Hoofdstuk 1

1.
en wees na dood dodenrijk en oom woon! om te slaan (tot) (is het zo) dat Amelek en inwoner oom bij Ziklag dagen twee
2.
en wees bij (de) dag (de) derde en hier is man (hij) is gekomen vanuit het kamp bij vandaan dodenrijk en kledingstukken (...) hem scheuren en aarde op hoofd (...) hem en wees bij (het) komen naar oom en (hij) liet vallen naar land en (hij) boog zich diep
3.
en (hij) sprak als oom waar hiervandaan (jij) kwam en (hij) sprak naar hem van kamp Israël (ik) ben ontsnapt
4.
en (hij) sprak naar hem oom wat? (hij) is geweest het woord vertel! toch aan mij en (hij) sprak die teken het volk vanuit de strijd en ook veel ga neer! vanuit het volk en (zij) stierven en ook dodenrijk en Jonathan bij ons (zij) zijn gestorven
5.
en (hij) sprak oom naar de jeugd (is het zo) dat vertel(t) als waar ben jij? (jij) hebt geweten dat dode dodenrijk en Jonathan bij ons
6.
en (hij) sprak de jeugd (is het zo) dat vertel(t) als (hij) is genoemd NQRITI bij (de) heuvel ECLBO en hier is dodenrijk (hij) heeft gesteund op (jij) bent gelegerd (...) hem en hier is de wagen en met Eli de ruiters (is het zo) dat (zij) heeft geplakt (...) hem
7.
en (hij) wendde zich na hem en gezien (...) mij en (hij) noemde naar mij en woord hier ben ik
8.
en (hij) sprak aan mij water van (met) haar en (hij) sprak naar hem Amelekiet ik
9.
en (hij) sprak naar mij sta vast! toch op mij en (jullie) zijn gestorven (...) mij dat (hij) heeft gegrepen (...) mij (is het zo) dat (hij) heeft ingevlecht dat alle nog (eens) ziel (...) mij bij mij
10.
en (ik) stond vast op hem WAMTTEW dat (ik) heb geweten dat niet (hij) leefde na ga(a)t neer! en (ik) nam de kroon die op hoofd (...) hem WAßODE die op (zij) hebben gezaaid en (ik) bracht (...) hen naar liggers van hier is
11.
en (hij) versterkte oom bij (het) kleed (...) hem en (hij) scheurde (...) hen en ook alle de mensen die (met) hem
12.
en (zij) beweenden en (zij) weenden WIßMW tot (de) aangename op dodenrijk en op Jonathan bij ons en op met Jahweh en op huis Israël dat ga(a)t neer! bij (het) zwaard
13.
en (hij) sprak oom naar de jeugd (is het zo) dat vertel(t) als waar hiervandaan (met) haar en (hij) sprak zoon man vreemdeling Amelekiet ik
14.
en (hij) sprak naar hem oom waar ben jij? niet (jij) hebt gevreesd weg te zenden hand (...) jou te bederven (tot) Messias Jahweh
15.
en (hij) noemde oom aan één van de jongens en (hij) sprak nader! (hij) heeft getroffen bij hem en (zij) werden donker en (hij) stierf
16.
en (hij) sprak naar hem oom bloed (...) jou op hoofd (...) jou dat monden (...) jou (hij) heeft geantwoord bij jou te spreken ik (ik) ben gestorven (tot) Messias Jahweh
17.
en (hij) kocht (...) hen oom (tot) naar (is het zo) dat Kain (de) deze op dodenrijk en op Jonathan bij ons
18.
en (hij) sprak te onderwijzen bouw! Juda boog hier is geschreven op boek rechtuit
19.
de pracht Israël op verhogingen (...) jou dode waar ben jij? ga(a)t neer! helden
20.
naar (jullie) vertelden bij (de) wijnpers naar (jullie) kondigden aan bij (de) straat van Askelon opdat niet (jullie) maakten blij dochters Filistijnen opdat niet (zij) was vrolijk (...) haar dochters de onbesnedenen
21.
zie hier! BCLBO naar dauw en naar regen op jullie en Sjadai bijdrage van dat daar NCOL schild helden schild dodenrijk zonder Messias bij (de) olie
22.
van bloed doden van melk helden boog Jonathan niet NSWC achterzijde en zwaard dodenrijk niet (jij) blies leegte (...) hen
23.
dodenrijk en Jonathan ENAEBIM WENOIMM BHIIEM en bij (de) dood (...) hen niet NPRDW van gieren klank (...) hem van leeuwen (zij) zijn sterk geworden
24.
dochters Israël naar dodenrijk weent! EMLBSKM tweede met ODNIM de hoogte tot aan goud op zich te schamen (...) jullie
25.
waar ben jij? ga(a)t neer! mannen binnen de strijd Jonathan op verhogingen (...) jou dode
26.
smalle aan mij op jou broer Jonathan (jij) bent aangenaam geweest aan mij zeer NPLATE (jij) hebt liefgehad (...) jou aan mij van liefde van worden verlaten
27.
waar ben jij? ga(a)t neer! helden en (zij) gingen verloren gereedschap strijd

Hoofdstuk 2

1.
en wees na zo en (hij) vroeg oom bij Jahweh te spreken (is het zo) dat (ik) verhief bij één steden van Juda en (hij) sprak Jahweh naar hem blad en (hij) sprak oom waarheen? (ik) verhief en (hij) sprak (hij) heeft zich aangesloten (...) haar
2.
en (hij) verhief daar oom en ook schering vrouwen (...) hem AHINOM EIZROLIT WABICIL vuur van harp de Karmel (...) mij
3.
en mensen (...) hem die met hem dat wat opgaat oom man en huis (...) hem en (zij) hebben gewoond roeie uit! Hebron
4.
en voert in! mens (...) mij Juda en (zij) zalfden daar (tot) oom aan koning op huis Juda en (hij) werd verteld (...) hem aan oom te spreken mens (...) mij (hij) beschaamde gedenkteken die (zij) hebben begraven (tot) dodenrijk
5.
en (hij) zond weg oom boodschappers naar mens (...) mij (hij) beschaamde gedenkteken en (hij) sprak naar hen zegen! (...) hen (met) hen aan Jahweh die (jullie) hebben gedaan de genade deze met liggers (...) jullie met dodenrijk en (jullie) begroeven (met) hem
6.
en nu (hij) heeft gemaakt Jahweh met jullie genade en waarheid en ook ik (ik) werd gedaan (met) jullie het goeds (de) deze die (jullie) hebben gedaan het woord deze
7.
en nu (jullie) versterkten handen (...) jullie en (zij) zijn geweest aan zonen van macht dat dode liggers (...) jullie dodenrijk en ook (met) mij (zij) hebben gezalfd huis Juda aan koning op hen
8.
en Abner zoon licht aanvoerder leger die te vragen lering (tot) man (jij) hebt je geschaamd zoon dodenrijk en (zij) gingen voorbij (...) hem kampen
9.
en (zij) heersten (...) hem naar het gedenkteken en naar de bevestigingen van en naar Jizreël en op Efraïm en op Benjamin en op Israël schoondochter
10.
zoon veertig jaar man (jij) hebt je geschaamd zoon dodenrijk bij (zij) hebben geheerst op Israël en twee twee koning maar huis Juda (zij) zijn geweest na oom
11.
en wees getal de dagen die (hij) is geweest oom koning bij Hebron op huis Juda zeven twee en zes maanden
12.
en uitgaande Abner zoon licht en werk! man (jij) hebt je geschaamd zoon dodenrijk van kampen naar Gibeon
13.
en Joab zoon Zeruja en werk! oom voert uit! en (zij) ontmoetten (...) hen op (jij) hebt gezegend Gibeon samen en (zij) hebben gewoond deze op de gelukwens hiervandaan en deze op de gelukwens hiervandaan
14.
en (hij) sprak Abner naar Joab (zij) stondden op toch de jongens en (zij) wreven fijn voor ons en (hij) sprak Joab (zij) wraakten
15.
en (zij) wraakten en (zij) gingen voorbij bij (het) getal twee rijkdom aan Benjamin en aan man (jij) hebt je geschaamd zoon dodenrijk en twee rijkdom bewerk(t) (...) mij oom
16.
en (zij) versterkten man bij (het) hoofd zijn vriend en (zij) zijn vernield bij (de) kant zijn vriend en (zij) vielen samen en (hij) noemde aan plaats dat perceel van (de) smalle (mv) die bij Gibeon
17.
en (zij) was de strijd harde tot zeer bij (de) dag dat WINCP Abner en mens (...) mij Israël voor werk! oom
18.
en (zij) waren daar drie bouw! Zeruja Joab en (ik) beschaamde (...) mij en Asahel en Asahel vlotte bij (de) voeten (...) hem zoals een de gazellen die bij (het) veld
19.
en (hij) achtervolgden Asahel na Abner noch (wij) bogen om te gaan op de rechterhand en op de linkerhand van achter Abner
20.
en (hij) wendde zich Abner na hem en (hij) sprak (is het zo) dat (met) haar dit Asahel en (hij) sprak ik
21.
en (hij) sprak als Abner (wij) bogen om aan jou op rechterhand (...) jou of op SMALK en Achaz aan jou één van de jongens en neem! aan jou (tot) (jij) hebt uitgetrokken (...) hem noch (hij) heeft gewenst Asahel te verblinden van na hem
22.
en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) Abner te spreken naar Asahel verblind! aan jou van achter waarom AKKE naar land en waar ben jij? (ik) droeg aanzicht van naar Joab broers (...) jou
23.
en (hij) weigerde te verblinden en (zij) werden donker Abner bij kom te laat! (is het zo) dat (jij) bent gelegerd naar de vijf en (jij) ging uit (is het zo) dat (jij) bent gelegerd van na hem en (hij) liet vallen daar en (hij) stierf (jullie) landden en wees alle wat kwam naar de plaats die ga neer! daar Asahel en (hij) stierf en (zij) stondden vast
24.
en (zij) achtervolgdenen Joab en (ik) beschaamde (...) mij na Abner en de zon kom(t) en deze (mv) (zij) zijn gekomen tot heuvel van natie die op aanzicht van CIH weg woestijn Gibeon
25.
WITQBßW bouw! Benjamin na Abner en (zij) waren LACDE één en (zij) stondden vast op hoofd heuvel één
26.
en (hij) noemde Abner naar Joab en (hij) sprak (is het zo) dat uiteindelijk (jij) at zwaard immers (jij) hebt geweten (er)naar dat bittere (jij) was bij (de) laatste en tot wanneer? niet (jij) sprak aan volk terug te keren van achter broers (...) hen
27.
en (hij) sprak Joab levende naar God dat LWLA woord van dat destijds van het rundvee (wij) verhieven het volk man van achter broers (...) hem
28.
en (hij) blies Joab bij (de) ramshoorn en (zij) stondden vast alle het volk noch (zij) achtervolgdenen nog (eens) na Israël noch (zij) hebben toegevoegd nog (eens) aan het brood
29.
en Abner en mensen (...) hem (zij) zijn gegaan bij (de) wildernis alle de nacht dat en (zij) gingen voorbij (tot) de Jordaan en (zij) gingen alle EBTRWN en voert in! kampen
30.
en Joab woon! van achter Abner en (hij) verzamelde (tot) alle het volk en (zij) bevalen bewerk(t) (...) mij oom negen rijkdom man en Asahel
31.
en werk! oom (zij) hebben geslagen van Benjamin en bij (de) mens (...) mij Abner drie honderd en zestig man (zij) zijn gestorven
32.
en (zij) droegen (tot) Asahel en (zij) begroeven (...) hem bij (het) graf vader (...) hem die huis brood en (zij) gingen alle de nacht Joab en mensen (...) hem en rivier aan hen bij Hebron

Hoofdstuk 3

1.
en (zij) was de strijd (zij) heeft geduurd tussen huis dodenrijk en tussen huis oom en oom beweging en kracht en huis dodenrijk voorbijgangers en armen
2.
en helpt bij de geboorte! aan oom zonen bij Hebron en wees eerstgeborene (...) hem Amnon LAHINOM EIZROALT
3.
en van jaar (...) hem KLAB LABICL vuur van harp de Karmel (...) mij en (de) derde Absalom zoon Maächa dochter Thalmai koning Gesur
4.
en (de) vierde naar liggers zoon HCIT en (de) vijfde berecht! (er)naar zoon ABIÐL
5.
en (de) zesde ITROM aan koekalf vuur van oom deze helpt bij de geboorte! aan oom bij Hebron
6.
en wees toen (hij) was de strijd tussen huis dodenrijk en tussen huis oom en Abner (hij) is geweest word(t) sterker bij (het) huis dodenrijk
7.
en te vragen bijvrouw en daarnaar (-s) plaveisel dochter waar? en (hij) sprak naar Abner waarom? bij jij naar bijvrouw vader
8.
en (hij) ontbrandde aan Abner zeer op spreek! man (jij) hebt je geschaamd en (hij) sprak het hoofd hond ik die aan Juda vandaag (ik) werd gedaan genade met huis dodenrijk vader (...) jou naar broers (...) hem en naar van zijn vriend noch (is het zo) dat steek(t) aan (...) jou bij (de) hand oom en (jij) beval op mij vijandige de vrouw vandaag
9.
zo (zij) heeft gemaakt God aan Abner en zo (hij) zal toevoegen als dat zoals (hij) heeft gezworen Jahweh aan oom dat zo (ik) werd gedaan als
10.
over te brengen het rijk van huis dodenrijk en te vestigen (tot) stoel oom op Israël en op Juda van Dan en tot put zeven
11.
noch (hij) heeft gekund nog (eens) terug te geven (tot) Abner woord van vrees (...) hem (met) hem
12.
en (hij) zond weg Abner boodschappers naar oom (jullie) landden te spreken aan water van land te spreken (zij) heeft gegraven verbond (...) jou (met) mij en hier is handen van met jou opzij te leggen naar jou (tot) alle Israël
13.
en (hij) sprak goede ik (ik) werd afgehakt (met) jou verbond maar woord één ik (hij) heeft gevraagd van jou te spreken niet (jij) liet zien (tot) aanzicht van dat als voor (hij) heeft gebracht (...) jou (tot) Michal dochter dodenrijk bij (hij) is gekomen (...) jou te zien (tot) aanzicht van
14.
en (hij) zond weg oom boodschappers naar man (jij) hebt je geschaamd zoon dodenrijk te spreken geef! (tot) mijn vrouw (tot) Michal die ARSTI aan mij bij honderd voorhuiden Filistijnen
15.
en (hij) zond weg man (jij) hebt je geschaamd en (hij) nam (er)naar bij vandaan man bij vandaan PLÐIAL zoon LWS
16.
en (hij) ging (met) haar naar man gang en (hij) heeft geweend na haar tot Bahurim en (hij) sprak naar hem Abner aan jou terugkeren en inwoner
17.
en woord Abner (hij) is geweest met ben oud! Israël te spreken ook gisteren ook eergisteren (jullie) zijn geweest zoeken (tot) oom aan koning op jullie
18.
en nu Ezau dat Jahweh woord naar oom te spreken bij (de) hand oom werk! (hij) heeft gered (tot) met mij Israël van hand Filistijnen en van hand alle vijanden (...) hen
19.
en (hij) sprak ook Abner bij (de) oren van Benjamin en (hij) ging ook Abner te spreken bij (de) oren van oom bij Hebron (tot) alle die goede bij bestudeer! Israël en bij (de) ogen van alle huis Benjamin
20.
en (hij) kwam Abner naar oom Hebron en (met) hem twintig mensen en (hij) heeft gemaakt oom aan Abner en aan mensen die (met) hem banket
21.
en (hij) sprak Abner naar oom (ik) wraakte (er)naar en (ik) ging (er)naar en (ik) verzamelde (er)naar naar liggers van kroon! (tot) alle Israël en (zij) hakten af (met) jou verbond en om te gaan in alle die begeerte ziel (...) jou en (hij) zond weg oom (tot) Abner en (hij) ging bij (de) vrede
22.
en hier is werk! oom en Joab (hij) is gekomen van de eenheid en buit meerderheid volk (...) hen (zij) hebben gebracht en Abner hij is (er) niet met oom bij Hebron dat zendt weg! en (hij) ging bij (de) vrede
23.
en Joab en alle de leger die (met) hem (zij) zijn gekomen en (hij) werd verteld (...) hem aan Joab te spreken (hij) is gekomen Abner zoon licht naar kroon! en (zij) zondden weg (...) hem en (hij) ging bij (de) vrede
24.
en (hij) kwam Joab naar kroon! en (hij) sprak wat? (jij) hebt gedaan (er)naar hier is (hij) is gekomen Abner naar jou waarom dit (jij) hebt gezonden (...) hem en (hij) ging gang
25.
(jij) hebt geweten (tot) Abner zoon licht dat LPTTK (hij) is gekomen en te weten (tot) word(t) tevoorschijn gehaald (...) jou en (tot) om te komen (...) jou en te weten (tot) alle die (met) haar (hij) heeft gedaan
26.
en uitgaande Joab bij vandaan oom en (hij) zond weg boodschappers na Abner en (zij) hebben gewoond (met) hem van put (is het zo) dat (zij) is afgeweken en oom niet (hij) heeft geweten
27.
en inwoner Abner Hebron en (zij) negen Joab naar midden de poort te spreken (met) hem BSLI en (zij) werden donker daar de vijf en (hij) stierf bij (het) bloed Asahel broers (...) hem
28.
en (hij) hoorde toe oom van achter zo en (hij) sprak schone ik en rijk (...) mij bij vandaan Jahweh tot eeuwigheid van bloed van Abner zoon licht
29.
(zij) begonen te op hoofd Joab en naar alle huis vader (...) hem en naar (hij) hakte af van huis Joab vloeiende en melaatse en houd(t) bij (de) spoel en ga neer! bij (het) zwaard en gebrek brood
30.
en Joab en (ik) beschaamde (...) mij broers (...) hem (zij) hebben gedood aan Abner op die (jij) hebt geruist (tot) Asahel broers (...) hen bij Gibeon bij (de) strijd
31.
en (hij) sprak oom naar Joab en naar alle het volk die (met) hem (zij) hebben gescheurd kledingstukken (...) jullie en (zij) hebben omgord dat (hij) heeft gehandhaafd en (zij) hebben beweend voor Abner en kroon! oom beweging na de stam
32.
en (zij) begroeven (tot) Abner bij Hebron en (hij) droeg kroon! (tot) klank (...) hem en (hij) weende naar graf Abner en (zij) weenden alle het volk
33.
en (hij) kocht (...) hen kroon! naar Abner en (hij) sprak (is het zo) dat staan op harp (hij) stierf Abner
34.
hand (...) jou niet gevangen (mv) en voeten (...) jou niet aan koper-en (is het zo) dat nadert! als (wij) vielen voor bouw! ga(a)(t) op (jij) bent gevallen en (zij) hebben toegevoegd alle het volk te wenen op hem
35.
en (hij) kwam alle het volk LEBRWT (tot) oom brood terwijl vandaag en (hij) was verzadigd oom te spreken zo (zij) heeft gemaakt aan mij God en zo (hij) zal toevoegen dat als voor komst de zon AÐOM brood of alle iets
36.
en alle het volk (zij) hebben herkend en (hij) was goed bij (de) ogen (...) hen zoals alle die (hij) heeft gedaan kroon! bij bestudeer! alle het volk goede
37.
en (zij) hebben geweten alle het volk en alle Israël bij (de) dag dat dat niet (zij) is geweest van de koning te doden (tot) Abner zoon licht
38.
en (hij) sprak kroon! naar slaven (...) hem immers (jullie) wisten dat aanvoerder en grote ga neer! vandaag deze bij Israël
39.
en ik vandaag zachtheid en zalf! koning en de mensen (de) deze bouw! Zeruja word hard! (...) hen (van)uit mij (hij) betaalde Jahweh LOSE de herder zoals medemens (...) hem

Hoofdstuk 4

1.
en (hij) hoorde toe zoon dodenrijk dat dode Abner bij Hebron en (zij) lieten los handen (...) hem en alle Israël (zij) zijn geschrokken
2.
en tweede mensen Sarai eenheden (zij) zijn geweest zoon dodenrijk daar de één Baena en naam [van] (de) tweede wagen bouw! granaatappel EBARTI van zonen van Benjamin dat ook BARWT (jij) berekende op Benjamin
3.
en (zij) vluchtten EBARTIM naar Gitthaim en (zij) waren daar wonen tot vandaag deze
4.
en aan Jonathan zoon dodenrijk zoon (wij) sloegen voeten zoon vijf twee (hij) is geweest bij (het) komen (jij) hebt toegehoord dodenrijk en Jonathan van Jizreël en (jullie) droegen (...) hem AMNTW en (zij) vluchtte en wees BHPZE te vluchten en (hij) liet vallen en (hij) sloeg over en zijn naam Mefiboseth
5.
en (zij) gingen bouw! granaatappel EBARTI wagen en Baena en voert in! zoals hete vandaag naar huis man (jij) hebt je geschaamd en hij lig neer! (tot) bed de middag
6.
en hier is (zij) zijn gekomen tot midden het huis leringen van tarwe en (zij) werden donker naar de vijf en wagen en Baena broers (...) hem (zij) zijn ontsnapt
7.
en voert in! het huis en hij lig neer! op stam (...) hem bij (de) kamer bed (...) hem en (zij) werden donker en (zij) stierven (...) hem en (zij) verwijderden (tot) hoofd (...) hem en (zij) namen (tot) hoofd (...) hem en (zij) gingen weg de wildernis alle de nacht
8.
en voert in! (tot) hoofd man (jij) hebt je geschaamd naar oom Hebron en (zij) spraken naar kroon! hier is hoofd man (jij) hebt je geschaamd zoon dodenrijk vijand (...) jou die zoek! (tot) ziel (...) jou en (hij) gaf Jahweh aan liggers van kroon! wraak-en vandaag deze om te vragen en om te zaaien (...) hem
9.
en wegens oom (tot) wagen en (tot) Baena broers (...) hem bouw! granaatappel EBARTI en (hij) sprak aan hen levende Jahweh die (hij) heeft bevrijd (tot) ziel (...) mij van alle ellende
10.
dat (is het zo) dat vertel(t) aan mij te spreken hier is dode dodenrijk en hij (hij) is geweest als kondig(t) aan bij (de) ogen (...) hem en (zij) heeft gegrepen bij hem WAERCEW bij Ziklag die te geven (...) mij als bij Sara
11.
neus dat mensen slechte (mv) (zij) hebben gedood (tot) man rechtvaardige bij (het) huis (...) hem op bed (...) hem en nu immers (ik) zocht (tot) (zij) hebben geleken van hand (...) jullie en (ik) heb uitgeroeid (met) jullie vanuit het land
12.
en (hij) gaf opdracht oom (tot) de jongens en (zij) doodden (...) hen WIQßßW (tot) handen (...) hen en (tot) voeten (...) hen en (zij) hingen op op de gelukwens bij Hebron en (tot) hoofd man (jij) hebt je geschaamd (zij) hebben genomen en (zij) begroeven bij (het) graf Abner bij Hebron

Hoofdstuk 5

1.
en voert in! alle stammen van Israël naar oom naar Hebron en (zij) spraken te spreken hier zijn wij bot (...) jou en vlees (...) jou wij
2.
ook gisteren ook eergisteren toen (hij) was dodenrijk koning op ons (met) haar (jij) bent geweest (er)naar haal(t) tevoorschijn WEMBI (tot) Israël en (hij) sprak Jahweh aan jou (met) haar (jij) achtervolgde (tot) met mij (tot) Israël en (met) haar (jij) was aan leider op Israël
3.
en voert in! alle ben oud! Israël naar kroon! naar Hebron en (hij) hakte af aan hen kroon! oom verbond bij Hebron voor Jahweh en (zij) zalfden (tot) oom aan koning op Israël
4.
zoon dertig jaar oom bij (zij) hebben geheerst veertig jaar koning
5.
bij Hebron koning op Juda zeven twee en zes maanden en met Jeruzalem koning dertig en drie jaar op alle Israël en Juda
6.
en (hij) ging kroon! en mensen (...) hem Jeruzalem naar EIBXI bewoner het land en (hij) sprak aan oom te spreken niet (jij) kwam hier is dat als (hij) heeft verwijderd (...) jou de huiden en de Pesach-en te spreken niet invoer oom hier is
7.
en (hij) voegde samen oom (tot) fort van Sion zij stad oom
8.
en (hij) sprak oom bij (de) dag dat alle geslagen IBXI en vermoeide BßNWR en (tot) de Pesach-en en (tot) de huiden (zij) hebben gehaat ziel oom op zo (zij) spraken huid en Pesach niet invoer naar het huis
9.
en inwoner oom bij (de) fort en (hij) noemde aan haar stad oom en (hij) bouwde oom rondom vanuit de volheid en naar huis
10.
en (hij) ging oom gang en grote en Jahweh mijn God legers met hem
11.
en (hij) zond weg Hiram koning smalle boodschappers naar oom en houten ceders en ploeg! boom en ploeg! steen muur en (zij) bouwden huis aan oom
12.
en (hij) heeft geweten oom dat (wij) hebben geslagen Jahweh aan koning op Israël en dat verheven rijk (...) hem wegens met hem Israël
13.
en (hij) nam oom nog (eens) PLCSIM en worden verlaten van Jeruzalem na (zij) zijn gekomen van Hebron en (zij) zijn geboren nog (eens) aan oom zonen en dochters
14.
en deze namen de kinderen als bij Jeruzalem hoor toe! en ga(a)(t) rond en (hij) heeft gegeven en Salomo
15.
en (hij) koos WALISWO WNPC WIPIO
16.
en Elisama WALIDO en Elifeleth
17.
en (zij) hoorden toe Filistijnen dat (zij) hebben gezalfd (tot) oom aan koning op Israël en (zij) verhieven alle Filistijnen te zoeken (tot) oom en (hij) hoorde toe oom en (hij) is gedaald naar (is het zo) dat om te vangen (er)naar
18.
en Filistijnen (zij) zijn gekomen WINÐSW bij (de) diepte spoken
19.
en (hij) vroeg oom bij Jahweh te spreken (is het zo) dat (ik) verhief naar Filistijnen ETTNM bij (de) handen van en (hij) sprak Jahweh naar oom blad dat (hij) heeft gegeven (met) hen (tot) de Filistijnen bij (de) hand (...) jou
20.
en (hij) kwam oom bij (de) echtgenoot doorbraaken en (hij) stond op daar oom en (hij) sprak doorbraak Jahweh (tot) vijanden van voor zoals doorbraak water op zo (hij) heeft genoemd daar de plaats dat echtgenoot doorbraaken
21.
en (zij) verlieten daar (tot) droefheden (...) hen en (hij) droeg (...) hen oom en mensen (...) hem
22.
en (zij) hebben toegevoegd nog (eens) Filistijnen op te gaan WINÐSW bij (de) diepte spoken
23.
en (hij) vroeg oom bij Jahweh en (hij) sprak niet (jij) verhief (hij) heeft opzij gelegd naar na hen en (jij) bent gekomen aan hen tegenover BKAIM
24.
en wees bij (het) nieuws (...) jou (tot) klank (zij) is gestapt bij (de) hoofden van EBKAIM destijds (zij) sneed in dat destijds uitgaande Jahweh voor jou te slaan bij (het) kamp Filistijnen
25.
en (hij) heeft gemaakt oom zo zoals geeft opdracht! Jahweh en (hij) sloeg (tot) Filistijnen van heuvel tot (hij) is gekomen (...) jou wortel

Hoofdstuk 6

1.
en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) oom (tot) alle jongeman bij Israël dertig duizend
2.
en (hij) stond op en (hij) ging oom en alle het volk die (met) hem van echtgenoten van Juda aan de beklimmingen van daar (tot) kist naar God die (hij) is genoemd daar daar Jahweh legers inwoner de beelden van meerderheid op hem
3.
en (zij) reedden (tot) kist naar God naar koekalf naar maand en (zij) droegen (...) hem van huis Abinadab die bij (de) heuvel en Uzza en broers (...) hem bouw! Abinadab bestuur! (...) hen (tot) het koekalf naar maand
4.
en (zij) droegen (...) hem van huis Abinadab die bij (de) heuvel met kist naar God en broers (...) hem beweging voor de kist
5.
en oom en alle huis Israël spelen voor Jahweh in alle houten cipressen en bij (de) violen en bij (de) harpen WBTPIM WBMNONOIM WBßLßLIM
6.
en voert in! tot vreemdeling (...) hen juiste en (hij) zond weg naar kracht naar kist naar God en (hij) greep bij hem dat dat (zij) hebben gewankeld het rundvee
7.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh naar Boaz en (zij) werden donker daar naar God op ESL en (hij) stierf daar met kist naar God
8.
en (hij) ontbrandde aan oom op die doorbraak Jahweh doorbraak naar Boaz en (hij) noemde aan plaats dat doorbraak naar kracht tot vandaag deze
9.
en gezien oom (tot) Jahweh bij (de) dag dat en (hij) sprak waar ben jij? invoer naar mij kist Jahweh
10.
noch (hij) heeft gewenst oom te verwijderen naar hem (tot) kist Jahweh op stad oom en (zij) negen oom huis slaaf mens de Gathiet
11.
en inwoner kist Jahweh huis slaaf mens de Gathiet drie maanden en (hij) zegende Jahweh (tot) slaaf mens en (tot) alle huis (...) hem
12.
en (hij) werd verteld aan koning oom te spreken zegen! Jahweh (tot) huis slaaf mens en (tot) alle die als wegens kist naar God en (hij) ging oom en (hij) verhief (tot) kist naar God van huis slaaf mens stad oom bij (de) vreugde
13.
en wees dat (zij) zijn gestapt (hij) heeft gedragen (...) mij kist Jahweh zes stappen en (hij) slachtte os WMRIA
14.
en oom MKRKR in alle kracht voor Jahweh en oom omgord! priesterkleed tak
15.
en oom en alle huis Israël ontvreemd! (...) hen (tot) kist Jahweh bij (het) gejubel en bij (de) klank ramshoorn
16.
en (hij) is geweest kist Jahweh (hij) is gekomen stad oom en Michal dochter dodenrijk NSQPE door (zij) zijn begonnen te (...) hen en (zij) liet zien (tot) kroon! oom MPZZ WMKRKR voor Jahweh en (zij) minachtte als naar bij (het) hart
17.
en voert in! (tot) kist Jahweh WIßCW (met) hem bij (de) plaats (...) hem binnen de tent die (wij) bogen om als oom en (hij) verhief oom beklimmingen voor Jahweh en vergoedingen
18.
en (hij) heeft gekund oom van de beklimmingen (is het zo) dat ga(a)(t) op en de vergoedingen en (hij) zegende (tot) het volk bij (de) naam Jahweh legers
19.
en (hij) verdeelde aan alle het volk aan alle menigte Israël tot van man en tot vrouw aan man HLT brood één WASPR één en (ik) verblijdde me (er)naar één en (hij) ging alle het volk man aan huis (...) hem
20.
en inwoner oom te zegenen (tot) huis (...) hem en (jij) ging uit Michal dochter dodenrijk tegemoet oom en (jij) sprak wat? belangrijke vandaag koning Israël die (wij) onthulden vandaag te bestuderen (...) mij dienstmeisjes slaven (...) hem zoals de ballingschap NCLWT één (de) lege (mv)
21.
en (hij) sprak oom naar Michal voor Jahweh die (hij) heeft gekozen bij mij van vader (...) jou en van alle huis (...) hem LßWT (met) mij leider op met Jahweh op Israël en (ik) heb fijngewreven voor Jahweh
22.
WNQLTI nog (eens) van deze en (ik) ben geweest lage bij bestudeer! en met de dienstmeisjes die (jij) hebt gesproken volk (...) hen (ik) eerde (er)naar
23.
en aan Michal dochter dodenrijk niet (hij) is geweest aan haar kind tot dag naar dood

Hoofdstuk 7

1.
en wees dat inwoner kroon! bij (het) huis (...) hem en Jahweh (hij) heeft rust gegeven als van rondom van alle vijanden (...) hem
2.
en (hij) sprak kroon! naar (hij) heeft gegeven de profeet (hij) heeft gezien toch ik bewoner bij (het) huis ceders en kist naar God inwoner binnen het voorhangsel
3.
en (hij) sprak (hij) heeft gegeven naar kroon! alle die bij (het) hart (...) jou aan jou (hij) heeft gedaan dat Jahweh met jou
4.
en wees bij (de) nacht dat en wees woord Jahweh naar (hij) heeft gegeven te spreken
5.
aan jou en (jij) hebt gesproken naar werk! naar oom zo woord Jahweh (is het zo) dat (met) haar (jij) bouwde aan mij huis te wonen (...) mij
6.
dat niet (ik) heb gewoond bij (het) huis tot van dag dat wat opgaat (...) mij (tot) bouw! Israël van Egypte en tot vandaag deze en (ik) was wandel(t) rond bij (de) tent en bij (de) residentie
7.
in alle die (ik) heb rondgewandeld in alle bouw! Israël het woord woord (...) mij (tot) één stammen van Israël die (ik) heb opdracht gegeven te achtervolgen (tot) met mij (tot) Israël te spreken waarom niet (jullie) hebben gebouwd aan mij huis ceders
8.
en nu zo (jij) sprak te bewerken (...) mij aan oom zo woord Jahweh legers ik (ik) heb genomen (...) jou vanuit de woonplaats van andere het kleinvee te zijn leider op met mij op Israël
9.
en (ik) was met jou in alle die (jij) bent gegaan en (ik) werd afgehakt (er)naar (tot) alle vijanden (...) jou van aanzichten (...) jou en opvolging van aan jou daar grote zoals naam de groten die bij (het) land
10.
en (ik) heb geplaatst plaats aan volkeren van aan Israël en (ik) heb geplant (...) hem en buurman in de plaats van hem noch (hij) was boos nog (eens) noch (hij) zal toevoegen (...) hem bouw! ga(a)(t) op te antwoorden (...) hem zoals in het eerste
11.
en aan manna vandaag die (ik) heb opdracht gegeven rechters op met mij Israël WENIHTI aan jou van alle vijanden (...) jou en (hij) heeft verteld aan jou Jahweh dat huis (zij) heeft gemaakt aan jou Jahweh
12.
dat (zij) waren vol dagen (...) jou en (jij) hebt gelegen (tot) vaders (...) jou en (ik) heb gevestigd (tot) nakomelingen (...) jou na jou die uitgaande van ingewanden (...) jou WEKINTI (tot) rijk (...) hem
13.
hij (hij) bouwde huis aan namen van WKNNTI (tot) stoel rijk (...) hem tot eeuwigheid
14.
ik (ik) was als aan vader en hij (hij) was aan mij tot zoon die BEOWTW WEKHTIW bij (de) stam mensen en bij (de) plagen van bouw! mens
15.
en genade-en van niet (hij) verblindde (van)uit hem zoals (ik) heb verwijderd bij vandaan dodenrijk die (ik) heb verwijderd weg van aanzichten (...) jou
16.
en loyale huis (...) jou en rijk (...) jou tot eeuwigheid voor jou stoel (...) jou (hij) was juiste tot eeuwigheid
17.
zoals alle de woorden (de) deze en zoals alle EHZIWN deze zo woord (hij) heeft gegeven naar oom
18.
en (hij) kwam kroon! oom en inwoner voor Jahweh en (hij) sprak water van ik liggers van Jahweh en water van huis-en van dat (jullie) hebben gebracht (...) mij tot hierheen
19.
WTQÐN nog (eens) deze bij (de) ogen (...) jou liggers van Jahweh en (jij) sprak ook naar huis slaaf (...) jou tot van afstand en deze Wetboek van de mens liggers van Jahweh
20.
en wat? (hij) voegde toe oom nog (eens) te spreken naar jou en (met) haar (jij) hebt geweten (tot) slaaf (...) jou liggers van Jahweh
21.
wegens woord (...) jou en hond (...) jou (jij) hebt gedaan (tot) alle de grootheid (de) deze mee te delen (tot) slaaf (...) jou
22.
op zo (jij) bent gegroeid Jahweh God dat (er is) niet zoals jij en (er is) niet God behalve jou in alle die (wij) hebben toegehoord bij (de) oren (...) ons
23.
en water van zoals volk (...) jou zoals Israël volk één bij (het) land die (zij) zijn gegaan God te bevrijden als aan volk en te plaatsen als daar en te doen aan jullie de grootheid WNRAWT aan land (...) jou van aanzicht van met jou die (jij) hebt bevrijd aan jou van Egypte volken en zijn God
24.
en (jij) zette op aan jou (tot) met jou Israël aan jou aan volk tot eeuwigheid en (met) haar Jahweh (jij) bent geweest aan hen aan God
25.
en nu Jahweh God het woord die woord van op slaaf (...) jou en op huis (...) hem vestig! tot eeuwigheid en (hij) heeft gedaan zoals woord van
26.
en (hij) groeide naam (...) jou tot eeuwigheid te spreken Jahweh legers God op Israël en huis slaaf (...) jou oom (hij) was juiste voor jou
27.
dat (met) haar Jahweh legers mijn God Israël (jij) bent in verbanning gegaan (er)naar (tot) oor slaaf (...) jou te spreken huis (ik) bouwde aan jou op zo (hij) heeft gevonden slaaf (...) jou (tot) zijn hart te bidden naar jou (tot) de gebed (de) deze
28.
en nu liggers van Jahweh (met) haar hij naar God en woorden (...) jou (zij) waren waarheid en (jij) sprak naar slaaf (...) jou (tot) het goeds (de) deze
29.
en nu ga erin mee! en zegen! (tot) huis slaaf (...) jou te zijn aan eeuwigheid voor jou dat (met) haar liggers van Jahweh woord van en zegen(t) (...) jou (hij) zegende huis slaaf (...) jou aan eeuwigheid

Hoofdstuk 8

1.
en wees na zo en (hij) sloeg oom (tot) Filistijnen en (hij) onderwierp (...) hen en (hij) nam oom (tot) MTC de natie van hand Filistijnen
2.
en (hij) sloeg (tot) Moab WIMDDM bij (het) koord (is het zo) dat lig neer! hen naar land WIMDD tweede koorden te doden en (hij) is vol geweest het koord aan de dieren en (zij) was Moab aan oom aan slaven (hij) heeft gedragen (...) mij geschenk
3.
en (hij) sloeg oom (tot) Hadad-ezer zoon breedte koning Zoba bij te gaan (...) hem terug te geven (hij) bedankte bij (de) rivier
4.
en (hij) voegde samen oom (van)uit hem duizend en zeven honderd ruiters en twintig duizend man voeten van WIOQR oom (tot) alle de wagen en meer (van)uit hem honderd wagen
5.
en (zij) kwam Syrië Damaskus aan hulp aan Hadad-ezer koning Zoba en (hij) sloeg oom bij Syrië twintig en twee duizend man
6.
en pas toe! oom heft-en bij Syrië Damaskus en (zij) was Syrië aan oom aan slaven draag(t) (...) mij geschenk en redding Jahweh (tot) oom in alle die beweging
7.
en (hij) nam oom (tot) heers! het goud die (zij) zijn geweest naar werk! Hadad-ezer en (hij) bracht (...) hen Jeruzalem
8.
en verzeker(t) zich WMBRTI steden van Hadad-ezer lering kroon! oom koper veel zeer
9.
en (hij) hoorde toe loop verkeerd! koning leren zak dat (hij) heeft geslagen oom (tot) alle macht Hadad-ezer
10.
en (hij) zond weg loop verkeerd! (tot) Joram bij ons naar kroon! oom te vragen als volledig te zijn en te zegenen (...) hem op die (hij) heeft gestreden bij Hadad-ezer en (zij) werden donker dat man weg van schoonmoeder loop verkeerd! (hij) is geweest Hadad-ezer en bij (de) hand (...) hem (zij) zijn geweest gereedschap zilver en gereedschap goud en gereedschap koper
11.
ook (met) hen (hij) heeft gewijd kroon! oom aan Jahweh met het zilver en het goud die (hij) heeft gewijd van alle de volken die schaap
12.
van Syrië en van Moab en van zonen van Ammon en van Filistijnen en van Amelek en om te ontnemen Hadad-ezer zoon breedte koning Zoba
13.
en (hij) heeft gemaakt oom daar bij woont! om te slaan (...) hem (tot) Syrië bij (het) dal zout acht rijkdom duizend
14.
en pas toe! bij Edom heft-en in alle Edom daar heft-en en wees alle Edom slaven aan oom en (hij) redde Jahweh (tot) oom in alle die beweging
15.
en (hij) heerste oom op alle Israël en wees oom (hij) heeft gedaan rechtsregel en weldadigheid aan alle met hem
16.
en Joab zoon Zeruja op de leger en Josafat zoon AHILWD sekretaris
17.
en heb gelijk! zoon Ahitub en Achimelech zoon Abjathar priesters en Seraja tel(t)
18.
en Benaja zoon Jojada en (ik) zal vernietigen en (ik) heb laten vallen en bouw! oom priesters (zij) zijn geweest

Hoofdstuk 9

1.
en (hij) sprak oom sla! er is nog (eens) die overgebleven aan huis dodenrijk en (ik) werd gedaan met hem genade wegens Jonathan
2.
en aan huis dodenrijk slaaf en zijn naam Ziba en (zij) noemden als naar oom en (hij) sprak kroon! naar hem (is het zo) dat (met) haar Ziba en (hij) sprak slaaf (...) jou
3.
en (hij) sprak kroon! de niets nog (eens) man aan huis dodenrijk en (ik) werd gedaan met hem genade God en (hij) sprak Ziba naar kroon! nog (eens) zoon aan Jonathan (wij) sloegen voeten
4.
en (hij) sprak als kroon! (ik) was mooi hij en (hij) sprak Ziba naar kroon! hier is hij huis Machir zoon Ammiël echtgenoot (...) hem woord
5.
en (hij) zond weg kroon! oom en (zij) namen (...) hem van huis Machir zoon Ammiël (zij) hebben besneden woord
6.
en (hij) kwam Mefiboseth zoon Jonathan zoon dodenrijk naar oom en (hij) liet vallen op aanzichten (...) hem en (hij) boog zich diep en (hij) sprak oom Mefiboseth en (hij) sprak hier is slaaf (...) jou
7.
en (hij) sprak als oom naar (je) zult vrezen dat (hij) heeft gedaan (ik) werd gedaan met jou genade wegens Jonathan vader (...) jou en (ik) heb teruggegeven aan jou (tot) alle veld dodenrijk vader (...) jou en (met) haar (jij) at brood op (hij) mij gezonden altijd
8.
en (hij) boog zich diep en (hij) sprak wat? slaaf (...) jou dat (jij) hebt je gewend naar de hond dood! die zoals ik
9.
en (hij) noemde kroon! naar Ziba jeugd dodenrijk en (hij) sprak naar hem alle die (hij) is geweest te vragen en aan alle huis (...) hem (ik) heb gegeven tot zoon liggers (...) jou
10.
en (jij) hebt gewerkt als (tot) de aarde (met) haar en zonen (...) jou en slaven (...) jou en (jij) hebt gebracht en (hij) is geweest tot zoon liggers (...) jou brood en (zij) hebben gegeten en Mefiboseth zoon liggers (...) jou (hij) at altijd brood op (hij) mij gezonden en aan Ziba vijf rijkdom zonen en twintig slaven
11.
en (hij) sprak Ziba naar kroon! zoals alle die (hij) gaf opdracht liggers van kroon! (tot) (zij) hebben gewerkt zo (zij) heeft gemaakt slaaf (...) jou en Mefiboseth eten op (hij) mij gezonden zoals een van zonen van kroon!
12.
en aan Mefiboseth zoon kleine en zijn naam MIKA en alle zetel huis Ziba slaven aan Mefiboseth
13.
en Mefiboseth inwoner bij Jeruzalem dat op tafel kroon! altijd hij eten en hij Pesach schering voeten (...) hem

Hoofdstuk 10

1.
en wees na zo en (hij) stierf koning bouw! Ammon en (hij) heerste (zij) zijn gelegerd (...) hen bij ons in de plaats van hem
2.
en (hij) sprak oom (ik) werd gedaan genade met (zij) zijn gelegerd (...) hen zoon slang zoals (hij) heeft gedaan vader (...) hem met mij genade en (hij) zond weg oom te troosten (...) hem bij (de) hand slaven (...) hem naar vader (...) hem en voert in! werk! oom land bouw! Ammon
3.
en (zij) spraken Sarai bouw! Ammon naar (zij) zijn gelegerd (...) hen liggers (...) hen (is het zo) dat eer(t) oom (tot) vader (...) jou bij (de) ogen (...) jou dat wapen aan jou troosten immers wegens onderzoek (tot) (hij) heeft opgemerkt en naar aan voet en aan omkering wapen oom (tot) slaven (...) hem naar jou
4.
en (hij) nam (zij) zijn gelegerd (...) hen (tot) werk! oom WICLH (tot) halve baard (...) hen en (hij) hakte af (tot) MDWIEM bij (de) halve tot STWTIEM en (hij) zond weg (...) hen
5.
en (hij) werd verteld (...) hem aan oom en (hij) zond weg hen tegemoet dat (zij) zijn geweest de mensen NKLMIM zeer en (hij) sprak kroon! woont! bij (de) maan (...) hem tot (hij) groeide baard (...) jullie en (jullie) zijn teruggekeerd
6.
en (zij) lieten zien bouw! Ammon dat (wij) verrotten (...) hem bij (de) oom en (zij) zondden weg bouw! Ammon en (zij) huurden (tot) Syrië huis straat en (tot) Syrië schaar(t) zich twintig duizend voeten van en (tot) koning Maächa duizend man en man goede twee rijkdom duizend man
7.
en (hij) hoorde toe oom en (hij) zond weg (tot) Joab en (tot) alle de leger de mannen
8.
en voert uit! bouw! Ammon en (zij) ordenden strijd opening de poort en Syrië schaar(t) zich en straat en man goede en Maächa alleen zij bij (het) veld
9.
en gezien Joab dat (zij) is geweest naar hem aanzicht van de strijd van aanzicht en om te laat te komen en (hij) koos van alle bij word bleek! bij Israël en (hij) ordende tegemoet Syrië
10.
en (tot) rest het volk (hij) heeft gegeven bij (de) hand (ik) was droog (...) mij broers (...) hem en (hij) ordende tegemoet bouw! Ammon
11.
en (hij) sprak als (jij) versterkte Syrië (van)uit mij en (zij) is geweest aan mij aan verlossing en als bouw! Ammon (zij) versterkten (van)uit jou en (ik) ben gegaan te redden aan jou
12.
kracht en (wij) werden sterker door met ons en door steden van onze God en Jahweh (zij) heeft gemaakt (de) goede bij (de) ogen (...) hem
13.
en (hij) is genaderd Joab en het volk die met hem aan strijd bij Syrië en (zij) vluchtten van aanzichten (...) hem
14.
en bouw! Ammon (zij) hebben gezien dat teken Syrië en (zij) vluchtten van aanzicht van (ik) beschaamde (...) mij en voert in! (hij) heeft opgemerkt en inwoner Joab boven bouw! Ammon en (hij) kwam Jeruzalem
15.
en gezien Syrië dat (hij) heeft geslagen voor Israël en (zij) verzamelden samen
16.
en (hij) zond weg Hadad-ezer en uitgaande (tot) Syrië die trek(t) door de rivier en voert in! macht (...) hen en terugkeren (...) jou aanvoerder leger Hadad-ezer voor hen
17.
en (hij) werd verteld aan oom en (hij) verzamelde (tot) alle Israël en (hij) ging voorbij (tot) de Jordaan en (hij) kwam HLAME en (zij) ordenden Syrië tegemoet oom en (zij) streedden met hem
18.
en (hij) vluchtte Syrië van aanzicht van Israël en (hij) doodde oom van Syrië zeven honderd wagen en veertig duizend ruiters en (tot) terugkeren (...) jou aanvoerder (zij) hebben zich geschaard (hij) heeft geslagen en (hij) stierf daar
19.
en (zij) lieten zien alle de koningen werk! Hadad-ezer dat (zij) hebben geslagen voor Israël en (zij) betaalden (tot) Israël en (zij) werkten (...) hen en (zij) lieten zien Syrië te redden nog (eens) (tot) bouw! Ammon

Hoofdstuk 11

1.
en wees LTSWBT het jaar aan tijd uit te gaan de boodschappers en (hij) zond weg oom (tot) Joab en (tot) slaven (...) hem met hem en (tot) alle Israël en (zij) bedierven (tot) bouw! Ammon en fabriceert! op veelheid en oom bewoner bij Jeruzalem
2.
en wees aan tijd (de) aangename en (hij) stond op oom boven bed (...) hem en (hij) wandelde rond op dak huis kroon! en gezien vrouw (jij) hebt gewassen boven de dak en de vrouw goeds van verschijning zeer
3.
en (hij) zond weg oom WIDRS aan vrouw en (hij) sprak immers deze dochter zeven dochter ALIOM vuur van naar lichten de angsten van
4.
en (hij) zond weg oom boodschappers en (hij) nam (er)naar en (jij) kwam naar hem en (hij) lag neer met haar en zij MTQDST verklaar(t) onrein (er)naar en (jij) woonde naar naar huis
5.
en (zij) werd zwanger de vrouw en (jij) zond weg en (zij) vertelde aan oom en (jij) sprak naar heuvel ik
6.
en (hij) zond weg oom naar Joab wapen naar mij (tot) naar lichten de angsten van en (hij) zond weg Joab (tot) naar lichten naar oom
7.
en (hij) kwam naar lichten naar hem en (hij) vroeg oom volledig te zijn Joab en volledig te zijn het volk en volledig te zijn de strijd
8.
en (hij) sprak oom naar aan lichten daal! aan huis (...) jou en (hij) heeft gewassen voeten (...) jou en uitgaande naar lichten van huis kroon! en (jij) ging uit na hem om te dragen kroon!
9.
en (hij) lag neer naar lichten opening huis kroon! (tot) alle werk! liggers (...) hem noch (hij) is gedaald naar huis (...) hem
10.
en (hij) werd verteld (...) hem aan oom te spreken niet (hij) is gedaald naar lichten naar huis (...) hem en (hij) sprak oom naar naar lichten immers van weg (met) haar (hij) is gekomen waarom? niet (jij) bent gedaald naar huis (...) jou
11.
en (hij) sprak naar lichten naar oom de kist en Israël en Juda inwoners bij (de) hutten en liggers van Joab en werk! liggers van op aanzicht van het veld leger! (...) hen en ik (ik) kwam naar huis-en van aan eten en te drinken en neer te liggen met mijn vrouw verhemelte en levende ziel (...) jou als (ik) werd gedaan (tot) het woord deze
12.
en (hij) sprak oom naar naar lichten woon! hier ook vandaag en morgen (ik) zond weg (...) jou en inwoner naar lichten bij Jeruzalem bij (de) dag dat en de volgende dag
13.
en (hij) noemde als oom en (hij) at voor hem en (hij) legde en (zij) huurden (...) hem en uitgaande bij (de) aangename neer te liggen bij (de) bed (...) hem met werk! liggers (...) hem en naar huis (...) hem niet (hij) is gedaald
14.
en wees bij (het) rundvee en (hij) schreef oom boek naar Joab en (hij) zond weg bij (de) hand naar lichten
15.
en (hij) schreef bij (het) boek te spreken brengt (tot) naar lichten naar tegenover aanzicht van de strijd (is het zo) dat (zij) is sterk geworden en (jullie) zijn teruggekeerd van na hem en (wij) sloegen en dode
16.
en wees bij houd! Joab naar (hij) heeft opgemerkt en (hij) gaf (tot) naar lichten naar de plaats die (hij) heeft geweten dat mens (...) mij macht daar
17.
en voert uit! mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt en (zij) streedden (tot) Joab en (hij) liet vallen vanuit het volk bewerk(t) (...) mij oom en (hij) stierf ook naar lichten de angsten van
18.
en (hij) zond weg Joab en (hij) werd verteld aan oom (tot) alle spreek! de strijd
19.
en (hij) gaf opdracht (tot) de boodschapper te spreken KKLWTK (tot) alle spreek! de strijd te spreken naar kroon!
20.
en (hij) is geweest als (jij) verhief leren zak kroon! en woord aan jou waarom? (jullie) zijn naderbij gekomen naar (hij) heeft opgemerkt aan het brood immers (jullie) hebben geweten (tot) die (zij) hebben geworpen boven de muur
21.
water van (hij) heeft geslagen (tot) Abimelech zoon IRBST immers vrouw (zij) heeft afgeworpen op hem part wagen boven de muur en (hij) stierf BTBß waarom (jullie) zijn naderbij gekomen naar de muur en (jij) hebt gesproken ook slaaf (...) jou naar lichten de angsten van dode
22.
en (hij) ging de boodschapper en (hij) kwam en (hij) werd verteld aan oom (tot) alle die zendt weg! Joab
23.
en (hij) sprak de boodschapper naar oom dat (zij) zijn sterk geworden op ons de mensen en voert uit! naar ons het veld en (wij) waren op hen tot opening de poort
24.
en (zij) lieten zien EMWRAIM naar slaven (...) jou boven de muur en (zij) stierven bewerk(t) (...) mij kroon! en ook slaaf (...) jou naar lichten de angsten van dode
25.
en (hij) sprak oom naar de boodschapper zo (jij) sprak naar Joab naar (hij) achtervolgde bij (de) ogen (...) jou (tot) het woord deze dat zoals dit WKZE (jij) at het zwaard houd! strijd (...) jou naar (hij) heeft opgemerkt en (zij) heeft afgebroken en versterkt! (...) hem
26.
en (jij) hoorde toe vuur van naar lichten dat dode naar lichten naar man en (zij) beweende op vrouw
27.
en (hij) ging voorbij de rouw en (hij) zond weg oom en (hij) verzamelde (er)naar naar huis (...) hem en (zij) was als aan vrouw en (jij) baarde als zoon en (hij) achtervolgde het woord die (hij) heeft gedaan oom bij bestudeer! Jahweh

Hoofdstuk 12

1.
en (hij) zond weg Jahweh (tot) (hij) heeft gegeven naar oom en (hij) kwam naar hem en (hij) sprak als tweede mensen (zij) zijn geweest bij (de) stad één één rijke en één hoofd
2.
aan rijke (hij) is geweest kleinvee en rundvee veel zeer
3.
WLRS (er is) niet alle dat als ooi één kleine die buis en (hij) leefde en (zij) groeide met hem en met zonen (...) hem samen van mond (...) hem (jij) at en van beker (...) hem (jij) dronk en bij (de) boezem (...) hem (jij) lag neer en (zij) was als zoals dochter
4.
en (hij) kwam beweging aan man (de) rijke en (hij) had medelijden (jij) hebt genomen (wij) hebben gevonden en bezoek(t) (...) hem te doen gastvrijheid te verlenen wat kwam als en (hij) nam (tot) (jij) hebt onderdrukt de man het hoofd en (zij) heeft gemaakt aan man wat kwam naar hem
5.
en (hij) ontbrandde neus oom bij (de) man zeer en (hij) sprak naar (hij) heeft gegeven levende Jahweh dat zoon dood de man (is het zo) dat (hij) heeft gedaan deze
6.
en (tot) de ooi (hij) betaalde ARBOTIM voetstap die (hij) heeft gedaan (tot) het woord deze en op die niet (hij) heeft medelijden gehad
7.
en (hij) sprak (hij) heeft gegeven naar oom (met) haar de man zo woord Jahweh mijn God Israël ik (ik) heb gezalfd (...) jou aan koning op Israël en ik (ik) heb gered (...) jou van hand dodenrijk
8.
en (ik) gaf aan jou (tot) huis liggers (...) jou en (tot) vrouwen van liggers (...) jou bij (de) boezem (...) jou en (ik) gaf aan jou (tot) huis Israël en Juda en als een beetje en (zij) heeft verzameld aan jou zoals zij en naar priester
9.
waarom? (jij) hebt geminacht (tot) woord Jahweh te doen juich! bij bestudeert! (tot) naar lichten de angsten van (jij) hebt geslagen bij (het) zwaard en (tot) vuur (...) hem (jij) hebt genomen aan jou aan vrouw en (met) hem (jij) hebt gedood bij (het) zwaard bouw! Ammon
10.
en nu niet (jij) verblindde zwaard van huis (...) jou tot eeuwigheid voetstap dat (jullie) hebben geminacht (...) mij en (jij) nam (tot) vuur van naar lichten de angsten van te zijn aan jou aan vrouw
11.
zo woord Jahweh hier ben ik vestig(t) op jou herder van huis (...) jou en (ik) heb genomen (tot) vrouwen (...) jou aan ogen (...) jou en (ik) heb gegeven aan kwaden (...) jou en lig neer! met vrouwen (...) jou te bestuderen (...) mij de zon (de) deze
12.
dat (met) haar (jij) hebt gedaan bij (het) geheim en ik (ik) werd gedaan (tot) het woord deze tegenover alle Israël en tegenover de zon
13.
en (hij) sprak oom naar (hij) heeft gegeven (ik) heb gezondigd aan Jahweh en (hij) sprak (hij) heeft gegeven naar oom ook Jahweh (hij) heeft overgebracht zondoffer (...) jou niet (jij) stierf
14.
niets dat (hij) heeft gesmaad (jij) hebt gesmaad (tot) vijanden van Jahweh bij (het) woord deze ook begrijp! EILWD aan jou dood (hij) stierf
15.
en (hij) ging (hij) heeft gegeven naar huis (...) hem en (hij) sloeg Jahweh (tot) het kind die (zij) heeft gebaard vuur van naar lichten aan oom WIANS
16.
en (hij) zocht oom (tot) naar God door de jeugd WIßM oom opdracht (...) hen en (hij) is gekomen en (hij) heeft overnacht en lig neer! naar land
17.
en (zij) wraakten ben oud! huis (...) hem op hem te vestigen (...) hem vanuit het land noch (hij) heeft gewenst noch (hij) heeft geschapen (met) hen brood
18.
en wees bij (de) dag (de) zevende en (hij) stierf het kind en (zij) lieten zien werk! oom te vertellen als dat dode het kind dat (zij) hebben gesproken hier is toen (hij) was het kind levende woord (...) ons naar hem noch nieuws bij (de) klank (...) ons en waar ben jij? (wij) spraken naar hem dode het kind en (hij) heeft gedaan herder
19.
en gezien oom dat slaven (...) hem MTLHSIM en (hij) bouwde oom dat dode het kind en (hij) sprak oom naar slaven (...) hem dood! het kind en (zij) spraken dode
20.
en (hij) stond op oom van het land en (hij) waste en (hij) goot uit WIHLP jurk (...) hem en (hij) kwam huis Jahweh en (hij) boog zich diep en (hij) kwam naar huis (...) hem en (hij) vroeg en (zij) plaatsten als brood en (hij) at
21.
en (zij) spraken slaven (...) hem naar hem wat? het woord deze die (jij) hebt gedaan (er)naar wegens het kind levende ßMT en (zij) weende en zoals dode het kind (jij) bent opgestaan en (jij) at brood
22.
en (hij) sprak terwijl het kind levende ßMTI en (ik) weende dat (ik) heb gesproken water van (hij) werd bekend (hij) legerde (...) mij Jahweh en levende het kind
23.
en nu dode waarom dit ik ßM (is het zo) dat eet terug te geven (...) hem nog (eens) ik beweging naar hem en hij niet (hij) blies naar mij
24.
en (hij) troostte oom (tot) dochter zeven vuur (...) hem en (hij) kwam vetstaart en (hij) lag neer met haar en (jij) baarde zoon en (hij) noemde (tot) zijn naam Salomo en Jahweh (zij) hebben liefgehad
25.
en (hij) zond weg bij (de) hand (hij) heeft gegeven de profeet en (hij) noemde (tot) zijn naam IDIDIE wegens Jahweh
26.
en (hij) streed Joab bij (jij) hebt getwist bouw! Ammon en (hij) voegde samen (tot) stad (is het zo) dat heers! (er)naar
27.
en (hij) zond weg Joab boodschappers naar oom en (hij) sprak (ik) heb gestreden bij (de) veelheid ook (ik) heb gevangengenomen (tot) stad het water
28.
en nu Asaf (tot) rest het volk en Hanna op (hij) heeft opgemerkt en (zij) heeft gevangengenomen opdat niet (ik) voegde samen ik (tot) (hij) heeft opgemerkt en (hij) is genoemd namen van op haar
29.
en (hij) verzamelde oom (tot) alle het volk en (hij) ging (zij) is veel geweest en (hij) streed bij haar en (hij) voegde samen (er)naar
30.
en (hij) nam (tot) (jij) hebt omgeven (hij) heeft besneden (...) jullie boven hoofd (...) hem en naar gewicht plein goud en steen (hij) gebeurde en (zij) was op hoofd oom en buit (hij) heeft opgemerkt (hij) heeft tevoorschijn gehaald veel zeer
31.
en (tot) het volk die bij haar (hij) heeft tevoorschijn gehaald en pas toe! BMCRE WBHRßI het ijzer WBMCZRT het ijzer en (hij) heeft overgebracht hen bij (hij) heeft besneden (...) jullie en zo (zij) heeft gemaakt aan alle steden van bouw! Ammon en inwoner oom en alle het volk Jeruzalem

Hoofdstuk 13

1.
en wees na zo en aan Absalom zoon oom zus mooie en daarnaar (-s) dadel en (hij) had lief (er)naar Amnon zoon oom
2.
en fabriceer! aan Amnon LETHLWT wegens dadel eerste (...) hem dat maagd zij en (hij) was wonderlijk bij bestudeer! Amnon te doen aan haar iets
3.
en aan Amnon kwaad en zijn naam IWNDB zoon (zij) heeft toegehoord broer oom WIWNDB man wijze zeer
4.
en (hij) sprak als waarom? (met) haar zodoende armelijke zoon kroon! bij (het) rundvee bij (het) rundvee immers (jij) vertelde aan mij en (hij) sprak als Amnon (tot) dadel zus Absalom broer ik (hij) heeft liefgehad
5.
en (hij) sprak als Jonadab lig neer! op bed (...) jou WETHL en (hij) is gekomen vader (...) jou te zien (...) jou en (jij) hebt gesproken naar hem (zij) kwam toch dadel zus (...) mij WTBRNI brood en (zij) heeft gedaan te bestuderen (...) mij (tot) naar de zoon-en opdat die (ik) liet zien en (ik) heb gegeten naar van hand
6.
en (hij) lag neer Amnon WITHL en (hij) kwam kroon! te zien (...) hem en (hij) sprak Amnon naar kroon! (jij) kwam toch dadel eerste (...) mij WTLBB te bestuderen (...) mij schering harten WABRE naar van hand
7.
en (hij) zond weg oom naar dadel naar het huis te spreken ga! toch huis Amnon broers (...) jou en maak! als naar de zoon-en
8.
en (jij) ging dadel huis Amnon (ik) leefde en hij lig neer! en (jij) nam (tot) EBßQ WTLWS WTLBB aan ogen (...) hem WTBSL (tot) de harten
9.
en (jij) nam (tot) (is het zo) dat dien(t) en (jij) goot uit voor hem en (hij) weigerde te eten en (hij) sprak Amnon (zij) hebben tevoorschijn gehaald alle man ontvreemd! en voert uit! alle man ontvreemd! (...) hem
10.
en (hij) sprak Amnon naar dadel breng! naar de zoon-en de kamer WABRE van hand (...) jou en (jij) nam dadel (tot) de harten die (zij) heeft gedaan en (zij) kwam aan Amnon (ik) leefde (is het zo) dat (zij) is binnengedrongen
11.
en (jij) naderde naar hem aan eten en (hij) versterkte bij haar en (hij) sprak aan haar kom! lig neer! met mij zus (...) mij
12.
en (jij) sprak als naar broer naar (zij) antwoordde (...) mij dat niet (zij) heeft gemaakt zo bij Israël naar (jij) deed (tot) het kadaver (de) deze
13.
en ik waarheen? AWLIK (tot) (ik) heb beledigd en (met) haar (jij) was zoals een de harpen bij Israël en nu woord toch naar kroon! dat niet (hij) hield terug (...) mij (van)uit jou
14.
noch (hij) heeft gewenst aan nieuws naar bij (de) klank en (hij) versterkte (van)uit haar en (hij) antwoordde en (hij) lag neer (met) haar
15.
en (hij) haatte (er)naar Amnon (zij) heeft gehaat grootheid zeer dat grootheid (is het zo) dat (zij) heeft gehaat die (zij) heeft gehaat van liefde die liefde en (hij) sprak aan haar Amnon sta op! ga!
16.
en (jij) sprak als naar AWDT de herder de grootheid (de) deze van andere die (jij) hebt gedaan met mij weg te zenden (...) mij noch (hij) heeft gewenst aan nieuws aan haar
17.
en (hij) noemde (tot) schudt! om in te weken (...) hem en (hij) sprak zendt weg! toch (tot) deze ontvreemd! naar de straat en schoen de deur na haar
18.
en op haar hemd strepen dat zo (zij) bekleedde zich (...) hen dochters kroon! de maagd van mantels en uitgaande haar om in te weken (...) hem de straat en schoen de deur na haar
19.
en (jij) nam dadel as op naar hoofd en hemd de strepen die op haar (zij) heeft gescheurd en (zij) plaatste naar hand op naar hoofd en (jij) ging gang en (zij) heeft geschreeuwd
20.
en (hij) sprak vetstaart Absalom (ik) leefde (zij) hebben geloofd (...) hen broers (...) jou (hij) is geweest met jou en nu zus (...) mij EHRISI broers (...) jou hij naar (jij) legde (...) mij (tot) hart (...) jou te spreken deze en (jij) woonde dadel en wildernis huis Absalom (ik) leefde
21.
en kroon! oom nieuws (tot) alle de woorden (de) deze en (hij) ontbrandde als zeer
22.
noch woord Absalom met Amnon tot van kwaad en tot goede dat (hij) heeft gehaat Absalom (tot) Amnon op woord die (hij) heeft geantwoord (tot) dadel eerste (...) hem
23.
en wees aan twee jaren dagen en (zij) waren CZZIM aan Absalom bij (de) echtgenoot Hazor die met Efraïm en (hij) noemde Absalom aan alle bouw! kroon!
24.
en (hij) kwam Absalom naar kroon! en (hij) sprak hier is toch CZZIM te bewerken (...) jou (hij) ging toch kroon! en slaven (...) hem met slaaf (...) jou
25.
en (hij) sprak kroon! naar Absalom naar bouw! naar toch (wij) gingen als (zij) hebben overnacht noch belangrijke op jou en (hij) brak door bij hem noch (hij) heeft gewenst te gaan en (hij) zegende (...) hem
26.
en (hij) sprak Absalom noch (hij) ging toch (met) ons Amnon broer en (hij) sprak als kroon! waarom (hij) ging met jou
27.
en (hij) brak door bij hem Absalom en (hij) zond weg (met) hem (tot) Amnon en (tot) alle bouw! kroon!
28.
en (hij) gaf opdracht Absalom (tot) jeugd (...) hem te spreken (zij) hebben gezien toch zoals goede hart Amnon bij (de) wijn en (ik) heb gesproken naar jullie (zij) hebben geslagen (tot) Amnon en dood! (...) hen (met) hem naar (jullie) vreesden immers dat ik (ik) heb opdracht gegeven (met) jullie versterkt! en (zij) zijn geweest aan zonen van macht
29.
en (zij) hebben gemaakt schud! Absalom aan Amnon zoals geef opdracht! Absalom en (zij) wraakten alle bouw! kroon! en (zij) reedden man op PRDW en (zij) vluchtten
30.
en wees deze (mv) bij (de) weg en laat horen! (er)naar kom(t) naar oom te spreken (hij) heeft geslagen Absalom (tot) alle bouw! kroon! noch overgebleven (van)uit hen één
31.
en (hij) stond op kroon! en (hij) scheurde (tot) kledingstukken (...) hem en (hij) lag neer naar land en alle slaven (...) hem heft-en scheuur! kledingstukken
32.
en wegens IWNDB zoon (zij) heeft toegehoord broer oom en (hij) sprak naar (hij) sprak liggers van (tot) alle de jongens bouw! kroon! (zij) hebben gedood dat Amnon alleen hij dode dat op mond van Absalom (zij) is geweest SWME van dag ONTW (tot) dadel eerste (...) hem
33.
en nu naar pas toe! liggers van kroon! naar zijn hart woord te spreken alle bouw! kroon! (zij) zijn gestorven dat als Amnon alleen hij dode
34.
en (hij) vluchtte Absalom en (hij) droeg de jeugd de wachter (tot) bestudeert! en gezien en hier is met meerderheid voorbijgangers van weg na hem vesting de heuvel
35.
en (hij) sprak IWNDB naar kroon! hier is bouw! kroon! (zij) zijn gekomen zoals woord slaaf (...) jou zo (hij) is geweest
36.
en wees zoals schoondochter (...) hem te spreken en hier is bouw! kroon! (zij) zijn gekomen en (zij) droegen klank (...) hen en (zij) weenden en ook kroon! en alle slaven (...) hem (zij) hebben geweend geween grote zeer
37.
en Absalom vlucht en (hij) ging naar Thalmai zoon OMIHWR koning Gesur en (hij) rouwde op bij ons alle de dagen
38.
en Absalom vlucht en (hij) ging Gesur en wees daar drie twee
39.
en (jij) kon oom kroon! uit te gaan naar Absalom dat (wij) waren bronstig op Amnon dat dode

Hoofdstuk 14

1.
en (hij) heeft geweten Joab zoon schep! (er)naar dat hart kroon! op Absalom
2.
en (hij) zond weg Joab naar Tekoa en (hij) nam van daar vrouw wijsheid en (hij) sprak vetstaart rouw! toch en bekleed je! toch bij (het) bokje rouw en naar (jij) goot uit (...) mij olie en (jij) bent geweest zoals vrouw dit dagen twisten rouw(t) op dode
3.
en (jij) bent gekomen naar kroon! en woord van naar hem zoals woord deze en pas toe! Joab (tot) de woorden naar bij (de) mond van
4.
en (jij) sprak de vrouw ETQOIT naar kroon! en (zij) viel op naar neuzen naar land en (jij) boog je diep en (jij) sprak naar Hosea kroon!
5.
en (hij) sprak aan haar kroon! wat? aan jou en (jij) sprak rouw vrouw weduwe ik en (hij) stierf mannen van
6.
en aan slavin (...) jou tweede zonen WINßW die twee bij (het) veld en (er is) niet redder tussen hen en (zij) sloegen de één (tot) de één en (hij) stierf (met) hem
7.
en hier is (zij) is opgestaan alle de familie op slavin (...) jou en (zij) spraken geef! (tot) geslagen broers (...) hem WNMTEW bij (de) ziel broers (...) hem die (hij) heeft gedood en (wij) roeiden uit (er)naar ook (tot) (is het zo) dat verover(t) en (zij) zijn uitgegaan (tot) CHLTI die (zij) is gebleven opdat niet SWM aan mannen van daar en rest op aanzicht van de aarde
8.
en (hij) sprak kroon! naar de vrouw ga! aan huis (...) jou en ik (ik) gaf opdracht op jou
9.
en (jij) sprak de vrouw ETQWOIT naar kroon! op mij liggers van kroon! (de) vijandige en op huis vader en kroon! en stoel (...) hem schone
10.
en (hij) sprak kroon! de woestijn naar jou en (jij) hebt gebracht (...) hem naar mij noch (hij) zal toevoegen nog (eens) moeite te doen bij jou
11.
en (jij) sprak (hij) herinnerde zich toch kroon! (tot) Jahweh jouw God MERBIT wreker het bloed te bederven noch (zij) roeiden uit (tot) bouw! en (hij) sprak levende Jahweh als (je) zult vallen MSORT zoon (...) jou naar land
12.
en (jij) sprak de vrouw (jij) sprak toch slavin (...) jou naar liggers van kroon! woord en (hij) sprak spreek!
13.
en (jij) sprak de vrouw en waarom (jij) hebt gedacht (er)naar zoals deze op met God en woestijn kroon! het woord deze als (hij) heeft zich schuldig gemaakt opdat niet (hij) heeft teruggegeven kroon! (tot) NDHW
14.
dat dood (wij) stierven en staan op ENCRIM naar land die niet (zij) verzamelden noch (hij) droeg God ziel en bereken! berekenen opdat niet IDH (van)uit hem verstotene
15.
en nu die (ik) ben gekomen te spreken naar kroon! liggers van (tot) het woord deze dat gezien (...) mij het volk en (jij) sprak slavin (...) jou (ik) sprak (er)naar toch naar kroon! misschien (zij) heeft gemaakt kroon! (tot) woord moeder (...) hem
16.
dat (hij) hoorde toe kroon! te redden (tot) moeder (...) hem van lepel de man uit te roeien (met) mij en (tot) bouw! samen van erfgoed van God
17.
en (jij) sprak slavin (...) jou (hij) was toch woord liggers van kroon! aan geschenk dat zoals boodschapper naar God zo liggers van kroon! aan nieuws (de) goede en juich! en Jahweh jouw God wees met jou
18.
en wegens kroon! en (hij) sprak naar de vrouw naar toch (jij) verborg (van)uit mij woord die ik (hij) heeft gevraagd (met) jou en (jij) sprak de vrouw (hij) sprak toch liggers van kroon!
19.
en (hij) sprak kroon! de hand Joab (met) jou in alle deze en (zij) antwoordde de vrouw en (jij) sprak levende ziel (...) jou liggers van kroon! als vuur aan de soort WLESMIL van alle die woord liggers van kroon! dat slaaf (...) jou Joab hij (hij) heeft opdracht gegeven (...) mij en hij daar bij (de) mond van slavin (...) jou (tot) alle de woorden (de) deze
20.
LBOBWR (hij) is rondgegaan (tot) aanzicht van het woord (hij) heeft gedaan slaaf (...) jou Joab (tot) het woord deze en liggers van wijze als (jij) bent wijs geworden boodschapper naar God te weten (tot) alle die bij (het) land
21.
en (hij) sprak kroon! naar Joab hier is toch (ik) heb gedaan (tot) het woord deze en aan jou geef terug! (tot) de jeugd (tot) Absalom
22.
en (hij) liet vallen Joab naar aanzichten (...) hem naar land en (hij) boog zich diep en (hij) zegende (tot) kroon! en (hij) sprak Joab vandaag (hij) heeft geweten slaaf (...) jou dat (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou liggers van kroon! die (hij) heeft gedaan kroon! (tot) woord (zij) hebben gewerkt
23.
en (hij) stond op Joab en (hij) ging naar Gesur en (hij) kwam (tot) Absalom Jeruzalem
24.
en (hij) sprak kroon! (hij) legde opzij naar huis (...) hem en aanzicht van niet vrees en (hij) wendde zich af Absalom naar huis (...) hem en aanzicht van kroon! niet (hij) heeft gezien
25.
WKABSLWM niet (hij) is geweest man mooie in alle Israël te loven zeer van lepel voet (...) hem en tot QDQDW niet (hij) is geweest bij hem gebrek
26.
WBCLHW (tot) hoofd (...) hem en (hij) is geweest van eind dagen aan dagen die ICLH dat lever op hem WCLHW en munt (tot) poort hoofd (...) hem honderd paar munten bij (de) steen kroon!
27.
en (zij) zijn geboren aan Absalom drie zonen en dochter één en daarnaar (-s) dadel zij (zij) is geweest vrouw Jafeth verschijning
28.
en inwoner Absalom bij Jeruzalem twee jaren dagen en aanzicht van kroon! niet (hij) heeft gezien
29.
en (hij) zond weg Absalom naar Joab weg te zenden (met) hem naar kroon! noch (hij) heeft gewenst te komen naar hem en (hij) zond weg nog (eens) ten tweede noch (hij) heeft gewenst te komen
30.
en (hij) sprak naar slaven (...) hem (zij) hebben gezien perceel van Joab naar handen van en als daar dat worden wakker ga(a)t! WEWßTIE (hij) is verrot WIßTW werk! Absalom (tot) de perceel (hij) is verrot
31.
en (hij) stond op Joab en (hij) kwam naar Absalom naar het huis en (hij) sprak naar hem waarom (zij) hebben aangestoken slaven (...) jou (tot) de perceel die aan mij (hij) is verrot
32.
en (hij) sprak Absalom naar Joab hier is (ik) heb gezonden naar jou te spreken (hij) is gekomen hier is en (ik) zond weg (er)naar (met) jou naar kroon! te spreken waarom (ik) ben gekomen van Gesur goede aan mij tot ik daar en nu (ik) liet zien aanzicht van kroon! en als er is bij mij vijandige en de lendenen van
33.
en (hij) kwam Joab naar kroon! en (hij) werd verteld als en (hij) noemde naar Absalom en (hij) kwam naar kroon! en (hij) boog zich diep als op neuzen (...) hem naar land voor kroon! en (hij) gaf te drinken kroon! aan Absalom

Hoofdstuk 15

1.
en wees van achter zo en (hij) heeft gemaakt als Absalom rijtuig WXXIM en vijftig man rennen voor hem
2.
en (hij) is vroeg opgestaan Absalom en sta vast! op hand weg de poort en wees alle de man die (hij) was als twist! te komen naar kroon! aan rechtsregel en (hij) noemde Absalom naar hem en (hij) sprak waar hiervandaan stad (met) haar en (hij) sprak van eerste stammen van Israël slaaf (...) jou
3.
en (hij) sprak naar hem Absalom (hij) heeft gezien woorden (...) jou goede (mv) en ben aanwezig! (...) hen en nieuws (er is) niet aan jou honderd kroon!
4.
en (hij) sprak Absalom water van (hij) werd vet (...) mij rechter bij (het) land en op mij invoer alle man die (hij) was als twist! en rechtsregel en de weldadigheden (...) hem
5.
en (hij) is geweest te midden van man zich diep te buigen als en wapen (tot) (hij) bedankte en (hij) heeft gehouden als en (hij) heeft gekust als
6.
en (hij) heeft gemaakt Absalom zoals woord deze aan alle Israël die voert in! aan rechtsregel naar kroon! WICNB Absalom (tot) hart mens (...) mij Israël
7.
en wees van eind veertig jaar en (hij) sprak Absalom naar kroon! (ik) ging (er)naar toch en (ik) betaalde (tot) leg gelofte af! die (ik) heb gelofte afgelegd aan Jahweh bij Hebron
8.
dat gelofte gelofte slaaf (...) jou bij rust! bij Gesur bij Syrië te spreken als (hij) gaf terug (hij) gaf terug (...) mij Jahweh Jeruzalem en (ik) heb gewerkt (tot) Jahweh
9.
en (hij) sprak als kroon! aan jou bij (de) vrede en (hij) stond op en (hij) ging naar Hebron
10.
en (hij) zond weg Absalom spionnen in alle stammen van Israël te spreken zoals nieuws (...) jullie (tot) klank de schoonheid en (jullie) hebben gesproken koning Absalom bij Hebron
11.
en (tot) Absalom (zij) zijn gegaan honderd paar man van Jeruzalem noem! (...) hen en voorbijgangers volledig te zijn noch (zij) hebben geweten alle woord
12.
en (hij) zond weg Absalom (tot) Achitofel (is het zo) dat verheuug je! (...) mij adviseur oom merk(t) op (...) hem perkament bij (zij) hebben geslacht (tot) de slachtingen en wees de verband (hij) is sterk geweest en het volk ga(a)(t) en meerderheid (tot) Absalom
13.
en (hij) kwam (is het zo) dat vertel(t) naar oom te spreken (hij) is geweest hart man Israël na Absalom
14.
en (hij) sprak oom aan alle slaven (...) hem die (met) hem bij Jeruzalem sta(a)t op! WNBRHE dat niet (jij) was aan ons naar vluchteling van aanzicht van Absalom (zij) hebben zich gehaast te gaan opdat niet (hij) haastte zich en (wij) hebben bereikt WEDIH op ons (tot) de herder en (hij) heeft geslagen (hij) heeft opgemerkt aan mond van zwaard
15.
en (zij) spraken werk! kroon! naar kroon! zoals alle die (hij) koos liggers van kroon! hier is slaven (...) jou
16.
en uitgaande kroon! en alle huis (...) hem bij (de) voeten (...) hem en (hij) verliet kroon! (tot) rijkdom worden verlaten PLCSIM te bewaren het huis
17.
en uitgaande kroon! en alle het volk bij (de) voeten (...) hem en (zij) stondden vast huis de afstand
18.
en alle slaven (...) hem voorbijgaan op (hij) bedankte en alle (ik) heb herkend en alle (ik) heb laten vallen en alle (is het zo) dat Gitthaim zes honderd man die (zij) zijn gekomen bij (de) voet (...) hem van wijnpers voorbijgaan op aanzicht van kroon!
19.
en (hij) sprak kroon! naar (met) mij de Gathiet waarom (jij) ging ook (met) haar (met) ons terugkeren en woon! met kroon! dat vreemdeling (met) haar en ook bol (met) haar aan plaats (...) jou
20.
gisteren in de richting van en vandaag (ik) zwierf (...) jou met ons te gaan en ik ga(a)(t) op die ik ga(a)(t) terugkeren en geef terug! (tot) broers (...) jou met jou genade en waarheid
21.
en wegens (met) mij (tot) kroon! en (hij) sprak levende Jahweh en levende liggers van kroon! dat als bij (de) plaats die (hij) was daar liggers van kroon! als te sterven als aan leven dat daar (hij) was slaaf (...) jou
22.
en (hij) sprak oom naar (met) mij aan jou en kant en (hij) ging voorbij (met) mij de Gathiet en alle mensen (...) hem en alle de kleine kinderen die (met) hem
23.
en alle het land wenen klank grote en alle het volk voorbijgaan en kroon! kant bij (de) wadi (zij) zijn donker geworden (...) hen en alle het volk voorbijgaan op aanzicht van weg (tot) de woestijn
24.
en hier is ook heb gelijk! en alle de Levieten (met) hem dragers (tot) kist verbond naar God en (zij) hebben uitgegoten (tot) kist naar God en (hij) verhief Abjathar tot onschuldige alle het volk voorbij te gaan vanuit (hij) heeft opgemerkt
25.
en (hij) sprak kroon! gelijk te hebben geef terug! (tot) kist naar God (hij) heeft opgemerkt als (ik) vond gratie bij bestudeer! Jahweh en geef terug! (...) mij en (hij) heeft laten zien (...) mij (met) hem en (tot) woonplaats (...) hem
26.
en als zo (hij) sprak niet (ik) heb gewenst bij jou hier ben ik (zij) heeft gemaakt aan mij zoals goede bij (de) ogen (...) hem
27.
en (hij) sprak kroon! naar heb gelijk! de priester (is het zo) dat zie(t) (met) haar (zij) is teruggekeerd (hij) heeft opgemerkt bij (de) vrede en Ahimaaz zoon (...) jou en Jonathan zoon Abjathar tweede zonen (...) jullie (met) jullie
28.
(zij) hebben gezien ik MTMEME BOBRWT de woestijn tot komst woord van volk (...) jullie te vertellen aan mij
29.
en inwoner heb gelijk! en Abjathar (tot) kist naar God Jeruzalem en (zij) hebben gewoond daar
30.
en oom blad bij (de) hoogte de olijven blad en ween(t) en hoofd als HPWI en hij beweging IHP en alle het volk die (met) hem HPW man hoofd (...) hem en (zij) zijn opgegaan blad en (hij) heeft geweend
31.
en oom (hij) heeft verteld te spreken Achitofel bij verbind! (...) hen met Absalom en (hij) sprak oom verijdel! toch (tot) raad Achitofel Jahweh
32.
en wees oom (hij) is gekomen tot het hoofd die (hij) boog zich diep (er)naar daar aan God en hier is hem tegemoet haast je! (is het zo) dat duur! scheuur! katoen (...) hem en aarde op hoofd (...) hem
33.
en (hij) sprak als oom als (jij) bent voorbijgegaan (met) mij WEIT op mij aan last
34.
en als (hij) heeft opgemerkt (jij) blies en (jij) hebt gesproken aan Absalom slaaf (...) jou ik kroon! (ik) was slaaf vader (...) jou en ik van destijds en nu en ik slaaf (...) jou en de koe (...) haar aan mij (tot) raad Achitofel
35.
en immers met jou daar heb gelijk! en Abjathar de priesters en (hij) is geweest alle het woord die (jij) hoorde toe van huis kroon! (jij) vertelde gelijk te hebben en aan Abjathar de priesters
36.
hier is daar volk (...) hen tweede zonen (...) hen Ahimaaz gelijk te hebben en Jonathan aan Abjathar en (jullie) hebben gezonden bij (hij) leek naar mij alle woord die (jullie) hoorden toe
37.
en (hij) kwam haast je! herder oom (hij) heeft opgemerkt en Absalom invoer Jeruzalem

Hoofdstuk 16

1.
en oom kant een beetje van het hoofd en hier is Ziba jeugd Mefiboseth hem tegemoet en span ezeldrijvers verbind! (...) hen en op hen honderd paar brood en honderd ßMWQIM en honderd zomer en harp wijn
2.
en (hij) sprak kroon! naar Ziba wat? deze aan jou en (hij) sprak Ziba (de) ernstige (mv) aan huis kroon! aan wagen WLELHM en (hij) is wakker geworden te eten de jongens en de wijn te drinken (is het zo) dat (hij) vloog bij (de) woestijn
3.
en (hij) sprak kroon! en waar? zoon liggers (...) jou en (hij) sprak Ziba naar kroon! hier is bewoner bij Jeruzalem dat woord vandaag (zij) gaven terug aan mij huis Israël (tot) van koninkrijk vader
4.
en (hij) sprak kroon! zich te scharen hier is aan jou alle die aan Mefiboseth en (hij) sprak Ziba (ik) heb me diep gebogen (ik) vond gratie bij (de) ogen (...) jou liggers van kroon!
5.
en (hij) is gekomen kroon! oom tot bij ontbranden en hier is van daar man (hij) werd tevoorschijn gehaald van familie van huis dodenrijk en zijn naam hoor toe! zoon Gera uitgaande IßWA en vervloek(t)
6.
WIXQL bij (de) stenen (tot) oom en (tot) alle werk! kroon! oom en alle het volk en alle de mannen wateren (...) ons en van linkerhand (...) hem
7.
en zo woord hoor toe! bij vervloekt! ga weg! ga weg! man de kosten en man de slechtheid
8.
(hij) heeft teruggegeven op jou Jahweh alle lijk! huis dodenrijk die om te gaan (jullie) landden en (hij) gaf Jahweh (tot) (is het zo) dat heers! (er)naar bij (de) hand Absalom zoon (...) jou en hier ben jij bij (de) medemens (...) jou dat man kosten (met) haar
9.
en (hij) sprak (ik) beschaamde (...) mij zoon Zeruja naar kroon! waarom (hij) vervloekte de hond dood! deze (tot) liggers van kroon! (ik) trok door (er)naar toch en (ik) verwijderde (er)naar (tot) hoofd (...) hem
10.
en (hij) sprak kroon! wat? aan mij en aan jullie bouw! schep! (er)naar dat (hij) vervloekte en dat Jahweh woord als vervloek! (tot) oom en water van (hij) sprak waarom? (jij) hebt gedaan (er)naar zo
11.
en (hij) sprak oom naar (ik) beschaamde (...) mij en naar alle slaven (...) hem hier is bouw! die uitgaande van ingewanden van zoek(t) (tot) ziel (...) mij en neus dat nu zoon de rechterhanden van (is het zo) dat (zij) hebben gerust als en (hij) vervloekte dat woord als Jahweh
12.
misschien vrees Jahweh bij (de) armoede en (hij) heeft teruggegeven Jahweh aan mij goeds in de plaats van vervloeking (...) hem vandaag deze
13.
en (hij) ging oom en mensen (...) hem bij (de) weg en hoor toe! beweging bij (de) rib de heuvel LOMTW gang en (hij) vervloekte WIXQL bij (de) stenen LOMTW en stof bij (het) stof
14.
en (hij) kwam kroon! en alle het volk die (met) hem vermoeide (mv) WINPS daar
15.
en Absalom en alle het volk man Israël (zij) zijn gekomen Jeruzalem en Achitofel (met) hem
16.
en wees zoals (hij) is gekomen haast je! (is het zo) dat duur! herder oom naar Absalom en (hij) sprak haast je! naar Absalom leve! kroon! leve! kroon!
17.
en (hij) sprak Absalom naar haast je! dit genade (...) jou (tot) kwaad (...) jou waarom niet (jij) bent gegaan (tot) kwaad (...) jou
18.
en (hij) sprak haast je! naar Absalom niet dat die (hij) heeft gekozen Jahweh en het volk deze en alle man Israël niet (ik) was en (met) hem (ik) woonde
19.
en de tweede aan water van ik (ik) bewerkte immers voor bij ons zoals (ik) heb gewerkt voor vader (...) jou zo (ik) was voor jou
20.
en (hij) sprak Absalom naar Achitofel brengt aan jullie advies wat? (hij) is gedaan
21.
en (hij) sprak Achitofel naar Absalom komst naar bijvrouw (...) mij vader (...) jou die (hij) heeft rust gegeven te houden het huis en nieuws alle Israël dat NBAST (tot) vader (...) jou en versterkt! handen van alle die (met) jou
22.
en (zij) bogen om aan Absalom de tent op de dak en (hij) kwam Absalom naar bijvrouw (...) mij vader (...) hem te bestuderen (...) mij alle Israël
23.
en raad Achitofel die advies bij (de) dagen die zoals (hij) vroeg bij (het) woord naar God zo alle raad Achitofel ook aan oom ook aan Absalom

Hoofdstuk 17

1.
en (hij) sprak Achitofel naar Absalom ABHRE toch twee rijkdom duizend man en (ik) wraakte (er)naar WARDPE na oom de nacht
2.
en (ik) kwam op hem en hij vermoeide WRPE handen en (ik) heb laten schrikken (met) hem en teken alle het volk die (met) hem en (ik) heb geslagen (tot) kroon! alleen hij
3.
en (ik) gaf terug (er)naar alle het volk naar jou zoals terugkeren (de) alle de man die (met) haar zoek(t) alle het volk (hij) was vrede
4.
en (hij) heeft geeffend het woord bij bestudeer! Absalom en bij (de) ogen van alle ben oud! Israël
5.
en (hij) sprak Absalom (hij) heeft genoemd toch ook zich te haasten (...) mij (is het zo) dat duur! en (wij) hoorden toe (er)naar wat? bij (de) monden (...) hem ook hij
6.
en (hij) kwam haast je! naar Absalom en (hij) sprak Absalom naar hem te spreken zoals woord deze woord Achitofel (is het zo) dat (hij) is gedaan (tot) spreekt! als (er is) niet (met) haar woord
7.
en (hij) sprak haast je! naar Absalom niet goeds de advies die advies Achitofel bij (de) keer (de) deze
8.
en (hij) sprak haast je! (met) haar (jij) hebt geweten (tot) vader (...) jou en (tot) mensen (...) hem dat mannen deze (mv) en verzet ziel deze (mv) zoals beer verlies van kinderen bij (het) veld en vader (...) jou man strijd noch (hij) liet overnachten (tot) het volk
9.
hier is nu hij NHBA bij één de vermindering-en of bij één de plaats van en (hij) is geweest als ga neer! bij hen bij (het) begin en nieuws laat horen! en woord (zij) is geweest epidemie bij (het) volk die na Absalom
10.
en hij ook zoon macht die zijn hart hond de leeuw de belasting IMX dat (hij) heeft geweten alle Israël dat held vader (...) jou en bouw! macht die (met) hem
11.
dat (ik) heb geadviseerd (is het zo) dat Asaf (hij) verzamelde op jou alle Israël van Dan en tot put zeven zoals zand die op de zee aan meerderheid en aanzichten (...) jou voorbijgangers te midden van
12.
en (wij) zijn gekomen naar hem bij één de plaats van die (wij) vondden daar en (wij) hebben gerust op hem zoals (je) zult vallen de dauw op de aarde noch overgebleven bij hem en in alle de mensen die (met) hem ook één
13.
en als naar stad (hij) verzamelde WESIAW alle Israël naar (hij) heeft opgemerkt die koorden WXHBNW (met) hem tot de wadi tot die niet (wij) vondden daar ook bundel
14.
en (hij) sprak Absalom en alle man Israël goeds raad haast je! (is het zo) dat duur! van raad Achitofel en Jahweh geef opdracht! aan de stier (tot) raad Achitofel het goeds LBOBWR (hij) heeft gebracht Jahweh naar Absalom (tot) de herder
15.
en (hij) sprak haast je! naar heb gelijk! en naar Abjathar de priesters zoals deze en zoals deze advies Achitofel (tot) Absalom en (tot) ben oud! Israël en zoals deze en zoals deze (ik) heb geadviseerd ik
16.
en nu zendt weg! (zij) heeft zich gehaast en (zij) hebben verteld aan oom te spreken naar (zij) overnachtte de nacht bij (de) aangename (mv) de woestijn en ook ga voorbij! (jij) ging voorbij opdat niet (hij) slikte aan koning en aan alle het volk die (met) hem
17.
en Jonathan en Ahimaaz staanders bij (de) oog voet en (zij) is gegaan de slavin en (zij) heeft verteld aan hen en zij (zij) gingen en (zij) hebben verteld aan koning oom dat niet (hij) zal kunnen (...) hem zien te laten te komen (zij) heeft opgemerkt
18.
en gezien (met) hen jeugd en (hij) werd verteld aan Absalom en (zij) gingen die twee (zij) heeft zich gehaast en voert in! naar huis man bij (de) jongemannen en als put bij (het) grondgebied (...) hem en (zij) zijn gedaald daar
19.
en (jij) nam de vrouw en (zij) spreidde uit (tot) het scherm op aanzicht van de put WTSÐH op hem ERPWT noch (wij) werden bekend woord
20.
en voert in! werk! Absalom naar de vrouw naar het huis en (zij) spraken waar? Ahimaaz en Jonathan en (jij) sprak aan hen de vrouw (zij) zijn voorbijgegaan Michal het water en (zij) zochten noch (zij) hebben gevonden en (zij) hebben gewoond Jeruzalem
21.
en wees na te gaan (...) hen en (zij) verhieven van de put en (zij) gingen en (hij) werd verteld (...) hem aan koning oom en (zij) spraken naar oom sta(a)t op! en (zij) zijn voorbijgegaan (zij) heeft zich gehaast (tot) het water dat zodoende advies op jullie Achitofel
22.
en (hij) stond op oom en alle het volk die (met) hem en (zij) gingen voorbij (tot) de Jordaan tot licht het rundvee tot één niet NODR die niet kant (tot) de Jordaan
23.
en Achitofel (hij) heeft gezien dat niet (zij) is gedaan advies (...) hem en (hij) verbond (tot) (de) ernstige en (hij) stond op en (hij) ging naar huis (...) hem naar (zij) hebben blootgelegd en (hij) gaf opdracht naar huis (...) hem WIHNQ en (hij) stierf en (hij) begroef bij (het) graf vader (...) hem
24.
en oom (hij) is gekomen MHNIME en Absalom kant (tot) de Jordaan hij en alle man Israël met hem
25.
en (tot) Amasa daar Absalom in de plaats van Joab op de leger en Amasa zoon man en zijn naam ITRA EISRALI die (hij) is gekomen naar ABICL dochter slang zus Zeruja als Joab
26.
en (hij) legerde Israël en Absalom land het gedenkteken
27.
en wees zoals komst oom MHNIME en gevangenschap zoon slang van veelheid van bouw! Ammon en Machir zoon Ammiël (hij) is vol geweest woord en ijzer-en van de gedenktekens van spionnen
28.
bed WXPWT en gereedschap schep(t) en tarwe en poorten en meel en klanken van WPWL WODSIM en klanken van
29.
en honing en boter en kleinvee en oevers rundvee ECISW aan oom en aan volk die (met) hem te eten dat (zij) hebben gesproken het volk honger en vermoeide en dorst bij (de) woestijn

Hoofdstuk 18

1.
en (hij) beval oom (tot) het volk die (met) hem en pas toe! op hen Sarai duizenden en Sarai honderd
2.
en (hij) zond weg oom (tot) het volk het derde bij (de) hand Joab en het derde bij (de) hand (ik) beschaamde (...) mij zoon Zeruja broer Joab en de drie van bij (de) hand (met) mij de Gathiet en (hij) sprak kroon! naar het volk uitgaande (ik) ging uit ook ik met jullie
3.
en (hij) sprak het volk niet (jij) ging uit dat als teken (wij) vluchtten niet (zij) plaatsten naar ons hart en als (hij) stierf (...) hem pijlen (...) ons niet (zij) plaatsten naar ons hart dat nu (wij) zijn opgestaan tien duizenden en nu goede dat (jij) was aan ons merk(t) op LOZIR
4.
en (hij) sprak naar hen kroon! die (hij) was goed bij (de) ogen (...) jullie (ik) werd gedaan en (hij) stond vast kroon! naar hand de poort en alle het volk voert uit! aan honderd WLALPIM
5.
en (hij) gaf opdracht kroon! (tot) Joab en (tot) (ik) beschaamde (...) mij en (tot) (met) mij te spreken LAÐ aan mij te schudden aan Absalom en alle het volk (zij) hebben toegehoord BßWT kroon! (tot) alle (is het zo) dat zingen op woord Absalom
6.
en uitgaande het volk het veld tegemoet Israël en (zij) was de strijd (hij) heeft uitgeroeid Efraïm
7.
WINCPW daar met Israël voor werk! oom en (zij) was daar de epidemie grootheid bij (de) dag dat twintig duizend
8.
en (zij) was daar de strijd NPßWT op aanzicht van alle het land en (hij) vermeerderde het bos aan eten bij (het) volk bevestig(t) (zij) heeft gegeten het zwaard bij (de) dag dat
9.
en (hij) noemde Absalom voor werk! oom en Absalom wagen op scheid! en (hij) kwam scheid! in de plaats van terugkeren (...) jou (de) deze de grootheid en (hij) versterkte hoofd (...) hem bij (de) deze en (hij) gaf tussen de hemel en tussen het land en scheid! die in de plaats van hem kant
10.
en gezien man één en (hij) werd verteld aan Joab en (hij) sprak hier is (ik) heb gezien (tot) Absalom (zij) hebben opgehangen (...) mij bij (de) deze
11.
en (hij) sprak Joab aan man (is het zo) dat vertel(t) als en hier is (jij) hebt gezien en waarom? niet (jij) hebt geslagen (...) hem daar naar land en op mij te geven aan jou tien zilver en (zij) heeft omgord één
12.
en (hij) sprak de man naar Joab noch ik munt op zoals mond van duizend zilver niet (ik) zond weg handen van naar zoon kroon! dat bij (de) oren (...) ons geef opdracht! kroon! (met) jou en (tot) (ik) beschaamde (...) mij en (tot) (met) mij te spreken bewaart! water van bij (de) jeugd bij Absalom
13.
of (ik) heb gedaan bij (de) ziel (...) hem leugen en alle woord niet (hij) verborg vanuit kroon! en (met) haar (jij) stelde je op op een afstand
14.
en (hij) sprak Joab niet zo AHILE voor jou en (hij) nam drie stammen bij (de) lepel (...) hem en (hij) blies (...) hen bij (het) hart Absalom hij (...) nog levende bij (het) hart (de) deze
15.
en (zij) legden opzij tien jongens (hij) heeft gedragen (...) mij gereedschap Joab en (zij) sloegen (tot) Absalom en (zij) stierven (...) hem
16.
en (hij) blies Joab bij (de) schoonheid en inwoner het volk MRDP na Israël dat duisternis Joab (tot) het volk
17.
en (zij) namen (tot) Absalom en (zij) gingen neer (met) hem (hij) heeft uitgeroeid naar de vermindering (de) grote en zet vast! op hem hoop stenen grote zeer en alle Israël (zij) zijn gevlucht man aan tent (...) hem
18.
en Absalom lering en zet vast! als bij (zij) hebben geleefd (tot) monument van die bij (de) diepte kroon! dat woord (er is) niet aan mij zoon wegens EZKIR namen van en (hij) noemde aan monument van op zijn naam en (hij) noemde aan haar hand Absalom tot vandaag deze
19.
en Ahimaaz zoon heb gelijk! woord (ik) rende (er)naar toch en (ik) kondigde aan (er)naar (tot) kroon! dat (zij) hebben berecht Jahweh van hand vijanden (...) hem
20.
en (hij) sprak als Joab niet man bij Sara (met) haar vandaag deze en bij (de) dienst bij (de) dag andere en vandaag deze niet (jij) kondigde aan dat op zoon kroon! dode
21.
en (hij) sprak Joab aan afrikaan aan jou vertel! aan koning die (jij) hebt gezien (er)naar en (hij) boog zich diep afrikaan aan Joab en (hij) rende
22.
en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) Ahimaaz zoon heb gelijk! en (hij) sprak naar Joab en wees wat? naar land toch ook ik na de afrikaan en (hij) sprak Joab waarom dit (met) haar (hij) heeft gerend bouw! en ga! (er)naar (er is) niet bij week(t) in om uit te gaan
23.
en wees wat? (ik) rende en (hij) sprak als ren! en (hij) rende Ahimaaz weg het plein en (hij) ging voorbij (tot) de afrikaan
24.
en oom bewoner tussen tweede de poorten en (hij) ging de wachter naar dak de poort naar de muur en (hij) droeg (tot) ogen (...) hem en gezien en hier is man (hij) heeft gerend alleen hij
25.
en (hij) noemde de wachter en (hij) werd verteld aan koning en (hij) sprak kroon! als alleen hij bij week(t) in bij (de) monden (...) hem en (hij) ging gang en binnenste
26.
en gezien de wachter man andere (hij) heeft gerend en (hij) noemde de wachter naar de poort en (hij) sprak hier is man (hij) heeft gerend alleen hij en (hij) sprak kroon! ook dit kondig(t) aan
27.
en (hij) sprak de wachter ik (hij) heeft gezien (tot) MRWßT (de) eerste KMRßT Ahimaaz zoon heb gelijk! en (hij) sprak kroon! man goede dit en naar bij week(t) in goeds invoer
28.
en (hij) noemde Ahimaaz en (hij) sprak naar kroon! vrede en (hij) boog zich diep aan koning aan neuzen (...) hem naar land en (hij) sprak gezegende Jahweh jouw God die slot (tot) de mensen die (zij) hebben gedragen (tot) (hij) leek bij (de) liggers van kroon!
29.
en (hij) sprak kroon! vrede te schudden aan Absalom en (hij) sprak Ahimaaz (ik) heb gezien de menigte (de) grote weg te zenden (tot) slaaf kroon! Joab en (tot) slaaf (...) jou noch (ik) heb geweten wat?
30.
en (hij) sprak kroon! leg opzij! (hij) heeft zich opgesteld zo en (hij) wendde zich af en (hij) stond vast
31.
en hier is de afrikaan (hij) is gekomen en (hij) sprak de afrikaan ITBSR liggers van kroon! dat rechter (...) jou Jahweh vandaag van hand alle (is het zo) dat staan op op jou
32.
en (hij) sprak kroon! naar de afrikaan de vrede te schudden aan Absalom en (hij) sprak de afrikaan (zij) waren zoals jeugd vijanden van liggers van kroon! en alle die (zij) zijn opgestaan op jou aan herder

Hoofdstuk 19

1.
en (hij) was boos kroon! en (hij) verhief op (jij) bent opgegaan de poort en (hij) weende en zo woord bij te gaan (...) hem bouw! Absalom bouw! bouw! Absalom water van (hij) gaf sterf! ik in de plaats van jou Absalom bouw! bouw!
2.
en (hij) werd verteld aan Joab hier is kroon! (hij) heeft geweend en (hij) rouwde op Absalom
3.
en (zij) was de negen bij (de) dag dat aan rouw aan alle het volk dat nieuws het volk bij (de) dag dat te spreken (wij) bedroefden kroon! op bij ons
4.
WITCNB het volk bij (de) dag dat te komen (hij) heeft opgemerkt zoals ITCNB het volk ENKLMIM bij vlucht! (...) hen bij (de) strijd
5.
en kroon! LAÐ (tot) aanzichten (...) hem en (hij) schreeuwde kroon! klank grote bouw! Absalom Absalom bouw! bouw!
6.
en (hij) kwam Joab naar kroon! het huis en (hij) sprak (is het zo) dat (jij) hebt je geschaamd vandaag (tot) aanzicht van alle slaven (...) jou (is het zo) dat redden (tot) ziel (...) jou vandaag en (tot) ziel zonen (...) jou en dochters (...) jou en ziel vrouwen (...) jou en ziel PLCSIK
7.
aan liefde (tot) haat! (...) jou en te haten (tot) heb lief! (...) jou dat (jij) hebt verteld vandaag dat (er is) niet aan jou zingen en slaven dat (ik) heb geweten vandaag dat niet Absalom levende en kun! (...) ons vandaag sterven dat destijds rechte bij (de) ogen (...) jou
8.
en nu sta op! ga weg! en woord op hart slaven (...) jou dat bij Jahweh (ik) heb gezworen dat jij bent (er) niet (hij) werd tevoorschijn gehaald als (hij) liet overnachten man (met) jou de nacht en herder aan jou deze van alle de herder die kom(t) op jou schudden (...) jou tot nu
9.
en (hij) stond op kroon! en inwoner bij (de) poort en aan alle het volk (zij) hebben verteld te spreken hier is kroon! bewoner bij (de) poort en (hij) kwam alle het volk voor kroon! en Israël teken man aan tenten (...) hem
10.
en wees alle het volk NDWN in alle stammen van Israël te spreken kroon! (hij) heeft gered (...) ons van lepel vijanden (...) ons en hij (wij) hebben gered van lepel Filistijnen en nu vlucht vanuit het land boven Absalom
11.
en Absalom die (wij) hebben gezalfd op ons dode bij (de) strijd en nu waarom (met) hen van stille (mv) terug te geven (tot) kroon!
12.
en kroon! oom wapen naar heb gelijk! en naar Abjathar de priesters te spreken spreekt! naar ben oud! Juda te spreken waarom (jullie) waren laatste (mv) terug te geven (tot) kroon! naar huis (...) hem en woord alle Israël (hij) is gekomen naar kroon! naar huis (...) hem
13.
broer (met) hen word machtig! en kondig aan! (met) hen en waarom (jullie) waren laatste (mv) terug te geven (tot) kroon!
14.
en aan Amasa (jullie) verbitterden immers word machtig! en kondig aan! (met) haar zo (zij) heeft gemaakt aan mij God en zo (hij) voegde toe als niet aanvoerder leger (jij) was voor alle de dagen in de plaats van Joab
15.
en (hij) neeg (tot) hart alle man Juda zoals man één en (zij) zondden weg naar kroon! terugkeren (met) haar en alle slaven (...) jou
16.
en inwoner kroon! en (hij) kwam tot de Jordaan en Juda (hij) is gekomen (is het zo) dat (zij) heeft gerold te gaan tegemoet kroon! over te brengen (tot) kroon! (tot) de Jordaan
17.
en (hij) haastte zich hoor toe! zoon Gera zoon de rechterhanden van die van jongemannen en (hij) is gedaald met man Juda tegemoet kroon! oom
18.
en duizend man met hem van Benjamin en Ziba jeugd huis dodenrijk en vijf rijkdom zonen (...) hem en twintig slaven (...) hem (met) hem en bereikt! de Jordaan voor kroon!
19.
en (zij) is voorbijgegaan (is het zo) dat (zij) is voorbijgegaan LOBIR (tot) huis kroon! en te doen (de) goede bij bestudeert! en hoor toe! zoon Gera ga neer! voor kroon! bij (zij) zijn voorbijgegaan bij (de) Jordaan
20.
en (hij) sprak naar kroon! naar (hij) berekende aan mij liggers van vijandige en naar (zij) herinnerde zich (tot) die EOWE slaaf (...) jou bij (de) dag die uitgaande liggers van kroon! van Jeruzalem te plaatsen kroon! naar zijn hart
21.
dat (hij) heeft geweten slaaf (...) jou dat ik (ik) heb gezondigd en hier is (ik) ben gekomen vandaag eerste aan alle huis Jozef te dalen tegemoet liggers van kroon!
22.
en wegens (ik) beschaamde (...) mij zoon Zeruja en (hij) sprak ETHT deze niet (hij) zal worden laten sterven hoor toe! dat vervloek! (tot) Messias Jahweh
23.
en (hij) sprak oom wat? aan mij en aan jullie bouw! Zeruja dat (jullie) waren aan mij vandaag aan satan vandaag (hij) zal worden laten sterven man bij Israël dat immers (ik) heb geweten dat vandaag ik koning op Israël
24.
en (hij) sprak kroon! naar hoor toe! niet (jij) stierf en (hij) was verzadigd als kroon!
25.
WMPBST zoon dodenrijk (hij) is gedaald tegemoet kroon! noch (hij) heeft gedaan voeten (...) hem noch (hij) heeft gedaan SPMW en (tot) kledingstukken (...) hem niet was! aan manna vandaag te gaan kroon! tot vandaag die (hij) is gekomen bij (de) vrede
26.
en wees dat (hij) is gekomen Jeruzalem tegemoet kroon! en (hij) sprak als kroon! waarom niet (jij) bent gegaan met mij Mefiboseth
27.
en (hij) sprak liggers van kroon! werk! (hij) is hoog geweest (...) mij dat woord slaaf (...) jou AHBSE aan mij (de) ernstige WARKB op haar en (ik) ging (tot) kroon! dat Pesach slaaf (...) jou
28.
WIRCL bij (de) slaaf (...) jou naar liggers van kroon! en liggers van kroon! zoals boodschapper naar God en (hij) heeft gedaan (de) goede bij (de) ogen (...) jou
29.
dat niet (hij) is geweest alle huis vader dat als mens (...) mij dood aan liggers van kroon! en (zij) legde (tot) slaaf (...) jou bij eet! tafel (...) jou en wat? er is aan mij nog (eens) weldadigheid WLZOQ nog (eens) naar kroon!
30.
en (hij) sprak als kroon! waarom (jij) sprak nog (eens) woorden (...) jou (ik) heb gesproken (met) haar en Ziba (jullie) verdeelden (tot) het veld
31.
en (hij) sprak Mefiboseth naar kroon! ook (tot) (de) alle (hij) nam na die (hij) is gekomen liggers van kroon! bij (de) vrede naar huis (...) hem
32.
en ijzer-en van de gedenktekens van (hij) is gedaald spionnen en (hij) ging voorbij (tot) kroon! de Jordaan weg te zenden (...) hem (tot) bij (de) Jordaan
33.
en ijzer-en van baard zeer zoon tachtig jaar en hij KLKL (tot) kroon! bij (de) ouderdom (...) hem bij (de) kampen dat man grote hij zeer
34.
en (hij) sprak kroon! naar ijzer-en van (met) haar kant (met) mij WKLKLTI (met) jou met mij bij Jeruzalem
35.
en (hij) sprak ijzer-en van naar kroon! zoiets dagen van tweede leef! dat (ik) verhief (tot) kroon! Jeruzalem
36.
zoon tachtig jaar ik vandaag (is het zo) dat (ik) wist tussen goede aan kwaad als (hij) proefde slaaf (...) jou (tot) die eten en (tot) die (ik) dronk als (ik) hoorde toe nog (eens) bij (de) klank zingen en zingen en waarom (hij) was slaaf (...) jou nog (eens) aan last naar liggers van kroon!
37.
zoals een beetje (hij) ging voorbij slaaf (...) jou (tot) de Jordaan (tot) kroon! en waarom (hij) liet ontwennen (...) mij kroon! (is het zo) dat vergeld! (er)naar (de) deze
38.
inwoner toch slaaf (...) jou en waarheid bij (de) stad (...) mij met graf vader en moeder (...) mij en hier is slaaf (...) jou zoiets (...) hen (hij) ging voorbij met liggers van kroon! en (hij) heeft gedaan als (tot) die goede bij (de) ogen (...) jou
39.
en (hij) sprak kroon! (met) mij (hij) ging voorbij zoiets (...) hen en ik (ik) werd gedaan als (tot) (de) goede bij (de) ogen (...) jou en alle die (zij) koos op mij (ik) werd gedaan aan jou
40.
en (hij) ging voorbij alle het volk (tot) de Jordaan en kroon! kant en (hij) gaf te drinken kroon! aan ijzer-en van en (hij) zegende (...) hem en inwoner aan plaats (...) hem
41.
en (hij) ging voorbij kroon! (is het zo) dat (zij) heeft gerold en zoiets (...) hen kant met hem en alle met Juda en (zij) gingen voorbij (tot) kroon! en ook halve met Israël
42.
en hier is alle man Israël komen naar kroon! en (zij) spraken naar kroon! waarom? (zij) hebben gestolen (...) jou broers (...) ons man Juda en (zij) gingen voorbij (tot) kroon! en (tot) huis (...) hem (tot) de Jordaan en alle mens (...) mij oom met hem
43.
en wegens alle man Juda op man Israël dat verwant kroon! naar mij en waarom dit (hij) is ontbrand aan jou op het woord deze het eten (wij) hebben gegeten vanuit kroon! als (jij) hebt gedragen verheven aan ons
44.
en wegens man Israël (tot) man Juda en (hij) sprak rijkdom IDWT aan mij bij (de) koning en ook bij (de) oom ik (van)uit jou en waarom? EQLTNI noch (hij) is geweest spreek! eerste aan mij terug te geven (tot) heers! en (hij) werd hard woord man Juda woestijn man Israël

Hoofdstuk 20

1.
en naam [van] (hij) is genoemd man slechtheid en zijn naam zeven zoon trek voor! man rechterhanden van en (hij) blies bij (de) schoonheid en (hij) sprak (er is) niet aan ons deel bij (de) oom noch erfgoed aan ons bij (de) zoon Isaï man aan tenten (...) hem Israël
2.
en (hij) verhief alle man Israël van achter oom na zeven zoon trek voor! en man Juda (zij) hebben geplakt bij (hij) heeft besneden (...) jullie vanuit de Jordaan en tot Jeruzalem
3.
en (hij) kwam oom naar huis (...) hem Jeruzalem en (hij) nam kroon! (tot) rijkdom worden verlaten PLCSIM die (hij) heeft rust gegeven te bewaren het huis en (hij) gaf (...) hen huis bewaring WIKLKLM en naar hen niet (hij) is gekomen en (jullie) waren ßRRWT tot dag lenden weduwe-en levende (mv)
4.
en (hij) sprak kroon! naar Amasa (is het zo) dat (hij) heeft geschreeuwd aan mij (tot) man Juda drie van dagen en (met) haar mond sta vast!
5.
en (hij) ging Amasa LEZOIQ (tot) Juda WIIHR vanuit de ontmoeting die IODW
6.
en (hij) sprak oom naar (ik) beschaamde (...) mij nu (hij) achtervolgde aan ons zeven zoon trek voor! vanuit Absalom (met) haar neem! (tot) werk! liggers (...) jou en (hij) heeft achtervolgd na hem opdat niet (hij) heeft gevonden als steden versterkte (mv) en (hij) heeft gered oog (...) ons
7.
en voert uit! na hem mens (...) mij Joab en (ik) zal vernietigen en (ik) heb laten vallen en alle de mannen en voert uit! van Jeruzalem LRDP na zeven zoon trek voor!
8.
zij met de steen de grootheid die bij Gibeon en Amasa (hij) is gekomen voor hen en Joab omgord! MDW (zij) hebben zich bekleed en (zij) zijn opgegaan omgord! zwaard MßMDT op lendenen (...) hem bij (jij) legde bloot en hij uitgaande en (zij) viel
9.
en (hij) sprak Joab aan Amasa de vrede (met) haar broer en (zij) voorspelde hand rechterhand Joab bij (de) baard Amasa LNSQ als
10.
en Amasa niet (wij) bewaarden bij (het) zwaard die bij (de) hand Joab en (zij) werden donker bij haar naar de vijf en (hij) stortte MOIW naar land noch jaar als en (hij) stierf en Joab en (ik) beschaamde (...) mij broers (...) hem (hij) heeft achtervolgd na zeven zoon trek voor!
11.
en man sta vast! op hem schud(t) (...) mij Joab en (hij) sprak water van die wens bij Joab en water van die aan oom na Joab
12.
en Amasa MTCLL bij (het) bloed binnen EMXLE en gezien de man dat sta vast! alle het volk en (hij) wendde zich af (tot) Amasa vanuit EMXLE het veld en (hij) ging neer op hem kleed zoals (hij) heeft gezien alle wat kwam op hem en sta vast!
13.
zoals (hij) heeft uitgesproken vanuit EMXLE kant alle man na Joab LRDP na zeven zoon trek voor!
14.
en (hij) ging voorbij in alle stammen van Israël (zij) heeft gerouwd en huis Maächa en alle de zoon-en en (zij) verlichtten (...) hem en voert in! neus na hem
15.
en voert in! en fabriceert! op hem bij (zij) heeft gerouwd huis (is het zo) dat Maächa en (zij) stortten (zij) heeft gebaand naar (hij) heeft opgemerkt en (jij) stond vast bij (de) niet-heilige en alle het volk die (tot) Joab vernieler (...) hen vallen te laten de muur
16.
en (jij) noemde vrouw wijsheid vanuit (hij) heeft opgemerkt (zij) hebben toegehoord (zij) hebben toegehoord (zij) hebben gesproken toch naar Joab binnenste tot hier is en (ik) sprak (er)naar naar jou
17.
en (hij) bracht nader vetstaart en (jij) sprak de vrouw (is het zo) dat (met) haar Joab en (hij) sprak ik en (jij) sprak als nieuws spreek! waarheid (...) jou en (hij) sprak nieuws ik
18.
en (jij) sprak te spreken woord (zij) spraken in het eerste te spreken dodenrijk (hij) vroeg (...) hem bij (de) rouw en zo (is het zo) dat (zij) hebben zich verbaasd
19.
ik betaal! trouw (...) mij Israël (met) haar zoek(t) te doden stad en als bij Israël waarom (jij) slikte (jij) hebt verworven Jahweh
20.
en wegens Joab en (hij) sprak God beware God beware aan mij als (ik) slikte en als (ik) maakte kapot
21.
niet zo het woord dat man vlugge Efraïm zeven zoon trek voor! zijn naam verheven (hij) bedankte bij (de) koning bij (de) oom geeft! (met) hem alleen hij en (ik) ging (er)naar boven (hij) heeft opgemerkt en (jij) sprak de vrouw naar Joab hier is hoofd (...) hem ga(a)(t) neer naar jou door de muur
22.
en (jij) kwam de vrouw naar alle het volk bij (jij) bent wijs geworden (er)naar en (zij) hakten af (tot) hoofd zeven zoon trek voor! en (zij) gingen neer naar Joab en (hij) blies bij (de) schoonheid en (zij) verspreidden boven (hij) heeft opgemerkt man aan tenten (...) hem en Joab woon! Jeruzalem naar kroon!
23.
en Joab naar alle de leger Israël en bouw! (er)naar zoon Jojada op (is het zo) dat graaf! en op (ik) heb laten vallen
24.
WADRM op de belasting en Josafat zoon AHILWD de sekretaris
25.
WSIA boek en heb gelijk! en Abjathar priesters
26.
en ook Ira de rivieren van (hij) is geweest priester aan oom

Hoofdstuk 21

1.
en wees honger bij (de) dagen van oom drie twee jaar na jaar en (hij) zocht oom (tot) aanzicht van Jahweh en (hij) sprak Jahweh naar dodenrijk en naar huis de kosten op die (jij) hebt geruist (tot) ECBONIM
2.
en (hij) noemde kroon! LCBONIM en (hij) sprak naar hen WECBONIM niet van zonen van Israël deze (mv) dat als van rest de Amoriet en bouw! Israël (zij) hebben gezworen aan hen en (hij) zocht dodenrijk LEKTM bij (de) jaloezie (...) hem aan zonen van Israël en Juda
3.
en (hij) sprak oom naar ECBONIM wat? (ik) werd gedaan aan jullie en verhoging (ik) verzoende en zegent! (tot) (jij) hebt verworven Jahweh
4.
en (zij) spraken als ECBONIM (er is) niet aan mij zilver en goud met dodenrijk en met huis (...) hem en (er is) niet aan ons man te doden bij Israël en (hij) sprak wat? (met) hen woorden (ik) werd gedaan aan jullie
5.
en (zij) spraken naar kroon! de man die als (zij) hebben overnacht en die (hij) heeft geleken aan ons NSMDNW om zich op te stellen in alle grens Israël
6.
(hij) zal gegeven worden aan ons zeven mensen van zonen (...) hem WEWQONWM aan Jahweh bij (de) heuvel van dodenrijk BHIR Jahweh en (hij) sprak kroon! ik (met) hen
7.
en (hij) had medelijden kroon! op Mefiboseth zoon Jonathan zoon dodenrijk op zeven Jahweh die verstand-en (...) hen tussen oom en tussen Jonathan zoon dodenrijk
8.
en (hij) nam kroon! (tot) tweede bouw! plaveisel dochter waar? die (zij) heeft gebaard te vragen (tot) ARMNI en (tot) MPBST en (tot) vijf bouw! Michal dochter dodenrijk die (zij) heeft gebaard LODRIAL zoon ijzer-en van EMHLTI
9.
en (hij) gaf (...) hen bij (de) hand ECBONIM WIQIOM bij (de) heuvel voor Jahweh en (zij) vielen (ik) ben verzadigd geweest (...) hen samen en zij (is het zo) dat (zij) zijn gestorven bij (de) dagen van oogst bij (de) eersten begin van oogst dat worden wakker
10.
en (jij) nam plaveisel dochter waar? (tot) de zak en (jullie) negen aan haar naar de rots van begin van oogst tot NTK water op hen vanuit de hemel noch (zij) heeft gegeven vogel de hemel te rusten op hen dag (...) hen en (tot) dier van het veld nacht
11.
en (hij) werd verteld aan oom (tot) die (zij) heeft gedaan plaveisel dochter waar? bijvrouw dodenrijk
12.
en (hij) ging oom en (hij) nam (tot) botten dodenrijk en (tot) botten Jonathan bij ons honderd bij (de) hoge (hij) beschaamde gedenkteken die (zij) hebben gestolen (met) hen van breedte huis tand die (zij) hebben opgehangen (...) hen daar de Filistijnen bij (de) dag EKWT Filistijnen (tot) dodenrijk BCLBO
13.
en (hij) verhief van daar (tot) botten dodenrijk en (tot) botten Jonathan bij ons en (zij) verzamelden (tot) botten EMWQOIM
14.
en (zij) begroeven (tot) botten dodenrijk en Jonathan bij ons bij (het) land Benjamin bij (de) rib bij (het) graf Kis vader (...) hem en (zij) hebben gemaakt alle die geef opdracht! kroon! en (hij) bad God aan land na zo
15.
en (zij) was nog (eens) strijd aan Filistijnen (tot) Israël en (hij) is gedaald oom en slaven (...) hem met hem en (zij) streedden (tot) Filistijnen en (hij) vloog oom
16.
en (zij) hebben gewoond BNB die bij (de) ingeborenen van (hij) heeft losgelaten en gewicht QINW drie honderd gewicht koper en hij omgord! naar maand en (hij) sprak te slaan (tot) oom
17.
en Jaezer als (ik) beschaamde (...) mij zoon Zeruja en (hij) sloeg (tot) de Filistijn en (zij) stierven (...) hem destijds (zij) hebben gezworen mens (...) mij oom als te spreken niet (jij) ging uit nog (eens) (met) ons aan strijd noch (jij) ging uit (tot) licht Israël
18.
en wees na zo en (zij) was nog (eens) de strijd BCWB met Filistijnen destijds (hij) heeft geslagen Sibbechai (is het zo) dat (ik) heb me gehaast (tot) voeg toe! die bij help bij de geboorte! (hij) heeft losgelaten
19.
en (zij) was nog (eens) de strijd BCWB met Filistijnen en (hij) sloeg ALHNN zoon bossen van ARCIM huis (is het zo) dat strijd! (tot) (jij) bent in verbanning gegaan de Gathiet en boom (jij) bent gelegerd (...) hem KMNWR ARCIM
20.
en (zij) was nog (eens) strijd bij (de) wijnpers en wees man Midian en vinger van handen (...) hem en vinger van voeten (...) hem zes en zes twintig en vier getal en ook hij kind LERPE
21.
en (hij) beledigde (tot) Israël en (zij) werden donker Jonathan zoon hoor toe! broer oom
22.
(tot) vier deze helpt bij de geboorte! LERPE bij (de) wijnpers en (zij) vielen bij (de) hand oom en bij (de) hand slaven (...) hem

Hoofdstuk 22

1.
en (hij) sprak oom aan Jahweh (tot) spreek! naar het lied (de) deze bij (de) dag (hij) heeft gered Jahweh (met) hem van lepel alle vijanden (...) hem en van lepel dodenrijk
2.
en (hij) sprak Jahweh rotsen van en fort (...) mij WMPLÐI aan mij
3.
mijn God rotsen van (ik) zocht bescherming bij hem schilden van en hoorn reddingen van toevluchtsoorden van en om te vluchten (...) mij schreeuw(t) om hulp (...) mij van roof TSONI
4.
loof(t) (ik) werd genoemd Jahweh en van vijanden van AWSO
5.
dat APPNI verbrijzel(t) (...) mij dood verwerf! slechtheid IBOTNI
6.
saboteer! dodenrijk leg opzij! (...) mij (hij) is voorgegaan (...) mij van stro (...) mij dood
7.
versterkte aan mij (ik) werd genoemd Jahweh en naar mijn God (ik) werd genoemd en (hij) hoorde toe van paleis (...) hem klanken van en (ik) heb om hulp geschreeuwd bij (de) oren (...) hem
8.
WTCOS en (zij) maakte lawaai het land fundamenten de hemel (zij) waren boos WITCOSW dat (hij) is ontbrand als
9.
blad maak! (...) hen bij (de) neus (...) hem en vuur van monden (...) hem (jij) at CHLIM roeiet uit! (van)uit hem
10.
en (hij) neeg hemel en (hij) is gedaald en nevel in de plaats van voeten (...) hem
11.
en (hij) reed op beeld van meerderheid en (hij) vloog en gezien op vleugels van wind
12.
en (hij) legde duisternis omgevingen (...) hem hutten HSRT water wolk (...) mij wolken
13.
van schijn tegenover hem roeiet uit! CHLI vuur
14.
(hij) achtervolgde (...) hen vanuit hemel Jahweh en hoogste (hij) gaf klank (...) hem
15.
en (hij) zond weg pijlen WIPIßM flits en (hij) ruiste (...) hen
16.
en (zij) lieten zien APQI zee (zij) onthulden MXDWT wereld bij (jij) hebt bestraft Jahweh van ziel van wind neus (...) hem
17.
(hij) zond weg van hoogte (hij) nam (...) mij IMSNI van water twisten
18.
(hij) redde (...) mij van vijanden van kracht om te haten (...) mij dat (zij) zijn sterk geweest (van)uit mij
19.
(hij) ging voor (...) mij bij (de) dag tegenslagen van en wees Jahweh MSON aan mij
20.
en uitgaande tot van breedte (met) mij (hij) trok uit (...) mij dat wens bij mij
21.
(hij) liet ontwennen (...) mij Jahweh als (ik) heb gelijk gehad zoals graan handen van (hij) gaf terug aan mij
22.
dat (ik) heb gehouden wegen van Jahweh noch zonde (...) mij van mijn God
23.
dat alle rechtsregel (...) hem tegen mij en grondwetten (...) hem niet verbod (van)uit haar
24.
en (ik) was volledige als WASTMRE van armoede
25.
en inwoner Jahweh aan mij als (ik) heb gelijk gehad zoals graan (...) mij tegen ogen (...) hem
26.
met getrouwe TTHXD met held volledige (zij) verbaasde zich (...) hen
27.
met NBR TTBR en met eigenzinnige TTPL
28.
en (tot) met arme (jij) redde en ogen (...) jou op zijn hoog (jij) vernederde
29.
dat (met) haar licht (...) mij Jahweh en Jahweh ICIE duisternissen van
30.
dat (hij) heeft geweend (ik) rende eenheid bij mijn God ADLC os
31.
deze volledige weg (...) hem (jij) hebt gesproken Jahweh gelouterde schild hij aan alle (is het zo) dat hebben medelijden bij hem
32.
dat water van naar behalve Jahweh en water van rots behalve onze God
33.
deze vesting-en van macht en rest volledige weg (...) hem
34.
van gelijke voeten (...) hem zoals reeën en op verhoging (...) mij (hij) stond vast (...) mij
35.
onderwijs(t) handen van aan strijd en (hij) is geland boog (wij) haastten ons (er)naar (ik) heb gezaaid
36.
en te geven (...) hen aan mij schild redding (...) jou WONTK (zij) vermeerderde (...) mij
37.
TRHIB stap! THTNI noch van getuige (...) hem QRXLI
38.
ARDPE vijanden van en (ik) roeide uit (...) hen noch (ik) blies tot schoondochters (...) hen
39.
en eten (...) hen WAMHßM noch (zij) stondden op (...) hen en (zij) vielen in de plaats van voeten van
40.
en (zij) strooide uit (...) mij macht aan strijd TKRIO (hij) is opgestaan (...) mij THTNI
41.
en vijanden van te geven (er)naar aan mij nek om te haten (...) mij WAßMITM
42.
redding (...) hem en (er is) niet MSIO naar Jahweh noch ONM
43.
en (ik) speelde (...) hen zoals stof land KÐIÐ straten ADQM ARQOM
44.
WTPLÐNI om te twisten (...) mij met mij (jij) bewaarde (...) mij aan hoofd volken met niet (ik) heb geweten (hij) werkte (...) mij
45.
bouw! vreemde land ITKHSW aan mij toe te horen oor (zij) hoorden toe aan mij
46.
bouw! vreemde land (zij) verwelkten en (zij) omgordden MMXCRWTM
47.
levende Jahweh en gezegende rotsen van en (hij) was hoog mijn God rots reddingen van
48.
deze (is het zo) dat (hij) heeft gegeven (jij) hebt gewroken aan mij WMRID volkeren THTNI
49.
en haal(t) tevoorschijn (...) mij van vijanden van WMQMI TRWMMNI van man gewelddaden (jij) redde (...) mij
50.
op zo (ik) zal bedanken (...) jou Jahweh bij (de) volken en aan naam (...) jou (ik) zong
51.
vergroot verlossingen (zij) hebben geheerst en (hij) heeft gedaan genade aan Messias (...) hem aan oom en te zaaien (...) hem tot eeuwigheid

Hoofdstuk 23

1.
en deze spreek! oom (de) laatste (mv) (hij) heeft redevoering gehouden oom zoon Isaï en (hij) heeft redevoering gehouden de man vestig! op Messias mijn God Jakob en aangename gezangen Israël
2.
wind Jahweh woord bij mij en woord (...) hem op tong (...) mij
3.
woord mijn God Israël aan mij woord rots Israël heers(t) bij (de) mens rechtvaardige heers(t) (jij) hebt gevreesd God
4.
WKAWR rundvee IZRH zon rundvee niet wolken van schijn van regen grasveld van land
5.
dat niet zo huis-en van met naar dat verbond eeuwigheid daar aan mij orden! (er)naar in alle en (zij) heeft gehouden dat alle reddingen van en alle wens dat niet (hij) liet groeien
6.
en slechtheid KQWß van dolende schoondochter (...) hen dat niet bij (de) hand (zij) namen
7.
en man vermoeide bij hen (hij) was vol ijzer en boom (jij) bent gelegerd en (hij) is verrot verbrand! (zij) verbrandden bij (de) sabbat
8.
deze namen de mannen die aan oom inwoner bij (de) sabbat (zij) werd wijs (...) mij hoofd (de) derde hij getuigen (...) ons de boom (...) ons op acht honderd dode bij (de) keer één
9.
en (zij) zijn te laat gekomen Eleazar zoon oom (...) mij zoon AHHI bij drie mannen met oom bij beledig! (...) hen bij (de) Filistijnen (wij) verzamelden (...) hem daar aan strijd en (zij) verhieven man Israël
10.
hij (hij) is opgestaan en (hij) sloeg bij (de) Filistijnen tot dat (zij) heeft moeite gedaan (hij) bedankte en (zij) plakte (hij) bedankte naar het zwaard en (hij) heeft gemaakt Jahweh (jij) schreeuwde om hulp (er)naar grootheid bij (de) dag dat en het volk (zij) hebben gewoond na hem maar uit te kleden
11.
en na hem daarnaar (-s) zoon ACA ERRI en (zij) verzamelden Filistijnen leven te laten en (zij) was daar perceel van het veld (zij) is vol geweest ODSIM en het volk teken van aanzicht van Filistijnen
12.
en (hij) stelde zich op binnen de perceel en (hij) redde (er)naar en (hij) sloeg (tot) Filistijnen en (hij) heeft gemaakt Jahweh (jij) schreeuwde om hulp (er)naar grootheid
13.
en (zij) zijn gedaald dertig MESLSIM hoofd en voert in! naar oogst naar oom naar van vellen Adullam en dier van Filistijnen Hanna bij (de) diepte spoken
14.
en oom destijds bij om te vangen (er)naar en opgestelde Filistijnen destijds huis brood
15.
WITAWE oom en (hij) sprak water van (hij) gaf te drinken (...) mij water van put huis brood die bij (de) poort
16.
WIBQOW drie van de mannen bij (het) kamp Filistijnen en (hij) putte (...) hem water van put huis brood die bij (de) poort en (zij) droegen en voert in! naar oom noch (hij) heeft gewenst te drinken (...) hen en (hij) goot uit (met) hen aan Jahweh
17.
en (hij) sprak God beware aan mij Jahweh van opvolging van deze het bloed de mensen de voorbijgangers bij (de) zielen (...) hen noch (hij) heeft gewenst te drinken (...) hen deze Ezau drie van de mannen
18.
en (ik) beschaamde (...) mij broer Joab zoon Zeruja hij hoofd (de) derde en hij OWRR (tot) (jij) bent gelegerd (...) hem op drie honderd dode en als daar bij drie
19.
vanuit de drie sla! belangrijke en wees aan hen aan aanvoerder en tot de drie niet (hij) is gekomen
20.
en Benaja zoon Jojada zoon man levende meerderheid daden MQBßAL hij (hij) heeft geslagen (tot) tweede ARAL Moab en hij (hij) is gedaald en (hij) heeft geslagen (tot) de leeuw binnen de put bij (de) dag de sneeuw
21.
en hij (hij) heeft geslagen (tot) man Egyptenaar die verschijning en bij (de) hand de Egyptenaar (jij) bent gelegerd en (hij) is gedaald naar hem bij (de) stam WICZL (tot) (is het zo) dat (jij) bent gelegerd van hand de Egyptenaar en (zij) doodden (...) hem bij (jij) bent gelegerd (...) hem
22.
deze (hij) heeft gedaan Benaja zoon Jojada en als daar bij drie de mannen
23.
vanuit de dertig belangrijke en naar de drie niet (hij) is gekomen en past toe! (...) hem oom naar MSMOTW
24.
Asahel broer Joab bij dertig ALHNN zoon tepel (...) hem huis brood
25.
daarnaar (-s) (is het zo) dat schrik! ALIQA (is het zo) dat schrik!
26.
Helez laat eruit! (...) mij Ira zoon eigenzinnige ETQWOI
27.
Abiëzer EONTTI van zonen van (is het zo) dat (ik) heb me gehaast
28.
ßLMWN EAHHI haast je! ENÐPTI
29.
melk zoon Baena ENÐPTI (met) mij zoon twist! van heuvel van bouw! Benjamin
30.
Benaja PROTNI (is het zo) dat welke van wadi's van COS
31.
vader OLBWN (is het zo) dat (ik) ben aangenaam geweest Azmaveth EBRHMI
32.
ALIHBA ESOLBNI bouw! er is (...) hen Jonathan
33.
daarnaar (-s) EERRI AHIAM zoon SRR EARRI
34.
Elifeleth zoon AHXBI zoon (is het zo) dat (ik) heb samengedrukt ALIOM zoon Achitofel (is het zo) dat (hij) heeft zich verheugd (...) mij
35.
grondgebied (...) hem de Karmel (...) mij PORI (is het zo) dat lig in hinderlaag!
36.
(hij) verloste zoon (hij) heeft gegeven monument bouw! het bokje
37.
ßLQ EOMNI NHRI EBARTI (hij) heeft gedragen (...) mij gereedschap Joab zoon schep! (er)naar
38.
Ira de resten van CRB de resten van
39.
naar lichten de angsten van alle dertig en zeven

Hoofdstuk 24

1.
en (hij) heeft toegevoegd neus Jahweh te ontbranden bij Israël WIXT (tot) oom bij hen te spreken aan jou rantsoen (tot) Israël en (tot) Juda
2.
en (hij) sprak kroon! naar Joab aanvoerder de macht die (met) hem zweep toch in alle stammen van Israël van Dan en tot put zeven en beveelt! (tot) het volk en (ik) heb geweten (tot) getal het volk
3.
en (hij) sprak Joab naar kroon! en Jozef Jahweh jouw God naar het volk zoals zij en zoals zij honderd twee keer en bestudeer! liggers van kroon! zicht en liggers van kroon! waarom wens bij (het) woord deze
4.
en (hij) versterkte woord kroon! naar Joab en op Sarai de macht en uitgaande Joab en Sarai de macht voor kroon! te bevelen (tot) het volk (tot) Israël
5.
en (zij) gingen voorbij (tot) de Jordaan en (zij) legerden BORWOR rechterhand (hij) heeft opgemerkt die binnen de wadi vertel! en naar Jaezer
6.
en voert in! naar het gedenkteken en naar land onderste (mv) maanden van en voert in! deze wegens en rondom naar Sidon
7.
en voert in! versterkte smalle en alle steden van de Heviet en (de) Kanaänitische en voert uit! naar Zuiden Juda put zeven
8.
WISÐW in alle het land en voert in! van einde negen maanden en twintig dag Jeruzalem
9.
en (hij) gaf Joab (tot) getal beveel(t) het volk naar kroon! en (zij) was Israël acht honderd duizend man macht stoppelveld zwaard en man Juda vijf honderd duizend man
10.
en (hij) sloeg hart oom (met) hem na zo boek (tot) het volk en (hij) sprak oom naar Jahweh (ik) heb gezondigd zeer die (ik) heb gedaan en nu Jahweh breng over! toch (tot) vijandige slaaf (...) jou dat NXKLTI zeer
11.
en (hij) stond op oom bij (het) rundvee en woord Jahweh (hij) is geweest naar Gad de profeet borst oom te spreken
12.
gang en woord van naar oom zo woord Jahweh drie ik NWÐL op jou (hij) heeft gekozen aan jou één (van)uit hen en (ik) werd gedaan aan jou
13.
en (hij) kwam Gad naar oom en (hij) werd verteld als en (hij) sprak als (is het zo) dat (jij) kwam aan jou zeven twee honger bij (het) land (...) jou als drie maanden uitgieting voor vijanden (...) jou en hij (hij) heeft achtervolgd (...) jou en als te zijn drie van dagen woord bij (het) land (...) jou nu weet! en (hij) heeft gezien wat? (ik) gaf terug zend weg! woord
14.
en (hij) sprak oom naar Gad smalle aan mij zeer (zij) is gevallen toch bij (de) hand Jahweh dat twisten (zij) hebben medelijden gehad en bij (de) hand mens naar duisternis
15.
en (hij) gaf Jahweh woord bij Israël van het rundvee en tot tijd ontmoeting en (hij) stierf vanuit het volk van Dan en tot put zeven zeventig duizend man
16.
en (hij) zond weg (hij) bedankte de boodschapper Jeruzalem te bederven (er)naar en (hij) troostte Jahweh naar de herder en (hij) sprak aan boodschapper de vernieler bij (het) volk meerderheid nu laat los! hand (...) jou en boodschapper Jahweh (hij) is geweest met vreemdeling (...) hen EAWRNE EIBXI
17.
en (hij) sprak oom naar Jahweh (jij) hebt geschapen (...) hem (tot) de boodschapper (de) geslagen bij (het) volk en (hij) sprak hier is ik (ik) heb gezondigd en ik EOWITI en deze het kleinvee wat? Ezau (zij) was toch hand (...) jou bij mij en bij (het) huis vader
18.
en (hij) kwam Gad naar oom bij (de) dag dat en (hij) sprak als blad vestig! aan Jahweh altaar bij (de) vreemdeling (...) hen naar arken EIBXI
19.
en (hij) verhief oom zoals woord Gad zoals geef opdracht! Jahweh
20.
WISQP (ik) zong en gezien (tot) kroon! en (tot) slaven (...) hem voorbijgaan op hem en uitgaande (ik) zong en (hij) boog zich diep aan koning neuzen (...) hem naar land
21.
en (hij) sprak (ik) zong waarom? (hij) is gekomen liggers van kroon! naar (zij) hebben gewerkt en (hij) sprak oom te kopen van volk (...) jou (tot) de vreemdeling (...) hen te bouwen altaar aan Jahweh en (zij) hield vast de epidemie boven het volk
22.
en (hij) sprak (ik) zong naar oom (hij) nam en (hij) verhief liggers van kroon! (de) goede bij bestudeert! (hij) heeft gezien het rundvee te verheffen WEMRCIM en gereedschap het rundvee aan bomen
23.
(de) alle (hij) heeft gegeven (ik) zong kroon! aan koning en (hij) sprak (ik) zong naar kroon! Jahweh jouw God (hij) rende (...) jou
24.
en (hij) sprak kroon! naar (ik) zong niet dat (zij) hebben gekocht (ik) kocht honderden (...) jou bij (de) prijs noch (ik) verhief aan Jahweh mijn God beklimmingen gratis en (hij) kocht oom (tot) de vreemdeling (...) hen en (tot) het rundvee bij (het) zilver munten vijftig
25.
en (hij) bouwde daar oom altaar aan Jahweh en (hij) verhief beklimmingen en vergoedingen en (hij) bad Jahweh aan land en (zij) hield vast de epidemie boven Israël