
en (hij) heeft gemaakt (tot) de onderstellen rijkdom koper vier bij (de) natie lange naar de plaats de één en vier bij (de) natie plein en drie bij (de) natie hoogte (...) haar
28.
en dit Mozes naar de plaats sluit aan hen en sluit tussen ESLBIM
29.
en op (is het zo) dat sluiten die tussen ESLBIM leeuwen rundvee en beelden van meerderheid en op ESLBIM zo boven en onder vandaan aan leeuwen en te bezoeken LIWT Mozes word(t) naar beneden gehaald
30.
en vier wielen van koper naar aan plaats de één en (hij) is afgeweken (...) mij koper en vier POMTIW schouderband van aan hen onder vandaan aan wasvat de schouderbanden IßQWT trek(t) door man LIWT
31.
en mond van hem van huis LKTRT en hoogte bij (de) natie en naar mond van stierkalf Mozes zo natie en halve de natie en ook op naar mond van MQLOWT WMXCRTIEM van kwart (mv) niet koekalveren
32.
en vier de wielen LMTHT LMXCRWT WIDWT de wielen naar bij (de) plaats en hoogte van de wiel de één natie en halve de natie
33.
en Mozes de wielen zoals Mozes wiel de rijtuig IDWTM WCBIEM en verlangens (...) hen WHSRIEM (de) alle gegoten
34.
en vier schouderbanden naar vier hoeken de onderstel de één vanuit de onderstel naar flanken
35.
en bij (het) hoofd naar de plaats halve de natie hoogte stierkalf rondom en op hoofd de onderstel IDTIE WMXCRTIE (van)uit haar
36.
en (hij) deed open op de panelen [van] IDTIE en op WMXCRTIE als zijn veel leeuwen en (jij) bent opgerezen KMOR man WLIWT rondom
37.
zoals deze (hij) heeft gedaan (tot) rijkdom de onderstellen gegoten één maat één QßB één te beëindigen (...) haar
38.
en (hij) heeft gemaakt tien wasvaten koper veertig dochter IKIL EKIWR de één vier bij (de) natie EKIWR de één KIWR één op naar de plaats de één aan rijkdom de onderstellen
39.
en (hij) gaf (tot) de onderstellen vijf op schouder het huis van rechterhand en vijf op schouder het huis van linkerhand (...) hem en (tot) de zee (hij) heeft gegeven van schouder het huis rechtse (zij) is voorgegaan tegenover Zuiden
40.
en (hij) heeft gemaakt HIRWM (tot) de wasvaten en (tot) de schoffels en (tot) de offerschalen en (hij) heeft gekund Hiram te doen (tot) alle het handwerk die (hij) heeft gedaan aan koning Salomo huis Jahweh
41.
staanders twee en (jij) hebt je verheugd (is het zo) dat (jij) hebt omsingeld die op hoofd de staanders twee WESBKWT twee aan bekleding (tot) schering ballingschap (is het zo) dat (jij) hebt omsingeld die op hoofd de staanders
42.
en (tot) de granaatappels vier honderd aan schering ESBKWT tweede kolommen granaatappels LSBKE de één aan bekleding (tot) schering ballingschap (is het zo) dat (jij) hebt omsingeld die op aanzicht van de staanders
43.
en (tot) de onderstellen rijkdom en (tot) de wasvat van tien op de onderstellen
44.
en (tot) de zee de één en (tot) het rundvee twee rijkdom in de plaats van de zee
45.
en (tot) EXIRWT en (tot) de schoffels en (tot) de offerschalen en (tot) alle (de) alle (mv) de tent die (hij) heeft gedaan Hiram aan koning Salomo huis Jahweh koper MMRÐ
46.
bij (het) plein de Jordaan (hij) heeft uitgegoten (...) hen kroon! BMOBE de aarde tussen hutten en tussen ßRTN
47.
en (hij) rustte Salomo (tot) alle (de) alle (mv) van meerderheid zeer zeer niet NHQR gewicht het koper
48.
en (hij) heeft gemaakt Salomo (tot) alle (de) alle (mv) die huis Jahweh (tot) altaar het goud en (tot) de tafel die op hem brood het aanzicht goud
49.
en (tot) de armaturen vijf van rechterhand en vijf van linkerhand voor de aanspraakplaats goud slot en de bloem en de lamp(en) WEMLQHIM goud
50.
WEXPWT WEMZMRWT en de offerschalen WEKPWT WEMHTWT goud slot WEPTWT aan deuren het huis (de) binnenste te heiligen de heiligheden aan deur (...) mij het huis aan paleis goud
51.
en (jij) betaalde alle het handwerk die (hij) heeft gedaan kroon! Salomo huis Jahweh en (hij) kwam Salomo (tot) heilig! oom vader (...) hem (tot) het zilver en (tot) het goud en (tot) (de) alle (mv) (hij) heeft gegeven bij (de) bergingen huis Jahweh

Hoofdstuk 8

1.
destijds (hij) verzamelde Salomo (tot) ben oud! Israël (tot) alle hoofden van (is het zo) dat buigen om vorsten van de vaders aan zonen van Israël naar kroon! Salomo Jeruzalem aan de beklimmingen (tot) kist verbond Jahweh merk(t) op oom zij Sion
2.
en (zij) verzamelden naar kroon! Salomo alle man Israël bij (de) maan EATNIM bij (het) feest hij de maand (de) zevende
3.
en voert in! alle ben oud! Israël en (zij) droegen de priesters (tot) de kist
4.
en (zij) verhieven (tot) kist Jahweh en (tot) tent ontmoeting en (tot) alle gereedschap wijd! die bij (de) tent en (zij) verhieven (met) hen de priesters en de Levieten
5.
en kroon! Salomo en alle getuige van Israël ENWODIM op hem (met) hem voor de kist altaars kleinvee en rundvee die niet (zij) vertelden noch (zij) benoemden van meerderheid
6.
en voert in! de priesters (tot) kist verbond Jahweh naar plaats (...) hem naar aanspraakplaats het huis naar heiligheid de heiligheden naar in de plaats van vleugels van de beelden van meerderheid
7.
dat de beelden van meerderheid ruiters vleugels naar plaats de kist en (zij) goten uit de beelden van meerderheid op de kist en op takken (...) hem weg van hoogte
8.
en (zij) duurden de takken en (zij) lieten zien hoofden van de takken vanuit wijd! op aanzicht van de aanspraakplaats noch (zij) lieten zien naar de straat en (zij) waren daar tot vandaag deze
9.
(er is) niet bij (de) kist lege tweede frisse (mv) de stenen die geef rust! daar Mozes bij (het) zwaard die (hij) heeft afgehakt Jahweh met bouw! Israël bij uit te gaan (...) hen van land Egypte
10.
en wees bij uit te gaan de priesters vanuit wijd! en de wolk (hij) is vol geweest (tot) huis Jahweh
11.
noch (zij) hebben gekund de priesters vast te staan te dienen van aanzicht van de wolk dat (hij) is vol geweest eer Jahweh (tot) huis Jahweh
12.
destijds woord Salomo Jahweh woord te behuizen bij (de) nevel
13.
(hij) heeft gebouwd (ik) heb gebouwd huis woning aan jou plaats te wonen (...) jou eeuwigheden
14.
en (hij) wendde zich af kroon! (tot) aanzichten (...) hem en (hij) zegende (tot) alle menigte Israël en alle menigte Israël sta vast!
15.
en (hij) sprak gezegende Jahweh mijn God Israël die woord bij (de) monden (...) hem (tot) oom vader en bij (de) hand (...) hem (hij) is vol geweest te spreken
16.
vanuit vandaag die (ik) ben tevoorschijn gehaald (tot) met mij (tot) Israël van Egypte niet (ik) heb gekozen bij (de) stad van alle stammen van Israël te bouwen huis te zijn namen van daar WABHR bij (de) oom te zijn op met mij Israël
17.
en wees met hart oom vader te bouwen huis aan naam Jahweh mijn God Israël
18.
en (hij) sprak Jahweh naar oom vader wegens die (hij) is geweest met hart (...) jou te bouwen huis aan namen van EÐIBT dat (hij) is geweest met hart (...) jou
19.
lege (met) haar niet (jij) bouwde het huis dat als zoon (...) jou de uitgaande MHLßIK hij (hij) bouwde het huis aan namen van
20.
en (hij) stond op Jahweh (tot) spreekt! die woord WAQM in de plaats van oom vader en (ik) woonde op stoel Israël zoals woord Jahweh en (ik) bouwde het huis aan naam Jahweh mijn God Israël
21.
en (hij) heeft zich schuldig gemaakt daar plaats aan kist die daar verbond Jahweh die (hij) heeft afgehakt met vaders (...) ons bij (zij) hebben tevoorschijn gehaald (met) hen van land Egypte
22.
en (hij) stond vast Salomo voor altaar Jahweh tegenover alle menigte Israël en (hij) spreidde uit lepels (...) hem de hemel
23.
en (hij) sprak Jahweh mijn God Israël (er is) niet zoals jij God bij (de) hemel boven en op het land onder vandaan bewaar! het verbond en de genade aan slaven (...) jou de voorbijgangers voor jou in alle hart (...) hen
24.
die (jij) hebt gehouden te bewerken (...) jou oom vader (tot) die woord van als en (jij) sprak bij (de) monden (...) jou en bij (de) hand (...) jou (jij) bent vol geweest zoals dag deze
25.
en nu Jahweh mijn God Israël bewaar! te bewerken (...) jou oom vader (tot) die woord van als te spreken niet (hij) hakte af aan jou man weg van aanzicht van inwoner op stoel Israël lege als (zij) bewaarden zonen (...) jou (tot) generatie (...) jullie te gaan voor zoals (jij) bent gegaan voor
26.
en nu mijn God Israël IAMN toch woorden (...) jou die woord van te bewerken (...) jou oom vader
27.
dat (is het zo) dat echt inwoner God op het land hier is de hemel en naam [van]-en van de hemel niet IKLKLWK neus dat het huis deze die (ik) heb gebouwd
28.
en (jij) hebt je gewend naar gebed van slaaf (...) jou en naar smeekbede (...) hem Jahweh mijn God aan nieuws naar de gezang en naar de gebed die slaaf (...) jou bid(t) voor jou vandaag
29.
te zijn oog (...) jou (jij) hebt geopend naar het huis deze nacht en dag naar de plaats die (jij) hebt gesproken (hij) was namen van daar aan nieuws naar de gebed die (hij) bad slaaf (...) jou naar de plaats deze
30.
en (jij) hebt toegehoord naar smeekbede van slaaf (...) jou en met jou Israël die (zij) badden naar de plaats deze en (met) haar (jij) hoorde toe naar plaats sabbat (...) jou naar de hemel en (jij) hebt toegehoord en (jij) hebt vergeven
31.
(tot) die (hij) zondigde man aan zijn vriend en verheven bij hem deze LEALTW en (hij) is gekomen deze voor altaar (...) jou bij (het) huis deze
32.
en (met) haar (jij) hoorde toe de hemel en (jij) hebt gedaan en (jij) hebt berecht (tot) slaven (...) jou LERSIO slechte te geven weg (...) hem bij (het) hoofd (...) hem en gelijk te geven rechtvaardige te geven als zoals weldadigheid (...) hem
33.
BENCP met jou Israël voor vijand die (zij) zondigden aan jou en woont! naar jou en (zij) hebben bedankt (tot) naam (...) jou en (zij) hebben gebeden WETHNNW naar jou bij (het) huis deze
34.
en (met) haar (jij) hoorde toe de hemel en (jij) hebt vergeven aan zondoffer met jou Israël en (jullie) hebben teruggegeven naar de aarde die (jij) hebt gegeven te wensen (...) hen
35.
BEOßR hemel noch (hij) was regen dat (zij) zondigden aan jou en (zij) hebben gebeden naar de plaats deze en (zij) hebben bedankt (tot) naam (...) jou en van zondoffer (...) hen (zij) keerden terug (...) hen dat (zij) antwoordde (...) hen
36.
en (met) haar (jij) hoorde toe de hemel en (jij) hebt vergeven aan zondoffer slaven (...) jou en met jou Israël dat (jij) werd opgeheven (tot) de weg het goeds die (zij) gingen bij haar en zet regen op land (...) jou die zet aan volk (...) jou aan erfgoed
37.
honger dat (hij) was bij (het) land woord dat (hij) was SDPWN IRQWN sprinkhaan HXIL dat (hij) was dat fabriceer! als vijand (...) hem bij (het) land poorten (...) hem alle plaag alle begin(t) te (er)naar
38.
alle gebed alle smeekbede die (jij) was aan alle de mens aan alle met jou Israël die (zij) hebben geweten (...) hen man plaag hart (...) hem en ruiter lepels (...) hem naar het huis deze
39.
en (met) haar (jij) hoorde toe de hemel plaats sabbat (...) jou en (jij) hebt vergeven en (jij) hebt gedaan en (jij) hebt gegeven aan man zoals alle wegen (...) hem die (jij) wist (tot) hart (...) hem dat (met) haar (jij) hebt geweten alleen jij (tot) hart alle bouw! de mens
40.
opdat (zij) lieten zien (...) jou alle de dagen die zij leven op aanzicht van de aarde die zet aan vaders (...) ons
41.
en ook naar de vreemdeling die niet van volk (...) jou Israël hij en (hij) is gekomen van land naar afstand opdat naam (...) jou
42.
dat (zij) hoorden toe (...) hen (tot) naam (...) jou (de) grote en (tot) hand (...) jou (is het zo) dat (zij) is sterk geworden en nakomelingen (...) jou (de) uitgestrekte en (hij) is gekomen en (hij) heeft gebeden naar het huis deze
43.
(met) haar (jij) hoorde toe de hemel plaats sabbat (...) jou en (jij) hebt gedaan zoals alle die (hij) noemde naar jou de vreemdeling opdat (zij) hebben geweten (...) hen alle met mij het land (tot) naam (...) jou aan vrees (met) jou zoals volk (...) jou Israël en te weten dat naam (...) jou (hij) is genoemd op het huis deze die (ik) heb gebouwd
44.
dat uitgaande met jou aan strijd op vijand (...) hem bij (de) weg die (jij) zond weg (...) hen en (zij) hebben gebeden naar Jahweh weg (hij) heeft opgemerkt die (jij) hebt gekozen bij haar en het huis die dochter (...) mij aan naam (...) jou
45.
en (jij) hebt toegehoord de hemel (tot) gebeden (...) hen en (tot) smeekbeden (...) hen en (jij) hebt gedaan rechtsregel (...) hen
46.
dat (zij) zondigden aan jou dat (er is) niet mens die niet (hij) zondigde WANPT in hen en (jij) hebt gegeven (...) hen voor vijand en woont! (...) hen gevangenschap (...) hen naar land de vijand naar afstand of naar verwant
47.
en (zij) hebben teruggegeven naar hart (...) hen bij (het) land die (zij) hebben geblazen daar en woont! WETHNNW naar jou bij (het) land gevangenschap (...) hen te spreken (wij) hebben gezondigd WEOWINW slechtheid (...) ons
48.
en woont! naar jou in alle hart (...) hen en in alle ziel (...) hen bij (het) land vijanden (...) hen die woont! (met) hen en (zij) hebben gebeden naar jou weg land (...) hen die zet te wensen (...) hen (hij) heeft opgemerkt die (jij) hebt gekozen en het huis die (jij) hebt gebouwd aan naam (...) jou
49.
en (jij) hebt toegehoord de hemel plaats sabbat (...) jou (tot) gebeden (...) hen en (tot) smeekbeden (...) hen en (jij) hebt gedaan rechtsregel (...) hen
50.
en (jij) hebt vergeven aan volk (...) jou die (zij) hebben gezondigd aan jou en aan alle misdaden (...) hen die (zij) hebben misdreven bij jou en (jij) hebt gegeven (...) hen aan medelijden voor gevangenschap (...) hen en (zij) hebben medelijden gehad (...) hen
51.
dat met jou en (jij) hebt verworven (...) jou zij die (jij) bent tevoorschijn gehaald van Egypte van midden KWR het ijzer
52.
te zijn ogen (...) jou (jij) hebt geopend naar smeekbede van slaaf (...) jou en naar smeekbede van met jou Israël aan nieuws naar hen in alle (hij) heeft genoemd (...) hen naar jou
53.
dat (met) haar (is het zo) dat (jullie) zijn gescheiden aan jou aan erfgoed van alle met mij het land zoals woord van bij (de) hand Mozes slaaf (...) jou bij (hij) heeft tevoorschijn gehaald (...) jou (tot) vaders (...) ons van Egypte liggers van Jahweh
54.
en wees zoals alle (mv) Salomo te bidden naar Jahweh (tot) alle de gebed en de smeekbede (de) deze (hij) is opgestaan weg van aanzicht van altaar Jahweh MKRO op zegen! (...) hem en lepels (...) hem PRSWT de hemel
55.
en (hij) stond vast en (hij) zegende (tot) alle menigte Israël klank grote te spreken
56.
gezegende Jahweh die (hij) heeft gegeven om te rusten (er)naar aan zijn volk Israël zoals alle die woord niet ga neer! woord één van alle spreekt! (de) goede die woord bij (de) hand Mozes (zij) hebben gewerkt
57.
wees Jahweh onze God met ons zoals (hij) is geweest met vaders (...) ons naar (hij) verliet (...) ons en naar (hij) gaf op (...) ons
58.
om te buigen hart (...) ons naar hem te gaan in alle wegen (...) hem en te bewaren voorschriften (...) hem en wetten (...) hem en rechtsregels (...) hem die geef opdracht! (tot) vaders (...) ons
59.
en (zij) waren spreek! deze die ETHNNTI voor Jahweh binnensten naar Jahweh onze God dag (...) hen en nacht te doen rechtsregel (zij) hebben gewerkt en rechtsregel met hem Israël woord dag bij (de) dag (...) hem
60.
opdat kennis alle met mij het land dat Jahweh hij naar God (er is) niet nog (eens)
61.
en (hij) is geweest hart (...) jullie gehele met Jahweh onze God te gaan bij (de) wetten (...) hem en te bewaren voorschriften (...) hem zoals dag deze
62.
en kroon! en alle Israël met hem slachtingen slachting voor Jahweh
63.
en (hij) slachtte Salomo (tot) slachting de vergoedingen die slachting aan Jahweh rundvee twintig en twee duizend en kleinvee honderd en twintig duizend WIHNKW (tot) huis Jahweh kroon! en alle bouw! Israël
64.
bij (de) dag dat heiligheid kroon! (tot) midden het grondgebied die voor huis Jahweh dat (hij) heeft gedaan daar (tot) dat wat opgaat en (tot) het geschenk en (tot) melk-en van de vergoedingen dat altaar het koper die voor Jahweh kleine MEKIL (tot) dat wat opgaat en (tot) het geschenk en (tot) melk-en van de vergoedingen
65.
en (hij) heeft gemaakt Salomo bij (de) tijd die (tot) het feest en alle Israël met hem menigte grote weg van komst leren zak tot wadi Egypte voor Jahweh onze God zeven dagen en zeven dagen vier rijkdom dag
66.
bij (de) dag (de) achtste wapen (tot) het volk en (zij) zegenden (tot) kroon! en (zij) gingen aan tenten (...) hen maak blij! (...) hen en goedheden van hart op alle het goeds die (hij) heeft gedaan Jahweh aan oom (zij) hebben gewerkt en aan Israël met hem

Hoofdstuk 9

1.
en wees zoals alle (mv) Salomo te bouwen (tot) huis Jahweh en (tot) huis kroon! en (tot) alle verlangen Salomo die wens te doen
2.
en gezien Jahweh naar Salomo ten tweede zoals (wij) lieten zien naar hem bij Gibeon
3.
en (hij) sprak Jahweh naar hem (ik) heb toegehoord (tot) gebed (...) jou en (tot) smeekbede (...) jou die ETHNNTE voor (ik) heb gewijd (tot) het huis deze die (zij) heeft gebouwd te plaatsen namen van daar tot eeuwigheid en (zij) zijn geweest bestudeer! en hart (...) mij daar alle de dagen
4.
en (met) haar als (jij) ging voor zoals beweging oom vader (...) jou bij (de) onschuldige hart en (hij) heeft aangekondigd te doen zoals alle die (ik) heb opdracht gegeven (...) jou wetten van en rechtsregels van (jij) bewaarde
5.
en (ik) heb gevestigd (tot) stoel rijk (...) jou op Israël aan eeuwigheid zoals woord (...) mij op oom vader (...) jou te spreken niet (hij) hakte af aan jou man boven stoel Israël
6.
als terugkeren (jullie) woonden (...) hen (met) hen en zonen (...) jullie van achter noch (jullie) bewaarden voorschrift (...) mij grondwet (...) mij die (ik) heb gegeven voor jullie en (jullie) zijn gegaan en (jullie) hebben gewerkt God anderen en (jullie) hebben je diep gebogen aan hen
7.
en (ik) zal vernietigen (tot) Israël boven aanzicht van de aarde die (ik) heb gegeven aan hen en (tot) het huis die (ik) heb gewijd aan namen van (ik) zond weg boven aanzicht van en (hij) is geweest Israël aan heerser WLSNINE in alle de volkeren
8.
en het huis deze (hij) was hoogste alle kant op hem pas toe! en (hij) heeft gefloten en (zij) hebben gesproken op wat? (hij) heeft gedaan Jahweh zodoende aan land (de) deze en aan huis deze
9.
en (zij) hebben gesproken op die (zij) hebben verlaten (tot) Jahweh hun God die (hij) heeft tevoorschijn gehaald (tot) vader (...) hen van land Egypte en (zij) versterkten bij God anderen en (hij) boog zich diep aan hen en (hij) werkte (...) hen op zo (hij) heeft gebracht Jahweh op hen (tot) alle de herder (de) deze
10.
en wees van einde twintig jaar die (hij) heeft gebouwd Salomo (tot) tweede de huizen (tot) huis Jahweh en (tot) huis kroon!
11.
Hiram koning smalle verheven (tot) Salomo bij (de) houten ceders en bij (de) bomen van cipressen en bij (het) goud aan alle (zij) hebben gewenst destijds (hij) gaf kroon! Salomo aan Hiram twintig stad bij (het) land ECLIL
12.
en uitgaande Hiram van smalle te zien (tot) de steden die (hij) heeft gegeven als Salomo noch effent! bij (de) ogen (...) hem
13.
en (hij) sprak wat? de steden (de) deze die zet aan mij broer en (hij) noemde aan hen land KBWL tot vandaag deze
14.
en (hij) zond weg Hiram aan koning honderd en twintig plein goud
15.
en dit woord de belasting die dat wat opgaat kroon! Salomo te bouwen (tot) huis Jahweh en (tot) huis (...) hem en (tot) de volheid en (tot) muur van Jeruzalem en (tot) grondgebied en (tot) Megiddo en (tot) wortel
16.
farao koning Egypte blad en (hij) voegde samen (tot) wortel en (hij) verbrandde (er)naar (hij) is verrot en (tot) (de) Kanaänitische de inwoner bij (de) stad (hij) heeft gedood en (hij) gaf wapens hart (...) hem vuur van Salomo
17.
en (hij) bouwde Salomo (tot) wortel en (tot) huis Haran (jullie) landden (...) hen
18.
en (tot) bij opgaan en (tot) dadel bij (de) woestijn bij (het) land
19.
en (tot) alle steden van EMXKNWT die (zij) zijn geweest aan Salomo en (tot) steden van de wagen en (tot) steden van de ruiters en (tot) verlangen Salomo die verlangen te bouwen bij Jeruzalem en bij (de) Libanon en in alle land regering (...) hem
20.
alle het volk (de) overgebleven vanuit de Amoriet de angsten van de Fereziet de Heviet en de Jebusiet die niet van zonen van Israël deze (mv)
21.
zonen (...) hen die (wij) verspiedden (...) hem na hen bij (het) land die niet (zij) hebben gekund bouw! Israël LEHRIMM en (hij) verhief (...) hen Salomo aan belasting slaaf tot vandaag deze
22.
en van zonen van Israël niet (hij) heeft gegeven Salomo slaaf dat zij mens (...) mij de strijd en slaven (...) hem en aanvoerders (...) hem WSLISIW en Sarai (zij) hebben gereden en ruiters (...) hem
23.
deze Sarai de heft-en die op het handwerk aan Salomo vijftig en vijf honderd (is het zo) dat daal! (...) hen bij (het) volk (is het zo) dat maak! (...) hen bij (het) handwerk
24.
maar dochter farao (zij) is opgegaan merk(t) op oom naar naar huis die (hij) heeft gebouwd aan haar destijds (hij) heeft gebouwd (tot) de volheid
25.
en dat wat opgaat Salomo drie twee keer in het jaar beklimmingen en vergoedingen op het altaar die (hij) heeft gebouwd aan Jahweh en (hij) heeft laten roken (met) hem die voor Jahweh en gehele (tot) het huis
26.
en ik (hij) heeft gedaan kroon! Salomo BOßIWN man die (tot) deze (mv) op oever van zee riet bij (het) land Edom
27.
en (hij) zond weg Hiram bij ik (tot) slaven (...) hem mens (...) mij schepen (hij) heeft geweten (...) mij de zee met werk! Salomo
28.
en voert in! naar Ofir en (zij) namen van daar goud vier honderd en twintig plein en voert in! naar kroon! Salomo

Hoofdstuk 10

1.
en om te gaan Scheba (jij) hebt toegehoord (tot) nieuws Salomo aan naam Jahweh en (zij) kwam LNXTW BHIDWT
2.
en (zij) kwam naar Jeruzalem bij (de) macht lever zeer kamelen dragers bij (de) hemel en goud meerderheid zeer en steen (hij) gebeurde en (zij) kwam naar Salomo en (jij) sprak naar hem (tot) alle die (hij) is geweest met naar hart
3.
en (hij) werd verteld aan haar Salomo (tot) alle spreek! (er)naar niet (hij) is geweest woord schoen (...) hen vanuit kroon! die niet (hij) heeft verteld aan haar
4.
en (zij) liet zien om te gaan Scheba (tot) alle (jij) bent wijs geworden Salomo en het huis die (hij) heeft gebouwd
5.
en voedsel (wij) hebben gezonden en zetel slaven (...) hem en sta(a)(t) vast om in te weken (...) hem WMLBSIEM en van zakken (...) hem en opgaan (...) hem die (hij) verhief huis Jahweh noch (hij) is geweest bij haar nog (eens) wind
6.
en (jij) sprak naar kroon! waarheid (hij) is geweest het woord die (ik) heb toegehoord bij (het) land (...) mij op woorden (...) jou en op (jij) bent wijs geworden (...) jou
7.
noch (ik) heb geloofd aan woorden tot die (ik) ben gekomen en (jullie) lieten zien bestudeer! en hier is niet vertel! aan mij (de) halve (jij) hebt toegevoegd wijsheid en goede naar (is het zo) dat hoor toe! (er)naar die (ik) heb toegehoord
8.
heil mensen (...) jou heil slaven (...) jou deze de staanders voor jou altijd de nieuwsberichten (tot) (jij) bent wijs geworden (...) jou
9.
wees Jahweh jouw God gezegende die wens bij jou te geven (...) jou op stoel Israël bij (jij) hebt liefgehad Jahweh (tot) Israël aan eeuwigheid WISIMK aan koning te doen rechtsregel en weldadigheid
10.
en te geven (...) hen aan koning honderd en twintig plein goud en bij (de) hemel veel zeer en steen (hij) gebeurde niet (hij) is gekomen schaap (...) hen dat nog (eens) aan meerderheid die (zij) heeft gegeven om te gaan Scheba aan koning Salomo
11.
en ook ik Hiram die verheven goud van Ofir (hij) heeft gebracht MAPIR houten ALMCIM veel zeer en steen (hij) gebeurde
12.
en (hij) heeft gemaakt kroon! (tot) houten EALMCIM MXOD aan huis Jahweh en aan huis kroon! en violen en harpen aan aanvoerders niet (hij) is gekomen zo houten ALMCIM noch (wij) lieten zien tot vandaag deze
13.
en kroon! Salomo (hij) heeft gegeven aan koningin van Scheba (tot) alle (zij) heeft gewenst die vraag weg van tak die (hij) heeft gegeven aan haar zoals hand kroon! Salomo en (zij) wendde zich en (jij) ging naar aan land zij en werk! (er)naar
14.
en wees gewicht het goud die (hij) is gekomen aan Salomo in het jaar één zes honderd zestig en zes plein goud
15.
alleen van mens (...) mij (is het zo) dat (jij) tilde op WMXHR de handelaars en alle heers! (de) aangename en word minder! het land
16.
en (hij) heeft gemaakt kroon! Salomo honderd paar schild goud slacht! zes honderd goud (hij) verhief op het schild de één
17.
en drie honderd schilden goud slacht! drie van noem op! (...) hen goud (hij) verhief op het schild de één en (hij) gaf (...) hen kroon! huis bos de Libanon
18.
en (hij) heeft gemaakt kroon! stoel tand grote en (hij) overtrok (...) hem goud MWPZ
19.
zes om op te gaan te bedekken en hoofd stierkalf te bedekken van na hem WIDT hiervandaan en hiervandaan naar plaats zet stop! en twee leeuwen staanders naast EIDWT
20.
en twee rijkdom leeuwen staanders daar op zes (is het zo) dat om op te gaan hiervandaan en hiervandaan niet (hij) is gedaan zo aan alle van koninkrijk
21.
en alle gereedschap geef(t) te drinken kroon! Salomo goud en alle gereedschap huis bos de Libanon goud slot (er is) niet zilver niet (wij) berekenden bij (de) dagen van Salomo LMAWME
22.
dat ik Tharsis aan koning bij (de) zee met ik Hiram één aan drie twee (jij) kwam ik Tharsis (jij) hebt gedragen goud en zilver SNEBIM WQPIM WTKIIM
23.
en (hij) groeide kroon! Salomo van alle heers! het land aan rijkdom en aan wijsheid
24.
en alle het land zoeken (tot) aanzicht van Salomo aan nieuws (tot) wijsheid (...) hem die (hij) heeft gegeven God bij (de) zijn hart
25.
en deze (mv) MBAIM man geschenk (...) hem gereedschap zilver en gereedschap goud en gehele (mv) en (hij) heeft gekust en bij (de) hemel paarden WPRDIM woord jaar in het jaar
26.
en (hij) verzamelde Salomo wagen en ruiters en wees als duizend en vier honderd wagen en twee rijkdom duizend ruiters en (hij) troostte roeie uit! de wagen en met kroon! bij Jeruzalem
27.
en (hij) gaf kroon! (tot) het zilver bij Jeruzalem zoals stenen en (tot) de ceders (hij) heeft gegeven KSQMIM die bij (het) laagland aan meerderheid
28.
en word(t) tevoorschijn gehaald de paarden die aan Salomo van Egypte en waterreservoir XHRI kroon! (zij) namen waterreservoir bij (de) prijs
29.
en (jij) verhief en (jij) ging uit rijtuig van Egypte bij zes honderd zilver en paard bij vijftig en honderd en zo aan alle heers! de angsten en aan koningen van Syrië bij (hij) leek voert uit!

Hoofdstuk 11

1.
en kroon! Salomo (hij) heeft liefgehad worden verlaten vreemde (mv) twisten en (tot) dochter farao Moabitische-en OMNIWT ADMIT ßDNIT HTIT
2.
vanuit de volken die woord Jahweh naar bouw! Israël niet (jij) kwam (...) hem bij hen en zij niet voert in! bij jullie werkelijk (zij) bogen om (tot) hart (...) jullie na hun God bij hen (hij) heeft geplakt Salomo aan liefde
3.
en wees als worden verlaten zingen zeven honderd WPLCSIM drie honderd en (zij) bogen om vrouwen (...) hem (tot) zijn hart
4.
en wees aan tijd (jij) bent oud geweest Salomo vrouwen (...) hem (zij) zijn omgebogen (tot) hart (...) hem na God anderen noch (hij) is geweest hart (...) hem gehele met Jahweh zijn God zoals hart David vader (...) hem
5.
en (hij) ging Salomo na OSTRT mijn God ßDNIM en na (hij) heeft besneden (...) jullie verafschuw! OMNIM
6.
en (hij) heeft gemaakt Salomo juich! bij bestudeer! Jahweh noch (hij) is vol geweest na Jahweh zoals oom vader (...) hem
7.
destijds (hij) bouwde Salomo verhoging LKMWS verafschuw! Moab bij (de) heuvel die op aanzicht van Jeruzalem en aan koning verafschuw! bouw! Ammon
8.
en zo (hij) heeft gedaan aan alle vrouwen (...) hem (de) vreemde (mv) laten roken en altaren aan hun God
9.
WITANP Jahweh bij Salomo dat (wij) bogen om hart (...) hem bij vandaan Jahweh mijn God Israël (is het zo) dat (wij) lieten zien naar hem twee keer
10.
en geef opdracht! naar hem op het woord deze opdat niet te gaan na God anderen noch bewaar! (tot) die geef opdracht! Jahweh
11.
en (hij) sprak Jahweh aan Salomo wegens die (zij) is geweest deze met jou noch (jij) hebt gehouden verbonden van en grondwet (...) mij die (ik) heb opdracht gegeven op jou scheur (ik) scheurde (tot) het rijk ontvreemd! (...) jou en (ik) heb gegeven (er)naar te bewerken (...) jou
12.
maar bij (de) dagen (...) jou niet (ik) maakte (...) haar opdat oom vader (...) jou van hand zoon (...) jou (ik) scheurde (...) haar
13.
lege (tot) alle het rijk niet (ik) scheurde stam één (met) hen aan zoon (...) jou opdat oom werk! en opdat Jeruzalem die (ik) heb gekozen
14.
en (hij) stond op Jahweh satan aan Salomo (tot) Hadad de mensen van van nakomelingen kroon! hij bij Edom
15.
en wees toen (hij) was oom (tot) Edom bij (de) beklimmingen Joab aanvoerder de leger aan graf (tot) de doden en (hij) sloeg alle man bij Edom
16.
dat zes maanden inwoner daar Joab en alle Israël tot (hij) heeft vernietigd alle man bij Edom
17.
en (hij) vluchtte ADD hij en mensen ADMIIM bewerk(t) (...) mij vader (...) hem (met) hem te komen Egypte en Hadad jeugd kleine
18.
en (zij) wraakten van Midian en voert in! Paran en (zij) namen mensen volk (...) hen van Paran en voert in! Egypte naar farao koning Egypte en (hij) gaf als huis en brood woord als en land (hij) heeft gegeven als
19.
en (hij) vond Hadad gratie bij bestudeer! farao zeer en (hij) gaf als vrouw (tot) zus vuur (...) hem zus THPNIX naar de heer
20.
en (jij) baarde als zus THPNIX (tot) Genubat bij ons en (jullie) lieten ontwennen (...) hem Tachpenes binnen huis farao en wees Genubat huis farao binnen bouw! farao
21.
en Hadad nieuws bij Egypte dat lig neer! oom met vaders (...) hem en dat dode Joab aanvoerder de leger en (hij) sprak Hadad naar farao (hij) mij gezonden en (ik) ging naar land (...) mij
22.
en (hij) sprak als farao dat wat? (met) haar gebrek met mij en hier ben jij zoek(t) te gaan naar land (...) jou en (hij) sprak niet dat wapen (jij) zond weg (...) mij
23.
en (hij) stond op God als satan (tot) (zij) zijn mager geworden (...) hen zoon ALIDO die vlucht honderd Hadad-ezer koning Zoba liggers (...) hem
24.
en (hij) verzamelde op hem mensen en wees aanvoerder eenheid bij (hij) heeft gedood oom (met) hen en (zij) gingen Damaskus en (zij) hebben gewoond bij haar en (zij) heersten bij Damaskus
25.
en wees satan aan Israël alle dagen van Salomo en (tot) de herder die Hadad en (hij) is wakker geworden bij Israël en (hij) heerste op Syrië
26.
en Jerobeam zoon kiem APRTI vanuit EßRDE en naam [van] moeder (...) hem ßRWOE vrouw weduwe slaaf aan Salomo en (hij) was hoog hand bij (de) koning
27.
en dit het woord die (hij) heeft opgetild hand bij (de) koning Salomo (hij) heeft gebouwd (tot) de volheid slot (tot) doorbraak stad oom vader (...) hem
28.
en de man Jerobeam held macht en gezien Salomo (tot) de jeugd dat (hij) heeft gedaan handwerk hij en (hij) beval (met) hem aan alle XBL huis Jozef
29.
en wees bij (de) tijd die en Jerobeam uitgaande van Jeruzalem en (hij) vond (met) hem (ik) leefde ESILNI de profeet bij (de) weg en hij MTKXE bij Salomo naar maand en die twee alleen zij bij (het) veld
30.
WITPS (ik) leefde bij Salomo naar de maand die op hem en (hij) scheurde (er)naar twee rijkdom scheuren
31.
en (hij) sprak aan Jerobeam neem! aan jou tien scheuren dat zo woord Jahweh mijn God Israël hier ben ik scheur (tot) het rijk van hand Salomo en (ik) heb gegeven aan jou (tot) tien de stammen
32.
en de stam de één (hij) was als opdat werk! oom en opdat Jeruzalem (hij) heeft opgemerkt die (ik) heb gekozen bij haar van alle stammen van Israël
33.
wegens die (zij) hebben verlaten (...) mij en (zij) bogen zich diep LOSTRT mijn God ßDNIN LKMWS mijn God Moab en aan koning (...) hen mijn God bouw! Ammon noch (zij) zijn gegaan bij (de) wegen van te doen rechtuit bij bestudeer! en grondwet (...) mij en rechtsregels van zoals oom vader (...) hem
34.
noch (ik) nam (tot) alle het rijk van hand (...) hem dat vorst ASTNW alle dagen van leef! (...) hem opdat oom werk! die (ik) heb gekozen (met) hem die bewaar! voorschrift (...) mij en grondwet (...) mij
35.
en (ik) heb genomen (is het zo) dat heers! (er)naar van hand bij ons en (ik) heb gegeven (er)naar aan jou (tot) tiental de stammen
36.
en hart (...) ons (met) hen stam één opdat te zijn licht aan David werk! alle de dagen voor bij Jeruzalem (hij) heeft opgemerkt die (ik) heb gekozen aan mij te plaatsen namen van daar
37.
en (met) jou (ik) nam en om te gaan in alle die begeerte ziel (...) jou en (jij) bent geweest koning op Israël
38.
en (hij) is geweest als (jij) hoorde toe (tot) alle die AßWK en (jij) bent gegaan bij (de) wegen van en (jij) hebt gedaan rechtuit bij bestudeer! te houden grondwetten (...) mij en voorschrift (...) mij zoals (hij) heeft gedaan oom werk! en (ik) ben geweest met jou en (ik) heb gebouwd aan jou huis loyale zoals (ik) heb gebouwd aan oom en (ik) heb gegeven aan jou (tot) Israël
39.
en (ik) antwoordde (tot) nakomelingen oom opdat deze maar niet alle de dagen
40.
en (hij) zocht Salomo te doden (tot) Jerobeam en (hij) stond op Jerobeam en (hij) vluchtte Egypte naar dat (hij) gaf te drinken koning Egypte en wees bij Egypte tot dood Salomo
41.
en rest spreek! Salomo en alle die (hij) heeft gedaan en wijsheid (...) hem immers zij (hand)schrift-en op boek spreek! Salomo
42.
en de dagen die koning Salomo bij Jeruzalem op alle Israël veertig jaar
43.
en (hij) lag neer Salomo met vaders (...) hem en (hij) begroef bij (de) stad oom vader (...) hem en (hij) heerste Rehabeam bij ons in de plaats van hem

Hoofdstuk 12

1.
en (hij) ging Rehabeam schouder dat schouder (hij) is gekomen alle Israël te kronen (met) hem
2.
en wees toen Jerobeam zoon kiem en hij hij (...) nog bij Egypte die vlucht van aanzicht van kroon! Salomo en inwoner Jerobeam bij Egypte
3.
en (zij) zondden weg en (zij) noemden als en voert in! Jerobeam en alle menigte Israël en (zij) spraken naar Rehabeam te spreken
4.
vader (...) jou (de) harde (tot) hoogte (...) ons en (met) haar nu (hij) heeft verlicht bewerk(t) vader (...) jou (de) harde en (zij) hebben ontvreemd de lever die (hij) heeft gegeven op ons en (wij) bewerkten (...) jou
5.
en (hij) sprak naar hen ga(a)t! tot drie dagen en keert terug! naar mij en (zij) gingen het volk
6.
en adviseur kroon! Rehabeam (tot) de baarden die (zij) zijn geweest staanders (tot) aanzicht van Salomo vader (...) hem bij te zijn (...) hem levende te spreken waar ben jij? (met) hen NWOßIM terug te geven (tot) het volk deze woord
7.
en (hij) sprak naar hem te spreken als vandaag (jij) was slaaf aan volk deze en (jullie) hebben gewerkt en (jullie) hebben geantwoord en woord van naar hen woorden goede (mv) en (zij) zijn geweest aan jou slaven alle de dagen
8.
en (hij) verliet (tot) raad de baarden die (zij) heeft geadviseerd (...) hem en adviseur (tot) de kinderen die (zij) zijn gegroeid (met) hem die de staanders voor hem
9.
en (hij) sprak naar hen wat? (met) hen NWOßIM en (wij) gaven terug woord (tot) het volk deze die spreekt! naar mij te spreken (hij) heeft verlicht vanuit de hoogte die (hij) heeft gegeven vader (...) jou op ons
10.
en (zij) spraken naar hem de kinderen die (zij) zijn gegroeid (met) hem te spreken zo (jij) sprak aan volk deze die spreekt! naar jou te spreken vader (...) jou EKBID (tot) hoogte (...) ons en (met) haar (hij) heeft verlicht ontvreemd! (...) ons zo (jij) sprak naar hen QÐNI naar wolk verzacht (...) mij vader
11.
en nu vader EOMIX op jullie op lever en ik (ik) voegde toe op hoogte (...) jullie vader (hij) week af (met) jullie bij (de) zwepen en ik AIXR (met) jullie BOQRBIM
12.
WIBW Jerobeam en alle het volk naar Rehabeam bij (de) dag (de) derde zoals woord kroon! te spreken keert terug! naar mij bij (de) dag (de) derde
13.
en wegens kroon! (tot) het volk harde en (hij) verliet (tot) raad de baarden die (zij) heeft geadviseerd (...) hem
14.
en (hij) sprak naar hen zoals raad de kinderen te spreken vader EKBID (tot) hoogte (...) jullie en ik (ik) voegde toe op hoogte (...) jullie vader (hij) week af (met) jullie bij (de) zwepen en ik AIXR (met) jullie BOQRBIM
15.
noch nieuws kroon! naar het volk dat (zij) is geweest leg opzij! (er)naar bij vandaan Jahweh opdat (hij) heeft gevestigd (tot) spreekt! die woord Jahweh bij (de) hand (ik) leefde ESILNI naar Jerobeam zoon kiem
16.
en gezien alle Israël dat niet nieuws kroon! naar hen en (zij) hebben gewoond het volk (tot) kroon! woord te spreken wat? aan ons deel bij (de) oom noch erfgoed bij (de) zoon Isaï aan tenten (...) jou Israël nu (hij) heeft gezien huis (...) jou oom en (hij) ging Israël aan tenten (...) hem
17.
en bouw! Israël de inwoners roeie uit! Juda en (hij) heerste op hen Rehabeam
18.
en (hij) zond weg kroon! Rehabeam (tot) ADRM die op de belasting WIRCMW alle Israël bij hem steen en (hij) stierf en kroon! Rehabeam (hij) heeft zich ingespannen op te gaan bij (de) rijtuig te vluchten Jeruzalem
19.
en (zij) misdreven Israël bij (het) huis oom tot vandaag deze
20.
en wees toen alle Israël dat woon! Jerobeam en (zij) zondden weg en (zij) noemden (met) hem naar de getuige en (zij) kroonden (met) hem op alle Israël niet (hij) is geweest na huis oom behalve stam Juda alleen hij
21.
en voert in! Rehabeam Jeruzalem en (hij) verzamelde (tot) alle huis Juda en (tot) stam Benjamin honderd en tachtig duizend jongeman (hij) heeft gedaan strijd aan het brood met huis Israël terug te geven (tot) (is het zo) dat heers! (er)naar aan Rehabeam zoon Salomo
22.
en wees woord naar God naar hoor toe! (er)naar man naar God te spreken
23.
woord naar Rehabeam zoon Salomo koning Juda en naar alle huis Juda en Benjamin en rest het volk te spreken
24.
zo woord Jahweh niet (jullie) verhieven noch (jullie) streedden (...) hen met broers (...) jullie bouw! Israël keert terug! man aan huis (...) hem dat van mij (wij) waren het woord deze en (zij) hoorden toe (tot) woord Jahweh en (zij) hebben gewoond te gaan zoals woord Jahweh
25.
en (hij) bouwde Jerobeam (tot) schouder bij (de) heuvel Efraïm en inwoner bij haar en uitgaande van daar en (hij) bouwde (tot) Pnuel
26.
en (hij) sprak Jerobeam bij (de) zijn hart nu (jij) blies het rijk aan huis oom
27.
als (hij) verhief het volk deze te doen slachtingen bij (het) huis Jahweh bij Jeruzalem en woon! hart het volk deze naar liggers (...) hen naar Rehabeam koning Juda en (hij) heeft gedood (...) mij en woont! naar Rehabeam koning Juda
28.
en adviseur kroon! en (hij) heeft gemaakt tweede stierkalveren van goud en (hij) sprak naar hen meerderheid aan jullie om op te gaan Jeruzalem hier is jouw God Israël die (is het zo) dat (zij) zijn opgegaan (...) jou van land Egypte
29.
en pas toe! (tot) de één bij (het) huis naar en (tot) de één (hij) heeft gegeven bij Dan
30.
en wees het woord deze aan zondoffer en (zij) gingen het volk voor de één tot Dan
31.
en (hij) heeft gemaakt (tot) huis bij (de) dood en (hij) heeft gemaakt priesters van einden het volk die niet (zij) zijn geweest van zonen van Levi
32.
en (hij) heeft gemaakt Jerobeam feest bij (de) maand (de) achtste bij vijf rijkdom dag aan maand zoals feest die bij Juda en (hij) verhief op het altaar zo (hij) heeft gedaan bij (het) huis naar aan slachting aan stierkalveren die (hij) heeft gedaan en (hij) heeft opgesteld bij (het) huis naar (tot) priesters van de verhogingen die (hij) heeft gedaan
33.
en (hij) verhief op het altaar die (hij) heeft gedaan bij (het) huis naar bij vijf rijkdom dag bij (de) maand (de) achtste bij (de) maand die BDA weg van tak en (hij) heeft gemaakt feest aan zonen van Israël en (hij) verhief op het altaar roken te laten

Hoofdstuk 13

1.
en hier is man God (hij) is gekomen van Juda bij (het) woord Jahweh naar huis naar en Jerobeam sta vast! op het altaar roken te laten
2.
en (hij) noemde op het altaar bij (het) woord Jahweh en (hij) sprak altaar altaar zo woord Jahweh hier is zoon (hij) is geboren aan huis oom Josia zijn naam en slachting op jou (tot) priesters van de verhogingen (is het zo) dat roken op jou en botten mens (zij) verbrandden op jou
3.
en (hij) heeft gegeven bij (de) dag dat wonderteken te spreken dit de wonderteken die woord Jahweh hier is het altaar (hij) is gescheurd en schemer (...) jou (de) vette die op hem
4.
en wees toen kroon! (tot) woord man naar God die (hij) heeft genoemd op het altaar bij (het) huis naar en (hij) zond weg Jerobeam (tot) (hij) bedankte boven het altaar te spreken (jij) verbreidde je (...) hem en (jij) maakte droog (hij) bedankte die wapen op hem noch (hij) heeft gekund aan de ouderdom naar hem
5.
en het altaar (hij) is gescheurd en (hij) stortte (de) vette vanuit het altaar zoals wonderteken die (hij) heeft gegeven man naar God bij (het) woord Jahweh
6.
en wegens kroon! en (hij) sprak naar man naar God niet-heilige toch (tot) aanzicht van Jahweh jouw God en (hij) heeft gebeden bij (het) sieraad en (jij) woonde handen van naar mij en (hij) begon te man naar God (tot) aanzicht van Jahweh en (jij) woonde hand kroon! naar hem en (zij) was KBRASNE
7.
en (hij) sprak kroon! naar man naar God kom(t) (met) mij naar het huis WXODE en (ik) gaf aan jou (jij) bent gestorven
8.
en (hij) sprak man naar God naar kroon! als te geven (...) hen aan mij (tot) halve huis (...) jou niet (ik) profeteerde met jou noch eten brood noch (ik) dronk water bij (de) plaats deze
9.
dat zo geef opdracht! (met) mij bij (het) woord Jahweh te spreken niet (jij) at brood noch (jij) dronk water noch (jij) blies bij (de) weg die (jij) bent gegaan
10.
en (hij) ging bij (de) weg andere noch woon! bij (de) weg die (hij) is gekomen bij haar naar huis naar
11.
en profeet één baard inwoner bij (het) huis naar en invoer bij ons en (hij) vertelde als (tot) alle (is het zo) dat Mozes die (hij) heeft gedaan man naar God vandaag bij (het) huis naar (tot) de woorden die woord naar kroon! en (zij) vertelden (...) hen aan vaders (...) hen
12.
en (hij) sprak naar hen vaders (...) hen waar dit de weg beweging en (zij) lieten zien zonen (...) hem (tot) de weg die beweging man naar God die (hij) is gekomen van Juda
13.
en (hij) sprak naar zonen (...) hem (zij) hebben verbonden aan mij (de) ernstige en (zij) verbondden als (de) ernstige en (hij) reed op hem
14.
en (hij) ging na man naar God en (zij) vondden (...) hem inwoner in de plaats van (de) deze en (hij) sprak naar hem (is het zo) dat (met) haar man naar God die (jij) bent gekomen van Juda en (hij) sprak ik
15.
en (hij) sprak naar hem aan jou (met) mij naar het huis en eten brood
16.
en (hij) sprak niet eet terug te keren (met) jou en te komen (met) jou noch eten brood noch (ik) dronk (met) jou water bij (de) plaats deze
17.
dat woord naar mij bij (het) woord Jahweh niet (jij) at brood noch (jij) dronk daar water niet (jij) blies te gaan bij (de) weg die (jij) bent gegaan bij haar
18.
en (hij) sprak als ook ik profeet zoals jij en boodschapper woord naar mij bij (het) woord Jahweh te spreken (is het zo) dat woont! (...) hem (met) jou naar huis (...) jou en (hij) at brood en (hij) legde water (hij) heeft gelogen als
19.
en inwoner (met) hem en (hij) at brood bij (het) huis (...) hem en (hij) legde water
20.
en wees zij inwoners naar de tafel en wees woord Jahweh naar de profeet die (zij) hebben teruggegeven
21.
en (hij) noemde naar man naar God die (hij) is gekomen van Juda te spreken zo woord Jahweh wegens dat MRIT mond van Jahweh noch (jij) hebt gehouden (tot) het voorschrift die opdracht (...) jou Jahweh jouw God
22.
en (jij) woonde en (jij) at brood en (zij) legde water bij (de) plaats die woord naar jou naar (jij) at brood en naar (zij) legde water niet (jij) kwam (jij) bent verwelkt (...) jou naar graf vaders (...) jou
23.
en wees na (zij) hebben gegeten brood en na leggen (...) hem en (hij) verbond als (de) ernstige aan profeet die (zij) hebben teruggegeven
24.
en (hij) ging en (zij) vondden (...) hem leeuw bij (de) weg en (zij) doodden (...) hem en (zij) was kadaver (...) hem ga(a)(t) neer bij (de) weg en (de) ernstige sta vast! AßLE en de leeuw sta vast! naast het kadaver
25.
en hier is mensen voorbijgaan en (zij) lieten zien (tot) het kadaver ga(a)(t) neer bij (de) weg en (tot) de leeuw sta vast! naast het kadaver en voert in! en (zij) spraken bij (de) stad die de profeet de baard inwoner bij haar
26.
en (hij) hoorde toe de profeet die (zij) hebben teruggegeven vanuit de weg en (hij) sprak man naar God hij die bittere (tot) mond van Jahweh en (hij) gaf (...) hem Jahweh aan leeuw en (zij) braken (...) hem en (zij) stierven (...) hem zoals woord Jahweh die woord als
27.
en (hij) sprak naar zonen (...) hem te spreken (zij) hebben verbonden aan mij (tot) (de) ernstige en (zij) verbondden
28.
en (hij) ging en (hij) vond (tot) kadaver (...) hem ga(a)(t) neer bij (de) weg en ernstige en de leeuw staanders naast het kadaver niet eten de leeuw (tot) het kadaver noch (hij) heeft gebroken (tot) (de) ernstige
29.
en (hij) droeg de profeet (tot) (jij) bent verwelkt man naar God WINHEW naar (de) ernstige en (zij) gaven terug (...) hem en (hij) kwam naar stad de profeet de baard LXPD en te begraven (...) hem
30.
en (hij) rustte (tot) kadaver (...) hem bij (zij) hebben begraven en (zij) beweenden op hem ben! broer
31.
en wees na (zij) hebben begraven (met) hem en (hij) sprak naar zonen (...) hem te spreken bij sterf! en (jullie) hebben begraven (met) mij bij (het) graf die man naar God begraaf! bij hem naast botten (...) hem (zij) hebben rust gegeven (tot) (ik) ben machtig geworden
32.
dat (hij) is geweest (hij) was het woord die (hij) heeft genoemd bij (het) woord Jahweh op het altaar die bij (het) huis naar en op alle dochter (...) mij de verhogingen die roeie uit! Samaria
33.
andere het woord deze niet woon! Jerobeam van weg (...) hem de herder en inwoner en (hij) heeft gemaakt van einden het volk priesters van bij (de) dood de wens (hij) was vol (tot) (hij) bedankte en wees priesters van bij (de) dood
34.
en wees bij (het) woord deze aan zondoffer huis Jerobeam WLEKHID en uit te roeien boven aanzicht van de aarde

Hoofdstuk 14

1.
bij (de) tijd die (hij) is ziek geworden naar vader zoon Jerobeam
2.
en (hij) sprak Jerobeam aan vuur (...) hem sta op! toch WESTNIT noch (zij) hebben geweten dat (met) mij vuur van Jerobeam en (jij) bent gegaan Sela hier is daar (ik) leefde de profeet hij woord op mij aan koning op het volk deze
3.
en (jij) hebt genomen bij (de) hand (...) jou tien brood en gestippelde (mv) WBQBQ honing en (jij) bent gekomen naar hem hij (hij) vertelde aan jou wat? (hij) was te schudden
4.
en (jij) maakte zo vuur van Jerobeam en (zij) stond op en (jij) ging Sela en (zij) kwam huis (ik) leefde en (ik) leefde (...) hem niet (hij) heeft gekund te zien dat (zij) zijn opgestaan ogen (...) hem geef(t) terug (...) hem
5.
en Jahweh woord naar (ik) leefde (...) hem hier is vuur van Jerobeam kom(t) aan advies woord van volk (...) jou naar (hij) heeft gebouwd dat (hij) is ziek geworden hij zoals dit WKZE (jij) sprak vetstaart en wees als kom(t) en zij MTNKRE
6.
en wees toen (ik) leefde (...) hem (tot) klank naar voeten kom(t) bij (de) opening en (hij) sprak bij (de) eiland vuur van Jerobeam waarom dit (tot) MTNKRE en ik zend! naar jou harde
7.
ga! Amoriet aan Jerobeam zo woord Jahweh mijn God Israël wegens die (ik) heb opgetild (...) jou van midden het volk en (ik) zal geven (...) jou leider op met mij Israël
8.
en (ik) scheurde (tot) het rijk van huis oom en (ik) gaf aan jou noch (jij) bent geweest als werk! oom die bewaar! voorschrift (...) mij en die beweging na in alle hart (...) hem te doen lege rechtuit bij bestudeer!
9.
en (zij) achtervolgde te doen van alle die (zij) zijn geweest voor jou en (jij) ging en (jij) deed aan jou God anderen en van hutten boos te maken (...) mij en (met) mij (jij) hebt afgeworpen na CWK
10.
daarom hier ben ik breng(t) herder naar huis Jerobeam en (ik) zal vernietigen aan Jerobeam van schering (...) hen bij (de) muur houd vast! en verlaat! bij Israël en (ik) heb uitgeroeid na huis Jerobeam zoals (hij) roeide uit (is het zo) dat (hij) heeft gedraaid tot (zij) hebben zich verbaasd
11.
dood! aan Jerobeam bij (de) stad (zij) aten de honden en dood! bij (het) veld (zij) aten vogel de hemel dat Jahweh woord
12.
en (tot) sta op! ga! aan huis (...) jou bij kom(t) voeten (...) jou (zij) heeft opgemerkt en dode het kind
13.
en (zij) hebben beweend als alle Israël en (zij) hebben begraven (met) hem dat dit alleen hij (hij) kwam aan Jerobeam naar graf wegens (wij) vondden bij hem woord goede naar Jahweh mijn God Israël bij (het) huis Jerobeam
14.
en (hij) heeft gevestigd Jahweh als koning op Israël die (hij) vernietigde (tot) huis Jerobeam dit vandaag en wat? ook nu
15.
en (hij) heeft geslagen Jahweh (tot) Israël zoals INWD de buis bij (het) water WNTS (tot) Israël boven de aarde het goeds (de) deze die (hij) heeft gegeven aan vaders-en (...) hen en krans (...) hen trek(t) door aan rivier wegens die Ezau (tot) ASRIEM maken boos (tot) Jahweh
16.
en (hij) gaf (tot) Israël wegens zondige daden Jerobeam die zondaar en die (hij) heeft laten zondigen (tot) Israël
17.
en (zij) stond op vuur van Jerobeam en (jij) ging en (zij) kwam (jij) hebt een uitvlucht gehad (er)naar zij kom(t) bij voeg toe! het huis en de jeugd dode
18.
en (zij) begroeven (met) hem en (zij) beweenden als alle Israël zoals woord Jahweh die woord bij (de) hand (zij) hebben gewerkt (ik) leefde (...) hem de profeet
19.
en rest spreek! Jerobeam die (hij) heeft gestreden en die koning hier zijn zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Israël
20.
en de dagen die koning Jerobeam twintig en twee jaar en (hij) lag neer met vaders (...) hem en (hij) heerste (hij) heeft geschonken bij ons in de plaats van hem
21.
en Rehabeam zoon Salomo koning bij Juda zoon veertig en één jaar Rehabeam bij (zij) hebben geheerst en zeven tien jaar koning bij Jeruzalem (hij) heeft opgemerkt die (hij) heeft gekozen Jahweh te plaatsen (tot) zijn naam daar van alle stammen van Israël en naam [van] moeder (...) hem (zij) is aangenaam geweest EOMNIT
22.
en (hij) heeft gemaakt Juda juich! bij bestudeer! Jahweh en (zij) waren jaloers (met) hem van alle die Ezau vader (...) hen bij (jullie) hebben gezondigd die (zij) hebben gezondigd
23.
en (zij) bouwden ook deze (mv) aan hen bij (de) dood en opgestelde (mv) en heil (...) hen op alle heuvel naar hoogte en in de plaats van alle boom frisse
24.
en ook heiligheid (hij) is geweest bij (het) land Ezau zoals alle (is het zo) dat (jij) bent verafschuwd de volken die (hij) heeft verdreven Jahweh van aanzicht van bouw! Israël
25.
en wees in het jaar EHMISIT aan koning Rehabeam blad SWSQ koning Egypte op Jeruzalem
26.
en (hij) nam (tot) bergingen huis Jahweh en (tot) bergen op huis kroon! en (tot) (de) alle lering en (hij) nam (tot) alle schilden van het goud die (hij) heeft gedaan Salomo
27.
en (hij) heeft gemaakt kroon! Rehabeam in de plaats van hen schilden van koper en (hij) heeft neergelegd op hand Sarai (is het zo) dat rennen (is het zo) dat bewaar! (...) hen opening huis kroon!
28.
en wees van die (hij) is gekomen kroon! huis Jahweh (zij) droegen (...) hen (is het zo) dat rennen en (zij) hebben teruggegeven (...) hen naar cel (is het zo) dat rennen
29.
en rest spreek! Rehabeam en alle die (hij) heeft gedaan toch? deze (mv) geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Juda
30.
en strijd (zij) is geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam alle de dagen
31.
en (hij) lag neer Rehabeam met vaders (...) hem en (hij) begroef met vaders (...) hem bij (de) stad oom en naam [van] moeder (...) hem (zij) is aangenaam geweest EOMNIT en (hij) heerste vader (...) hen bij ons in de plaats van hem

Hoofdstuk 15

1.
en bij (het) jaar van acht tien aan koning Jerobeam zoon kiem koning vader (...) hen op Juda
2.
drie twee koning bij Jeruzalem en naam [van] moeder (...) hem Maächa dochter ABISLWM
3.
en (hij) ging in alle zondige daden vader (...) hem die (hij) heeft gedaan voor hem noch (hij) is geweest hart (...) hem gehele met Jahweh zijn God zoals hart oom vader (...) hem
4.
dat opdat oom (hij) heeft gegeven Jahweh zijn God als licht bij Jeruzalem te vestigen (tot) bij ons na hem en op te stellen (tot) Jeruzalem
5.
die (hij) heeft gedaan oom (tot) rechtuit bij bestudeer! Jahweh noch (hij) is afgeweken van alle die geeft opdracht! alle dagen van leef! (...) hem lege bij (het) woord naar lichten de angsten van
6.
en strijd (zij) is geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam alle dagen van leef! (...) hem
7.
en rest spreek! vader (...) hen en alle die (hij) heeft gedaan immers zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Juda en strijd (zij) is geweest tussen vader (...) hen en tussen Jerobeam
8.
en (hij) lag neer vader (...) hen met vaders (...) hem en (zij) begroeven (met) hem bij (de) stad oom en (hij) heerste Asa bij ons in de plaats van hem
9.
en bij (het) jaar van twintig aan Jerobeam koning Israël koning Asa koning Juda
10.
en veertig en één jaar koning bij Jeruzalem en naam [van] moeder (...) hem Maächa dochter ABISLWM
11.
en (hij) heeft gemaakt Asa rechtuit bij bestudeer! Jahweh zoals oom vader (...) hem
12.
en (hij) ging voorbij de heiligheden vanuit het land en (hij) week af (tot) alle (is het zo) dat draaie! (...) hen die Ezau vaders (...) hem
13.
en ook (tot) Maächa moeder (...) hem en (hij) week af (er)naar naar van heer die (zij) heeft gedaan MPLßT te bevestigen (er)naar en (hij) hakte af Asa (tot) MPLßTE en (hij) verbrandde bij (de) wadi (zij) zijn donker geworden (...) hen
14.
en de verhogingen niet (zij) zijn afgeweken lege hart Asa (hij) is geweest gehele met Jahweh alle dagen (...) hem
15.
en (hij) kwam (tot) heilig! vader (...) hem en (zij) hebben geheiligd huis Jahweh zilver en goud en alle (mv)
16.
en strijd (zij) is geweest tussen Asa en tussen Baesa koning Israël alle dagen (...) hen
17.
en (hij) verhief Baesa koning Israël op Juda en (hij) bouwde (tot) de wormen opdat niet te geven uitgaande en (hij) is gekomen aan Asa koning Juda
18.
en (hij) nam Asa (tot) alle het zilver en het goud (is het zo) dat blijven over bij bergen op huis Jahweh en (tot) bergen op huis koning en (hij) gaf (...) hen bij (de) hand slaven (...) hem en (hij) zond weg (...) hen kroon! Asa naar zoon Hadad zoon ÐBRMN zoon HZIWN koning Syrië de inwoner bij Damaskus te spreken
19.
verbond tussen mij en tussen jou tussen vader en tussen vader (...) jou hier is (ik) heb gezonden aan jou omkoperij zilver en goud aan jou de koe (tot) verbond (...) jou (tot) Baesa koning Israël en (hij) verhief ontvreemd!
20.
en (hij) hoorde toe zoon Hadad naar kroon! Asa en (hij) zond weg (tot) Sarai de machten die als op steden van Israël en (hij) sloeg (tot) OIWN en (tot) Dan en (tot) rouw huis Maächa en (tot) alle violen op alle land Nafthali
21.
en wees toen Baesa en (hij) hield op om te bouwen (tot) de wormen en inwoner bij Thirza
22.
en kroon! Asa (hij) heeft laten horen (tot) alle Juda (er is) niet schone en (zij) droegen (tot) stenen van de wormen en (tot) houten die (hij) heeft gebouwd Baesa en (hij) bouwde in hen kroon! Asa (tot) heuvel Benjamin en (tot) de uitkijkpunt
23.
en rest alle spreek! Asa en alle moed (...) hem en alle die (hij) heeft gedaan en de steden die (hij) heeft gebouwd toch? deze (mv) geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Juda lege aan tijd (jij) bent oud geweest (...) hem (hij) is ziek geworden (tot) voeten (...) hem
24.
en (hij) lag neer Asa met vaders (...) hem en (hij) begroef met vaders (...) hem bij (de) stad oom vader (...) hem en (hij) heerste Josafat bij ons in de plaats van hem
25.
en (hij) heeft geschonken zoon Jerobeam koning op Israël bij (het) jaar van twee aan Asa koning Juda en (hij) heerste op Israël twee jaren
26.
en (hij) heeft gemaakt juich! bij bestudeer! Jahweh en (hij) ging bij (de) weg vader (...) hem en bij (de) zonde (...) hem die (hij) heeft laten zondigen (tot) Israël
27.
en (hij) verbond op hem Baesa zoon (ik) leefde aan huis Issaschar en (zij) werden donker Baesa BCBTWN die aan Filistijnen en (hij) heeft geschonken en alle Israël smalle (mv) op CBTWN
28.
en (zij) stierven (...) hem Baesa bij (het) jaar van drie aan Asa koning Juda en (hij) heerste in de plaats van hem
29.
en wees als (zij) hebben geheerst (hij) heeft geslagen (tot) alle huis Jerobeam niet (hij) heeft achtergelaten alle ziel aan Jerobeam tot roeie uit! (...) hem zoals woord Jahweh die woord bij (de) hand (zij) hebben gewerkt (ik) leefde ESILNI
30.
op zondige daden Jerobeam die zondaar en die (hij) heeft laten zondigen (tot) Israël bij (zij) zijn boos geweest die (hij) heeft boos gemaakt (tot) Jahweh mijn God Israël
31.
en rest spreek! (hij) heeft geschonken en alle die (hij) heeft gedaan toch? zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Israël
32.
en strijd (zij) is geweest tussen Asa en tussen Baesa koning Israël alle dagen (...) hen
33.
bij (het) jaar van drie aan Asa koning Juda koning Baesa zoon (ik) leefde op alle Israël bij Thirza twintig en vier jaar
34.
en (hij) heeft gemaakt juich! bij bestudeer! Jahweh en (hij) ging bij (de) weg Jerobeam en bij (de) zonde (...) hem die (hij) heeft laten zondigen (tot) Israël

Hoofdstuk 16

1.
en wees woord Jahweh naar Jehu zoon Hanani op Baesa te spreken
2.
wegens die de wormen-en (...) jou vanuit het stof en (ik) zal geven (...) jou leider op met mij Israël en (jij) ging bij (de) weg Jerobeam en (jij) zondigde (tot) met mij Israël boos te maken (...) mij bij (jullie) hebben gezondigd
3.
hier ben ik MBOIR na Baesa en na huis (...) hem en (ik) heb gegeven (tot) huis (...) jou (jij) bent uitgegaan Jerobeam zoon kiem
4.
dood! aan Baesa bij (de) stad (zij) aten de honden en dood! als bij (het) veld (zij) aten vogel de hemel
5.
en rest spreek! Baesa en die (hij) heeft gedaan en moed (...) hem toch? zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Israël
6.
en (hij) lag neer Baesa met vaders (...) hem en (hij) begroef bij Thirza en (hij) heerste deze bij ons in de plaats van hem
7.
en ook bij (de) hand Jehu zoon Hanani de profeet woord Jahweh (hij) is geweest naar Baesa en naar huis (...) hem en op alle de herder die (hij) heeft gedaan bij bestudeer! Jahweh boos te maken (...) hem bij Mozes handen (...) hem te zijn (jij) bent uitgegaan Jerobeam en op die (hij) heeft geslagen (met) hem
8.
bij (het) jaar van twintig en zes jaar aan Asa koning Juda koning deze zoon Baesa op Israël bij Thirza twee jaren
9.
en (hij) verbond op hem (zij) hebben gewerkt zing! aanvoerder MHßIT de wagen en hij bij Thirza (zij) heeft gelegd huur! huis ARßA die op het huis bij Thirza
10.
en (hij) kwam zing! en (zij) werden donker en (zij) doodden (...) hem bij (het) jaar van twintig en zeven aan Asa koning Juda en (hij) heerste in de plaats van hem
11.
en wees bij (zij) hebben geheerst als (zij) hebben gerust op stoel (...) hem (hij) heeft geslagen (tot) alle huis Baesa niet (hij) heeft achtergelaten als van schering (...) hen bij (de) muur en wrekers (...) hem en zijn vriend
12.
WISMD zing! (tot) alle huis Baesa zoals woord Jahweh die woord naar Baesa bij (de) hand Jehu de profeet
13.
naar alle zondige daden Baesa en zondige daden deze bij ons die (zij) hebben gezondigd en die (zij) hebben laten zondigen (tot) Israël boos te maken (tot) Jahweh mijn God Israël bij (de) dampen (...) hen
14.
en rest spreek! deze en alle die (hij) heeft gedaan immers zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Israël
15.
bij (het) jaar van twintig en zeven jaar aan Asa koning Juda koning zing! zeven dagen bij Thirza en het volk leger! (...) hen op CBTWN die aan Filistijnen
16.
en (hij) hoorde toe het volk (is het zo) dat leger! (...) hen te spreken verband zing! en ook (hij) heeft geslagen (tot) kroon! en (zij) heersten alle Israël (tot) Omri aanvoerder leger op Israël bij (de) dag dat bij (het) kamp
17.
en (hij) verhief Omri en alle Israël met hem MCBTWN en fabriceert! op Thirza
18.
en wees zoals zicht zing! dat (wij) voegden samen (er)naar (hij) heeft opgemerkt en (hij) kwam naar paleis huis kroon! en (hij) verbrandde op hem (tot) huis koning (hij) is verrot en (hij) stierf
19.
op zondoffers (...) hem die zondaar te doen juich! bij bestudeer! Jahweh te gaan bij (de) weg Jerobeam en bij (de) zonde (...) hem die (hij) heeft gedaan zondigen te laten (tot) Israël
20.
en rest spreek! zing! en verbindt! die verband toch? zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Israël
21.
destijds (hij) verdeelde het volk Israël druk! halve het volk (hij) is geweest na (jij) bouwde zoon CINT te kronen (...) hem en (de) halve na Omri
22.
en (hij) versterkte het volk die na Omri (tot) het volk die na (jij) bouwde zoon CINT en (hij) stierf (jij) bouwde en (hij) heerste Omri
23.
bij (het) jaar van dertig en één jaar aan Asa koning Juda koning Omri op Israël twee tien jaar bij Thirza koning zes twee
24.
en (hij) kocht (tot) de heuvel Samaria honderd bewaar! bij (de) pleinen zilver en (hij) bouwde (tot) de heuvel en (hij) noemde (tot) daar (hij) heeft opgemerkt die (hij) heeft gebouwd op daar bewaar! liggers van de heuvel Samaria
25.
en (zij) heeft gemaakt Omri juich! bij bestudeer! Jahweh en (hij) achtervolgde van alle die voor hem
26.
en (hij) ging in alle weg Jerobeam zoon kiem en bij (de) zondoffers (...) hem die (hij) heeft laten zondigen (tot) Israël boos te maken (tot) Jahweh mijn God Israël bij (de) dampen (...) hen
27.
en rest spreek! Omri die (hij) heeft gedaan en moed (...) hem die (hij) heeft gedaan toch? zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Israël
28.
en (hij) lag neer Omri met vaders (...) hem en (hij) begroef bij Samaria en (hij) heerste Achab bij ons in de plaats van hem
29.
en Achab zoon Omri koning op Israël bij (het) jaar van dertig en acht jaar aan Asa koning Juda en (hij) heerste Achab zoon Omri op Israël bij Samaria twintig en twee jaar
30.
en (hij) heeft gemaakt Achab zoon Omri juich! bij bestudeer! Jahweh van alle die voor hem
31.
en wees (is het zo) dat (wij) verlichtten te gaan (...) hem bij (de) zondige daden Jerobeam zoon kiem en (hij) nam vrouw (tot) Izebel dochter ATBOL koning ßIDNIM en (hij) ging en (hij) werkte (tot) de echtgenoot en (hij) boog zich diep als
32.
en (hij) stond op altaar aan echtgenoot huis de echtgenoot die (hij) heeft gebouwd bij Samaria
33.
en (hij) heeft gemaakt Achab (tot) (is het zo) dat (ik) weekte in en Jozef Achab te doen boos te maken (tot) Jahweh mijn God Israël van alle heers! Israël die (zij) zijn geweest voor hem
34.
bij (de) dagen (...) hem (hij) heeft gebouwd HIAL huis (is het zo) dat naar mij (tot) IRIHE bij Abiram trekt voor! (zij) heeft gevestigd WBSCIB ßOIRW (hij) heeft opgesteld naar deuren zoals woord Jahweh die woord bij (de) hand Jozua zoon Nun

Hoofdstuk 17

1.
en (hij) sprak Elia de Thisbiet van Thisbiet gedenkteken naar Achab levende Jahweh mijn God Israël die (ik) heb gestaan voor hem als (hij) was de twee (de) deze dauw en regen dat als aan mond van spreek!
2.
en wees woord Jahweh naar hem te spreken
3.
aan jou hiervandaan en (jij) hebt je gewend aan jou (zij) is voorgegaan WNXTRT bij (de) wadi (jij) hebt gegraven die op aanzicht van de Jordaan
4.
en (hij) is geweest van de wadi (jij) dronk en (tot) (de) aangename (mv) (ik) heb opdracht gegeven LKLKLK daar
5.
en (hij) ging en (hij) heeft gemaakt zoals woord Jahweh en (hij) ging en inwoner bij (de) wadi (jij) hebt gegraven die op aanzicht van de Jordaan
6.
en (de) aangename (mv) MBAIM als brood en vlees bij (het) rundvee en brood en vlees bij (de) aangename en vanuit de wadi (hij) dronk
7.
en wees van eind dagen en (hij) was droog de wadi dat niet (hij) is geweest nader! (...) hen bij (het) land
8.
en wees woord Jahweh naar hem te spreken
9.
sta op! aan jou ßRPTE die aan Sidon en (jij) hebt gewoond daar hier is (ik) heb opdracht gegeven daar vrouw weduwe LKLKLK
10.
en (hij) stond op en (hij) ging ßRPTE en (hij) kwam naar opening (hij) heeft opgemerkt en hier is daar vrouw weduwe MQSST bomen en (hij) noemde vetstaart en (hij) sprak neem! toch aan mij een beetje water bij (het) gereedschap en (ik) dronk
11.
en (jij) ging (jij) hebt genomen en (hij) noemde vetstaart en (hij) sprak leringen van toch aan mij mond van brood bij (de) hand (...) jou
12.
en (jij) sprak levende Jahweh jouw God als er is aan mij om cirkel te trekken dat als (hij) is vol geweest lepel meel bij (de) kruik en een beetje olie BßPHT en hier ben ik MQSST twee bomen en (ik) ben gekomen WOSITIEW aan mij en aan zonen van en (wij) hebben gegeten (...) hem en verzacht!
13.
en (hij) sprak vetstaart Elia naar (jij) vreesde bij (de) eiland maak! zoals woord (...) jou maar maak! aan mij van daar (zij) heeft cirkel getrokken kleine in het eerste en (jij) bent tevoorschijn gehaald aan mij en aan jou en aan zoon (...) jou (jij) maakte bij (de) laatste
14.
dat zo woord Jahweh mijn God Israël kruik het meel niet (jij) beëindigde WßPHT de olie niet (zij) ontbrak tot dag te geven (...) hen Jahweh nader! (...) hen op aanzicht van de aarde
15.
en (jij) ging en (jij) deed zoals woord Elia en (jij) at hij en zij en naar huis dagen
16.
kruik het meel niet (zij) is geëindigd WßPHT de olie niet gebrek zoals woord Jahweh die woord bij (de) hand Elia
17.
en wees andere de woorden (de) deze (hij) is ziek geworden zoon de vrouw bij opgaan het huis en wees niet-heilige-en (...) hem kracht zeer tot die niet (zij) is overgebleven bij hem ziel
18.
en (jij) sprak naar Elia wat? aan mij en aan jou man naar God (jij) bent gekomen naar mij LEZKIR (tot) armoede en te doden (tot) bouw!
19.
en (hij) sprak vetstaart geef! aan mij (tot) zoon (...) jou en (zij) namen (...) hem naar van boezem en (hij) verhief (...) hem naar (is het zo) dat op haar die hij inwoner daar en (zij) lagen neer (...) hem op stam (...) hem
20.
en (hij) noemde naar Jahweh en (hij) sprak Jahweh mijn God ook? op de weduwe die ik MTCWRR met haar de medemensen te doden (tot) (hij) heeft gebouwd
21.
WITMDD op het kind drie twee keer en (hij) noemde naar Jahweh en (hij) sprak Jahweh mijn God (jij) woonde toch ziel het kind deze op (zij) hebben nader gebracht
22.
en (hij) hoorde toe Jahweh bij (de) klank Elia en (jij) woonde ziel het kind op (zij) hebben nader gebracht en leve!
23.
en (hij) nam Elia (tot) het kind en (zij) is gedaald (...) hem vanuit (is het zo) dat op haar naar het huis en (hij) gaf (...) hem natie (...) hem en (hij) sprak Elia spiegel levende zoon (...) jou
24.
en (jij) sprak de vrouw naar Elia nu dit (ik) heb geweten dat man God (met) haar en woord Jahweh bij (de) monden (...) jou waarheid

Hoofdstuk 18

1.
en wees dagen twisten en woord Jahweh (hij) is geweest naar Elia in het jaar ESLISIT te spreken aan jou (hij) heeft laten zien naar Achab en (ik) gaf regen op aanzicht van de aarde
2.
en (hij) ging Elia zien te laten naar Achab en de honger kracht bij Samaria
3.
en (hij) noemde Achab naar Obadja die op het huis en Obadja (hij) is geweest gezien (tot) Jahweh zeer
4.
en wees bij (hij) heeft vernietigd Izebel (tot) profeten van Jahweh en (hij) nam Obadja honderd profeten WIHBIAM vijftig man bij (de) grot WKLKLM brood en water
5.
en (hij) sprak Achab naar Obadja aan jou bij (het) land naar alle bestudeer(t) (...) mij het water en naar alle de wadi's misschien (wij) vondden hooi en (wij) leefden paard WPRD en toch niet (wij) vernietigden van de vee
6.
en (zij) verdeelden aan hen (tot) het land door te trekken bij haar Achab beweging bij (de) weg één alleen hij en Obadja beweging bij (de) weg één alleen hij
7.
en wees Obadja bij (de) weg en hier is Elia hem tegemoet en (hij) groef (...) hem en (hij) liet vallen op aanzichten (...) hem en (hij) sprak (is het zo) dat (met) haar dit liggers van Elia
8.
en (hij) sprak als ik aan jou woord aan liggers (...) jou hier is Elia
9.
en (hij) sprak wat? (ik) heb gezondigd dat (met) haar (hij) heeft gegeven (tot) slaaf (...) jou bij (de) hand Achab te doden (...) mij
10.
levende Jahweh jouw God als er is volk en rijk die niet wapen liggers van daar te zoeken (...) jou en (zij) hebben gesproken (er is) niet WESBIO (tot) het rijk en (tot) de volk dat niet IMßAKE
11.
en nu (met) haar woord aan jou woord aan liggers (...) jou hier is Elia
12.
en (hij) is geweest ik (ik) ging van jou en wind Jahweh (hij) droeg (...) jou op die niet (ik) wist en (ik) ben gekomen te vertellen aan Achab noch (hij) vond (...) jou en (hij) heeft gedood (...) mij en slaaf (...) jou gezien (tot) Jahweh schud(t) (...) mij
13.
toch? vertel! aan liggers van (tot) die (ik) heb gedaan bij (hij) heeft gedood Izebel (tot) profeten van Jahweh WAHBA van profeten van Jahweh honderd man vijftig vijftig man bij (de) grot WAKLKLM brood en water
14.
en nu (met) haar woord aan jou woord aan liggers (...) jou hier is Elia en (hij) heeft gedood (...) mij
15.
en (hij) sprak Elia levende Jahweh legers die (ik) heb gestaan voor hem dat vandaag (ik) liet zien naar hem
16.
en (hij) ging Obadja tegemoet Achab en (hij) werd verteld als en (hij) ging Achab tegemoet Elia
17.
en wees zoals zicht Achab (tot) Elia en (hij) sprak Achab naar hem (is het zo) dat (met) haar dit OKR Israël
18.
en (hij) sprak niet OKRTI (tot) Israël dat als (met) haar en huis vader (...) jou bij (hij) heeft verlaten (...) jullie (tot) voorschrift van Jahweh en (jij) ging na de echtgenoten
19.
en nu wapen (hij) heeft verzameld naar mij (tot) alle Israël naar heuvel de Karmel en (tot) profeten van de echtgenoot vier honderd en vijftig en profeten van (is het zo) dat (ik) weekte in vier honderd eet! tafel Izebel
20.
en (hij) zond weg Achab in alle bouw! Israël en (hij) verzamelde (tot) de profeten naar heuvel de Karmel
21.
en (hij) is genaderd Elia naar alle het volk en (hij) sprak tot wanneer? (met) hen Pesach-en op schering EXOPIM als Jahweh naar God ga(a)t! na hem en als de echtgenoot ga(a)t! na hem noch nederige het volk (met) hem woord
22.
en (hij) sprak Elia naar het volk ik (ik) ben overgebleven profeet aan Jahweh alleen ik en profeten van de echtgenoot vier honderd en vijftig man
23.
en (zij) gaven aan ons twee stieren en (zij) kozen aan hen de stier de één WINTHEW en (zij) plaatsten op de bomen en vuur niet (zij) plaatsten en ik (ik) werd gedaan (tot) de stier de één en (ik) heb gegeven op de bomen en vuur niet (ik) plaatste
24.
en (jullie) hebben genoemd bij (de) naam jullie God en ik (ik) werd genoemd bij (de) naam Jahweh en (hij) is geweest naar God die (hij) antwoordde (hij) is verrot hij naar God en wegens alle het volk en (zij) spraken goede het woord
25.
en (hij) sprak Elia aan profeten van de echtgenoot (zij) hebben gekozen aan jullie de stier de één en Ezau in de eerste plaats dat (met) hen (is het zo) dat twisten en (zij) hebben genoemd bij (de) naam jullie God en vuur niet (jullie) plaatsten
26.
en (zij) namen (tot) de stier die (hij) heeft gegeven aan hen en (zij) hebben gemaakt en (zij) noemden bij (de) naam de echtgenoot van het rundvee en tot de middag te spreken de echtgenoot wolk (...) hem en (er is) niet klank en (er is) niet (hij) heeft geantwoord en (zij) sloegen over op het altaar die (hij) heeft gedaan
27.
en wees bij (de) middag WIETL bij hen Elia en (hij) sprak (zij) hebben genoemd bij (de) klank grote dat God hij dat spreek! en dat SIC als en dat weg als misschien er is (...) hen hij en (hij) is wakker geworden
28.
en (zij) noemden bij (de) klank grote WITCDDW zoals rechtsregel (...) hen bij (de) zwaarden WBRMHIM tot monding bloed op hen
29.
en wees zoals kant de middag en (zij) raakten in vervoering tot op te gaan het geschenk en (er is) niet klank en (er is) niet (hij) heeft geantwoord en (er is) niet aandacht
30.
en (hij) sprak Elia aan alle het volk nadert! naar mij en (zij) zijn genaderd alle het volk naar hem en (hij) genas (tot) altaar Jahweh (is het zo) dat breek af!
31.
en (hij) nam Elia twee tien stenen zoals getal stammen van bouw! Jakob die (hij) is geweest woord Jahweh naar hem te spreken Israël (hij) was naam (...) jou
32.
en (hij) bouwde (tot) de stenen altaar bij (de) naam Jahweh en (hij) heeft gemaakt (jij) verhief (jij) bent uitgegaan XATIM nakomelingen rondom aan altaar
33.
en (hij) ordende (tot) de bomen WINTH (tot) de stier en pas toe! op de bomen
34.
en (hij) sprak (zij) zijn vol geweest vier kruiken water en (zij) hebben uitgegoten op dat wat opgaat en op de bomen en (hij) sprak tand (...) hem en hij is er en (hij) sprak SLSW WISLSW
35.
en (zij) gingen het water rondom aan altaar en ook (tot) (is het zo) dat (jij) verhief (hij) is vol geweest water
36.
en wees bij (de) beklimmingen het geschenk en (hij) is genaderd Elia de profeet en (hij) sprak Jahweh mijn God Abraham Izak en Israël vandaag (hij) werd bekend dat (met) haar God bij Israël en ik slaaf (...) jou en bij (de) woorden (...) jou (ik) heb gedaan (tot) alle de woorden (de) deze
37.
wolken van Jahweh wolken van en (zij) hebben geweten het volk deze dat (met) haar Jahweh naar God en (met) haar EXBT (tot) hart (...) hen achterwaarts
38.
en (zij) viel vuur Jahweh en (jij) at (tot) dat wat opgaat en (tot) de bomen en (tot) de stenen en (tot) het stof en (tot) het water die bij (jij) verhief naar aan verhemelte
39.
en gezien alle het volk en (zij) vielen op aanzichten (...) hen en (zij) spraken Jahweh hij naar God Jahweh hij naar God
40.
en (hij) sprak Elia aan hen (jullie) verbreidden je (tot) profeten van de echtgenoot man naar (hij) redde (van)uit hen WITPSWM en (hij) werd naar beneden gehaald (...) hen Elia naar wadi Kison en (hij) slachtte (...) hen daar
41.
en (hij) sprak Elia aan Achab blad eten en (zij) heeft gelegd dat klank menigte (is het zo) dat nader! (...) hen
42.
en (hij) verhief Achab aan eten en te drinken en Elia blad naar hoofd de Karmel WICER naar land en pas toe! aanzichten (...) hem tussen zegent!
43.
en (hij) sprak naar schudt! blad toch kijk! weg zee en (hij) verhief WIBÐ en (hij) sprak (er is) niet iets en (hij) sprak woon! zeven twee keer
44.
en wees BSBOIT en (hij) sprak hier is wolk kleine zoals lepel man blad water en (hij) sprak blad woord naar Achab (hij) heeft gevangen genomen en daal! noch IOßRKE (is het zo) dat nader! (...) hen
45.
en wees tot zo en tot zo en de hemel (is het zo) dat (jullie) werden donker wolken en wind en wees nader! (...) hen grote en (hij) reed Achab en (hij) ging naar Jizreël
46.
en hand Jahweh (zij) is geweest naar Elia WISNX lendenen (...) hem en (hij) rende voor Achab tot bij (ik) sloeg naar Jizreël

Hoofdstuk 19

1.
en (hij) werd verteld Achab aan Izebel (tot) alle die (hij) heeft gedaan Elia en (tot) alle die (hij) heeft gedood (tot) alle de profeten bij (het) zwaard
2.
en (jij) zond weg Izebel boodschapper naar Elia te spreken zo (zij) hebben gemaakt (...) hen God en zo (zij) lieten toevoegen (...) hen dat zoals tijd morgen (ik) plaatste (tot) ziel (...) jou zoals ziel één (van)uit hen
3.
en gezien en (hij) stond op en (hij) ging naar ziel (...) hem en (hij) kwam put zeven die aan Juda en (hij) rustte (tot) schudt! daar
4.
en hij beweging bij (de) woestijn weg dag en (hij) kwam en inwoner in de plaats van RTM één en (hij) vroeg (tot) ziel (...) hem te sterven en (hij) sprak meerderheid nu Jahweh neem! ziel (...) mij dat niet goede ik van vaders van
5.
en (hij) lag neer WIISN in de plaats van RTM één en hier is dit boodschapper plaag bij hem en (hij) sprak als sta op! eten
6.
WIBÐ en hier is MRASTIW (jij) hebt cirkel getrokken RßPIM WßPHT water en (hij) at en (hij) legde en inwoner en (hij) lag neer
7.
en inwoner boodschapper Jahweh ten tweede en vermoeide bij hem en (hij) sprak sta op! eten dat meerderheid (van)uit jou de weg
8.
en (hij) stond op en (hij) at en (hij) dronk en (hij) ging bij (de) kracht (zij) heeft gevoed die veertig dag en veertig nacht tot heuvel naar God zwaard
9.
en (hij) kwam daar naar de grot en (hij) overnachtte daar en hier is woord Jahweh naar hem en (hij) sprak als wat? aan jou mond Elia
10.
en (hij) sprak (hij) is jaloers geweest (ik) ben jaloers geweest aan Jahweh mijn God legers dat (zij) hebben verlaten verbond (...) jou bouw! Israël (tot) altaren (...) jou (zij) hebben afgebroken en (tot) profeten (...) jou (zij) hebben gedood bij (het) zwaard WAWTR ik alleen ik en (zij) zochten (tot) ziel (...) mij (jij) hebt genomen (er)naar
11.
en (hij) sprak ga weg! en (jij) hebt gestaan bij (de) heuvel voor Jahweh en hier is Jahweh kant en wind grootheid en kracht MPRQ (hij) heeft opgetild en verbrijzel(t) rotsen voor Jahweh niet vlucht! Jahweh en andere de wind lawaai niet bij (het) lawaai Jahweh
12.
en andere het lawaai vuur niet (hij) is verrot Jahweh en andere het vuur klank DMME dunne
13.
en wees toen Elia WILÐ aanzichten (...) hem bij (de) mantel (...) hem en uitgaande en (hij) stond vast opening de grot en hier is naar hem klank en (hij) sprak wat? aan jou mond Elia
14.
en (hij) sprak (hij) is jaloers geweest (ik) ben jaloers geweest aan Jahweh mijn God legers dat (zij) hebben verlaten verbond (...) jou bouw! Israël (tot) altaren (...) jou (zij) hebben afgebroken en (tot) profeten (...) jou (zij) hebben gedood bij (het) zwaard WAWTR ik alleen ik en (zij) zochten (tot) ziel (...) mij (jij) hebt genomen (er)naar
15.
en (hij) sprak Jahweh naar hem aan jou terugkeren aan weg (...) jou van woord Damaskus en (jij) bent gekomen en (jij) hebt gezalfd (tot) Hazaël aan koning op Syrië
16.
en (tot) Jehu zoon Nimsi (zij) zalfde aan koning op Israël en (tot) Elisa zoon rechter van rouw Mehola (zij) zalfde aan profeet in de plaats van jou
17.
en (hij) is geweest (is het zo) dat (wij) redden van zwaard Hazaël (hij) doodde Jehu WENMLÐ van zwaard Jehu (hij) doodde Elisa
18.
en (ik) heb achtergelaten bij Israël zeven duizenden alle (is het zo) dat zegen! (...) hen die niet als (zij) hebben achtervolgd aan echtgenoot en alle de mond die niet (hij) heeft gekust als
19.
en (hij) ging van daar en (hij) vond (tot) Elisa zoon rechter en hij stille twee rijkdom koppel! (...) hen voor hem en hij bij twee de rijkdom en (hij) ging voorbij Elia naar hem en (hij) ging neer mantel (...) hem naar hem
20.
en (hij) verliet (tot) het rundvee en (hij) rende na Elia en (hij) sprak (ik) gaf te drinken toch aan vader en naties van en (ik) ging (er)naar na jou en (hij) sprak als aan jou terugkeren dat wat? (ik) heb gedaan aan jou
21.
en inwoner van na hem en (hij) nam (tot) span het rundvee en (zij) slachtten (...) hem en bij (het) gereedschap het rundvee bij (de) gehele het vlees en (hij) gaf aan volk en (zij) aten en (hij) stond op en (hij) ging na Elia en (zij) dienden (...) hem

Hoofdstuk 20

1.
en zoon Hadad koning Syrië (hij) heeft verzameld (tot) alle macht (...) hem en dertig en twee koning (met) hem en paard en wagen en (hij) verhief en fabriceer! op Samaria en (hij) streed bij haar
2.
en (hij) zond weg boodschappers naar Achab koning Israël (zij) heeft opgemerkt
3.
en (hij) sprak als zo woord zoon Hadad zilver (...) jou en goud (...) jou aan mij hij en vrouwen (...) jou en zonen (...) jou (de) goede (mv) aan mij zij
4.
en wegens koning Israël en (hij) sprak zoals woord (...) jou liggers van kroon! aan jou ik en alle die aan mij
5.
en (zij) hebben gewoond de boodschappers en (zij) spraken zo woord zoon Hadad te spreken dat (ik) heb gezonden naar jou te spreken zilver (...) jou en goud (...) jou en vrouwen (...) jou en zonen (...) jou aan mij te geven (...) hen
6.
dat als zoals tijd morgen (ik) zond weg (tot) werk! naar jou en vrijheid (...) hem (tot) huis (...) jou en (tot) dochter (...) mij slaven (...) jou en (hij) is geweest alle MHMD ogen (...) jou (zij) plaatsten bij (hij) leek en (zij) hebben genomen
7.
en (hij) noemde koning Israël aan alle ben oud! het land en (hij) sprak weet! toch en (zij) hebben gezien dat herder dit zoek(t) dat wapen naar mij aan vrouwen van en aan zonen van en aan zilver-en van en aan goud-en van noch (ik) heb teruggehouden (van)uit hem
8.
en (zij) spraken naar hem alle de baarden en alle het volk naar (jij) hoorde toe en toch niet (jij) wenste
9.
en (hij) sprak aan boodschappers van zoon Hadad (zij) hebben gesproken aan liggers van kroon! alle die (jij) hebt gezonden naar slaaf (...) jou in het eerste (ik) werd gedaan en het woord deze niet eet te doen en (zij) gingen de boodschappers en (zij) heeft gewoond (...) hem woord
10.
en (hij) zond weg naar hem zoon Hadad en (hij) sprak zo (zij) hebben gemaakt (...) hen aan mij God en zo (zij) lieten toevoegen als ISPQ stof Samaria aan vossen aan alle het volk die bij (de) voeten van
11.
en wegens koning Israël en (hij) sprak spreekt! naar (hij) prees zich (hij) heeft omgord als doe(t) open
12.
en wees toen (tot) het woord deze en hij (zij) heeft gelegd hij en de koningen bij (de) hutten en (hij) sprak naar slaven (...) hem plaatst! en (zij) plaatsten op (hij) heeft opgemerkt
13.
en hier is profeet één (wij) naderden naar Achab koning Israël en (hij) sprak zo woord Jahweh (jij) hebt laten zien (tot) alle de menigte (de) grote deze hier ben ik (zij) hebben gegeven bij (de) hand (...) jou vandaag en (jij) hebt geweten dat ik Jahweh
14.
en (hij) sprak Achab bij (het) water van en (hij) sprak zo woord Jahweh bij schud! Sarai de staten en (hij) sprak water van (hij) nam gevangen de strijd en (hij) sprak (met) haar
15.
en (hij) beval (tot) schud! Sarai de staten en (zij) waren honderd paar twee en dertig en na hen opname (tot) alle het volk alle bouw! Israël zeven duizenden
16.
en voert uit! bij (de) middag en zoon Hadad (zij) heeft gelegd huur! bij (de) hutten hij en de koningen dertig en twee koning hulp (met) hem
17.
en voert uit! schud! Sarai de staten in het eerste en (hij) zond weg zoon Hadad en (zij) vertelden als te spreken mensen voert uit! van Samaria
18.
en (hij) sprak als volledig te zijn voert uit! (jullie) verbreidden je (...) hen leven en als aan strijd voert uit! leven (jullie) verbreidden je (...) hen
19.
en deze voert uit! vanuit (hij) heeft opgemerkt schud! Sarai de staten en de macht die na hen
20.
en (zij) sloegen man man (...) hem en (zij) vluchtten Syrië en (hij) achtervolgden (...) hen Israël en (hij) redde zoon Hadad koning Syrië op paard en ruiters
21.
en uitgaande koning Israël en (hij) sloeg (tot) het paard en (tot) de wagen en (hij) heeft geslagen bij Syrië geslagen grootheid
22.
en (hij) is genaderd de profeet naar koning Israël en (hij) sprak als aan jou (hij) is sterker geworden en weet! en (hij) heeft gezien (tot) die (jij) deed dat LTSWBT het jaar koning Syrië blad op jou
23.
en werk! koning Syrië (zij) hebben gesproken naar hem mijn God (hij) heeft opgetild hun God op zo versterkt! (van)uit hem daarentegen (hij) heeft gestreden (met) hen BMISWR als niet (wij) versterkten (van)uit hen
24.
en (tot) het woord deze (hij) heeft gedaan verwijder! de koningen man van plaats (...) hem en plaats! word minder! in de plaats van hen
25.
en (met) haar Timna aan jou macht zoals macht (is het zo) dat ga neer! honderden (...) jou en paard zoals paard en wagen zoals wagen en (zij) heeft gestreden hen BMISWR als niet (wij) versterkten (van)uit hen en (hij) hoorde toe aan klank (...) hen en (hij) heeft gemaakt zo
26.
en wees LTSWBT het jaar en (hij) beval zoon Hadad (tot) Syrië en (hij) verhief APQE aan strijd met Israël
27.
en bouw! Israël (is het zo) dat (jullie) bevalen WKLKLW en (zij) gingen hen tegemoet en (zij) legerden bouw! Israël NCDM zoals tweede HSPI geiten en Syrië (zij) zijn vol geweest (tot) het land
28.
en (hij) is genaderd man naar God en (hij) sprak naar koning Israël en (hij) sprak zo woord Jahweh wegens die (zij) hebben gesproken Syrië mijn God (hij) heeft opgetild Jahweh noch mijn God dieptes hij en (ik) heb gegeven (tot) alle de menigte (de) grote deze bij (de) hand (...) jou en (jullie) hebben geweten dat ik Jahweh
29.
en (zij) legerden deze tegenover deze zeven dagen en wees bij (de) dag (de) zevende en (jij) bracht nader de strijd en (zij) sloegen bouw! Israël (tot) Syrië honderd duizend voeten van bij (de) dag één
30.
en (zij) vluchtten (is het zo) dat blijven over APQE naar (hij) heeft opgemerkt en (zij) viel de muur op twintig en zeven duizend man (is het zo) dat blijven over en zoon Hadad teken en (hij) kwam naar (hij) heeft opgemerkt kamer bij (de) kamer
31.
en (zij) spraken naar hem slaven (...) hem hier is toch (wij) hebben toegehoord dat heers! huis Israël dat heers! genade zij worden verlaten (er)naar toch dat (hij) heeft gehandhaafd bij (de) lendenen (...) ons en koorden bij (het) hoofd (...) ons en (wij) gingen uit naar koning Israël misschien (hij) leefde (tot) ziel (...) jou
32.
en (zij) omgordden dat (hij) heeft gehandhaafd bij (de) lendenen (...) hen en koorden bij (de) hoofden (...) hen en voert in! naar koning Israël en (zij) spraken slaaf (...) jou zoon Hadad woord (zij) leefde toch ziel (...) mij en (hij) sprak (is het zo) dat hij (...) nog levende broer hij
33.
en de mensen (zij) vermoedden en (zij) haastten zich WIHLÐW (is het zo) dat (van)uit hem en (zij) spraken broers (...) jou zoon Hadad en (hij) sprak (zij) zijn gekomen neemt! (...) hem en uitgaande naar hem zoon Hadad en (hij) verhief (...) hem op de rijtuig
34.
en (hij) sprak naar hem de steden die lering vader honderd vader (...) jou (ik) gaf terug en straten (jij) plaatste aan jou bij Damaskus zoals daar vader bij Samaria en ik bij (het) verbond (ik) zond weg (...) jou en (hij) hakte af als verbond en (zij) zondden weg (...) hem
35.
en man één van zonen van de profeten woord naar zijn vriend bij (het) woord Jahweh bereid voor! toch en (hij) weigerde de man te slaan (...) hem
36.
en (hij) sprak als wegens die niet (jij) hebt toegehoord bij (de) klank Jahweh hier ben jij ga(a)(t) van mij WEKK de leeuw en (hij) ging MAßLW en (zij) vondden (...) hem de leeuw en (zij) werden donker
37.
en (hij) vond man andere en (hij) sprak bereid voor! toch en (zij) werden donker de man (hij) heeft geslagen en wond
38.
en (hij) ging de profeet en (hij) stond vast aan koning op de weg WITHPS bij (de) as op ogen (...) hem
39.
en wees kroon! kant en hij (hij) heeft geschreeuwd naar kroon! en (hij) sprak slaaf (...) jou uitgaande te midden van de strijd en hier is man (hij) is afgeweken en (hij) kwam naar mij man en (hij) sprak bewaar! (tot) de man deze als leg neer! (hij) beval en (zij) is geweest ziel (...) jou in de plaats van ziel (...) hem of plein zilver (jij) woog
40.
en wees slaaf (...) jou (hij) heeft gedaan hier is en hier is en hij hij is (er) niet en (hij) sprak naar hem koning Israël zo rechtsregel (...) jou (met) haar (jij) hebt ingesneden
41.
en (hij) haastte zich en (hij) week af (tot) de as boven ogen (...) hem en (hij) groef (met) hem koning Israël dat van de profeten hij
42.
en (hij) sprak naar hem zo woord Jahweh wegens (jij) hebt gezonden (tot) man boycotten van van hand en (zij) is geweest ziel (...) jou in de plaats van ziel (...) hem en met jou in de plaats van met hem
43.
en (hij) ging koning Israël op huis (...) hem (hij) is afgeweken en boosheid en (hij) kwam naar Samaria

Hoofdstuk 21

1.
en wees andere de woorden (de) deze wijngaard (hij) is geweest aan Naboth de Jizreëliet die bij Jizreël naast paleis Achab koning Samaria
2.
en (hij) sprak Achab naar Naboth te spreken geef! aan mij (tot) wijngaard (...) jou en wees aan mij aan tuin groene dat hij verwant naast huis-en van en (ik) gaf aan jou in de plaats van hem wijngaard goede (van)uit hem als goede bij (de) ogen (...) jou (ik) gaf aan jou zilver prijs dit
3.
en (hij) sprak Naboth naar Achab God beware aan mij van Jahweh (ik) ben gestorven (tot) (jij) hebt verworven vaders van aan jou
4.
en (hij) kwam Achab naar huis (...) hem (hij) is afgeweken en boosheid op het woord die woord naar hem Naboth de Jizreëliet en (hij) sprak niet (met) hen aan jou (tot) (jij) hebt verworven vaders-en van en (hij) lag neer op stam (...) hem en (hij) wendde zich af (tot) aanzichten (...) hem noch eten brood
5.
en (zij) kwam naar hem Izebel vuur (...) hem en (jij) sprak naar hem wat? dit wind (...) jou (zij) is afgeweken en jij bent (er) niet eten brood
6.
en (hij) sprak vetstaart dat (ik) sprak naar Naboth de Jizreëliet en woord als geef! aan mij (tot) wijngaard (...) jou bij (het) zilver of als wens (met) haar (ik) gaf aan jou wijngaard in de plaats van hem en (hij) sprak niet (met) hen aan jou (tot) wijngaarden van
7.
en (jij) sprak naar hem Izebel vuur (...) hem (met) haar nu (jij) deed heers! (er)naar op Israël sta op! eten brood en (hij) is goed geweest hart (...) jou ik (met) hen aan jou (tot) wijngaard Naboth de Jizreëliet
8.
en (zij) schreef boeken bij (de) naam Achab en in de plaats van hen BHTMW en (jij) zond weg de boeken naar de baarden en naar (is het zo) dat worden bleek die bij (zij) hebben blootgelegd de inwoners (tot) Naboth
9.
en (zij) schreef bij (de) boeken te spreken (zij) hebben genoemd opdracht (...) hen en (zij) hebben teruggegeven (tot) Naboth bij (het) hoofd het volk
10.
WEWSIBW twee mensen bouw! slechtheid tegenover hem WIODEW te spreken (jij) hebt gezegend God en koning en (zij) heeft tevoorschijn gehaald (...) hem WXQLEW en (hij) stierf
11.
en (zij) hebben gemaakt mens (...) mij (zij) hebben blootgelegd de baarden WEHRIM die de inwoners bij (zij) hebben blootgelegd zoals (zij) heeft gezonden naar hen Izebel zoals geschreven bij (de) boeken die (zij) heeft gezonden naar hen
12.
(zij) hebben genoemd opdracht (...) hen en (zij) hebben teruggegeven (tot) Naboth bij (het) hoofd het volk
13.
en voert in! tweede de mensen bouw! slechtheid en (zij) hebben gewoond tegenover hem WIODEW mens (...) mij de slechtheid (tot) Naboth tegenover het volk te spreken zegen! Naboth God en koning en voert uit! (...) hem buiten aan stad WIXQLEW bij (de) stenen en (hij) stierf
14.
en (zij) zondden weg naar Izebel te spreken XQL Naboth en (hij) stierf
15.
en wees toen Izebel dat XQL Naboth en (hij) stierf en (jij) sprak Izebel naar Achab sta op! verover! (tot) wijngaard Naboth de Jizreëliet die (hij) heeft geweigerd te geven aan jou bij (het) zilver dat (er is) niet Naboth levende dat dode
16.
en wees toen Achab dat dode Naboth en (hij) stond op Achab te dalen naar wijngaard Naboth de Jizreëliet te veroveren (...) hem
17.
en wees woord Jahweh naar Elia de Thisbiet te spreken
18.
sta op! daal! tegemoet Achab koning Israël die bij Samaria hier is bij (de) wijngaard Naboth die (hij) is gedaald daar te veroveren (...) hem
19.
en woord van naar hem te spreken zo woord Jahweh (is het zo) dat (jij) hebt vermoord en ook (jij) hebt veroverd en woord van naar hem te spreken zo woord Jahweh bij (de) plaats die LQQW de honden (tot) bloed Naboth ILQW de honden (tot) bloed (...) jou ook (met) haar
20.
en (hij) sprak Achab naar Elia (is het zo) dat (jullie) hebben gevonden (...) mij vijanden van en (hij) sprak (ik) heb gevonden wegens (is het zo) dat (zij) verkocht (...) jou te doen juich! bij bestudeer! Jahweh
21.
hier ben ik MBI naar jou herder en (ik) heb uitgeroeid na jou en (ik) zal vernietigen aan Achab van schering (...) hen bij (de) muur en houd vast! en verlaat! bij Israël
22.
en (ik) heb gegeven (tot) huis (...) jou (jij) bent uitgegaan Jerobeam zoon kiem en (jij) bent uitgegaan Baesa zoon (ik) leefde naar maak boos! die (jij) hebt boos gemaakt en (jij) zondigde (tot) Israël
23.
en ook aan Izebel woord Jahweh te spreken de honden (zij) aten (tot) Izebel bij (de) niet-heilige Jizreël
24.
dood! aan Achab bij (de) stad (zij) aten de honden en dood! bij (het) veld (zij) aten vogel de hemel
25.
lege niet (hij) is geweest zoals Achab die (is het zo) dat (zij) verkocht te doen juich! bij bestudeer! Jahweh die EXTE (met) hem Izebel vuur (...) hem
26.
WITOB zeer te gaan na (is het zo) dat draaie! (...) hen zoals alle die Ezau de Amoriet die (hij) heeft verdreven Jahweh van aanzicht van bouw! Israël
27.
en wees toen Achab (tot) de woorden (de) deze en (hij) scheurde kledingstukken (...) hem en pas toe! zak op kondigt aan! en (hij) gaf opdracht (...) hen en (hij) lag neer bij (de) zak en (hij) ging
28.
en wees woord Jahweh naar Elia de Thisbiet te spreken
29.
(jij) hebt laten zien dat (hij) is vernederd Achab weg van aanzicht van wegens dat (hij) is vernederd van aanzicht van niet vader de herder bij (de) dagen (...) hem bij (de) dagen van bij ons Abia de herder op huis (...) hem

Hoofdstuk 22

1.
en (zij) hebben gewoond drie twee (er is) niet strijd tussen Syrië en tussen Israël
2.
en wees in het jaar ESLISIT en (hij) is gedaald Josafat koning Juda naar koning Israël
3.
en (hij) sprak koning Israël naar slaven (...) hem (is het zo) dat (jullie) hebben geweten dat aan ons (jij) bent hoog geweest gedenkteken en wij MHSIM MQHT (met) haar van hand koning Syrië
4.
en (hij) sprak naar Josafat (is het zo) dat (jij) ging (met) mij aan strijd (jij) bent hoog geweest gedenkteken en (hij) sprak Josafat naar koning Israël zoals ik zoals jij zoals volkeren van zoals volk (...) jou zoals paarden van zoals paarden (...) jou
5.
en (hij) sprak Josafat naar koning Israël advies toch zoals dag (tot) woord Jahweh
6.
en (hij) verzamelde koning Israël (tot) de profeten KARBO honderd man en (hij) sprak naar hen (is het zo) dat (ik) ging op (jij) bent hoog geweest gedenkteken aan strijd als AHDL en (zij) spraken blad en (hij) gaf liggers van bij (de) hand kroon!
7.
en (hij) sprak Josafat (is het zo) dat (er is) niet mond profeet aan Jahweh nog (eens) en (zij) is verzocht van hem
8.
en (hij) sprak koning Israël naar Josafat nog (eens) man één aan advies (tot) Jahweh van hem en ik (ik) heb gehaat (...) hem dat niet (hij) raakte in vervoering op mij goede dat als kwaad Micha zoon (hij) besneed (er)naar en (hij) sprak Josafat naar (hij) sprak kroon! zo
9.
en (hij) noemde koning Israël naar hoveling één en (hij) sprak (zij) heeft zich gehaast Micha zoon (hij) besneed (er)naar
10.
en koning Israël en Josafat koning Juda inwoners man op stoel (...) hem MLBSIM kledingstukken bij (de) vreemdeling (...) hen opening poort Samaria en alle de profeten raken in vervoering voor hen
11.
en (hij) heeft gemaakt als heb gelijk! (er)naar zoon als (wij) antwoordden groeie! ijzer en (hij) sprak zo woord Jahweh bij (de) deze TNCH (tot) Syrië tot schoondochters (...) hen
12.
en alle de profeten profeten zo te spreken blad (jij) bent hoog geweest gedenkteken en slaag! en (hij) heeft gegeven Jahweh bij (de) hand kroon!
13.
en de boodschapper die beweging te noemen Micha woord naar hem te spreken hier is toch spreek! de profeten mond één goede naar kroon! wees toch woorden (...) jou zoals woord één (van)uit hen en woord van goede
14.
en (hij) sprak Micha levende Jahweh dat (tot) die (hij) sprak Jahweh naar mij (met) hem (ik) sprak
15.
en invoer naar kroon! en (hij) sprak kroon! naar hem Micha (is het zo) dat (wij) gingen naar (jij) bent hoog geweest gedenkteken aan strijd als NHDL en (hij) sprak naar hem blad en slaag! en (hij) heeft gegeven Jahweh bij (de) hand kroon!
16.
en (hij) sprak naar hem kroon! tot zoiets twee keer ik MSBIOK die niet (jij) sprak naar mij lege waarheid bij (de) naam Jahweh
17.
en (hij) sprak (ik) heb gezien (tot) alle Israël verbrijzel! (...) hen naar naar de heuvels zoals kleinvee die (er is) niet aan hen herder en (hij) sprak Jahweh niet liggers aan deze (zij) keerden terug man aan huis (...) hem bij (de) vrede
18.
en (hij) sprak koning Israël naar Josafat immers (ik) heb gesproken naar jou toch niet (hij) raakte in vervoering op mij goede dat als kwaad
19.
en (hij) sprak daarom nieuws woord Jahweh (ik) heb gezien (tot) Jahweh inwoner op stoel (...) hem en alle leger de hemel sta vast! op hem wateren (...) ons en van linkerhand (...) hem
20.
en (hij) sprak Jahweh water van (zij) is mooi geweest (tot) Achab en (hij) verhief en (hij) liet vallen bij (jij) bent hoog geweest gedenkteken en (hij) sprak dit (hij) heeft geweend en dit woord (hij) heeft geweend
21.
en uitgaande de wind en (hij) stond vast voor Jahweh en (hij) sprak ik APTNW en (hij) sprak Jahweh naar hem verhoging
22.
en (hij) sprak (ik) ging uit en (ik) ben geweest wind leugen bij (de) mond van alle profeten (...) hem en (hij) sprak TPTE en ook je zult kunnen ga weg! en (hij) heeft gedaan zo
23.
en nu hier is (hij) heeft gegeven Jahweh wind leugen bij (de) mond van alle profeten (...) jou deze en Jahweh woord op jou herder
24.
en (hij) is genaderd Zedekia zoon als (wij) antwoordden en (hij) sloeg (tot) Micha op de wang en (hij) sprak waar dit kant wind Jahweh van mij te spreken jou
25.
en (hij) sprak Micha hier ben jij (hij) heeft gezien bij (de) dag dat die (zij) kwam kamer bij (de) kamer LEHBE
26.
en (hij) sprak koning Israël neem! (tot) Micha en (zij) heeft teruggegeven (...) hem naar amen! aanvoerder (hij) heeft opgemerkt en naar Joas zoon kroon!
27.
en (jij) hebt gesproken zo woord kroon! plaatst! (tot) dit huis de gevangenis WEAKLEW brood druk en water druk tot bij (de) eiland bij (de) vrede
28.
en (hij) sprak Micha als terugkeren (jij) blies bij (de) vrede niet woord Jahweh bij mij en (hij) sprak (zij) hebben toegehoord volkeren allemaal
29.
en (hij) verhief koning Israël en Josafat koning Juda (jij) bent hoog geweest gedenkteken
30.
en (hij) sprak koning Israël naar Josafat ETHPS en (hij) is gekomen bij (de) strijd en (met) haar (hij) heeft zich bekleed kledingstukken (...) jou WITHPS koning Israël en invoer bij (de) strijd
31.
en koning Syrië geef opdracht! (tot) Sarai de wagen die als dertig en twee te spreken niet (jullie) streedden (tot) kleine en (tot) grote dat als (tot) koning Israël alleen hij
32.
en wees zoals zicht Sarai de wagen (tot) Josafat en deze (mv) (zij) hebben gesproken maar koning Israël hij en (hij) verblindde (...) hem op hem aan het brood en (hij) schreeuwde Josafat
33.
en wees zoals zicht Sarai de wagen dat niet koning Israël hij en (zij) keerden terug van na hem
34.
en man (hij) heeft getrokken bij (de) boog aan onschuld (...) hem en (hij) sloeg (tot) koning Israël tussen (is het zo) dat plak! (...) hen en tussen (is het zo) dat week in! (...) hen en (hij) sprak te rijden (...) hem (hij) heeft omgekeerd hand (...) jou en (hij) heeft tevoorschijn gehaald (...) mij vanuit het kamp dat (is het zo) dat (ik) ben ziek geworden
35.
en (jij) verhief de strijd bij (de) dag dat en kroon! (hij) is geweest sta(a)(t) vast bij (de) rijtuig tegenover Syrië en (hij) stierf bij (de) aangename en (hij) heeft uitgegoten bloed (de) geslagen naar boezem de wagen
36.
en (hij) ging voorbij de gezang bij (het) kamp als (hij) is gekomen de zon te spreken man naar (zij) hebben blootgelegd en man naar land (...) hem
37.
en (hij) stierf kroon! en invoer Samaria en (zij) begroeven (tot) kroon! bij Samaria
38.
WISÐP (tot) de wagen op (jij) hebt gezegend Samaria WILQW de honden (tot) (zij) hebben geleken en de hoererij (zij) hebben gewassen zoals woord Jahweh die woord
39.
en rest spreek! Achab en alle die (hij) heeft gedaan en huis de tand die (hij) heeft gebouwd en alle de steden die (hij) heeft gebouwd immers zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Israël
40.
en (hij) lag neer Achab met vaders (...) hem en (hij) heerste Ahazia bij ons in de plaats van hem
41.
en Josafat zoon Asa koning op Juda bij (het) jaar van vier aan Achab koning Israël
42.
Josafat zoon dertig en vijf jaar bij (zij) hebben geheerst en twintig en vijf jaar koning bij Jeruzalem en naam [van] moeder (...) hem verlaat! (er)naar dochter zend weg!
43.
en (hij) ging in alle weg Asa vader (...) hem niet (hij) is afgeweken (van)uit hem te doen rechtuit bij bestudeer! Jahweh
44.
maar de verhogingen niet (zij) zijn afgeweken nog (eens) het volk altaars en roken bij (de) verhogingen
45.
en (hij) betaalde Josafat met koning Israël
46.
en rest spreek! Josafat en moed (...) hem die (hij) heeft gedaan en die (hij) heeft gestreden toch? zij geschriften op boek spreek! de dagen aan koningen van Juda
47.
en rest wijd! die geblevene bij (de) dagen van Asa vader (...) hem onwetende vanuit het land
48.
en koning (er is) niet bij Edom opgesteld koning
49.
Josafat rijkdom schepen Tharsis te gaan APIRE aan goud noch beweging dat (wij) verbrijzelden (er)naar schepen BOßIWN man
50.
destijds woord Ahazia zoon Achab naar Josafat (zij) gingen werk! met slaven (...) jou bij (de) schepen noch (hij) heeft gewenst Josafat
51.
en (hij) lag neer Josafat met vaders (...) hem en (hij) begroef met vaders (...) hem bij (de) stad oom vader (...) hem en (hij) heerste (hij) stroomde (...) hen bij ons in de plaats van hem
52.
Ahazia zoon Achab koning op Israël bij Samaria bij (het) jaar van zeven tien aan Josafat koning Juda en (hij) heerste op Israël twee jaren
53.
en (hij) heeft gemaakt juich! bij bestudeer! Jahweh en (hij) ging bij (de) weg vader (...) hem en bij (de) weg moeder (...) hem en bij (de) weg Jerobeam zoon kiem die (hij) heeft laten zondigen (tot) Israël
54.
en (hij) werkte (tot) de echtgenoot en (hij) boog zich diep (er)naar als en (hij) was boos (tot) Jahweh mijn God Israël zoals alle die (hij) heeft gedaan vader (...) hem