Hoofdstuk 1

1.
bij (het) begin (hij) heeft geschapen God (tot) de hemel en (tot) het land
2.
en het land (zij) is geweest verlatenheid en lege en duisternis op aanzicht van afgrond en wind God laat zich zweven op aanzicht van het water
3.
en (hij) sprak God wees licht en wees licht
4.
en gezien God (tot) het licht dat goede en (hij) scheidde God tussen het licht en tussen de duisternis
5.
en (hij) noemde God aan licht dag en aan duisternis (hij) heeft genoemd nacht en wees aangename en wees rundvee dag één
6.
en (hij) sprak God wees uitspansel binnen het water en wees scheiding makend tussen water aan water
7.
en (hij) heeft gemaakt God (tot) het uitspansel en (hij) scheidde tussen het water die onder vandaan aan uitspansel en tussen het water die boven aan uitspansel en wees zo
8.
en (hij) noemde God aan uitspansel hemel en wees aangename en wees rundvee dag tweede
9.
en (hij) sprak God (zij) hoopten het water onder vandaan de hemel naar plaats één en (jij) liet zien het vasteland en wees zo
10.
en (hij) noemde God aan vasteland land en aan waterreservoir het water (hij) heeft genoemd dagen en gezien God dat goede
11.
en (hij) sprak God TDSA het land grasveld planten MZRIO nakomelingen boom vrucht (hij) heeft gedaan vrucht aan soort (...) hem die (zij) hebben gezaaid bij hem op het land en wees zo
12.
en (jij) werd tevoorschijn gehaald het land grasveld planten MZRIO nakomelingen aan variatie (...) hem en boom (hij) heeft gedaan vrucht die (zij) hebben gezaaid bij hem aan variatie (...) hem en gezien God dat goede
13.
en wees aangename en wees rundvee dag derde
14.
en (hij) sprak God wees lichten bij (het) uitspansel de hemel LEBDIL tussen vandaag en tussen de nacht en (zij) zijn geweest LATT en aan ontmoetingen en aan dagen en twee
15.
en (zij) zijn geweest aan licht van bij (het) uitspansel de hemel te verlichten op het land en wees zo
16.
en (hij) heeft gemaakt God (tot) tweede de lichten de groten (tot) het licht de grote aan regering van vandaag en (tot) het licht de kleine aan regering van de nacht en (tot) de sterren
17.
en (hij) gaf (met) hen God bij (het) uitspansel de hemel te verlichten op het land
18.
en aan heerser bij (de) dag en bij (de) nacht WLEBDIL tussen het licht en tussen de duisternis en gezien God dat goede
19.
en wees aangename en wees rundvee dag vierde
20.
en (hij) sprak God (zij) krioelden het water (hij) heeft gekrioeld ziel dier en vogel IOWPP op het land op aanzicht van uitspansel de hemel
21.
en (hij) schiep God (tot) de krokodil (...) hen de groten en (tot) alle ziel het dier ERMST die (zij) hebben gekrioeld het water aan soorten (...) hen en (tot) alle vogel vleugel aan variatie (...) hem en gezien God dat goede
22.
en (hij) zegende (met) hen God te spreken (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend en (zij) zijn vol geweest (tot) het water bij (de) dagen en de vogel (hij) vermeerderde bij (het) land
23.
en wees aangename en wees rundvee dag vijfde
24.
en (hij) sprak God (jij) werd tevoorschijn gehaald het land ziel dier aan variatie vee en kruipend gedierte en dier (...) hem land aan variatie en wees zo
25.
en (hij) heeft gemaakt God (tot) dier van het land aan variatie en (tot) de vee aan variatie en (tot) alle kruipend gedierte de aarde aan variatie (...) hem en gezien God dat goede
26.
en (hij) sprak God (hij) is gedaan mens bij (het) beeld (...) ons zoals gestalte (...) ons en (zij) zijn gedaald BDCT de zee en bij (de) vogel de hemel en bij (de) vee en in alle het land en in alle de kruipend gedierte de kruipend gedierte op het land
27.
en (hij) schiep God (tot) de mens bij (het) beeld (...) hem bij (het) beeld God (hij) heeft geschapen (met) hem man en vrouw (hij) heeft geschapen (met) hen
28.
en (hij) zegende (met) hen God en (hij) sprak aan hen God (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend en (zij) zijn vol geweest (tot) het land en ooi en daalt! BDCT de zee en bij (de) vogel de hemel en in alle dier ERMST op het land
29.
en (hij) sprak God hier is (ik) heb gegeven aan jullie (tot) alle planten nakomelingen nakomelingen die op aanzicht van alle het land en (tot) alle de boom die bij hem vrucht boom nakomelingen nakomelingen aan jullie (hij) was naar aan eten
30.
en aan alle dier van het land en aan alle vogel de hemel en aan alle RWMS op het land die bij hem ziel dier (tot) alle groene planten naar aan eten en wees zo
31.
en gezien God (tot) alle die (hij) heeft gedaan en hier is goede zeer en wees aangename en wees rundvee dag (de) zesde

Hoofdstuk 2

1.
en (zij) hebben gekund de hemel en het land en alle leger (...) hen
2.
en (hij) heeft gekund God bij (de) dag (de) zevende handwerk (...) hem die (hij) heeft gedaan en (jij) hebt gewoond bij (de) dag (de) zevende van alle handwerk (...) hem die (hij) heeft gedaan
3.
en (hij) zegende God (tot) dag (de) zevende en (hij) heiligde (met) hem dat bij hem sabbat van alle handwerk (...) hem die (hij) heeft geschapen God te doen
4.
deze TWLDWT de hemel en het land BEBRAM bij (de) dag te doen Jahweh God land en hemel
5.
en alle spreek! het veld voordat (hij) was bij (het) land en alle planten het veld voordat (hij) groeide dat niet EMÐIR Jahweh God op het land en mens (er is) niet te bewerken (tot) de aarde
6.
en damp (hij) verhief vanuit het land en (hij) heeft te drinken gegeven (tot) alle aanzicht van de aarde
7.
en (hij) heeft gefabriceerd Jahweh God (tot) de mens stof vanuit de aarde WIPH bij (de) neuzen (...) hem (jij) hebt geademd leven en wees de mens aan ziel dier
8.
WIÐO Jahweh God tuin bij (de) getuige (...) hen van voorkant en pas toe! daar (tot) de mens die fabriceer!
9.
en (hij) groeide Jahweh God vanuit de aarde alle boom NHMD aan verschijning en goede aan voedsel en boom de leven binnen de tuin en boom de kennis goede en kwaad
10.
en rivier uitgaande van getuige (...) hen te drinken te geven (tot) de tuin en van daar IPRD en (hij) is geweest aan vier hoofden
11.
daar de één PISWN hij (is het zo) dat (hij) is rondgegaan (tot) alle land (is het zo) dat Havila die daar het goud
12.
en goud het land dat goede daar EBDLH en steen de onyx
13.
en naam [van] de rivier (de) tweede Gihon hij (is het zo) dat ga(a)(t) rond (tot) alle land Cusch
14.
en naam [van] de rivier (de) derde HDQL hij de beweging (jij) bent voorgegaan bevestiging en de rivier (de) vierde hij koe van
15.
en (hij) nam Jahweh God (tot) de mens WINHEW bij (de) tuin getuige (...) hen aan feit en te bewaren (er)naar
16.
en (hij) gaf opdracht Jahweh God op de mens te spreken van alle boom de tuin eten (jij) at
17.
en van boom de kennis goede en kwaad niet (jij) at (van)uit hem dat bij (de) dag eten (...) jou (van)uit hem dood (jij) stierf
18.
en (hij) sprak Jahweh God niet goede te zijn de mens alleen hij (ik) werd gedaan als hulp KNCDW
19.
en fabriceer! Jahweh God vanuit de aarde alle dier van het veld en (tot) alle vogel de hemel en (hij) kwam naar de mens te zien wat? (hij) noemde als en alle die (hij) noemde als de mens ziel dier hij zijn naam
20.
en (hij) noemde de mens namen aan alle de vee en te vliegen de hemel en aan alle dier van het veld en aan mens niet (hij) heeft gevonden hulp KNCDW
21.
en (hij) liet vallen Jahweh God diepe slaap op de mens WIISN en (hij) nam één van ribben (...) hem en (hij) sloot vlees THTNE
22.
en (hij) bouwde Jahweh God (tot) de rib die lering vanuit de mens aan vrouw en (hij) kwam (er)naar naar de mens
23.
en (hij) sprak de mens deze de keer bot van bot (...) mij en vlees kondig(t) aan (...) mij aan deze (hij) noemde vrouw dat van man (zij) heeft genomen deze
24.
op zo (hij) verliet man (tot) vader (...) hem en (tot) moeder (...) hem en (hij) heeft geplakt (jij) bent verrot (...) hem en (zij) zijn geweest aan te kondigen één
25.
en (zij) waren die twee ORWMIM de mens en vuur (...) hem noch ITBSSW

Hoofdstuk 3

1.
en de slang (hij) is geweest (zij) hebben blootgelegd (...) hen van alle dier van het veld die (hij) heeft gedaan Jahweh God en (hij) sprak naar de vrouw neus dat woord God niet (jullie) aten van alle boom de tuin
2.
en (jij) sprak de vrouw naar de slang van vrucht boom de tuin (wij) aten
3.
en van vrucht de boom die binnen de tuin woord God niet (jullie) aten (van)uit hem noch (jullie) deedden moeite bij hem opdat niet TMTWN
4.
en (hij) sprak de slang naar de vrouw niet dood TMTWN
5.
dat (hij) heeft geweten God dat bij (de) dag eten (...) jullie (van)uit hem en (wij) openden (...) hem ogen (...) jullie en (jullie) zijn geweest zoals God (hij) heeft geweten (...) mij goede en kwaad
6.
en (zij) liet zien de vrouw dat goede de boom aan voedsel en dat begeerte hij aan ogen WNHMD de boom wijs te worden en (jij) nam van stieren (...) hem en (jij) at en te geven (...) hen ook naar aan man met haar en (hij) at
7.
en (zij) opende (...) haar bestudeer! die twee en (zij) hebben geweten dat OIRMM zij WITPRW blad vijg en (zij) hebben gemaakt aan hen (jij) hebt omgord
8.
en (zij) hoorden toe (tot) klank Jahweh God wandel(t) rond bij (de) tuin aan wind vandaag WITHBA de mens en vuur (...) hem van aanzicht van Jahweh God binnen boom de tuin
9.
en (hij) noemde Jahweh God naar de mens en (hij) sprak als hoe?
10.
en (hij) sprak (tot) klank (...) jou (ik) heb toegehoord bij (de) tuin en (ik) vreesde dat stad (...) hen ik WAHBA
11.
en (hij) sprak water van (hij) heeft verteld aan jou dat stad (...) hen (met) haar het manna de boom die (ik) heb opdracht gegeven (...) jou opdat niet eten (van)uit hem (jij) hebt gegeten
12.
en (hij) sprak de mens de vrouw die zet met mij hij (zij) heeft gegeven aan mij vanuit de boom en eten
13.
en (hij) sprak Jahweh God aan vrouw wat? deze (jij) hebt gedaan en (jij) sprak de vrouw de slang ESIANI en eten
14.
en (hij) sprak Jahweh God naar de slang dat (jij) hebt gedaan deze vervloekte (met) haar van alle de vee en van alle dier van het veld op CHNK (jij) ging en stof (jij) at alle dagen van leven (...) jou
15.
en vijandschap (ik) legde tussen jou en tussen de vrouw en tussen nakomelingen (...) jou en tussen (zij) heeft gezaaid hij (hij) ademde uit (...) jou hoofd en (met) haar (jij) ademde uit (...) ons voetstap
16.
naar de vrouw woord veel sprinkhaan pijn (...) jou WERNK bij (de) bedroefde (jij) baarde zonen en naar man (...) jou begeerte (...) jou en hij (hij) heerste bij jou
17.
en aan mens woord dat (jij) hebt toegehoord aan klank vuur (...) jou en (jij) at vanuit de boom die (ik) heb opdracht gegeven (...) jou te spreken niet (jij) at (van)uit hem vervloekte de aarde bij ga voorbij! (...) jou bij (de) pijn (jullie) aten alle dagen van leven (...) jou
18.
WQWß WDRDR (jij) liet groeien aan jou en (jij) hebt gegeten (tot) planten het veld
19.
BZOT neuzen (...) jou (jij) at brood tot terugkeren (...) jou naar de aarde dat (van)uit haar (jij) hebt genomen dat stof (met) haar en naar stof (jij) blies
20.
en (hij) noemde de mens daar vuur (...) hem boerderij dat hij (zij) is geweest als alle levende
21.
en (hij) heeft gemaakt Jahweh God aan mens en aan vuur (...) hem KTNWT huid en (hij) bekleedde zich (...) hen
22.
en (hij) sprak Jahweh God èn de mens (hij) is geweest zoals een (van)uit hem te weten goede en kwaad en nu opdat niet (hij) zond weg (hij) bedankte en lering ook van boom de leven en eten en levende aan eeuwigheid
23.
en (zij) zondden weg (...) hem Jahweh God schild getuige (...) hen te bewerken (tot) de aarde die lering van daar
24.
en (hij) verjoeg (tot) de mens en jullie zijn er van voorkant aan tuin getuige (...) hen (tot) de beelden van meerderheid en (tot) LEÐ het zwaard EMTEPKT te bewaren (tot) weg boom de leven

Hoofdstuk 4

1.
en de mens (hij) heeft geweten (tot) boerderij vuur (...) hem en (zij) werd zwanger en (jij) baarde (tot) Kain en (jij) sprak (ik) heb gekocht man (tot) Jahweh
2.
en (jij) voegde toe te baren (tot) broers (...) hem (tot) damp en wees damp herder kleinvee en Kain (hij) is geweest slaaf aarde
3.
en wees van eind dagen en (hij) kwam Kain van vrucht de aarde geschenk aan Jahweh
4.
en damp (hij) heeft gebracht ook hij trekken voor ga uit! (...) ons en van melk-en (...) hen en redding Jahweh naar damp en naar geschenk (...) hem
5.
en naar Kain en naar geschenk (...) hem niet SOE en (hij) ontbrandde aan Kain zeer en (zij) vielen aanzichten (...) hem
6.
en (hij) sprak Jahweh naar Kain waarom (hij) is ontbrand aan jou en waarom ga(a)t neer! aanzichten (...) jou
7.
immers als (jij) deed goed te dragen en als niet (jij) deed goed open te doen zondoffer RBß en naar jou begeerte (...) hem en (met) haar (zij) heerste bij hem
8.
en (hij) sprak Kain naar damp broers (...) hem en wees bij te zijn (...) hen bij (het) veld en (hij) stond op Kain naar damp broers (...) hem en (zij) doodden (...) hem
9.
en (hij) sprak Jahweh naar Kain waar damp broers (...) jou en (hij) sprak niet (ik) heb geweten (is het zo) dat bewaar! broer ik
10.
en (hij) sprak wat? (jij) hebt gedaan klank lijk! broers (...) jou schreeuw! (...) hen naar mij vanuit de aarde
11.
en nu vervloekte (met) haar vanuit de aarde die (zij) heeft geopend (tot) naar mond van (jij) hebt genomen (tot) lijk! broers (...) jou van hand (...) jou
12.
dat (zij) werkte (tot) de aarde niet (jij) voegde toe te geven naar kracht aan jou (hij) heeft gezworven en dolende (jij) was bij (het) land
13.
en (hij) sprak Kain naar Jahweh grote armoede van verheven
14.
èn (jij) hebt verjaagd (met) mij vandaag boven aanzicht van de aarde en van aanzichten (...) jou Esther en (ik) ben geweest (hij) heeft gezworven en dolende bij (het) land en (hij) is geweest alle vind! (hij) doodde (...) mij
15.
en (hij) sprak als Jahweh daarom alle (hij) heeft gedood Kain (ik) ben verzadigd geweest (...) hen (hij) stond op en pas toe! Jahweh aan Kain letter opdat niet EKWT (met) hem alle (zij) hebben gevonden
16.
en uitgaande Kain weg van aanzicht van Jahweh en inwoner bij (het) land NWD (jij) bent voorgegaan getuige (...) hen
17.
en (hij) heeft geweten Kain (tot) vuur (...) hem en (zij) werd zwanger en (jij) baarde (tot) (zij) zijn gelegerd (...) jou en wees (hij) heeft gebouwd stad en (hij) noemde daar (hij) heeft opgemerkt zoals naam bij ons (zij) zijn gelegerd (...) jou
18.
en baar(t) LHNWK (tot) Hirad en Hirad kind (tot) Mechujaël en Mechujaël kind (tot) Methusaël en Methusaël kind (tot) Lamech
19.
en (hij) nam als Lamech schering worden verlaten daar de één getuige en naam [van] de tweede naar schaduw
20.
en (jij) baarde getuige (tot) 50e jaardag hij (hij) is geweest vader inwoner tent en bezit
21.
en naam [van] broers (...) hem stroom hij (hij) is geweest vader alle (zij) verbreidde zich viool en orgel
22.
en naar schaduw ook hij (zij) heeft gebaard (tot) (jij) werd vervoerd Kain LÐS alle stille koper en ijzer en zus (jij) werd vervoerd Kain (zij) is aangenaam geweest
23.
en (hij) sprak Lamech aan vrouwen (...) hem getuige en naar schaduw nieuws (...) hen klanken van vrouwen van Lamech (is het zo) dat (ik) hoereerde (ik) heb gesproken dat man (ik) heb gedood te verwonden (...) mij en kind LHBRTI
24.
dat (ik) ben verzadigd geweest (...) hen (hij) stond op Kain en Lamech zeventig en zeven
25.
en (hij) heeft geweten mens nog (eens) (tot) vuur (...) hem en (jij) baarde zoon en (jij) noemde (tot) zijn naam Set dat Set aan mij God nakomelingen andere in de plaats van damp dat (zij) hebben gedood Kain
26.
en aan Set ook hij kind zoon en (hij) noemde (tot) zijn naam mens destijds EWHL te noemen bij (de) naam Jahweh

Hoofdstuk 5

1.
dit boek geschiedenis mens bij (de) dag (hij) heeft geschapen God mens bij (de) gestalte God (hij) heeft gedaan (met) hem
2.
man en vrouw (hij) heeft geschapen (...) hen en (hij) zegende (met) hen en (hij) noemde (tot) naam (...) hen mens bij (de) dag (is het zo) dat (hij) heeft geschapen (...) hen
3.
en leve! mens dertig en honderd jaar en baar(t) bij (de) gestalte (...) hem zoals beeld (...) hem en (hij) noemde (tot) zijn naam Set
4.
en (zij) waren dagen van mens na (zij) hebben voortgebracht (tot) Set acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
5.
en (zij) waren alle dagen van mens die levende negen honderd jaar en dertig jaar en (hij) stierf
6.
en leve! Set vijf twee en honderd jaar en baar(t) (tot) mens
7.
en leve! Set na (zij) hebben voortgebracht (tot) mens zeven twee en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
8.
en (zij) waren alle dagen van Set twee tien jaar en negen honderd jaar en (hij) stierf
9.
en leve! mens negentig jaar en baar(t) (tot) Kenan
10.
en leve! mens na (zij) hebben voortgebracht (tot) Kenan vijf tien jaar en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
11.
en (zij) waren alle dagen van mens vijf twee en negen honderd jaar en (hij) stierf
12.
en leve! Kenan zeventig jaar en baar(t) (tot) Mahalal-el
13.
en leve! Kenan na (zij) hebben voortgebracht (tot) Mahalal-el veertig jaar en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
14.
en (zij) waren alle dagen van Kenan rijkdom twee en negen honderd jaar en (hij) stierf
15.
en leve! Mahalal-el vijf twee en zestig jaar en baar(t) (tot) (hij) is gedaald
16.
en leve! Mahalal-el na (zij) hebben voortgebracht (tot) (hij) is gedaald dertig jaar en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
17.
en (zij) waren alle dagen van Mahalal-el vijf en negentig jaar en acht honderd jaar en (hij) stierf
18.
en leve! (hij) is gedaald twee en zestig jaar en honderd jaar en baar(t) (tot) (zij) zijn gelegerd (...) jou
19.
en leve! (hij) is gedaald na (zij) hebben voortgebracht (tot) (zij) zijn gelegerd (...) jou acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
20.
en (zij) waren alle dagen van (hij) is gedaald twee en zestig jaar en negen honderd jaar en (hij) stierf
21.
en leve! (zij) zijn gelegerd (...) jou vijf en zestig jaar en baar(t) (tot) Methusalach
22.
en (hij) wandelde rond (zij) zijn gelegerd (...) jou (tot) naar God na (zij) hebben voortgebracht (tot) Methusalach drie honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
23.
en wees alle dagen van (zij) zijn gelegerd (...) jou vijf en zestig jaar en drie honderd jaar
24.
en (hij) wandelde rond (zij) zijn gelegerd (...) jou (tot) naar God en hij is (er) niet dat lering (met) hem God
25.
en leve! Methusalach zeven en tachtig jaar en honderd jaar en baar(t) (tot) Lamech
26.
en leve! Methusalach na (zij) hebben voortgebracht (tot) Lamech twee en tachtig jaar en zeven honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
27.
en (zij) waren alle dagen van Methusalach negen en zestig jaar en negen honderd jaar en (hij) stierf
28.
en leve! Lamech twee en tachtig jaar en honderd jaar en baar(t) zoon
29.
en (hij) noemde (tot) zijn naam rustende te spreken dit (hij) troostte (...) ons van daad (...) ons en van pijn (zij) berechtten vanuit de aarde die ARRE Jahweh
30.
en leve! Lamech na (zij) hebben voortgebracht (tot) rustende vijf en negentig jaar en vijf honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
31.
en wees alle dagen van Lamech zeven en zeventig jaar en zeven honderd jaar en (hij) stierf
32.
en wees rustende zoon vijf honderd jaar en baar(t) rustende (tot) daar (tot) hete en (tot) Jafeth

Hoofdstuk 6

1.
en wees dat (hij) is begonnen te de mens aan meerderheid op aanzicht van de aarde en dochters helpt bij de geboorte! aan hen
2.
en (zij) lieten zien bouw! naar God (tot) dochters de mens dat ÐBT hier is en (zij) namen aan hen worden verlaten van alle die (zij) hebben gekozen
3.
en (hij) sprak Jahweh niet (hij) bedankte (...) hen wind (...) mij bij (de) mens aan eeuwigheid BSCM hij vlees en (zij) zijn geweest dagen (...) hem honderd en twintig jaar
4.
(is het zo) dat ga neer! (...) hen (zij) zijn geweest bij (het) land bij (de) dagen die en ook na zo die voert in! bouw! naar God naar dochters de mens en helpt bij de geboorte! aan hen deze (mv) de mannen die van eeuwigheid mens (...) mij (is het zo) dat daar
5.
en gezien Jahweh dat veelheid medemens van de mens bij (het) land en alle fabriceer! bereken(t) zijn hart lege kwaad alle vandaag
6.
en (hij) troostte Jahweh dat (hij) heeft gedaan (tot) de mens bij (het) land WITOßB naar zijn hart
7.
en (hij) sprak Jahweh (ik) wiste uit (tot) de mens die (ik) heb geschapen boven aanzicht van de aarde van mens tot vee tot kruipend gedierte en tot vogel de hemel dat (ik) heb getroost dat (jullie) hebben gedaan
8.
en rustende (hij) heeft gevonden gratie bij bestudeer! Jahweh
9.
deze geschiedenis rustende rustende man rechtvaardige volledige (hij) is geweest bij (de) generaties (...) hem (tot) naar God (hij) heeft rondgewandeld rustende
10.
en baar(t) rustende drie zonen (tot) daar (tot) hete en (tot) Jafeth
11.
en (jij) bedierf het land voor naar God en (jij) was vol het land roof
12.
en gezien God (tot) het land en hier is (wij) bedierven (er)naar dat (hij) heeft kapot gemaakt alle vlees (tot) weg (...) hem op het land
13.
en (hij) sprak God aan rustende eind alle vlees (hij) is gekomen voor dat (zij) is vol geweest het land roof van aanzichten (...) hen en hier ben ik vernieler (...) hen (tot) het land
14.
(hij) heeft gedaan aan jou kist van houten CPR buizen (jij) deed (tot) de kist en verzoendeksel (met) haar van huis en buiten bij (de) dorp
15.
en dit die (jij) deed (met) haar drie honderd natie lange de kist vijftig natie plein en dertig natie hoogte (...) haar
16.
luchtgat (jij) deed aan kist en naar natie (jullie) konen weg van hoogte en opening de kist bij (zij) heeft gevangen (jij) plaatste onderste (mv) twee en dertig (jij) deed
17.
en ik hier ben ik breng(t) (tot) de zondvloed water op het land te bederven alle vlees die bij hem wind leven onder vandaan de hemel alle die bij (het) land (hij) stierf
18.
en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van (met) jou en (jij) bent gekomen naar de kist (met) haar en zonen (...) jou en vuur (...) jou en vrouwen van zonen (...) jou (met) jou
19.
en van alle (de) levende van alle vlees twee van alle (jij) bracht naar de kist aan het dier van (met) jou man en vrouw (zij) waren
20.
van de vogel aan variatie (...) hem en vanuit de vee aan variatie van alle kruipend gedierte de aarde aan variatie (...) hem twee van alle voert in! naar jou aan de dieren
21.
en (met) haar neem! aan jou van alle voedsel die (hij) at en (jij) hebt verzameld naar jou en (hij) is geweest aan jou en aan hen naar aan eten
22.
en (hij) heeft gemaakt rustende zoals alle die geef opdracht! (met) hem God zo (hij) heeft gedaan

Hoofdstuk 7

1.
en (hij) sprak Jahweh aan rustende (hij) is gekomen (met) haar en alle huis (...) jou naar de kist dat (met) jou (ik) heb gezien rechtvaardige voor bij (de) generatie deze
2.
van alle de vee (de) zuivere (jij) nam aan jou zeven zeven man en vuur (...) hem en vanuit de vee die niet (zij) heeft gezuiverd hij twee man en vuur (...) hem
3.
ook om te vliegen de hemel zeven zeven man en vrouw te leven nakomelingen op aanzicht van alle het land
4.
dat aan dagen nog (eens) zeven ik MMÐIR op het land veertig dag en veertig nacht en (ik) heb uitgewist (tot) alle (is het zo) dat (hij) wraakte die (ik) heb gedaan boven aanzicht van de aarde
5.
en (hij) heeft gemaakt rustende zoals alle die geeft opdracht! Jahweh
6.
en rustende zoon zes honderd jaar en de zondvloed (hij) is geweest water op het land
7.
en (hij) kwam rustende en zonen (...) hem en vuur (...) hem en vrouwen van zonen (...) hem (met) hem naar de kist van aanzicht van water van de zondvloed
8.
vanuit de vee (de) zuivere en vanuit de vee die zij is (er) niet (zij) heeft gezuiverd en vanuit de vogel en alle die kruipend gedierte op de aarde
9.
twee twee (zij) zijn gekomen naar rustende naar de kist man en vrouw zoals geef opdracht! God (tot) rustende
10.
en wees aan zeven de dagen en water van de zondvloed (zij) zijn geweest op het land
11.
bij (het) jaar van zes honderd jaar wangen van rustende bij (de) maand (de) tweede bij zeven rijkdom dag aan maand bij (de) dag deze NBQOW alle bestudeer(t) afgrond veelheid en (jij) hebt in hinderlaag gelegen de hemel (wij) deedden open (...) hem
12.
en wees (is het zo) dat nader! (...) hen op het land veertig dag en veertig nacht
13.
bij (het) bot vandaag deze (hij) is gekomen rustende en naam [van] en hete en Jafeth bouw! rustende en vuur van rustende en drie van vrouwen van zonen (...) hem (met) hen naar de kist
14.
deze (mv) en alle het dier aan variatie en alle de vee aan variatie en alle de kruipend gedierte de kruipend gedierte op het land aan variatie (...) hem en alle de vogel aan variatie (...) hem alle Zippor alle vleugel
15.
en voert in! naar rustende naar de kist twee twee van alle het vlees die bij hem wind leven
16.
en die gekomen man en vrouw van alle vlees (zij) zijn gekomen zoals geef opdracht! (met) hem God en (hij) sloot Jahweh bij (de) getuige (...) hem
17.
en wees de zondvloed veertig dag op het land en (zij) vermeerderden het water en (zij) droegen (tot) de kist en (zij) was hoog boven het land
18.
en (zij) werden sterk het water en (zij) vermeerderden zeer op het land en (jij) ging de kist op aanzicht van het water
19.
en het water (zij) zijn sterk geworden zeer zeer op het land en (zij) bedekten alle naar de heuvels (de) hoge (mv) die in de plaats van alle de hemel
20.
vijf tien natie weg van hoogte (zij) zijn sterk geworden het water en (zij) bedekten naar de heuvels
21.
en (hij) stierf alle vlees de kruipend gedierte op het land bij (de) vogel en bij (de) vee en bij (het) dier en in alle (is het zo) dat (hij) heeft gekrioeld (is het zo) dat (hij) heeft gekrioeld op het land en alle de mens
22.
alle die (jij) hebt geademd wind leven bij (de) neuzen (...) hem van alle die bij (het) droog land (zij) zijn gestorven
23.
en (hij) wiste uit (tot) alle (is het zo) dat (hij) wraakte die op aanzicht van de aarde van mens tot vee tot kruipend gedierte en tot vogel de hemel en (zij) wisten uit vanuit het land WISAR maar rustende en die (met) hem bij (de) kist
24.
en (zij) werden sterk het water op het land vijftig en honderd dag

Hoofdstuk 8

1.
en (hij) herinnerde zich God (tot) rustende en (tot) alle het dier en (tot) alle de vee die (met) hem bij (de) kist en (hij) ging voorbij God wind op het land en (zij) beten het water
2.
WIXKRW bestudeer(t) afgrond en (jij) hebt in hinderlaag gelegen de hemel en (hij) zette gevangen (is het zo) dat nader! (...) hen vanuit de hemel
3.
en (zij) hebben gewoond het water boven het land gang en terugkeren en (zij) ontbraken het water van einde vijftig en honderd dag
4.
en (zij) rustte de kist bij (de) maand (de) zevende bij zeven rijkdom dag aan maand op zie hier! ARRÐ
5.
en het water (zij) zijn geweest gang en ontbreek! tot de maand (de) tiende bij (de) tiende bij één aan maand (wij) lieten zien (...) hem hoofden van naar de heuvels
6.
en wees van eind veertig dag en (hij) deed open rustende (tot) (zij) zijn ziek geworden (...) hen de kist die (hij) heeft gedaan
7.
en (hij) zond weg (tot) (de) aangename en uitgaande IßWA en terugkeren tot (jij) bent droog geweest het water boven het land
8.
en (hij) zond weg (tot) de duif van hem te zien (zij) hebben verlicht het water boven aanzicht van de aarde
9.
noch (zij) heeft gevonden de duif om te rusten aan lepel naar voet en (jij) woonde naar hem naar de kist dat water op aanzicht van alle het land en (hij) zond weg (hij) bedankte en (hij) nam (er)naar en (hij) kwam (met) haar naar hem naar de kist
10.
en (hij) begon te nog (eens) zeven dagen anderen en (hij) heeft toegevoegd wapen (tot) de duif vanuit de kist
11.
en (zij) kwam naar hem de duif aan tijd aangename en hier is blad olijf prooi naar bij (de) mond van en (hij) heeft geweten rustende dat klank (...) hem het water boven het land
12.
en (hij) heeft gehoopt nog (eens) zeven dagen anderen en (hij) zond weg (tot) de duif noch (zij) heeft toegevoegd terugkeren naar hem nog (eens)
13.
en wees bij één en zes honderd jaar bij (de) eerste bij één aan maand (zij) zijn vernield het water boven het land en (hij) week af rustende (tot) bedek(t) de kist en gezien en hier is (zij) zijn vernield aanzicht van de aarde
14.
en bij (de) maand (de) tweede bij zeven en twintig dag aan maand vasteland het land
15.
en (hij) sprak God naar rustende te spreken
16.
ga weg! vanuit de kist (met) haar en vuur (...) jou en zonen (...) jou en vrouwen van zonen (...) jou (met) jou
17.
alle het dier die (met) jou van alle vlees bij (de) vogel en bij (de) vee en in alle de kruipend gedierte de kruipend gedierte op het land (hij) is tevoorschijn gehaald (met) jou en (zij) hebben gekrioeld bij (het) land en (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend op het land
18.
en uitgaande rustende en zonen (...) hem en vuur (...) hem en vrouwen van zonen (...) hem (met) hem
19.
alle het dier alle de kruipend gedierte en alle de vogel alle RWMS op het land LMSPHTIEM voert uit! vanuit de kist
20.
en (hij) bouwde rustende altaar aan Jahweh en (hij) nam van alle de vee (zij) heeft zich gezuiverd en van alle de vogel (de) zuivere en (hij) verhief opgaan bij (het) altaar
21.
en maan Jahweh (tot) geur (de) aangename en (hij) sprak Jahweh naar zijn hart niet Asaf te vervloeken nog (eens) (tot) de aarde wegens de mens dat fabriceer! hart de mens kwaad van jeugd (...) hem noch Asaf nog (eens) te slaan (tot) alle levende zoals (ik) heb gedaan
22.
tot alle dagen van het land nakomelingen en oogst WQR en hete en zomer en beledig! en dag en nacht niet (zij) rustten

Hoofdstuk 9

1.
en (hij) zegende God (tot) rustende en (tot) zonen (...) hem en (hij) sprak aan hen (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend en (zij) zijn vol geweest (tot) het land
2.
en vrees (...) jullie en angst (...) jullie (hij) was op alle dier van het land en op alle vogel de hemel in alle die TRMS de aarde en in alle vissen van de zee bij (de) hand (...) jullie (zij) hebben gegeven
3.
alle kruipend gedierte die hij levende aan jullie (hij) was naar aan eten zoals groene planten (ik) heb gegeven aan jullie (tot) alle
4.
maar vlees bij (de) ziel (...) hem (zij) hebben geleken niet (jullie) aten
5.
en maar (tot) bloed (...) jullie aan zielen (...) jullie (ik) werd verzocht van hand alle dier (ik) werd verzocht (...) ons en van hand de mens van hand man broers (...) hem (ik) werd verzocht (tot) ziel de mens
6.
monding bloed de mens bij (de) mens (zij) hebben geleken (hij) stortte dat bij (het) beeld God (hij) heeft gedaan (tot) de mens
7.
en (met) hen (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend (zij) hebben gekrioeld bij (het) land en tienduizend bij haar
8.
en (hij) sprak God naar rustende en naar zonen (...) hem (met) hem te spreken
9.
en ik hier ben ik vestig(t) (tot) verbonden van (met) jullie en (tot) nakomelingen (...) jullie na jullie
10.
en (tot) alle ziel het dier die (met) jullie bij (de) vogel bij (de) vee en in alle dier van het land (met) jullie van alle voer uit! de kist aan alle dier van het land
11.
en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van (met) jullie noch (hij) hakte af alle vlees nog (eens) van water van de zondvloed noch (hij) was nog (eens) zondvloed te bederven het land
12.
en (hij) sprak God deze letter het verbond die ik (hij) heeft gegeven tussen mij en tussen jullie en tussen alle ziel dier die (met) jullie aan generatie van eeuwigheid
13.
(tot) bogen van (ik) heb gegeven bij (de) wolk en (zij) is geweest aan letter verbond tussen mij en tussen het land
14.
en (hij) is geweest bij (de) wolken van wolk op het land WNRATE de boog bij (de) wolk
15.
en (ik) heb me herinnerd (tot) verbonden van die tussen mij en tussen jullie en tussen alle ziel dier in alle vlees noch (hij) was nog (eens) het water aan zondvloed te bederven alle vlees
16.
en (zij) is geweest de boog bij (de) wolk en (ik) heb gezien (er)naar aan man verbond eeuwigheid tussen God en tussen alle ziel dier in alle vlees die op het land
17.
en (hij) sprak God naar rustende deze letter het verbond die (ik) heb gevestigd tussen mij en tussen alle vlees die op het land
18.
en (zij) waren bouw! rustende de uitgaanden vanuit de kist daar en hete en Jafeth en hete hij vader Kanaän
19.
drie deze bouw! rustende en naar van macht (zij) heeft verspreid alle het land
20.
en (hij) begon te rustende man de aarde WIÐO wijngaard
21.
en (hij) legde vanuit de wijn en (hij) huurde WITCL binnen naar tent
22.
en gezien hete vader Kanaän (tot) worden wakker vader (...) hem en (hij) werd verteld aan tweede broers (...) hem bij (de) straat
23.
en (hij) nam daar en Jafeth (tot) de jurk en (zij) plaatsten op schouder die twee en (zij) gingen achterwaarts en (zij) bedekten (tot) worden wakker vaders (...) hen en aanzichten (...) hen achterwaarts en worden wakker vaders (...) hen niet (zij) hebben gezien
24.
en (hij) werd wakker rustende van wijn (...) hem en (hij) heeft geweten (tot) die (hij) heeft gedaan als bij ons de kleine
25.
en (hij) sprak vervloekte Kanaän slaaf slaven (hij) was aan broers (...) hem
26.
en (hij) sprak gezegende Jahweh mijn God daar en wees Kanaän slaaf voor hen
27.
Jafeth God aan Jafeth en jullie zijn er bij (de) tenten van daar en wees Kanaän slaaf voor hen
28.
en leve! rustende andere de zondvloed drie honderd jaar en vijftig jaar
29.
en (zij) waren alle dagen van rustende negen honderd jaar en vijftig jaar en (hij) stierf

Hoofdstuk 10

1.
en deze geschiedenis bouw! rustende daar hete en Jafeth en (zij) zijn geboren aan hen zonen andere de zondvloed
2.
bouw! Jafeth einde en van Gog en van die en doffer en wereld en (hij) heeft getrokken WTIRX
3.
en bouw! einde ASKNZ WRIPT WTCRME
4.
en bouw! doffer ALISE en Tharsis KTIM WDDNIM
5.
van deze NPRDW eilanden van de volken bij (de) landen (...) hen man aan tong (...) hem aan families (...) hen bij (de) volken (...) hen
6.
en bouw! hete Cusch en Egypte en Put en Kanaän
7.
en bouw! Cusch XBA en Havila WXBTE WROME WXBTKA en bouw! ROME Scheba en tepel (...) hen
8.
en Cusch kind (tot) NMRD hij (hij) is begonnen te te zijn man bij (het) land
9.
hij (hij) is geweest man jacht voor Jahweh op zo (hij) sprak KNMRD held jacht voor Jahweh
10.
en (zij) was begin rijk (...) hem Babel en lange WAKD en kunt! bij (het) land Sinear
11.
vanuit het land dat uitgaande bevestiging en (hij) bouwde (tot) Ninevé en (tot) (jij) bent breder geworden stad en (tot) zoals frisheid
12.
en (tot) RXN tussen Ninevé en tussen zoals frisheid hij (hij) heeft opgemerkt de grootheid
13.
en Egypte kind (tot) LWDIM en (tot) ONMIM en (tot) LEBIM en (tot) NPTHIM
14.
en (tot) PTRXIM en (tot) als vergeef! (...) hen die voert uit! van daar Filistijnen en (tot) KPTRIM
15.
en Kanaän kind (tot) Sidon trekt voor! en (tot) angst
16.
en (tot) de Jebusiet en (tot) de Amoriet en (tot) ECRCSI
17.
en (tot) de Heviet en (tot) EORQI en (tot) (is het zo) dat Sinaï
18.
en (tot) EARWDI en (tot) de wol (...) mij en (tot) de leren zak-en van en andere verbrijzelt! families (de) Kanaänitische
19.
en wees grens (de) Kanaänitische van Sidon bij (ik) sloeg naar Gerar tot naar kracht bij (ik) sloeg naar Sodom en Gomorra en aarde en gazellen tot LSO
20.
deze bouw! hete aan families (...) hen LLSNTM bij (de) landen (...) hen bij (de) volken (...) hen
21.
en aan naam kind ook hij vader alle bouw! kant broer Jafeth (de) grote
22.
bouw! daar Elam en bevestiging en Arfachsad en Lud en Syrië
23.
en bouw! Syrië Uz en zand WCTR WMS
24.
en Arfachsad kind (tot) wapen en wapen kind (tot) kant
25.
en door te trekken kind tweede zonen daar de één splitsing dat bij (de) dagen (...) hem (wij) splitsten (er)naar het land en naam [van] broers (...) hem IQÐN
26.
WIQÐN kind (tot) ALMWDD en (tot) stoppelveld en (tot) HßRMWT en (tot) maan
27.
en (tot) de generatie (...) hen en (tot) AWZL en (tot) DQLE
28.
en (tot) OWBL en (tot) ABIMAL en (tot) Scheba
29.
en (tot) AWPR en (tot) Havila en (tot) Jobab alle deze bouw! IQÐN
30.
en wees zetel (...) hen van last bij (ik) sloeg (zij) heeft geteld heuvel de voorkant
31.
deze bouw! daar aan families (...) hen LLSNTM bij (de) landen (...) hen aan volken (...) hen
32.
deze familie van bouw! rustende aan geschiedenis (...) hen bij (de) volken (...) hen en naar van macht NPRDW de volken bij (het) land andere de zondvloed

Hoofdstuk 11

1.
en wees alle het land oever één en woorden AHDIM
2.
en wees bij (hij) heeft gereisd (...) hen van voorkant en (zij) vondden BQOE bij (het) land Sinear en (zij) hebben gewoond daar
3.
en (zij) spraken man naar zijn vriend vooruit! NLBNE witte (mv) en (wij) verbrandden (er)naar te verbranden (er)naar en (zij) was aan hen (de) witte aan steen en de klei (hij) is geweest aan hen aan klei
4.
en (zij) spraken vooruit! (wij) bouwden aan ons stad en kweek(t) en hoofd (...) hem bij (de) hemel en (hij) is gedaan aan ons daar opdat niet (wij) verspreidden op aanzicht van alle het land
5.
en (hij) is gedaald Jahweh te vrezen (tot) (hij) heeft opgemerkt en (tot) (is het zo) dat kweek(t) die bij ons bouw! de mens
6.
en (hij) sprak Jahweh èn met één en oever één aan allen (...) hen en dit (is het zo) dat (hij) heeft gedroomd te doen en nu niet (hij) plukte druiven (van)uit hen alle die IZMW te doen
7.
vooruit! (wij) daalden (er)naar en kadaver daar lip (...) hen die niet (zij) hoorden toe man oever van zijn vriend
8.
en (hij) opende Jahweh (met) hen van daar op aanzicht van alle het land en (zij) hieldden op aan dochter van (hij) heeft opgemerkt
9.
op zo (hij) heeft genoemd daarnaar (-s) Babel dat daar BLL Jahweh oever van alle het land en van daar EPIßM Jahweh op aanzicht van alle het land
10.
deze geschiedenis daar daar zoon honderd jaar en baar(t) (tot) Arfachsad twee jaren andere de zondvloed
11.
en leve! daar na (zij) hebben voortgebracht (tot) Arfachsad vijf honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
12.
en Arfachsad levende vijf en dertig jaar en baar(t) (tot) wapen
13.
en leve! Arfachsad na (zij) hebben voortgebracht (tot) wapen drie twee en vier honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
14.
en wapen levende dertig jaar en baar(t) (tot) kant
15.
en leve! wapen na (zij) hebben voortgebracht (tot) kant drie twee en vier honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
16.
en leve! kant vier en dertig jaar en baar(t) (tot) splitsing
17.
en leve! kant na (zij) hebben voortgebracht (tot) splitsing dertig jaar en vier honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
18.
en leve! splitsing dertig jaar en baar(t) (tot) (zij) hebben achtervolgd
19.
en leve! splitsing na (zij) hebben voortgebracht (tot) (zij) hebben achtervolgd negen twee en honderd paar jaar en baar(t) zonen en dochters
20.
en leve! (zij) hebben achtervolgd twee en dertig jaar en baar(t) (tot) Serug
21.
en leve! (zij) hebben achtervolgd na (zij) hebben voortgebracht (tot) Serug zeven twee en honderd paar jaar en baar(t) zonen en dochters
22.
en leve! Serug dertig jaar en baar(t) (tot) Nahor
23.
en leve! Serug na (zij) hebben voortgebracht (tot) Nahor honderd paar jaar en baar(t) zonen en dochters
24.
en leve! Nahor negen en twintig jaar en baar(t) (tot) Terach
25.
en leve! Nahor na (zij) hebben voortgebracht (tot) Terach negen tien jaar en honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
26.
en leve! Terach zeventig jaar en baar(t) (tot) Abram (tot) Nahor en (tot) Haran
27.
en deze geschiedenis Terach Terach (hij) heeft voortgebracht (tot) Abram (tot) Nahor en (tot) Haran en Haran (hij) heeft voortgebracht (tot) Lot
28.
en (hij) stierf Haran op aanzicht van Terach vader (...) hem bij (het) land vaderland (...) hem bij (het) licht Chaldeeën
29.
en (hij) nam Abram en Nahor aan hen worden verlaten daar vuur van Abram Sarai en naam [van] vuur van Nahor koningin dochter Haran vader koningin en vader (hij) goot uit (er)naar
30.
en (zij) was Sarai onvruchtbare (er is) niet aan haar en baar!
31.
en (hij) nam Terach (tot) Abram bij ons en (tot) Lot zoon Haran zoon bij ons en (tot) Sarai schoondochter (...) hem vuur van Abram bij ons en voert uit! (met) hen licht Chaldeeën te gaan naar land Kanaän en voert in! tot Haran en (zij) hebben gewoond daar
32.
en (zij) waren dagen van Terach vijf twee en honderd paar jaar en (hij) stierf Terach bij Haran

Hoofdstuk 12

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Abram aan jou aan jou van land (...) jou en van vaderland (...) jou en van huis vader (...) jou naar het land die (ik) liet zien (...) jou
2.
en (ik) maakte (...) jou aan volk grote en (ik) zegende (...) jou en (ik) kweekte (er)naar naam (...) jou en (hij) is geweest gelukwens
3.
en (ik) zegende (er)naar zegenen (...) jou en vervloek(t) (...) jou AAR en (wij) zegenden (...) hem bij jou alle familie van de aarde
4.
en (hij) ging Abram zoals woord naar hem Jahweh en (hij) ging (met) hem Lot en Abram zoon vijf twee en zeventig jaar bij uit te gaan (...) hem van Haran
5.
en (hij) nam Abram (tot) Sarai vuur (...) hem en (tot) Lot zoon broers (...) hem en (tot) alle RKWSM die RKSW en (tot) de ziel die Ezau bij Haran en voert uit! te gaan naar land Kanaän en voert in! naar land Kanaän
6.
en (hij) ging voorbij Abram bij (het) land tot plaats schouder tot eik leraar en (de) Kanaänitische destijds bij (het) land
7.
en gezien Jahweh naar Abram en (hij) sprak aan nakomelingen (...) jou (met) hen (tot) het land (de) deze en (hij) bouwde daar altaar aan Jahweh (is het zo) dat (wij) lieten zien naar hem
8.
WIOTQ van daar naar de heuvel van voorkant aan huis naar en (hij) neeg naar tent huis naar water en Ai van voorkant en (hij) bouwde daar altaar aan Jahweh en (hij) noemde bij (de) naam Jahweh
9.
en (hij) reisde Abram gang en (wij) reisden (is het zo) dat (zij) heeft afgedroogd
10.
en wees honger bij (het) land en (hij) is gedaald Abram naar Egypte te wonen daar dat lever de honger bij (het) land
11.
en wees zoals (hij) heeft aangeboden te komen naar Egypte en (hij) sprak naar Sarai vuur (...) hem hier is toch (ik) heb geweten dat vrouw Jafeth verschijning (tot)
12.
en (hij) is geweest dat (zij) lieten zien (met) jou (is het zo) dat Egypte en (zij) hebben gesproken vuur (...) hem deze en (zij) hebben gedood (met) mij en (met) jou (zij) leefden
13.
Amoriet toch eerste (...) mij (tot) opdat (hij) was goed aan mij bij ga voorbij! (...) jou en (zij) heeft geleefd ziel (...) mij bij (hij) heeft gedraaid (...) jou
14.
en wees zoals komst Abram naar Egypte en (zij) lieten zien (is het zo) dat Egypte (tot) de vrouw dat mooie hij zeer
15.
en (zij) lieten zien (met) haar Sarai farao en (zij) zullen loven (met) haar naar farao en (jij) nam de vrouw huis farao
16.
en aan Abram (hij) heeft goed gedaan bij ga voorbij! (er)naar en wees als kleinvee en rundvee en ezeldrijvers en slaven en slavin van WATNT en kamelen
17.
WINCO Jahweh (tot) farao plagen grootheden en (tot) huis (...) hem op woord Sarai vuur van Abram
18.
en (hij) noemde farao aan Abram en (hij) sprak wat? deze (jij) hebt gedaan aan mij waarom niet (jij) hebt verteld aan mij dat vuur (...) jou hij
19.
waarom (jij) hebt gesproken eerste (...) mij hij en (ik) nam (met) haar aan mij aan vrouw en nu hier is vuur (...) jou neem! en aan jou
20.
en (hij) gaf opdracht op hem farao mensen en (zij) zondden weg (met) hem en (tot) vuur (...) hem en (tot) alle die als

Hoofdstuk 13

1.
en (hij) verhief Abram van Egypte hij en vuur (...) hem en alle die als en Lot met hem (is het zo) dat (zij) heeft afgedroogd
2.
en Abram lever zeer bij (het) bezit bij (het) zilver en bij (het) goud
3.
en (hij) ging aan tochten (...) hem droog(t) af en tot huis naar tot de plaats die (hij) is geweest daar naar tent bij (het) begin tussen huis naar en tussen Ai
4.
naar plaats het altaar die (hij) heeft gedaan daar in het eerste en (hij) noemde daar Abram bij (de) naam Jahweh
5.
en ook aan Lot de beweging (tot) Abram (hij) is geweest kleinvee en rundvee en tenten
6.
noch verheven (met) hen het land te wonen samen dat (hij) is geweest RKWSM meerderheid noch (zij) hebben gekund te wonen samen
7.
en wees twist! tussen achtervolg! bezit Abram en tussen achtervolg! bezit Lot en (de) Kanaänitische en de Fereziet destijds inwoner bij (het) land
8.
en (hij) sprak Abram naar Lot naar toch (zij) was om te twisten (er)naar tussen mij en tussen jou en tussen achtervolg! en tussen kwaden (...) jou dat mensen broers wij
9.
toch? alle het land voor jou scheid! toch ontvreemd! als ESMAL WAIMNE en als de rechterhand WASMAILE
10.
en (hij) droeg Lot (tot) ogen (...) hem en gezien (tot) alle plein de Jordaan dat schoondochter geef(t) te drinken voor kuil Jahweh (tot) Sodom en (tot) Gomorra zoals tuin Jahweh zoals land Egypte bij (ik) sloeg Zoar
11.
en (hij) koos als Lot (tot) alle plein de Jordaan en (hij) reisde Lot van voorkant WIPRDW man boven broers (...) hem
12.
Abram inwoner bij (het) land Kanaän en Lot inwoner roeie uit! het plein WIAEL tot Sodom
13.
en mens (...) mij Sodom kwaden en zondaars aan Jahweh zeer
14.
en Jahweh woord naar Abram na scheid! Lot van volk (...) hem draag! toch ogen (...) jou en (hij) heeft gezien vanuit de plaats die (met) haar daar naar Noorden en (zij) heeft afgedroogd en (zij) is voorgegaan en naar dag
15.
dat (tot) alle het land die (met) haar (hij) heeft gezien aan jou (ik) zal geven en aan nakomelingen (...) jou tot eeuwigheid
16.
en (ik) heb geplaatst (tot) nakomelingen (...) jou zoals stof het land die als (hij) zal kunnen man op te noemen (tot) stof het land ook nakomelingen (...) jou (hij) benoemde
17.
sta op! (hij) heeft rondgewandeld bij (het) land aan lange en aan plein dat aan jou (ik) zal geven
18.
WIAEL Abram en (hij) kwam en inwoner BALNI Mamre die bij Hebron en (hij) bouwde daar altaar aan Jahweh

Hoofdstuk 14

1.
en wees bij (de) dagen van AMRPL koning Sinear ARIWK koning ALXR KDRLOMR koning Elam WTDOL koning volken
2.
Ezau strijd (tot) bij (het) kwaad koning Sodom en (tot) bij (de) slechte koning Gomorra SNAB koning aarde WSMABR koning gazellen en koning slechtheid zij Zoar
3.
alle deze (zij) hebben zich aangesloten naar diepte de roven hij zee het zout
4.
twee tien jaar (zij) hebben gewerkt (tot) KDRLOMR en drie tien jaar (zij) zijn in opstand gekomen
5.
WBARBO tien jaar (hij) is gekomen KDRLOMR en de koningen die (met) hem en (zij) sloegen (tot) spoken BOSTRT hoornen en (tot) EZWZIM bij hen en (tot) EAIMIM bij (de) gelijke (ik) ben gebeurd (...) hen
6.
en (tot) (is het zo) dat ontbrand! BERRM bok tot ram Paran die op de woestijn
7.
en (zij) hebben gewoond en voert in! naar oog rechtsregel hij heiligheid en (zij) sloegen (tot) alle veld de Amelekiet en ook (tot) de Amoriet de inwoner BHßßN dadel
8.
en uitgaande koning Sodom en koning Gomorra en koning aarde en koning gazellen en koning slechtheid hij Zoar en (zij) ordenden (met) hen strijd bij (de) diepte de roven
9.
(tot) KDRLOMR koning Elam WTDOL koning volken WAMRPL koning Sinear WARIWK koning ALXR vier koningen (tot) de vijf
10.
en diepte de roven BART BART klei en (zij) vluchtten koning Sodom en Gomorra en (zij) vielen daarnaar (-s) en de geblevenen naar heuvel (zij) zijn gevlucht
11.
en (zij) namen (tot) alle RKS Sodom en Gomorra en (tot) alle eten (...) hen en (zij) gingen
12.
en (zij) namen (tot) Lot en (tot) RKSW zoon broer Abram en (zij) gingen en hij inwoner bij Sodom
13.
en (hij) kwam (hij) heeft eruit gelaten en (hij) werd verteld aan Abram de Hebreeër en hij buurman BALNI Mamre de Amoriet broer Eskol en broer ONR en zij bij (de) hoge verbond Abram
14.
en (hij) hoorde toe Abram dat (zij) heeft geblazen broers (...) hem en groene (tot) HNIKIW ingeborenen van huis (...) hem acht rijkdom en drie honderd en (hij) achtervolgden tot Dan
15.
en (hij) verdeelde op hen nacht hij en slaven (...) hem en (hij) stond op en (hij) achtervolgden (...) hen tot HWBE die MSMAL aan Damaskus
16.
en inwoner (tot) alle ERKS en ook (tot) Lot broers (...) hem WRKSW (hij) heeft teruggegeven en ook (tot) (is het zo) dat worden verlaten en (tot) het volk
17.
en uitgaande koning Sodom hem tegemoet na keert terug! om te slaan (tot) KDRLOMR en (tot) de koningen die (met) hem naar diepte gelijke hij diepte kroon!
18.
en heers! rechtvaardigheid koning gehele (hij) heeft tevoorschijn gehaald brood en wijn en hij priester tot God hoogste
19.
en (hij) zegende (...) hem en (hij) sprak gezegende Abram tot God hoogste buis hemel en land
20.
en gezegende naar hoogste die schild vijanden (...) jou bij (de) hand (...) jou en (hij) gaf als tiende van alle
21.
en (hij) sprak koning Sodom naar Abram geef! aan mij de ziel WERKS neem! aan jou
22.
en (hij) sprak Abram naar koning Sodom (ik) heb opgetild handen van naar Jahweh naar hoogste buis hemel en land
23.
als MHWÐ en tot (zij) hebben gezongen (...) jou schoen en als (ik) nam van alle die aan jou noch (jij) sprak ik (is het zo) dat (ik) heb een tiende genomen (tot) Abram
24.
uitgezonderd lege die (zij) hebben gegeten de jongens en deel de mensen die (zij) zijn gegaan (met) mij ONR Eskol en Mamre zij (zij) namen deel (...) hen

Hoofdstuk 15

1.
andere de woorden (de) deze (hij) is geweest woord Jahweh naar Abram BMHZE te spreken naar (je) zult vrezen Abram ik schild aan jou beloning (...) jou veel zeer
2.
en (hij) sprak Abram liggers van Jahweh wat? te geven (...) hen aan mij en ik ga(a)(t) ORIRI en zoon van zak huis-en van hij Damaskus ALIOZR
3.
en (hij) sprak Abram èn aan mij niet zet nakomelingen en hier is zoon huis-en van verover(t) (met) mij
4.
en hier is woord Jahweh naar hem te spreken niet (hij) veroverde (...) jou dit dat als die uitgaande van ingewanden (...) jou hij (hij) veroverde (...) jou
5.
en (hij) bracht naar buiten (met) hem naar de straat en (hij) sprak kijk! toch naar de hemel en boek de sterren als je zult kunnen te vertellen (met) hen en (hij) sprak als zo (hij) was nakomelingen (...) jou
6.
en geloof! bij Jahweh en (hij) berekende (er)naar als weldadigheid
7.
en (hij) sprak naar hem ik Jahweh die (ik) ben tevoorschijn gehaald (...) jou licht Chaldeeën te geven aan jou (tot) het land (de) deze te veroveren (er)naar
8.
en (hij) sprak liggers van Jahweh verhoging (ik) wist dat AIRSNE
9.
en (hij) sprak naar hem neem! (er)naar aan mij koekalf van drie van en kracht van drie van en ram MSLS en tortelduif en kuiken
10.
en (hij) nam als (tot) alle deze WIBTR (met) hen binnen en (hij) gaf man bij (zij) dronk genoeg tegemoet zijn vriend en (tot) de vogel niet bij (de) tortelduif
11.
en (hij) is gedaald de arend op de kadavers en inwoner (met) hen Abram
12.
en wees de zon te komen en diepe slaap (zij) is gevallen op Abram en hier is verschrikking naar duisternis grootheid (jij) bent gevallen op hem
13.
en (hij) sprak aan Abram (hij) heeft geweten (jij) wist dat vreemdeling (hij) was nakomelingen (...) jou bij (het) land niet aan hen en (zij) hebben gewerkt (...) hen en nederige (met) hen vier honderd jaar
14.
en ook (tot) de volk die (zij) werkten Dan ik en na zo voert uit! BRKS grote
15.
en (met) haar (jij) kwam naar vaders (...) jou bij (de) vrede (zij) begroef bij (de) ouderdom goeds
16.
en generatie vierde (zij) keerden terug hier is dat niet gehele vijandige de Amoriet tot hier is
17.
en wees de zon kom(t) WOLÐE (hij) is geweest en hier is TNWR maak! (...) hen WLPID vuur die kant tussen de wortelen (de) deze
18.
bij (de) dag dat (hij) heeft afgehakt Jahweh (tot) Abram verbond te spreken aan nakomelingen (...) jou (ik) heb gegeven (tot) het land (de) deze van rivier Egypte tot de rivier de grote rivier koe van
19.
(tot) de Keniet en (tot) EQNZI en (tot) (is het zo) dat (hij) is voorgegaan (...) mij
20.
en (tot) de angsten van en (tot) de Fereziet en (tot) de spoken
21.
en (tot) de Amoriet en (tot) (de) Kanaänitische en (tot) ECRCSI en (tot) de Jebusiet

Hoofdstuk 16

1.
en Sarai vuur van Abram niet (zij) heeft gebaard als en aan haar slavin MßRIT en daarnaar (-s) Hagar
2.
en (jij) sprak Sarai naar Abram hier is toch (hij) heeft vastgehouden (...) mij Jahweh om te baren (hij) is gekomen toch naar dat word minder! misschien (ik) bouwde (van)uit haar en (hij) hoorde toe Abram aan klank Sarai
3.
en (jij) nam Sarai vuur van Abram (tot) Hagar EMßRIT dat (zij) is minder geworden van eind rijkdom twee te wonen Abram bij (het) land Kanaän en te geven (...) hen (met) haar aan Abram naar man als aan vrouw
4.
en (hij) kwam naar Hagar en (zij) werd zwanger en (zij) liet zien dat (zij) is zwanger geworden en (jij) verlichtte (jij) bent sterk geworden (er)naar bij bestudeer! (er)naar
5.
en (jij) sprak Sarai naar Abram beroof! op jou ik (ik) heb gegeven dat word minder! bij (de) boezem (...) jou en (zij) liet zien dat (zij) is zwanger geworden en (ik) verlichtte bij bestudeer! (er)naar (hij) berechtte Jahweh tussen mij WBINIK
6.
en (hij) sprak Abram naar Sarai hier is slavin (...) jou bij (de) hand (...) jou maak! aan haar (de) goede bij (de) ogen (...) jou en (jij) antwoordde Sarai en (zij) vluchtte naar van aanzicht van
7.
en (hij) vond (er)naar boodschapper Jahweh op oog het water bij (de) woestijn op de oog bij (de) weg os
8.
en (hij) sprak Hagar dat (hij) is minder geworden Sarai waar hiervandaan (jij) bent gekomen en waarheen? (jij) ging en (jij) sprak van aanzicht van Sarai (ik) ben sterk geworden ik (jij) bent gevlucht
9.
en (hij) sprak aan haar boodschapper Jahweh keer terug! naar (jij) bent sterk geworden (...) jou WETONI in de plaats van naar handen
10.
en (hij) sprak aan haar boodschapper Jahweh veel sprinkhaan (tot) nakomelingen (...) jou noch (hij) vertelde van meerderheid
11.
en (hij) sprak aan haar boodschapper Jahweh hier ben jij naar heuvel en (jij) hebt gebaard zoon en (jij) hebt genoemd zijn naam Ismaël dat nieuws Jahweh naar armoede (...) jou
12.
en hij (hij) was (hij) is in opstand gekomen mens (hij) bedankte in alle en hand alle bij hem en op aanzicht van alle broers (...) hem jullie zijn er
13.
en (jij) noemde daar Jahweh het woord vetstaart (met) haar naar spiegel dat (zij) heeft gesproken ook? hierheen (ik) heb gezien na spiegel
14.
op zo (hij) heeft genoemd aan put put wang spiegel hier is tussen heiligheid en tussen hagel
15.
en (jij) baarde Hagar aan Abram zoon en (hij) noemde Abram daar bij ons die (zij) heeft gebaard Hagar Ismaël
16.
en Abram zoon tachtig jaar en zes twee BLDT Hagar (tot) Ismaël aan Abram

Hoofdstuk 17

1.
en wees Abram zoon negentig jaar en negen twee en gezien Jahweh naar Abram en (hij) sprak naar hem ik naar Sjadai (hij) heeft rondgewandeld voor en (hij) is geweest volledige
2.
en (ik) gaf verbonden van tussen mij en tussen jou en sprinkhaan jou bij (de) zeer zeer
3.
en (hij) liet vallen Abram op aanzichten (...) hem en (hij) sprak (met) hem God te spreken
4.
ik hier is verbonden van (met) jou en (jij) bent geweest aan vader menigte volken
5.
noch (hij) noemde nog (eens) (tot) naam (...) jou Abram en (hij) is geweest naam (...) jou Abraham dat vader menigte volken (ik) heb gegeven (...) jou
6.
en de koe (...) mij (met) jou bij (de) zeer zeer en (ik) heb gegeven (...) jou aan volken en koningen (van)uit jou voert uit!
7.
en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van tussen mij en tussen jou en tussen nakomelingen (...) jou na jou aan generaties (...) hen aan verbond eeuwigheid te zijn aan jou aan God en aan nakomelingen (...) jou na jou
8.
en (ik) heb gegeven aan jou en aan nakomelingen (...) jou na jou (tot) land van vreemdelingen (...) jou (tot) alle land Kanaän LAHZT eeuwigheid en (ik) ben geweest aan hen aan God
9.
en (hij) sprak God naar Abraham en (met) haar (tot) verbonden van (jij) bewaarde (met) haar en nakomelingen (...) jou na jou aan generaties (...) hen
10.
deze verbonden van die (jullie) bewaarden tussen mij en tussen jullie en tussen nakomelingen (...) jou na jou (is het zo) dat besnijd! aan jullie alle man
11.
WNMLTM (tot) vlees ORLTKM en (hij) is geweest aan letter verbond tussen mij en tussen jullie
12.
en zoon acht dagen (hij) besneed aan jullie alle man aan generaties (...) jullie ingeborene huis en bezit van zilver van alle zoon vreemde land die niet van nakomelingen (...) jou hij
13.
(is het zo) dat besnijd! (hij) besneed ingeborene huis (...) jou en bezit van zilver (...) jou en (zij) is geweest verbonden van bij (het) vlees (...) jullie aan verbond eeuwigheid
14.
en onbesnedene man die niet (hij) besneed (tot) vlees voorhuid (...) hem en (zij) is afgehakt de ziel dat naar van volkeren (tot) verbonden van de stier
15.
en (hij) sprak God naar Abraham Sarai vuur (...) jou niet (jij) noemde (tot) daarnaar (-s) Sarai dat Sara daarnaar (-s)
16.
en (ik) heb gezegend (met) haar en ook (ik) heb gegeven (van)uit haar aan jou zoon en (ik) heb gezegend (er)naar en (zij) is geweest aan volken heers! volkeren (van)uit haar (zij) waren
17.
en (hij) liet vallen Abraham op aanzichten (...) hem en Izak en (hij) sprak bij (de) zijn hart (is het zo) dat tot zoon honderd jaar baar(t) en als Sara de dochter negentig jaar (jij) baarde
18.
en (hij) sprak Abraham naar naar God als Ismaël (hij) leefde voor jou
19.
en (hij) sprak God rouw Sara vuur (...) jou (jij) hebt gebaard aan jou zoon en (jij) hebt genoemd (tot) zijn naam Izak en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van (met) hem aan verbond eeuwigheid te zaaien (...) hem na hem
20.
en aan Ismaël (ik) heb toegehoord (...) jou hier is (ik) heb gezegend (met) hem WEPRITI (met) hem en (ik) heb vermeerderd (met) hem bij (de) zeer zeer twee rijkdom vorst (...) hen (hij) bracht voort en (ik) heb gegeven (...) hem aan volk grote
21.
en (tot) verbonden van (ik) vestigde (tot) Izak die (jij) baarde aan jou Sara aan ontmoeting deze in het jaar (de) andere
22.
en (hij) heeft gekund te spreken (met) hem en (hij) verhief God boven Abraham
23.
en (hij) nam Abraham (tot) Ismaël bij ons en (tot) alle ingeborenen van huis (...) hem en (tot) alle bezit van als voegt toe! alle man bij (de) mens (...) mij huis Abraham en (hij) besneed (tot) vlees voorhuiden (...) hen bij (het) bot vandaag deze zoals woord (met) hem God
24.
en Abraham zoon negentig en negen jaar BEMLW vlees voorhuid (...) hem
25.
en Ismaël bij ons zoon drie tien jaar BEMLW (tot) vlees voorhuid (...) hem
26.
bij (het) bot vandaag deze (wij) besneedden Abraham en Ismaël bij ons
27.
en alle mens (...) mij huis (...) hem ingeborene huis en bezit van zilver honderd zoon vreemde land (wij) besneedden (...) hem (met) hem

Hoofdstuk 18

1.
en gezien naar hem Jahweh BALNI Mamre en hij inwoner opening de tent zoals hete vandaag
2.
en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien en hier is drie mensen heft-en op hem en gezien en (hij) rende hen tegemoet doe(t) open de tent en (hij) boog zich diep naar land
3.
en (hij) sprak liggers van als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou naar toch (zij) ging voorbij boven slaaf (...) jou
4.
(hij) nam toch een beetje water en (zij) hebben gewassen voeten (...) jullie WESONW in de plaats van de boom
5.
en (ik) nam (er)naar mond van brood WXODW hart (...) jullie andere (jullie) gingen voorbij dat op zo (jullie) zijn voorbijgegaan op slaaf (...) jullie en (zij) spraken zo (jij) deed zoals woord van
6.
en (hij) haastte zich Abraham naar de tent naar Sara en (hij) sprak haast je! drie XAIM meel bloem(meel) LWSI en maak! trekken cirkel
7.
en naar het rundvee (hij) heeft gerend Abraham en (hij) nam zoon rundvee zachtheid en goede en (hij) gaf naar de jeugd en (hij) haastte zich te doen (met) hem
8.
en (hij) nam boter en melk en zoon het rundvee die (hij) heeft gedaan en (hij) gaf voor hen en hij sta vast! op hen in de plaats van de boom en (zij) aten
9.
en (zij) spraken naar hem waar? Sara vuur (...) jou en (hij) sprak hier is bij (de) tent
10.
en (hij) sprak terugkeren (ik) blies naar jou zoals tijd dier en hier is zoon aan Sara vuur (...) jou en Sara (jij) hebt toegehoord opening de tent en hij na hem
11.
en Abraham en Sara baarden komen bij (de) dagen (hij) heeft opgehouden te zijn aan Sara manier als worden verlaten
12.
en (zij) lachte Sara bij (zij) heeft nader gebracht te spreken na niet (zij) is geweest aan mij ODNE en liggers van baard
13.
en (hij) sprak Jahweh naar Abraham waarom dit (zij) heeft gelachen Sara te spreken de neus echt (ik) baarde en ik (ik) ben oud geweest
14.
(is het zo) dat (hij) was wonderlijk van Jahweh woord aan ontmoeting (ik) blies naar jou zoals tijd dier en aan Sara zoon
15.
en (jij) loog Sara te spreken niet (ik) heb gelachen dat vrees en (hij) sprak niet dat (jij) hebt gelachen
16.
en (zij) wraakten van daar de mensen WISQPW op aanzicht van Sodom en Abraham beweging volk (...) hen weg te zenden (...) hen
17.
en Jahweh woord (is het zo) dat bedek(t) ik van Abraham die ik (hij) heeft gedaan
18.
en Abraham (zij) zijn geweest (hij) was aan volk grote en word machtig! en (wij) zegenden (...) hem bij hem alle volk (...) mij het land
19.
dat (ik) heb geweten (...) hem opdat die (hij) gaf opdracht (tot) zonen (...) hem en (tot) huis (...) hem na hem en bewaart! weg Jahweh te doen weldadigheid en rechtsregel opdat (hij) heeft gebracht Jahweh op Abraham (tot) die woord op hem
20.
en (hij) sprak Jahweh (jij) hebt geschreeuwd Sodom en Gomorra dat veelheid en (jullie) hebben gezondigd dat (zij) is zwaar geweest zeer
21.
(ik) daalde (er)naar toch en (ik) liet zien EKßOQTE (is het zo) dat kom(t) naar mij Ezau schoondochter en als niet (ik) wist (er)naar
22.
en (zij) wendden zich van daar de mensen en (zij) gingen naar Sodom en Abraham hij (...) nog sta vast! voor Jahweh
23.
en (hij) is genaderd Abraham en (hij) sprak de neus (jij) richtte te gronde rechtvaardige met slechte
24.
misschien er is vijftig rechtvaardige (...) hen binnen (hij) heeft opgemerkt de neus (jij) richtte te gronde noch (jij) droeg aan plaats opdat vijftig (hij) heeft gelijk gegeven (...) hen die bij (zij) heeft nader gebracht
25.
naar dode aan jou om te maken zoals woord deze te doden rechtvaardige met slechte en (hij) is geweest zoals rechtvaardige zoals slechte naar dode aan jou de rechter alle het land niet (zij) heeft gemaakt rechtsregel
26.
en (hij) sprak Jahweh als (ik) vond bij Sodom vijftig rechtvaardige (...) hen binnen (hij) heeft opgemerkt en (ik) heb gedragen aan alle de plaats bij ga voorbij! (...) hen
27.
en wegens Abraham en (hij) sprak hier is toch (ik) ben erin meegegaan te spreken naar liggers van en ik stof en as
28.
misschien (zij) ontbraken (...) hen vijftig (hij) heeft gelijk gegeven (...) hen vijf (is het zo) dat (jij) maakte kapot bij vijf (tot) alle (hij) heeft opgemerkt en (hij) sprak niet (ik) maakte kapot als (ik) vond daar veertig en vijf
29.
en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) te spreken naar hem en (hij) sprak misschien (zij) vondden (...) hen daar veertig en (hij) sprak niet (ik) werd gedaan wegens de veertig
30.
en (hij) sprak naar toch (hij) ontbrandde aan liggers van en (ik) sprak (er)naar misschien (zij) vondden (...) hen daar dertig en (hij) sprak niet (ik) werd gedaan als (ik) vond daar dertig
31.
en (hij) sprak hier is toch (ik) ben erin meegegaan te spreken naar liggers van misschien (zij) vondden (...) hen daar twintig en (hij) sprak niet (ik) maakte kapot wegens de twintig
32.
en (hij) sprak naar toch (hij) ontbrandde aan liggers van en (ik) sprak (er)naar maar de keer misschien (zij) vondden (...) hen daar tien en (hij) sprak niet (ik) maakte kapot wegens de tien
33.
en (hij) ging Jahweh zoals schoondochter te spreken naar Abraham en Abraham woon! aan plaats (...) hem

Hoofdstuk 19

1.
en voert in! tweede de boodschappers naar Sodom bij (de) aangename en Lot inwoner bij (de) poort Sodom en gezien Lot en (hij) stond op hen tegemoet en (hij) boog zich diep neuzen naar land
2.
en (hij) sprak hier is toch liggers van verblindt! toch naar huis slaaf (...) jullie en aan doffer (...) hem en (zij) hebben gewassen voeten (...) jullie en (jullie) zijn vroeg opgestaan en (jullie) zijn gegaan aan weg (...) jullie en (zij) spraken niet dat bij (de) straat (wij) lieten overnachten
3.
WIPßR in hen zeer en (hij) verblindde (...) hem naar hem en voert in! naar huis (...) hem en (hij) heeft gemaakt aan hen banket en voorschrift van naar neus en (zij) aten
4.
voordat (zij) lagen neer en mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt mens (...) mij Sodom (zij) hebben zich afgewend op het huis schud(t) en tot baard alle het volk van einde
5.
en (zij) noemden naar Lot en (zij) spraken als waar? de mensen die (zij) zijn gekomen naar jou de nacht (hij) heeft tevoorschijn gehaald (...) hen naar ons en (wij) wisten (er)naar (met) hen
6.
en uitgaande naar hen Lot (is het zo) dat (zij) heeft geopend en de deur slot na hem
7.
en (hij) sprak naar toch broer (jullie) achtervolgden
8.
hier is toch aan mij schering dochters die niet (zij) hebben geweten man (ik) haalde tevoorschijn (er)naar toch (met) hen naar jullie en Ezau aan hen zoals goede bij (de) ogen (...) jullie lege aan mensen deze naar (jullie) maakten woord dat op zo (zij) zijn gekomen bij (de) schaduw stad-en van
9.
en (zij) spraken nader! (is het zo) dat Lea en (zij) spraken de één (hij) is gekomen te wonen en (hij) berechtte berecht! nu NRO aan jou (van)uit hen WIPßRW bij (de) man bij Lot zeer en (zij) zijn genaderd te verbrijzelen de deur
10.
en (zij) zondden weg de mensen (tot) (hij) leek en (zij) brachten (tot) Lot naar hen naar het huis en (tot) de deur (zij) hebben gesloten
11.
en (tot) de mensen die opening het huis (zij) hebben geslagen bij (de) verblindingen van kleine en tot grote WILAW te vinden de opening
12.
en (zij) spraken de mensen naar Lot tot water van aan jou mond bruidegom en zonen (...) jou en dochters (...) jou en alle die aan jou bij (de) stad (hij) is tevoorschijn gehaald vanuit de plaats
13.
dat bederven wij (tot) de plaats deze dat grootheid (jullie) hebben geschreeuwd (tot) aanzicht van Jahweh en (hij) zond weg (...) ons Jahweh te bederven (er)naar
14.
en uitgaande Lot en (hij) sprak naar bruidegommen (...) hem leringen van dochters (...) hem en (hij) sprak sta(a)t op! ga(a)t uit! vanuit de plaats deze dat vernieler Jahweh (tot) (hij) heeft opgemerkt en wees KMßHQ bij bestudeer! bruidegommen (...) hem
15.
en zoals (de) zwarte blad WIAIßW de boodschappers bij Lot te spreken sta op! neem! (tot) vuur (...) jou en (tot) schering dochters (...) jou (is het zo) dat (jij) hebt je bevonden opdat niet (jij) richtte te gronde bij (de) vijandige (hij) heeft opgemerkt
16.
WITMEME en (zij) hieldden de mensen bij (hij) bedankte en bij (de) hand vuur (...) hem en bij (de) hand schering dochters (...) hem bij (jij) hebt medelijden gehad Jahweh op hem en voert uit! (...) hem WINHEW buiten aan stad
17.
en wees als (hij) heeft tevoorschijn gehaald (...) hen (met) hen naar de straat en (hij) sprak (is het zo) dat red! op ziel (...) jou naar (jij) keek na jou en naar (jij) stond vast in alle het plein naar de heuvel (is het zo) dat red! opdat niet (jij) richtte te gronde
18.
en (hij) sprak Lot naar hen naar toch liggers van
19.
hier is toch (hij) heeft gevonden slaaf (...) jou gratie bij (de) ogen (...) jou en (zij) groeide genade (...) jou die (jij) hebt gedaan met mij aan de dieren (tot) ziel (...) mij en ik niet eet LEMLÐ naar de heuvel opdat niet (zij) plakte (...) mij de herder en wanneer?
20.
hier is toch (hij) heeft opgemerkt (de) deze (zij) heeft nader gebracht te vluchten daarnaar (-s) en hij van Zoar (ik) redde (er)naar toch daarnaar (-s) toch? van Zoar hij en (zij) leefde ziel (...) mij
21.
en (hij) sprak naar hem hier is (ik) heb gedragen aanzichten (...) jou ook te spreken deze opdat niet keer om! (tot) (hij) heeft opgemerkt die woord van
22.
vlugge (is het zo) dat red! daarnaar (-s) dat niet eet te doen woord tot (hij) is gekomen (...) jou daarnaar (-s) op zo (hij) heeft genoemd daar (hij) heeft opgemerkt Zoar
23.
de zon uitgaande op het land en Lot (hij) is gekomen naar Zoar
24.
en Jahweh EMÐIR op Sodom en op Gomorra zwavel en vuur honderd Jahweh vanuit de hemel
25.
en (hij) keerde om (tot) de steden deze en (tot) alle het plein en (tot) alle inwoners van de steden en (hij) is gegroeid de aarde
26.
WTBÐ vuur (...) hem van na hem en (zij) was (wij) stelden op zout
27.
en jullie zijn er Abraham bij (het) rundvee naar de plaats die sta vast! daar (tot) aanzicht van Jahweh
28.
WISQP op aanzicht van Sodom en Gomorra en op alle aanzicht van land het plein en gezien en hier is blad (hij) heeft gerookt het land als (hij) heeft gerookt het schaap (...) hen
29.
en wees bij (de) kuil God (tot) steden van het plein en (hij) herinnerde zich God (tot) Abraham en (hij) zond weg (tot) Lot van midden de omkering bij (hij) heeft omgekeerd (tot) de steden die inwoner bij hen Lot
30.
en (hij) verhief Lot van Zoar en inwoner bij (de) heuvel en schering dochters (...) hem met hem dat gezien te wonen bij Zoar en inwoner bij (de) grot hij en schering dochters (...) hem
31.
en (jij) sprak (de) hooggeplaatste naar (de) kleine (wij) hebben gewenst baard en man (er is) niet bij (het) land te komen op ons zoals weg alle het land
32.
ga! (er)naar (wij) gaven te drinken (tot) (wij) hebben gewenst wijn en (wij) lagen neer (er)naar met hem en (wij) leefden van vader (...) ons nakomelingen
33.
en (jij) gaf te drinken (...) hen (tot) vaders (...) hen wijn bij (de) nacht hij en (zij) kwam (de) hooggeplaatste en (jij) lag neer (tot) naar vader noch (hij) heeft geweten bij (zij) heeft gelegen en bij (de) hoogte
34.
en wees de volgende dag en (jij) sprak (de) hooggeplaatste naar (de) kleine èn (ik) heb gelegen AMS (tot) vader (wij) hebben gekust wijn ook de nacht en bij (de) eiland lig neer! met hem en (wij) leefden van vader (...) ons nakomelingen
35.
en (jij) gaf te drinken (...) hen ook bij (de) nacht dat (tot) vaders (...) hen wijn en (zij) stond op (de) kleine en (jij) lag neer met hem noch (hij) heeft geweten bij (zij) heeft gelegen WBQME
36.
en (jij) werd zwanger (...) hen schering dochters Lot van vaders (...) hen
37.
en (jij) baarde (de) hooggeplaatste zoon en (jij) noemde zijn naam Moab hij vader Moab tot vandaag
38.
en (de) kleine ook hij (zij) heeft gebaard zoon en (jij) noemde zijn naam zoon met mij hij vader bouw! Ammon tot vandaag

Hoofdstuk 20

1.
en (hij) reisde van daar Abraham naar land het Zuiden en inwoner tussen heiligheid en tussen os en (hij) woonde bij Gerar
2.
en (hij) sprak Abraham naar Sara vuur (...) hem eerste (...) mij hij en (hij) zond weg Abimelech koning Gerar en (hij) nam (tot) Sara
3.
en (hij) kwam God naar Abimelech bij (de) droom de nacht en (hij) sprak als hier ben jij dode op de vrouw die (jij) hebt genomen en hij bij opgaan echtgenoot
4.
en Abimelech niet binnenste vetstaart en (hij) sprak liggers van de volk ook rechtvaardige (zij) doodde
5.
toch? hij woord aan mij eerste (...) mij hij en zij ook hij (zij) heeft gesproken broer hij bij (de) onschuldige hart (...) mij WBNQIN zoals mond van (ik) heb gedaan deze
6.
en (hij) sprak naar hem naar God bij (hij) heeft gedroomd ook ik (ik) heb geweten dat bij (de) onschuldige hart (...) jou (jij) hebt gedaan deze WAHSK ook ik jou MHÐW aan mij op zo niet (ik) heb gegeven (...) jou aan plaag vetstaart
7.
en nu geef terug! vuur van de man dat profeet hij en (hij) bad bij (de) getuige (...) jou en dier en als jij bent (er) niet geef(t) terug weet! dat dood (jij) stierf (met) haar en alle die aan jou
8.
en jullie zijn er Abimelech bij (het) rundvee en (hij) noemde aan alle slaven (...) hem en (hij) sprak (tot) alle de woorden (de) deze bij (de) oren (...) hen en (zij) vreesden de mensen zeer
9.
en (hij) noemde Abimelech aan Abraham en (hij) sprak als wat? (jij) hebt gedaan aan ons en wat? (ik) heb gezondigd aan jou dat (jij) hebt gebracht op mij en op rijk (...) mij (zij) heeft gezondigd grootheid daden die niet (zij) hebben gemaakt (jij) hebt gedaan met mij
10.
en (hij) sprak Abimelech naar Abraham wat? (jij) hebt gezien dat (jij) hebt gedaan (tot) het woord deze
11.
en (hij) sprak Abraham dat (ik) heb gesproken lege (er is) niet (jij) hebt gevreesd God bij (de) plaats deze en (zij) hebben gedood (...) mij op woord mijn vrouw
12.
en ook inderdaad eerste (...) mij dochter vader hij maar niet dochter moeder (...) mij en (zij) was aan mij aan vrouw
13.
en wees zoals (is het zo) dat (zij) zijn verkeerd gelopen (met) mij God van huis vader en woord aan haar dit genade (...) jou die (jij) maakte met mij naar alle de plaats die (wij) kwamen daarnaar (-s) Amoriet aan mij broer hij
14.
en (hij) nam Abimelech kleinvee en rundvee en slaven en slavin van en (hij) gaf aan Abraham en inwoner als (tot) Sara vuur (...) hem
15.
en (hij) sprak Abimelech hier is land (...) mij voor jou bij (de) goede bij (de) ogen (...) jou woon!
16.
en aan Sara woord hier is (ik) heb gegeven duizend zilver aan broers (...) jou hier is hij aan jou bekleding ogen aan alle die (met) jou en (tot) alle en (jij) bent aanwezig geweest
17.
en (hij) bad Abraham naar naar God en (hij) genas God (tot) Abimelech en (tot) vuur (...) hem WAMETIW en helpt bij de geboorte!
18.
dat (hij) heeft vastgehouden (hij) heeft vastgehouden Jahweh door alle baarmoeder aan huis Abimelech op woord Sara vuur van Abraham

Hoofdstuk 21

1.
en Jahweh opname (tot) Sara zoals woord en (hij) heeft gemaakt Jahweh aan Sara zoals woord
2.
en (zij) werd zwanger en (jij) baarde Sara aan Abraham zoon aan baarden (...) hem aan ontmoeting die woord (met) hem God
3.
en (hij) noemde Abraham (tot) daar bij ons (is het zo) dat (hij) is geboren als die (zij) heeft gebaard als Sara Izak
4.
en (hij) besneed Abraham (tot) Izak bij ons zoon acht dagen zoals geef opdracht! (met) hem God
5.
en Abraham zoon honderd jaar BEWLD als (tot) Izak bij ons
6.
en (jij) sprak Sara (hij) heeft gelachen (hij) heeft gedaan aan mij God alle laat horen! Izak aan mij
7.
en (jij) sprak water van MLL aan Abraham EINIQE zonen Sara dat (ik) heb gebaard zoon aan baarden (...) hem
8.
en (hij) groeide het kind en (hij) liet ontwennen en (hij) heeft gemaakt Abraham banket grote bij (de) dag de kameel (tot) Izak
9.
en (zij) liet zien Sara (tot) zoon Hagar EMßRIT die (zij) heeft gebaard aan Abraham MßHQ
10.
en (jij) sprak aan Abraham verjaag! de natie (de) deze en (tot) (hij) heeft gebouwd dat niet (hij) veroverde zoon de natie (de) deze met bouw! met Izak
11.
en (hij) achtervolgde het woord zeer bij bestudeer! Abraham op AWDT bij ons
12.
en (hij) sprak God naar Abraham naar (hij) achtervolgde bij (de) ogen (...) jou op de jeugd en op waarheid (...) jou alle die (jij) sprak naar jou Sara nieuws bij (de) vlotte dat bij Izak (hij) noemde aan jou nakomelingen
13.
en ook (tot) zoon de natie aan volk (ik) plaatste (...) ons dat nakomelingen (...) jou hij
14.
en jullie zijn er Abraham bij (het) rundvee en (hij) nam brood en leren zak water en (hij) gaf naar Hagar daar op dat (zij) is opgestaan en (tot) het kind en (hij) zond weg (er)naar en (jij) ging en (zij) liep verkeerd bij (de) woestijn put zeven
15.
en (zij) hebben gekund het water vanuit de leren zak en (jij) ging neer (tot) het kind in de plaats van één (is het zo) dat spreek! (...) hen
16.
en (jij) ging en (jij) woonde aan haar op een afstand de afstand KMÐHWI boog dat (zij) heeft gesproken naar (ik) liet zien bij (de) dood het kind en (jij) woonde op een afstand en (jij) droeg (tot) vlotte en (zij) weende
17.
en (hij) hoorde toe God (tot) klank de jeugd en (hij) noemde boodschapper God naar Hagar vanuit de hemel en (hij) sprak aan haar wat? aan jou Hagar naar (jij) vreesde dat nieuws God naar klank de jeugd wat betreft hij daar
18.
sta op! draag! (tot) de jeugd en houd! (tot) hand (...) jou bij hem dat aan volk grote (ik) plaatste (...) ons
19.
en (hij) opende God (tot) bestudeer! (er)naar en (zij) liet zien put water en (jij) ging en (jij) was vol (tot) de leren zak water en (zij) gaf te drinken (tot) de jeugd
20.
en wees God (tot) de jeugd en (hij) groeide en inwoner bij (de) woestijn en wees veelheid boog
21.
en inwoner bij (de) woestijn Paran en (jij) nam als moeder (...) hem vrouw van land Egypte
22.
en wees bij (de) tijd dat en (hij) sprak Abimelech WPIKL aanvoerder (zij) hebben zich geschaard naar Abraham te spreken God met jou in alle die (met) haar (hij) heeft gedaan
23.
en nu de zeven aan mij bij God hier is als (jij) loog aan mij WLNINI WLNKDI zoals genade die (ik) heb gedaan met jou (jij) deed met mij en met het land die (jij) hebt gewoond (er)naar bij haar
24.
en (hij) sprak Abraham ik (ik) zwoer
25.
en (hij) is bewezen Abraham (tot) Abimelech op ADWT put het water die (zij) hebben beroofd werk! Abimelech
26.
en (hij) sprak Abimelech niet (ik) heb geweten water van (hij) heeft gedaan (tot) het woord deze en ook (met) haar niet (jij) hebt verteld aan mij en ook ik niet (ik) heb toegehoord niet vandaag
27.
en (hij) nam Abraham kleinvee en rundvee en (hij) gaf aan Abimelech en (zij) hakten af die twee verbond
28.
en zet vast! Abraham (tot) zeven (jij) hebt onderdrukt het kleinvee alleen zij
29.
en (hij) sprak Abimelech naar Abraham wat? hier is zeven (jij) hebt onderdrukt (de) deze die (jij) hebt opgesteld LBDNE
30.
en (hij) sprak dat (tot) zeven (jij) hebt onderdrukt (jij) nam van handen van wegens (jij) was aan mij aan getuige dat (ik) heb gegraven (tot) de put (de) deze
31.
op zo (hij) heeft genoemd aan plaats dat put zeven dat daar (zij) hebben gezworen die twee
32.
en (zij) hakten af verbond bij (de) put zeven en (hij) stond op Abimelech WPIKL aanvoerder (zij) hebben zich geschaard en (zij) hebben gewoond naar land Filistijnen
33.
WIÐO ASL bij (de) put zeven en (hij) noemde daar bij (de) naam Jahweh naar eeuwigheid
34.
en (hij) woonde Abraham bij (het) land Filistijnen dagen twisten

Hoofdstuk 22

1.
en wees andere de woorden (de) deze en naar God (zij) is gevlucht (tot) Abraham en (hij) sprak naar hem Abraham en (hij) sprak hier ben ik
2.
en (hij) sprak neem! toch (tot) zoon (...) jou (tot) IHIDK die (jij) hebt liefgehad (tot) Izak en aan jou aan jou naar land verbitter! (er)naar en dat wat opgaat (...) hem daar te verheffen op één naar de heuvels die woord naar jou
3.
en jullie zijn er Abraham bij (het) rundvee en (hij) verbond (tot) klei (...) hem en (hij) nam (tot) tweede jeugd (...) hem (met) hem en (tot) Izak bij ons WIBQO houten blad en (hij) stond op en (hij) ging naar de plaats die woord als naar God
4.
bij (de) dag (de) derde en (hij) droeg Abraham (tot) ogen (...) hem en gezien (tot) de plaats afstand
5.
en (hij) sprak Abraham naar jeugd (...) hem woont! aan jullie mond met (de) ernstige en ik en de jeugd (wij) gingen (er)naar tot zo en (wij) bogen ons diep (er)naar en (wij) bliezen (er)naar naar jullie
6.
en (hij) nam Abraham (tot) houten dat wat opgaat en pas toe! op Izak bij ons en (hij) nam bij (hij) bedankte (tot) het vuur en (tot) EMAKLT en (zij) gingen die twee samen
7.
en (hij) sprak Izak naar Abraham vader (...) hem en (hij) sprak vader en (hij) sprak hier ben ik bouw! en (hij) sprak hier is het vuur en de bomen en waar? het lammetje te verheffen
8.
en (hij) sprak Abraham God vrees als het lammetje te verheffen bouw! en (zij) gingen die twee samen
9.
en voert in! naar de plaats die woord als naar God en (hij) bouwde daar Abraham (tot) het altaar en (hij) ordende (tot) de bomen WIOQD (tot) Izak bij ons en pas toe! (met) hem op het altaar boven aan bomen
10.
en (hij) zond weg Abraham (tot) (hij) bedankte en (hij) nam (tot) EMAKLT LSHÐ (tot) bij ons
11.
en (hij) noemde naar hem boodschapper Jahweh vanuit de hemel en (hij) sprak Abraham Abraham en (hij) sprak hier ben ik
12.
en (hij) sprak naar (jij) zond weg hand (...) jou naar de jeugd en naar (jij) maakte als iets dat nu (ik) heb geweten dat gezien God (met) haar noch HSKT (tot) zoon (...) jou (tot) IHIDK (van)uit mij
13.
en (hij) droeg Abraham (tot) ogen (...) hem en gezien en hier is ram andere (wij) grepen bij (het) dicht gewas bij (de) hoornen (...) hem en (hij) ging Abraham en (hij) nam (tot) de ram en (hij) verhief (...) hem te verheffen in de plaats van bij ons
14.
en (hij) noemde Abraham daar de plaats dat Jahweh vrees die (hij) sprak vandaag bij (de) heuvel Jahweh vrees
15.
en (hij) noemde boodschapper Jahweh naar Abraham ten tweede vanuit de hemel
16.
en (hij) sprak bij mij (ik) heb gezworen (hij) heeft redevoering gehouden Jahweh dat wegens die (jij) hebt gedaan (tot) het woord deze noch HSKT (tot) zoon (...) jou (tot) IHIDK
17.
dat zegen! (ik) zegende (...) jou en veel sprinkhaan (tot) nakomelingen (...) jou zoals sterren van de hemel WKHWL die op oever van de zee en (hij) heeft veroverd nakomelingen (...) jou (tot) poort vijanden (...) hem
18.
WETBRKW bij (de) nakomelingen (...) jou alle volk (...) mij het land voetstap die (jij) hebt toegehoord bij (de) klanken van
19.
en inwoner Abraham naar jeugd (...) hem en (zij) wraakten en (zij) gingen samen naar put zeven en inwoner Abraham bij (de) put zeven
20.
en wees na de woorden (de) deze en (hij) werd verteld aan Abraham te spreken hier is (zij) heeft gebaard koningin ook hij zonen aan Nahor broers (...) jou
21.
(tot) Uz trekt voor! en (tot) minachting broers (...) hem en (tot) QMWAL vader Syrië
22.
en (tot) zoals roof en (tot) (zij) hebben voorspeld en (tot) PLDS en (tot) IDLP en (tot) Betuël
23.
en Betuël kind (tot) Rebekka acht deze (zij) heeft gebaard koningin aan Nahor broer Abraham
24.
en bijvrouw (...) hem en daarnaar (-s) RAWME en (jij) baarde ook hij (tot) slager en (tot) CHM en (tot) (zij) haastte zich en (tot) Maächa

Hoofdstuk 23

1.
en (zij) waren leef! Sara honderd jaar en twintig jaar en zeven twee tweede leef! Sara
2.
en (zij) stierf Sara bij Stad van vier hij Hebron bij (het) land Kanaän en (hij) kwam Abraham LXPD aan Sara WLBKTE
3.
en (hij) stond op Abraham boven aanzicht van (zij) zijn gestorven en (hij) sprak naar bouw! angst te spreken
4.
vreemdeling en inwoner ik met jullie geeft! aan mij (jij) hebt gegrepen graf met jullie WAQBRE wanneer? weg van aanzicht van
5.
en (zij) antwoordden bouw! angst (tot) Abraham te spreken als
6.
(wij) hebben toegehoord liggers van vorst God (met) haar bij (het) midden (...) ons bij (de) keuze graven (...) ons graf (tot) dood (...) jou man (van)uit hem (tot) (zij) hebben begraven niet (zij) heeft gekund (van)uit jou van graf dood (...) jou
7.
en (hij) stond op Abraham en (hij) boog zich diep aan volk het land aan zonen van angst
8.
en (hij) sprak (met) hen te spreken als er is (tot) ziel (...) jullie aan graf (tot) wanneer? weg van aanzicht van (zij) hebben toegehoord (...) mij en (zij) hebben getroffen aan mij bij Efron zoon ßHR
9.
en (hij) gaf aan mij (tot) van vellen EMKPLE die als die bij (het) einde veld (...) hem bij (het) zilver (hij) is vol geweest (hij) gaf (...) haar aan mij bij (het) midden (...) jullie LAHZT graf
10.
en Efron inwoner binnen bouw! angst en wegens Efron de angsten van (tot) Abraham bij (de) oren van bouw! angst aan alle bij (de) eiland poort (zij) hebben blootgelegd te spreken
11.
niet liggers van (hij) heeft toegehoord (...) mij het veld (ik) heb gegeven aan jou en de grot die bij hem aan jou (ik) heb gegeven (er)naar te bestuderen (...) mij bouw! met mij (ik) heb gegeven (er)naar aan jou graf dood (...) jou
12.
en (hij) boog zich diep Abraham voor met het land
13.
en (hij) sprak naar Efron bij (de) oren van met het land te spreken maar als (met) haar als (hij) heeft toegehoord (...) mij (ik) heb gegeven zilver het veld neem! (van)uit mij WAQBRE (tot) wanneer? daarnaar (-s)
14.
en wegens Efron (tot) Abraham te spreken als
15.
liggers van (hij) heeft toegehoord (...) mij land vier honderd munt zilver tussen mij en tussen jou wat? hij en (tot) dood (...) jou graf
16.
en (hij) hoorde toe Abraham naar Efron WISQL Abraham aan stof (...) hen (tot) het zilver die woord bij (de) oren van bouw! angst vier honderd munt zilver kant LXHR
17.
en (hij) stond op veld Efron die BMKPLE die voor Mamre het veld en de grot die bij hem en alle de boom die bij (het) veld die in alle grens (...) hem rondom
18.
aan Abraham aan bezit te bestuderen (...) mij bouw! angst in alle bij (de) eiland poort (zij) hebben blootgelegd
19.
en na zo graf Abraham (tot) Sara vuur (...) hem naar van vellen veld EMKPLE op aanzicht van Mamre hij Hebron bij (het) land Kanaän
20.
en (hij) stond op het veld en de grot die bij hem aan Abraham LAHZT graf honderd bouw! angst

Hoofdstuk 24

1.
en Abraham baard (hij) is gekomen bij (de) dagen en Jahweh zegen! (tot) Abraham in alle
2.
en (hij) sprak Abraham naar (zij) hebben gewerkt baard huis (...) hem de heerser in alle die als plaats! toch hand (...) jou in de plaats van heup (...) mij
3.
WASBIOK bij Jahweh mijn God de hemel en mijn God het land die niet (jij) nam vrouw aan zonen van om te bouwen (de) Kanaänitische die ik bewoner bij (zij) hebben nader gebracht
4.
dat naar land (...) mij en naar vaderlanden van (jij) ging en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van aan Izak
5.
en (hij) sprak naar hem de slaaf misschien niet (jij) wenste de vrouw te gaan na naar het land (de) deze (is het zo) dat geef terug! (ik) gaf terug (tot) zoon (...) jou naar het land die (jij) bent uitgegaan van daar
6.
en (hij) sprak naar hem Abraham (is het zo) dat bewaar! aan jou opdat niet (jij) gaf terug (tot) bouw! daarnaar (-s)
7.
Jahweh mijn God de hemel die (hij) heeft genomen (...) mij van huis vader en van land vaderlanden van en die woord aan mij en die (hij) heeft gezworen aan mij te spreken aan nakomelingen (...) jou (met) hen (tot) het land (de) deze hij (hij) zond weg boodschapper (...) hem voor jou en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van van daar
8.
en als niet (jij) wenste de vrouw te gaan na jou WNQIT MSBOTI deze lege (tot) bouw! niet (jij) woonde daarnaar (-s)
9.
en pas toe! de slaaf (tot) (hij) bedankte in de plaats van heup Abraham liggers (...) hem en (hij) was verzadigd als op het woord deze
10.
en (hij) nam de slaaf tien kamelen laat ontwennen (...) mij liggers (...) hem en (hij) ging en alle goede liggers (...) hem bij (hij) bedankte en (hij) stond op en (hij) ging naar Syrië rivieren naar stad Nahor
11.
en (hij) zegende de kamelen buiten aan stad naar put het water aan tijd aangename aan tijd uit te gaan (is het zo) dat (jij) hebt geput
12.
en (hij) sprak Jahweh mijn God liggers van Abraham (is het zo) dat (hij) is gebeurd toch voor vandaag en (hij) heeft gedaan genade met liggers van Abraham
13.
hier is ik opgesteld op oog het water en dochters mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt (jij) bent uitgegaan LSAB water
14.
en (hij) is geweest de jeugd die woord vetstaart buig om! toch zoals onderdrukte en (ik) dronk en (zij) heeft gesproken (zij) heeft gelegd en ook kamelen (...) jou (ik) gaf te drinken (met) haar EKHT te bewerken (...) jou aan Izak en bij haar (ik) wist dat (jij) hebt gedaan genade met liggers van
15.
en wees hij voordat schoondochter te spreken en hier is Rebekka (jij) bent uitgegaan die (zij) heeft gebaard aan Betuël zoon koningin vuur van Nahor broer Abraham en naar kruik op dat (zij) is opgestaan
16.
en de jeugd ÐBT verschijning zeer maagd en man niet (zij) heeft geweten en (jij) daalde naar de oog en (jij) was vol naar kruik en (zij) verhief
17.
en (hij) rende de slaaf haar tegemoet en (hij) sprak ECMIAINI toch een beetje water van kruik (...) jou
18.
en (jij) sprak (zij) heeft gelegd liggers van en (jij) haastte je en (jij) daalde naar kruik op naar hand en (jij) gaf te drinken (...) hem
19.
en (jij) kon te drinken te geven (...) hem en (jij) sprak ook aan kamelen (...) jou (ik) putte tot als kunt! LSTT
20.
en (jij) haastte je en (zij) legde bloot naar kruik naar ESQT en (zij) rende nog (eens) naar de put LSAB en (jij) putte aan alle kamelen (...) hem
21.
en de man MSTAE aan haar MHRIS te weten (is het zo) dat (hij) is geslaagd Jahweh weg (...) hem als niet
22.
en wees zoals kunt! de kamelen te drinken en (hij) nam de man neusring goud BQO gewicht (...) hem en tweede ßMIDIM op naar handen tien goud gewicht (...) hen
23.
en (hij) sprak dochter water van (tot) vertel! toch aan mij is er? huis vader (...) jou plaats aan ons LLIN
24.
en (jij) sprak naar hem dochter Betuël ik zoon koningin die (zij) heeft gebaard aan Nahor
25.
en (jij) sprak naar hem ook haksel ook MXPWA meerderheid met ons ook plaats te overnachten
26.
en (hij) heeft gebrand de man en (hij) boog zich diep aan Jahweh
27.
en (hij) sprak gezegende Jahweh mijn God liggers van Abraham die niet (hij) heeft verlaten genade (...) hem en moeder (...) hem bij vandaan liggers van ik bij (de) weg (hij) heeft gerust (...) mij Jahweh huis broer liggers van
28.
en (zij) rende de jeugd en (zij) vertelde aan huis natie zoals woorden (de) deze
29.
en aan Rebekka broer en zijn naam tot zoon en (hij) rende tot zoon naar de man naar de straat naar de oog
30.
en wees KRAT (tot) de neusring en (tot) (is het zo) dat koppel! (...) hen op handen van eerste (...) hem WKSMOW (tot) spreek! Rebekka eerste (...) hem te spreken zo woord naar mij de man en (hij) kwam naar de man en hier is sta vast! op de kamelen op de oog
31.
en (hij) sprak komst gezegende Jahweh waarom (jij) stond vast bij (de) straat en ik (ik) heb me gewend het huis en plaats aan kamelen
32.
en (hij) kwam de man naar het huis en (hij) deed open de kamelen en (hij) gaf haksel WMXPWA aan kamelen en water LRHß voeten (...) hem en voeten van de mensen die (met) hem
33.
en (hij) heeft toegepast voor hem aan eten en (hij) sprak niet eten tot als woord (...) mij spreek! en (hij) sprak woord
34.
en (hij) sprak slaaf Abraham ik
35.
en Jahweh zegen! (tot) liggers van zeer en (hij) groeide en (hij) gaf als kleinvee en rundvee en zilver en goud en slaaf (...) hen en slavin van en kamelen en ezeldrijvers
36.
en (jij) baarde Sara vuur van liggers van zoon aan liggers van na (jij) bent oud geweest (er)naar en (hij) gaf als (tot) alle die als
37.
en (hij) was verzadigd (...) mij liggers van te spreken niet (jij) nam vrouw aan zonen van om te bouwen (de) Kanaänitische die ik inwoner bij (het) land (...) hem
38.
als niet naar huis vader (jij) ging en naar familie (...) mij en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van
39.
en woord naar liggers van naar mij niet (jij) ging de vrouw na
40.
en (hij) sprak naar mij Jahweh die (ik) heb rondgewandeld voor hem (hij) zond weg boodschapper (...) hem (met) jou en (hij) is geslaagd weg (...) jou en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van van familie (...) mij en van huis vader
41.
destijds (jij) maakte schoon MALTI dat (jij) kwam naar familie (...) mij en als niet (zij) gaven aan jou en (jij) bent geweest schone MALTI
42.
en (ik) profeteerde vandaag naar de oog en woord Jahweh mijn God liggers van Abraham als jij bent er toch slaag(t) wegen van die ik beweging op haar
43.
hier is ik opgesteld op oog het water en (hij) is geweest de jonge vrouw (is het zo) dat (jij) bent uitgegaan LSAB en (ik) heb gesproken vetstaart geef te drinken! (...) mij toch een beetje water van kruik (...) jou
44.
en (zij) heeft gesproken naar mij ook (met) haar (zij) heeft gelegd en ook aan kamelen (...) jou (ik) putte hij de vrouw die EKIH Jahweh tot zoon liggers van
45.
ik voordat (zij) heeft gegeten te spreken naar hart (...) mij en hier is Rebekka (jij) bent uitgegaan en naar kruik op dat (zij) is opgestaan en (jij) daalde naar de oog en (jij) putte en woord vetstaart geef te drinken! (...) mij toch
46.
en (jij) haastte je en (jij) werd naar beneden gehaald naar kruik van opgang en (jij) sprak (zij) heeft gelegd en ook kamelen (...) jou (ik) gaf te drinken en vuur van en ook de kamelen (zij) heeft te drinken gegeven
47.
en (ik) vroeg (met) haar en woord dochter water van (tot) en (jij) sprak dochter Betuël zoon Nahor die (zij) heeft gebaard als koningin en (hij) heeft zich schuldig gemaakt de neusring op naar neus en verbind! (...) hen op naar handen
48.
en (ik) brandde en (ik) boog me diep (er)naar aan Jahweh en (ik) zegende (tot) Jahweh mijn God liggers van Abraham die geef rust! (...) mij bij (de) weg waarheid (jij) hebt genomen (tot) dochter broer liggers van hart (...) ons
49.
en nu als jullie zijn er maak! (...) hen genade en waarheid (tot) liggers van (zij) hebben verteld aan mij en als niet (zij) hebben verteld aan mij en (ik) wendde me op rechterhand of op SMAL
50.
en wegens tot zoon en Betuël en (zij) spraken van Jahweh uitgaande het woord niet (wij) zullen kunnen woord naar jou kwaad of goede
51.
hier is Rebekka voor jou neem! en aan jou en (zij) was vrouw tot zoon liggers (...) jou zoals woord Jahweh
52.
en wees zoals nieuws slaaf Abraham (tot) woorden (...) hen en (hij) boog zich diep naar land aan Jahweh
53.
en (hij) bracht naar buiten de slaaf gereedschap zilver en gereedschap goud en kledingstukken en (hij) gaf aan Rebekka WMCDNT (hij) heeft gegeven naar aan broer en aan natie
54.
en (zij) aten en (zij) dronken hij en de mensen die met hem en (zij) lieten overnachten en (zij) stondden op bij (het) rundvee en (hij) sprak (hij) mij gezonden aan liggers van
55.
en (hij) sprak (ik) leefde en natie (jij) woonde de jeugd (met) ons dagen of decennium andere (jij) ging
56.
en (hij) sprak naar hen naar (jullie) kwamen te laat (met) mij en Jahweh (hij) is geslaagd wegen van zendt weg! (...) mij en (ik) ging (er)naar aan liggers van
57.
en (zij) spraken (hij) is genoemd te schudden en (wij) vroegen (er)naar (tot) naar mond van
58.
en (zij) noemden aan Rebekka en (zij) spraken vetstaart (is het zo) dat (jij) ging met de man deze en (jij) sprak (ik) ging
59.
en (zij) zondden weg (tot) Rebekka één (...) hen en (tot) MNQTE en (tot) slaaf Abraham en (tot) mensen (...) hem
60.
en (zij) zegenden (tot) Rebekka en (zij) spraken aan haar eerste (...) ons (tot) ben! aan duizend(en) van tienduizend en (hij) veroverde nakomelingen (...) jou (tot) poort haat! (...) hem
61.
en (zij) stond op Rebekka en (ik) heb uitgeschud (er)naar en (zij) reed (...) haar op de kamelen en (jullie) gingen na de man en (hij) nam de slaaf (tot) Rebekka en (hij) ging
62.
en Izak (hij) is gekomen om te komen put wang spiegel en hij bewoner bij (het) land het Zuiden
63.
en uitgaande Izak LSWH bij (het) veld zich te wenden aangename en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien en hier is kamelen komen
64.
en (jij) droeg Rebekka (tot) bestudeer! (er)naar en (zij) liet zien (tot) Izak en (zij) viel boven de kameel
65.
en (jij) sprak naar de slaaf water van de man ELZE de beweging bij (het) veld ons tegemoet en (hij) sprak de slaaf hij liggers van en (jij) nam EßOIP WTTKX
66.
en (hij) vertelde de slaaf aan Izak (tot) alle de woorden die (hij) heeft gedaan
67.
en (hij) kwam (er)naar Izak naar de tent Sara moeder (...) hem en (hij) nam (tot) Rebekka en (zij) was als aan vrouw en (hij) had lief (er)naar en (hij) troostte Izak na moeder (...) hem

Hoofdstuk 25

1.
en (hij) heeft toegevoegd Abraham en (hij) nam vrouw en daarnaar (-s) pluk! (er)naar
2.
en (jij) baarde als (tot) lied (...) hen en (tot) (hij) werd hard (...) hen en (tot) van Dan en (tot) Midian en (tot) ISBQ en (tot) SWH
3.
en (hij) werd hard (...) hen kind (tot) Scheba en (tot) tepel (...) hen en bouw! tepel (...) hen (zij) zijn geweest bevestiging (...) hen WLÐWSM en naties
4.
en bouw! Midian vermoeidheid en stof en gratie (...) jou WABIDO WALDOE alle deze bouw! pluk! (er)naar
5.
en (hij) gaf Abraham (tot) alle die als aan Izak
6.
en aan zonen van EPILCSIM die aan Abraham (hij) heeft gegeven Abraham (jij) hebt verzacht en (hij) zond weg (...) hen boven Izak bij ons BOWDNW levende (zij) is voorgegaan naar land voorkant
7.
en deze dagen van tweede leef! Abraham die levende honderd jaar en zeventig jaar en vijf twee
8.
en (hij) stierf en (hij) stierf Abraham bij (de) ouderdom goeds baard en zeven en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem
9.
en (zij) begroeven (met) hem Izak en Ismaël zonen (...) hem naar van vellen EMKPLE naar veld stof (...) hen zoon ßHR de angsten van die op aanzicht van Mamre
10.
het veld die buis Abraham honderd bouw! angst daarnaar (-s) graf Abraham en Sara vuur (...) hem
11.
en wees na dood Abraham en (hij) zegende God (tot) Izak bij ons en inwoner Izak met put wang spiegel
12.
en deze TLDT Ismaël zoon Abraham die (zij) heeft gebaard Hagar EMßRIT dat (hij) is minder geworden Sara aan Abraham
13.
en deze namen bouw! Ismaël bij (jullie) hebben geplaatst aan geschiedenis (...) hen trek voor! Ismaël NBIT en (hij) is donker geworden WADBAL WMBSM
14.
en van nieuws en lijk(t) en last
15.
HDD WTIMA IÐWR NPIS en (zij) is voorgegaan
16.
deze zij bouw! Ismaël en deze (jullie) hebben geplaatst bij (de) dorpen (...) hen WBÐIRTM twee rijkdom vorst (...) hen aan waarheid (...) hen
17.
en deze tweede leef! Ismaël honderd jaar en dertig jaar en zeven twee en (hij) stierf en (hij) stierf en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem
18.
en (zij) behuisden van Havila tot os die op aanzicht van Egypte bij (ik) sloeg naar bevestiging op aanzicht van alle broers (...) hem ga neer!
19.
en deze geschiedenis Izak zoon Abraham Abraham (hij) heeft voortgebracht (tot) Izak
20.
en wees Izak zoon veertig jaar BQHTW (tot) Rebekka dochter Betuël de Syriër MPDN Syrië zus tot zoon de Syriër als aan vrouw
21.
en (hij) bad Izak aan Jahweh LNKH vuur (...) hem dat onvruchtbare hij en (hij) bad als Jahweh en (zij) werd zwanger Rebekka vuur (...) hem
22.
WITRßßW de zonen bij (zij) heeft nader gebracht en (jij) sprak als zo waarom dit ik en (jij) ging aan advies (tot) Jahweh
23.
en (hij) sprak Jahweh aan haar tweede dalen bij (de) buik (...) jou en tweede naties van ingewanden (...) jou IPRDW en natie van natie (hij) was sterk en meerderheid (hij) werkte kleine
24.
en (zij) waren vol naar dagen te baren en hier is ben(t) volledig naar bij (de) buik
25.
en uitgaande (de) eerste ADMWNI kunt! zoals mantel poort en (zij) noemden zijn naam Ezau
26.
en na zo uitgaande broers (...) hem en (hij) bedankte (jij) hebt gegrepen bij (de) voetstap Ezau en (hij) noemde zijn naam Jakob en Izak zoon zestig jaar BLDT (met) hen
27.
en (zij) groeiden de jongens en wees Ezau man (hij) heeft geweten jacht man veld en Jakob man onschuldige inwoner tenten
28.
en (hij) had lief Izak (tot) Ezau dat jacht bij (de) monden (...) hem en Rebekka (jij) hebt liefgehad (tot) Jakob
29.
WIZD Jakob NZID en (hij) kwam Ezau vanuit het veld en hij vermoeide
30.
en (hij) sprak Ezau naar Jakob ELOIÐNI toch vanuit de mens de mens deze dat vermoeide ik op zo (hij) heeft genoemd zijn naam Edom
31.
en (hij) sprak Jakob (zij) heeft verkocht zoals dag (tot) (jij) hebt voorgetrokken (...) jou aan mij
32.
en (hij) sprak Ezau hier is ik ga(a)(t) te sterven en waarom dit aan mij (zij) heeft voorgetrokken
33.
en (hij) sprak Jakob de zeven aan mij zoals dag en (hij) was verzadigd als en (hij) verkocht (tot) bij (zij) hebben afgehakt aan Jakob
34.
en Jakob (hij) heeft gegeven aan Ezau brood WNZID ODSIM en (hij) at en (hij) legde en (hij) stond op en (hij) ging en (hij) minachtte Ezau (tot) (is het zo) dat (zij) heeft voorgetrokken

Hoofdstuk 26

1.
en wees honger bij (het) land weg van tak de honger (de) eerste die (hij) is geweest bij (de) dagen van Abraham en (hij) ging Izak naar Abimelech koning Filistijnen naar Gerar
2.
en gezien naar hem Jahweh en (hij) sprak naar (jij) daalde naar Egypte buurman bij (het) land die woord naar jou
3.
woon! bij (het) land (de) deze en (ik) was met jou en (ik) zegende (...) jou dat aan jou en aan nakomelingen (...) jou (met) hen (tot) alle het land van deze en (ik) heb gevestigd (tot) de zeven die (ik) heb gezworen aan Abraham vader (...) jou
4.
en (ik) heb vermeerderd (tot) nakomelingen (...) jou zoals sterren van de hemel en (ik) heb gegeven aan nakomelingen (...) jou (tot) alle het land van deze WETBRKW bij (de) nakomelingen (...) jou alle volk (...) mij het land
5.
voetstap die nieuws Abraham bij (de) klanken van en (hij) bewaarde bewaring (...) mij voorschrift (...) mij grondwetten (...) mij en Wetboek (...) mij
6.
en inwoner Izak bij Gerar
7.
en (hij) vroeg (...) hem mens (...) mij de plaats aan vuur (...) hem en (hij) sprak eerste (...) mij hij dat gezien te spreken mijn vrouw opdat niet (hij) doodde (...) mij mens (...) mij de plaats op Rebekka dat goeds van verschijning hij
8.
en wees dat (zij) hebben geduurd als daar de dagen WISQP Abimelech koning Filistijnen door (zij) zijn begonnen te (...) hen en gezien en hier is Izak MßHQ (tot) Rebekka vuur (...) hem
9.
en (hij) noemde Abimelech aan Izak en (hij) sprak maar hier is vuur (...) jou hij en waar ben jij? (jij) hebt gesproken eerste (...) mij hij en (hij) sprak naar hem Izak dat (ik) heb gesproken opdat niet (ik) stierf op haar
10.
en (hij) sprak Abimelech wat? deze (jij) hebt gedaan aan ons zoals een beetje lig neer! één het volk (tot) vuur (...) jou en (jij) hebt gebracht op ons (hij) heeft zich schuldig gemaakt
11.
en (hij) gaf opdracht Abimelech (tot) alle het volk te spreken de plaag bij (de) man deze en bij (het) vuur (...) hem dood (hij) zal worden laten sterven
12.
en (hij) zaaide Izak bij (het) land dat en (hij) vond in het jaar dat honderd dat worden wakker en (hij) zegende (...) hem Jahweh
13.
en (hij) groeide de man en (hij) ging gang en grootheid tot dat grootheid zeer
14.
en wees als bezit kleinvee en bezit rundvee en feit veelheid en (zij) waren jaloers (met) hem Filistijnen
15.
en alle EBART die (zij) hebben gegraven werk! vader (...) hem bij (de) dagen van Abraham vader (...) hem XTMWM Filistijnen en (zij) waren vol (...) hen stof
16.
en (hij) sprak Abimelech naar Izak aan jou van volk (...) ons dat (jij) bent machtig geworden (van)uit hem zeer
17.
en (hij) ging van daar Izak en (hij) legerde bij (de) wadi Gerar en inwoner daar
18.
en inwoner Izak en (hij) groef (tot) BART het water die (zij) hebben gegraven bij (de) dagen van Abraham vader (...) hem WIXTMWM Filistijnen na dood Abraham en (hij) noemde aan hen namen als (jij) hebt geplaatst die (hij) heeft genoemd aan hen vader (...) hem
19.
en (zij) groeven werk! Izak bij (de) wadi en (zij) vondden daar put water leven
20.
en (zij) twistten achtervolg! Gerar met achtervolg! Izak te spreken aan ons het water en (hij) noemde daar de put afzetterij dat (is het zo) dat (jullie) deedden tekort met hem
21.
en (zij) groeven put andere en (zij) twistten ook op haar en (hij) noemde daarnaar (-s) naar satan
22.
WIOTQ van daar en (hij) groef put andere noch tienduizend op haar en (hij) noemde daarnaar (-s) pleinen en (hij) sprak dat nu ERHIB Jahweh aan ons en (wij) zijn vruchtbaar geweest bij (het) land
23.
en (hij) verhief van daar put zeven
24.
en gezien naar hem Jahweh bij (de) nacht dat en (hij) sprak ik mijn God Abraham vader (...) jou naar (je) zult vrezen dat (met) jou ik en (ik) heb gezegend (...) jou en (ik) heb vermeerderd (tot) nakomelingen (...) jou wegens Abraham werk!
25.
en (hij) bouwde daar altaar en (hij) noemde bij (de) naam Jahweh en (hij) neeg daar tent (...) hem en (zij) groeven daar werk! Izak put
26.
en Abimelech beweging naar hem van Gerar en (jij) hebt gegrepen van zijn vriend WPIKL aanvoerder (zij) hebben zich geschaard
27.
en (hij) sprak naar hen Izak waarom? (jullie) zijn gekomen naar mij en (met) hen (jullie) hebben gehaat (met) mij en (jullie) zondden weg (...) mij MATKM
28.
en (zij) spraken (zij) hebben gezien (wij) hebben gezien dat (hij) is geweest Jahweh met jou en (wij) spraken (zij) was toch deze BINWTINW tussen ons en tussen jou en (zij) is afgehakt verbond met jou
29.
als (jij) deed met ons herder zoals niet (wij) hebben aangeraakt (...) jou en zoals (wij) hebben gedaan met jou lege goede en (wij) zondden weg (...) jou bij (de) vrede (met) haar nu gezegende Jahweh
30.
en (hij) heeft gemaakt aan hen banket en (zij) aten en (zij) dronken
31.
en (zij) stondden vroeg op bij (het) rundvee en (zij) waren verzadigd man aan broers (...) hem en (hij) zond weg (...) hen Izak en (zij) gingen van hem bij (de) vrede
32.
en wees bij (de) dag dat en voert in! werk! Izak en (hij) werd verteld (...) hem als op ADWT de put die (zij) hebben gegraven en (zij) spraken als (wij) hebben gevonden water
33.
en (hij) noemde (met) haar zeven op zo daar (hij) heeft opgemerkt put zeven tot vandaag deze
34.
en wees Ezau zoon veertig jaar en (hij) nam vrouw (tot) Judith dochter Beeri de angsten van en (tot) bij (jij) hebt geplaatst dochter ram (...) hen de angsten van
35.
en (jij) was (...) hen MRT wind aan Izak en aan Rebekka

Hoofdstuk 27

1.
en wees dat baard Izak en (jij) werd donker (...) hen ogen (...) hem om te vrezen en (hij) noemde (tot) Ezau bij ons de grote en (hij) sprak naar hem bouw! en (hij) sprak naar hem hier ben ik
2.
en (hij) sprak hier is toch (ik) ben oud geweest niet (ik) heb geweten dag sterf!
3.
en nu draag! toch gereedschappen (...) jou hang op! (...) jou en boog (...) jou en ga weg! het veld en naar stap aan mij naar jacht
4.
en (hij) heeft gedaan aan mij van smaken zoals (ik) heb liefgehad en (zij) heeft gebracht aan mij en (zij) heeft gegeten wegens (jij) zegende (...) jou ziel (...) mij voordat (ik) stierf
5.
en Rebekka (jij) hebt toegehoord bij (het) woord Izak naar Ezau bij ons en (hij) ging Ezau het veld te vangen jacht te brengen
6.
en Rebekka (zij) heeft gesproken naar Jakob (hij) heeft gebouwd te spreken hier is (ik) heb toegehoord (tot) vader (...) jou woestijn naar Ezau broers (...) jou te spreken
7.
(zij) heeft gebracht aan mij jacht en (hij) heeft gedaan aan mij van smaken en (zij) heeft gegeten WABRKKE voor Jahweh voor sterf!
8.
en nu bouw! nieuws bij (de) klanken van te bevestigen ik voorschrift (met) jou
9.
aan jou toch naar het kleinvee en neem! aan mij van daar tweede bokjes van geiten ben goed! (...) hen en (ik) werd gedaan (met) hen van smaken aan vader (...) jou zoals (hij) heeft liefgehad
10.
en (jij) hebt gebracht aan vader (...) jou en eten bij (de) kant die (hij) zegende (...) jou voor sterft!
11.
en (hij) sprak Jakob naar Rebekka moeder (...) hem èn Ezau broer man poort en ik man deel
12.
misschien IMSNI vader en (ik) ben geweest bij (de) ogen (...) hem KMTOTO en (ik) heb gebracht op mij vervloeking noch gelukwens
13.
en (jij) sprak als moeder (...) hem op mij (jij) hebt vervloekt (...) jou bouw! maar nieuws bij (de) klanken van en aan jou neem! aan mij
14.
en (hij) ging en (hij) nam en (hij) kwam natie (...) hem en (jij) maakte moeder (...) hem van smaken zoals (hij) heeft liefgehad vader (...) hem
15.
en (jij) nam Rebekka (tot) bij (het) bokje Ezau (hij) heeft gebouwd de grote (is het zo) dat (jij) hebt begeerd die (met) haar bij (het) huis en (zij) bekleedde zich (tot) Jakob (hij) heeft gebouwd de kleine
16.
en (tot) vellen bokjes van de geiten (is het zo) dat te beschamen (er)naar op handen (...) hem en op perceel van halzen (...) hem
17.
en te geven (...) hen (tot) EMÐOMIM en (tot) het brood die (zij) heeft gedaan bij (de) hand Jakob (hij) heeft gebouwd
18.
en (hij) kwam naar vader (...) hem en (hij) sprak vader en (hij) sprak hier ben ik water van (met) haar bouw!
19.
en (hij) sprak Jakob naar vader (...) hem ik Ezau trek voor! (...) jou (ik) heb gedaan zoals woord van naar mij sta op! toch (zij) is teruggekeerd en (zij) heeft gegeten van jacht (...) mij wegens (jij) zegende (...) mij ziel (...) jou
20.
en (hij) sprak Izak naar bij ons wat? dit (jij) hebt je gehaast te vinden bouw! en (hij) sprak dat (is het zo) dat (hij) is gebeurd Jahweh jouw God voor
21.
en (hij) sprak Izak naar Jakob nader! (er)naar toch WAMSK bouw! (is het zo) dat (met) haar dit bouw! Ezau als niet
22.
en (hij) is genaderd Jakob naar Izak vader (...) hem WIMSEW en (hij) sprak (hij) heeft verlicht klank Jakob en de handen handen van Ezau
23.
noch (zij) hebben herkend dat (zij) zijn geweest handen (...) hem zoals handen van Ezau broers (...) hem dat (jij) bent wakker geworden en (hij) zegende (...) hem
24.
en (hij) sprak (met) haar dit bouw! Ezau en (hij) sprak ik
25.
en (hij) sprak (is het zo) dat nader! (er)naar aan mij en (zij) heeft gegeten van jacht bouw! opdat (jij) zegende (...) jou ziel (...) mij en (hij) is genaderd als en (hij) at en (hij) kwam als wijn en (hij) legde
26.
en (hij) sprak naar hem Izak vader (...) hem nader! (er)naar toch en naar zak aan mij bouw!
27.
en (hij) is genaderd en (hij) gaf te drinken als en maan (tot) geur kledingstukken (...) hem en (hij) zegende (...) hem en (hij) sprak (hij) heeft gezien geur bouw! zoals geur veld die zegent! Jahweh
28.
en (hij) gaf aan jou naar God van dauw de hemel en van olie (...) mij het land en meerderheid graan WTIRS
29.
(zij) werkten (...) jou volkeren en (hij) boog zich diep aan jou naties verderf heer aan broers (...) jou en (zij) bogen zich diep aan jou bouw! moeder (...) jou ARRIK vervloekte en zegenen (...) jou gezegende
30.
en wees zoals schoondochter Izak te zegenen (tot) Jakob en wees maar uitgaande uitgaande Jakob honderd aanzicht van Izak vader (...) hem en Ezau broers (...) hem (hij) is gekomen van jacht (...) hem
31.
en (hij) heeft gemaakt ook hij van smaken en (hij) kwam aan vader (...) hem en (hij) sprak aan vader (...) hem (hij) stond op vader en (hij) at van jacht bij ons bij (de) kant (jij) zegende (...) mij ziel (...) jou
32.
en (hij) sprak als Izak vader (...) hem water van (met) haar en (hij) sprak ik zoon (...) jou trek voor! (...) jou Ezau
33.
en (hij) schrok Izak (zij) is geschrokken grootheid tot zeer en (hij) sprak water van dus hij de kant jacht en (hij) kwam aan mij en eten van alle voordat (jij) kwam WABRKEW ook gezegende (hij) was
34.
toen Ezau (tot) spreek! vader (...) hem en (hij) schreeuwde (zij) heeft geschreeuwd grootheid en bittere tot zeer en (hij) sprak aan vader (...) hem zegen! (...) mij ook ik vader
35.
en (hij) sprak (hij) is gekomen broers (...) jou bij (de) bedrog en (hij) nam (jij) hebt gezegend (...) jou
36.
en (hij) sprak sla! (hij) heeft genoemd zijn naam Jakob en (hij) volgde (...) mij dit twee keer (tot) (ik) heb voorgetrokken lering en hier is nu lering (ik) heb gezegend en (hij) sprak toch? AßLT aan mij gelukwens
37.
en wegens Izak en (hij) sprak aan Ezau èn heer haar naam-en (...) hem aan jou en (tot) alle broers (...) hem (ik) heb gegeven als aan slaven en graan WTIRS (ik) heb gesteund (...) hem en ga! (er)naar dus wat? (ik) werd gedaan bouw!
38.
en (hij) sprak Ezau naar vader (...) hem de gelukwens één hij aan jou vader zegen! (...) mij ook ik vader en (hij) droeg Ezau klank (...) hem en (hij) weende
39.
en wegens Izak vader (...) hem en (hij) sprak naar hem hier is van olie (...) mij het land (hij) was zetel (...) jou en van dauw de hemel boven
40.
en op zwaard (...) jou (jij) leefde en (tot) broers (...) jou (zij) werkte en (hij) is geweest zoals TRID WPRQT (zij) zijn opgegaan boven hals (...) jou
41.
WISÐM Ezau (tot) Jakob op de gelukwens die zegent! vader (...) hem en (hij) sprak Ezau bij (de) zijn hart (zij) brachten nader dagen van rouw vader WAERCE (tot) Jakob broer
42.
en (hij) werd verteld aan Rebekka (tot) spreek! Ezau (hij) heeft gebouwd de grote en (jij) zond weg en (jij) noemde aan Jakob (hij) heeft gebouwd de kleine en (jij) sprak naar hem hier is Ezau broers (...) jou MTNHM aan jou te doden (...) jou
43.
en nu bouw! nieuws bij (de) klanken van en sta op! vlucht aan jou naar tot zoon broer naar Haran
44.
en (jij) hebt gewoond met hem dagen AHDIM tot die (jij) blies leren zak broers (...) jou
45.
tot terugkeren neus broers (...) jou (van)uit jou en laat vergeten! (tot) die (jij) hebt gedaan als en (ik) heb gezonden en (ik) heb genomen (...) jou van daar waarom Eskol ook jaren (...) jullie dag één
46.
en (jij) sprak Rebekka naar Izak einde (...) mij bij leef! van aanzicht van dochters angst als lering Jakob vrouw om te bouwen angst zoals deze om te bouwen het land waarom aan mij leven

Hoofdstuk 28

1.
en (hij) noemde Izak naar Jakob en (hij) zegende (met) hem en (hij) gaf opdracht (...) hem en (hij) sprak als niet (jij) nam vrouw om te bouwen Kanaän
2.
sta op! aan jou PDNE Syrië naar huis Betuël vader moeder (...) jou en neem! aan jou van daar vrouw om te bouwen tot zoon broer moeder (...) jou
3.
en naar Sjadai (hij) zegende (met) jou en (hij) brak kapot en (hij) vermeerderde (...) jou en (jij) bent geweest aan menigte volkeren
4.
en (hij) gaf aan jou (tot) (jij) hebt gezegend Abraham aan jou en aan nakomelingen (...) jou (met) jou te veroveren (...) jou (tot) land van vreemdelingen (...) jou die (hij) heeft gegeven God aan Abraham
5.
en (hij) zond weg Izak (tot) Jakob en (hij) ging PDNE Syrië naar tot zoon zoon Betuël de Syriër broer Rebekka als Jakob en Ezau
6.
en gezien Ezau dat zegen! Izak (tot) Jakob en wapen (met) hem PDNE Syrië (jij) hebt genomen als van daar vrouw bij zegent! (met) hem en (hij) gaf opdracht op hem te spreken niet (jij) nam vrouw om te bouwen Kanaän
7.
en (hij) hoorde toe Jakob naar vader (...) hem en naar moeder (...) hem en (hij) ging PDNE Syrië
8.
en gezien Ezau dat medemensen dochters Kanaän bij bestudeer! Izak vader (...) hem
9.
en (hij) ging Ezau naar Ismaël en (hij) nam (tot) MHLT dochter Ismaël zoon Abraham zus NBIWT op vrouwen (...) hem als aan vrouw
10.
en uitgaande Jakob van put zeven en (hij) ging naar Haran
11.
en (hij) trof bij (de) plaats en (hij) overnachtte daar dat (hij) is gekomen de zon en (hij) nam van stenen van de plaats en pas toe! MRASTIW en (hij) lag neer bij (de) plaats dat
12.
en (hij) droomde en hier is XLM opgestelde naar land en hoofd (...) hem kom(t) toe naar de hemel en hier is boodschappers van God hoogtes WIRDIM bij hem
13.
en hier is Jahweh opgesteld op hem en (hij) sprak ik Jahweh mijn God Abraham vader (...) jou en mijn God Izak het land die (met) haar lig neer! op haar aan jou (ik) zal geven en aan nakomelingen (...) jou
14.
en (hij) is geweest nakomelingen (...) jou zoals stof het land en (jij) hebt doorgebroken naar dag en (zij) is voorgegaan en naar Noorden en (zij) heeft afgedroogd en (wij) zegenden (...) hem bij jou alle familie van de aarde en bij (de) nakomelingen (...) jou
15.
en hier is ik met jou en (ik) heb gehouden (...) jou in alle die (jij) ging en (ik) heb teruggegeven (...) jou naar de aarde (de) deze dat niet (ik) verliet (...) jou tot die als (ik) heb gedaan (tot) die woord (...) mij aan jou
16.
en (hij) werd wakker Jakob van jaar (...) hem en (hij) sprak werkelijk er is Jahweh bij (de) plaats deze en ik niet (ik) heb geweten
17.
en zal zien en (hij) sprak wat? ontzagwekkende de plaats deze (er is) niet dit dat als huis God en dit poort de hemel
18.
en jullie zijn er Jakob bij (het) rundvee en (hij) nam (tot) de steen die daar MRASTIW en pas toe! (met) haar monument en (hij) heeft uitgegoten olie op naar hoofd
19.
en (hij) noemde (tot) daar de plaats dat huis naar daarentegen LWZ daar (hij) heeft opgemerkt LRASNE
20.
en (hij) woonde Jakob gelofte te spreken als (hij) was God met mij en bewaar! (...) mij bij (de) weg deze die ik ga(a)(t) en (hij) heeft gegeven aan mij brood aan eten en kleed LLBS
21.
en rust! bij (de) vrede naar huis vader en (hij) is geweest Jahweh aan mij aan God
22.
en de steen (de) deze die (ik) heb geplaatst monument (hij) was huis God en alle die te geven (...) hen aan mij rijkdom AOSRNW aan jou

Hoofdstuk 29

1.
en (hij) droeg Jakob voeten (...) hem en (hij) ging naar land bouw! voorkant
2.
en gezien en hier is put bij (het) veld en hier is daar drie kudden van kleinvee RBßIM op haar dat vanuit de put dat (zij) gaven te drinken de kudden en de steen grootheid op mond van de put
3.
en (wij) verzamelden (...) hem daarnaar (-s) alle de kudden en (zij) hebben gedraaid (tot) de steen boven mond van de put en (zij) hebben te drinken gegeven (tot) het kleinvee en (zij) hebben teruggegeven (tot) de steen op mond van de put LMQME
4.
en (hij) sprak aan hen Jakob broer vanwaar? (met) hen en (zij) spraken van Haran wij
5.
en (hij) sprak aan hen (is het zo) dat (jullie) hebben geweten (tot) tot zoon zoon Nahor en (zij) spraken (wij) hebben geweten
6.
en (hij) sprak aan hen de vrede als en (zij) spraken vrede en hier is Rachel dochter (...) hem kom(t) met het kleinvee
7.
en (hij) sprak èn nog (eens) vandaag grote niet tijd (is het zo) dat Asaf het bezit (zij) hebben te drinken gegeven het kleinvee en ga(a)t! (zij) hebben achtervolgd
8.
en (zij) spraken niet (wij) zullen kunnen tot die (zij) verzamelden alle de kudden en (zij) hebben gedraaid (tot) de steen boven mond van de put en (wij) hebben te drinken gegeven het kleinvee
9.
hij (...) nog woestijn volk (...) hen en Rachel kom(t) met het kleinvee die naar aan vader dat herder hij
10.
en wees zoals (hij) heeft gezien Jakob (tot) Rachel dochter tot zoon broer moeder (...) hem en (tot) kleinvee tot zoon broer moeder (...) hem en (hij) is genaderd Jakob en (hij) verheugde zich (tot) de steen boven mond van de put en (hij) gaf te drinken (tot) kleinvee tot zoon broer moeder (...) hem
11.
en (hij) gaf te drinken Jakob aan Rachel en (hij) droeg (tot) klank (...) hem en (hij) weende
12.
en (hij) werd verteld Jakob aan Rachel dat broer naar vader hij en dat zoon Rebekka hij en (zij) rende en (zij) vertelde naar aan vader
13.
en wees toen tot zoon (tot) nieuws Jakob zoon eerste (...) hem en (hij) rende hem tegemoet en (hij) omarmde als WINSQ als en (zij) brachten (...) hem naar huis (...) hem en (hij) vertelde aan witte (tot) alle de woorden (de) deze
14.
en (hij) sprak als tot zoon maar word machtig! en kondig aan! (met) haar en inwoner met hem maand dagen
15.
en (hij) sprak tot zoon aan Jakob sla! broer (met) haar en (jullie) hebben gewerkt (...) mij gratis (zij) heeft verteld aan mij wat? MSKRTK
16.
en aan Laban schering dochters daar de grootheid Lea en naam [van] naar de kleine Rachel
17.
en bestudeer! Lea zachte (mv) en Rachel (zij) is geweest Jafeth (hij) heeft beschreven en Jafeth verschijning
18.
en (hij) had lief Jakob (tot) Rachel en (hij) sprak (ik) bewerkte (...) jou zeven twee bij Rachel bij (zij) sloeg naar de kleine
19.
en (hij) sprak tot zoon goede te geven (...) mij (met) haar aan jou (ik) ben gestorven (met) haar aan man andere (zij) is teruggekeerd met mij
20.
en (hij) werkte Jakob bij Rachel zeven twee en (zij) waren bij (de) ogen (...) hem zoals dagen AHDIM bij (de) liefde (...) hem (met) haar
21.
en (hij) sprak Jakob naar tot zoon vooruit! (tot) mijn vrouw dat (zij) zijn vol geweest dagen van en (ik) kwam (er)naar vetstaart
22.
en (hij) verzamelde tot zoon (tot) alle mens (...) mij de plaats en (hij) heeft gemaakt banket
23.
en wees bij (de) aangename en (hij) nam (tot) Lea dochter (...) hem en (hij) kwam (met) haar naar hem en (hij) kwam vetstaart
24.
en (hij) gaf tot zoon aan haar (tot) Zilpa dat (zij) zijn minder geworden aan Lea dochter (...) hem slavin
25.
en wees bij (het) rundvee en hier is hij Lea en (hij) sprak naar tot zoon wat? deze (jij) hebt gedaan aan mij toch? bij Rachel (ik) heb gewerkt met jou en waarom RMITNI
26.
en (hij) sprak tot zoon niet (zij) heeft gemaakt zo bij (de) plaats (...) ons te geven (de) kleine voor (de) hooggeplaatste
27.
(hij) is vol geweest zeven deze en (zij) heeft gegeven aan jou ook (tot) deze bij (het) feit die (zij) werkte met mij nog (eens) zeven twee andere (mv)
28.
en (hij) heeft gemaakt Jakob zo en (hij) was vol zeven deze en (hij) gaf als (tot) Rachel dochter (...) hem als aan vrouw
29.
en (hij) gaf tot zoon aan Rachel dochter (...) hem (tot) panische angst dat (zij) zijn minder geworden aan haar aan slavin
30.
en (hij) kwam ook naar Rachel en (hij) had lief ook (tot) Rachel (zij) is vol geweest en (hij) werkte met hem nog (eens) zeven twee andere (mv)
31.
en gezien Jahweh dat SNWAE Lea en (hij) deed open (tot) (zij) heeft medelijden gehad en Rachel onvruchtbare
32.
en (zij) werd zwanger Lea en (jij) baarde zoon en (jij) noemde zijn naam Ruben dat (zij) heeft gesproken dat (hij) heeft gezien Jahweh bij (de) armoede (...) mij dat nu (hij) had lief (...) mij mannen van
33.
en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) sprak dat nieuws Jahweh dat SNWAE ik en (hij) gaf aan mij ook (tot) dit en (jij) noemde zijn naam Simeon
34.
en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) sprak nu de keer ILWE mannen van naar mij dat (ik) heb gebaard als drie zonen op zo (hij) heeft genoemd zijn naam Levi
35.
en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) sprak de keer (ik) bedankte (tot) Jahweh op zo (zij) heeft genoemd zijn naam Juda en (jij) stond vast om te baren

Hoofdstuk 30

1.
en (zij) liet zien Rachel dat niet (zij) heeft gebaard aan Jakob en (jij) was jaloers Rachel naar bij (de) eerste en (jij) sprak naar Jakob vooruit! aan mij zonen en als (er is) niet (zij) is gestorven ik
2.
en (hij) ontbrandde neus Jakob bij Rachel en (hij) sprak ETHT God ik die (hij) heeft teruggehouden (van)uit jou vrucht buik
3.
en (jij) sprak hier is waarheden van panische angst (hij) is gekomen vetstaart en (jij) baarde op zegen! en (ik) bouwde ook ik (van)uit haar
4.
en te geven (...) hen als (tot) panische angst dat (zij) is minder geworden aan vrouw en (hij) kwam vetstaart Jakob
5.
en (zij) werd zwanger panische angst en (jij) baarde aan Jakob zoon
6.
en (jij) sprak Rachel (hij) heeft berecht (...) mij God en ook nieuws bij (de) klanken van en (hij) gaf aan mij zoon op zo (zij) heeft genoemd zijn naam Dan
7.
en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde panische angst dat (hij) is minder geworden Rachel zoon tweede aan Jakob
8.
en (jij) sprak Rachel NPTWLI God NPTLTI met eerste (...) mij ook (ik) heb gekund en (jij) noemde zijn naam Nafthali
9.
en (zij) liet zien Lea dat (zij) heeft gestaan om te baren en (jij) nam (tot) Zilpa dat (zij) is minder geworden en te geven (...) hen (met) haar aan Jakob aan vrouw
10.
en (jij) baarde Zilpa dat (hij) is minder geworden Lea aan Jakob zoon
11.
en (jij) sprak Lea kleed en (jij) noemde (tot) zijn naam Gad
12.
en (jij) baarde Zilpa dat (hij) is minder geworden Lea zoon tweede aan Jakob
13.
en (jij) sprak Lea bij (de) heil dat bevestigt! (...) mij dochters en (jij) noemde (tot) zijn naam die
14.
en (hij) ging Ruben bij (de) dagen van oogst tarwe en (hij) vond DWDAIM bij (het) veld en (hij) kwam (met) hen naar Lea moeder (...) hem en (jij) sprak Rachel naar Lea geef! toch aan mij MDWDAI zoon (...) jou
15.
en (jij) sprak aan haar het een beetje QHTK (tot) mannen van en (jij) hebt genomen ook (tot) DWDAI bouw! en (jij) sprak Rachel daarom (hij) lag neer met jou de nacht in de plaats van DWDAI zoon (...) jou
16.
en (hij) kwam Jakob vanuit het veld bij (de) aangename en (jij) ging uit Lea hem tegemoet en (jij) sprak naar mij (jij) kwam dat beloning (ik) heb gehuurd (...) jou BDWDAI bouw! en (hij) lag neer met haar bij (de) nacht hij
17.
en (hij) hoorde toe God naar Lea en (zij) werd zwanger en (jij) baarde aan Jakob zoon vijfde
18.
en (jij) sprak Lea (hij) heeft gegeven God huur! die (ik) heb gegeven dat word minder! aan mannen van en (jij) noemde zijn naam Issaschar
19.
en (zij) werd zwanger nog (eens) Lea en (jij) baarde zoon zesde aan Jakob
20.
en (jij) sprak Lea ZBDNI God (met) mij gift goede de keer IZBLNI mannen van dat (ik) heb gebaard als zes zonen en (jij) noemde (tot) zijn naam Zebulon
21.
en andere (zij) heeft gebaard dochter en (jij) noemde (tot) daarnaar (-s) Dina
22.
en (hij) herinnerde zich God (tot) Rachel en (hij) hoorde toe vetstaart God en (hij) deed open (tot) (zij) heeft medelijden gehad
23.
en (zij) werd zwanger en (jij) baarde zoon en (jij) sprak Asaf God (tot) (ik) heb beledigd
24.
en (jij) noemde (tot) zijn naam Jozef te spreken (hij) heeft toegevoegd Jahweh aan mij zoon andere
25.
en wees zoals (zij) heeft gebaard Rachel (tot) Jozef en (hij) sprak Jakob naar tot zoon (hij) mij gezonden en (ik) ging (er)naar naar plaats (...) mij en aan land (...) mij
26.
geef! (tot) vrouwen van en (tot) help bij de geboorte! die (ik) heb gewerkt (met) jou bij hen en (ik) ging (er)naar dat (met) haar (jij) hebt geweten (tot) (ik) heb gewerkt die (ik) heb gewerkt (...) jou
27.
en (hij) sprak naar hem tot zoon als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou (ik) heb vermoed en (hij) zegende (...) mij Jahweh bij (hij) heeft gedraaid (...) jou
28.
en (hij) sprak vrouw beloning (...) jou op mij en (ik) gaf
29.
en (hij) sprak naar hem (met) haar (jij) hebt geweten (tot) die (ik) heb gewerkt (...) jou en (tot) die (hij) is geweest van nest (...) jou (met) mij
30.
dat een beetje die (hij) is geweest aan jou voor en (hij) brak door aan meerderheid en (hij) zegende Jahweh (met) jou aan voeten van en nu wanneer? (ik) werd gedaan ook ik aan huis-en van
31.
en (hij) sprak wat? (met) hen aan jou en (hij) sprak Jakob niet te geven (...) hen aan mij iets als (jij) deed aan mij het woord deze (ik) ging rond (ik) achtervolgde kleinvee (...) jou (ik) bewaarde
32.
(ik) trok door in alle kleinvee (...) jou vandaag verwijder! van daar alle lammetje gestippelde en gelapte en alle lammetje hitte bij (de) schapen en gelapte en gestippelde bij (de) geiten en (hij) is geweest huur!
33.
en (zij) heeft geantwoord bij mij (ik) heb gelijk gehad bij (de) dag morgen dat (jij) kwam op huur! voor jou alle die hij is (er) niet gestippelde en gelapte bij (de) geiten en hitte bij (de) schapen gestolene hij (met) mij
34.
en (hij) sprak tot zoon èn als wees zoals woord (...) jou
35.
en (hij) week af bij (de) dag dat (tot) (is het zo) dat (jij) werd verlaten (...) hen EOQDIM WEÐLAIM en (tot) alle de geiten (de) gestippelde (mv) WEÐLAT alle die tot zoon bij hem en alle hitte bij (de) schapen en (hij) gaf bij (de) hand zonen (...) hem
36.
en pas toe! weg drie van dagen bij (de) doffer (...) hem en tussen Jakob en Jakob herder (tot) kleinvee tot zoon (is het zo) dat (jij) bent overgebleven
37.
en (hij) nam als Jakob verlicht witte frisheid WLWZ WORMWN WIPßL bij hen PßLWT te bouwen MHSP (is het zo) dat tot zoon die op EMQLWT
38.
WIßC (tot) EMQLWT die PßL BREÐIM BSQTWT het water die (zij) kwam (...) hen het kleinvee te drinken LNKH het kleinvee en (hij) is bronstig geweest (...) haar bij (hij) is gekomen (...) hen te drinken
39.
en (zij) zijn bronstig geweest het kleinvee naar EMQLWT en (jij) baarde (...) hen het kleinvee OQDIM gestippelde (mv) WÐLAIM
40.
en de schapen (hij) is gescheiden Jakob en (hij) gaf aanzicht van het kleinvee naar OQD en alle hitte bij (het) kleinvee tot zoon en (hij) legde als kudden alleen hij noch dat onschuldige op kleinvee tot zoon
41.
en (hij) is geweest in alle (hij) is bronstig geweest het kleinvee (is het zo) dat verbinden en naam [van] Jakob (tot) EMQLWT te bestuderen (...) mij het kleinvee BREÐIM LIHMNE BMQLWT
42.
WBEOÐIP het kleinvee niet (hij) plaatste en (hij) is geweest EOÐPIM aan witte WEQSRIM aan Jakob
43.
en (hij) brak door de man zeer zeer en wees als kleinvee twisten en slavinnen en slaven en kamelen en ezeldrijvers

Hoofdstuk 31

1.
en (hij) hoorde toe (tot) spreek! bouw! tot zoon te spreken lering Jakob (tot) alle die aan vader (...) ons en bevestig(t) aan vader (...) ons (hij) heeft gedaan (tot) alle de lever deze
2.
en gezien Jakob (tot) aanzicht van tot zoon en hier is hij is (er) niet met hem zoals gisteren eergisteren
3.
en (hij) sprak Jahweh naar Jakob terugkeren naar land vaders-en (...) jou en aan vaderland (...) jou en (ik) was met jou
4.
en (hij) zond weg Jakob en (hij) noemde aan Rachel en aan Lea het veld naar ga uit! (...) ons
5.
en (hij) sprak aan hen (hij) heeft gezien ik (tot) aanzicht van vader (...) jullie dat hij is (er) niet naar mij als (zij) besneed eergisteren en mijn God vader (hij) is geweest met mij
6.
en (ik) gaf (jullie) hebben geweten dat in alle zoals levende (ik) heb gewerkt (tot) vader (...) jullie
7.
en vader (...) jullie ETL bij mij WEHLP (tot) MSKRTI tiental noem op! (...) hen noch (zij) hebben gegeven God aan het kwaad met mij
8.
als zo (hij) sprak gestippelde (mv) (hij) was beloning (...) jou en helpt bij de geboorte! alle het kleinvee gestippelde (mv) en als zo (hij) sprak OQDIM (hij) was beloning (...) jou en helpt bij de geboorte! alle het kleinvee OQDIM
9.
en (hij) redde God (tot) bezit vader (...) jullie en (hij) gaf aan mij
10.
en wees bij (de) tijd (hij) is bronstig geweest het kleinvee en (ik) droeg bestudeer! en (ik) zag bij (de) droom en hier is de bokken de hoogtes op het kleinvee OQDIM gestippelde (mv) en hagel-en
11.
en (hij) sprak naar mij boodschapper naar God bij (de) droom Jakob en woord hier ben ik
12.
en (hij) sprak draag! toch ogen (...) jou en (hij) heeft gezien alle de bokken de hoogtes op het kleinvee OQDIM gestippelde (mv) en hagel-en dat (ik) heb gezien (tot) alle die tot zoon (hij) heeft gedaan aan jou
13.
ik deze huis naar die (jij) hebt gezalfd daar monument die (jij) hebt gelofte afgelegd aan mij daar gelofte nu sta op! ga weg! vanuit het land (de) deze en terugkeren naar land vaderland (...) jou
14.
en (zij) antwoordde Rachel en Lea en (jullie) spraken als is er nog? aan ons deel en erfgoed bij (het) huis (wij) hebben gewenst
15.
immers vreemde (mv) (wij) berekenden (...) ons als dat (wij) hebben verkocht en (hij) at ook eten (tot) zilver (...) ons
16.
dat alle de rijkdom die (hij) heeft gered God van vader (...) ons aan ons hij en aan zonen (...) ons en nu alle die woord God naar jou (hij) heeft gedaan
17.
en (hij) stond op Jakob en (hij) droeg (tot) zonen (...) hem en (tot) vrouwen (...) hem op de kamelen
18.
en (hij) bestuurde (tot) alle bezit (...) hem en (tot) alle RKSW die RKS bezit (wij) hebben gekocht die RKS BPDN Syrië te komen naar Izak vader (...) hem naar land Kanaän
19.
en tot zoon beweging LCZZ (tot) ga uit! (...) ons WTCNB Rachel (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen die naar aan vader
20.
WICNB Jakob (tot) hart tot zoon de Syriër op zonder (hij) heeft verteld als dat vlucht hij
21.
en (hij) vluchtte hij en alle die als en (hij) stond op en (hij) ging voorbij (tot) de rivier en pas toe! (tot) aanzichten (...) hem heuvel het gedenkteken
22.
en (hij) werd verteld aan witte bij (de) dag (de) derde dat vlucht Jakob
23.
en (hij) nam (tot) broers (...) hem met hem en (hij) achtervolgden na hem weg zeven dagen en (hij) plakte (met) hem bij (de) heuvel het gedenkteken
24.
en (hij) kwam God naar tot zoon de Syriër bij (hij) heeft gedroomd de nacht en (hij) sprak als (is het zo) dat bewaar! aan jou opdat niet (jij) sprak met Jakob van goede tot kwaad
25.
WISC tot zoon (tot) Jakob en Jakob (hij) heeft geblazen (tot) tent (...) hem bij (de) heuvel en tot zoon (hij) heeft geblazen (tot) broers (...) hem bij (de) heuvel het gedenkteken
26.
en (hij) sprak tot zoon aan Jakob wat? (jij) hebt gedaan WTCNB (tot) hart (...) mij WTNEC (tot) dochter (...) mij zoals gevangenschap zwaard
27.
waarom NHBAT aan vlucht WTCNB (met) mij noch (jij) hebt verteld aan mij en (ik) zond weg (...) jou bij (de) vreugde en vlees-en BTP en bij (de) viool
28.
noch (jullie) hebben verlaten (...) mij LNSQ aan zonen van en aan dochter (...) mij nu (is het zo) dat (jij) hebt verijdeld Ezau
29.
er is tot God handen van te doen met jullie kwaad en mijn God vader (...) jullie AMS woord naar mij te spreken (is het zo) dat bewaar! aan jou woestijn met Jakob van goede tot kwaad
30.
en nu beweging (jij) bent gegaan dat NKXP NKXPTE aan huis vader (...) jou waarom Genubat (tot) mijn God
31.
en wegens Jakob en (hij) sprak aan witte dat (ik) heb gevreesd dat (ik) heb gesproken opdat niet TCZL (tot) bebouwingen (...) jou van volkeren van
32.
met die (jij) vond (tot) jouw God niet (hij) leefde tegenover broers (...) ons herken! aan jou wat? met mij en neem! aan jou noch (hij) heeft geweten Jakob dat Rachel (jullie) hebben gestolen
33.
en (hij) kwam tot zoon bij (de) tent Jakob en bij (de) tent Lea en bij (de) tent schering EAMET noch (hij) heeft gevonden en uitgaande van tent Lea en (hij) kwam bij (de) tent Rachel
34.
en Rachel (zij) heeft genomen (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen en (zij) plaatste (...) hen trek voor! de kameel en (jij) woonde op hen WIMSS tot zoon (tot) alle de tent noch (hij) heeft gevonden
35.
en (jij) sprak naar naar vader naar (hij) ontbrandde bij bestudeer! liggers van dat toch niet eet op te staan van aanzichten (...) jou dat weg worden verlaten aan mij WIHPS noch (hij) heeft gevonden (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen
36.
en (hij) ontbrandde aan Jakob en (hij) vermeerderde bij (de) witte en wegens Jakob en (hij) sprak aan witte wat? misdrijf! wat? (ik) heb gezondigd dat DLQT na
37.
dat MSST (tot) alle gereedschap wat? om uit te gaan van alle gereedschap huis (...) jou plaats! zo tegenover broer en broers (...) jou en (zij) bewezen tussen jaren (...) ons
38.
dit twintig jaar ik met jou RHLIK en geiten (...) jou niet dat kunt! en rammen van kleinvee (...) jou niet (ik) heb gegeten
39.
(zij) heeft verscheurd niet (ik) heb gebracht naar jou ik AHÐNE van handen van (jullie) zochten (ik) heb gestolen dag en (ik) heb gestolen nacht
40.
(ik) ben geweest bij (de) dag (hij) heeft gegeten (...) mij zwaard en ijs bij (de) nacht WTDD jaar (...) mij bestudeer(t) (...) mij
41.
dit aan mij twintig jaar bij (het) huis (...) jou (ik) heb gewerkt (...) jou vier tien jaar (ik) heb me geschaamd dochters (...) jou en zes twee bij (het) kleinvee (...) jou WTHLP (tot) MSKRTI tiental noem op! (...) hen
42.
indien niet mijn God vader mijn God Abraham en angst Izak (hij) is geweest aan mij dat nu leegte (...) hen (jullie) hebben gezonden (...) mij (tot) armoede (...) mij en (tot) moeite zoals mond van (hij) heeft gezien God en (hij) werd bewezen AMS
43.
en wegens tot zoon en (hij) sprak naar Jakob de dochters dochter (...) mij en de zonen bouw! en het kleinvee kleinvee (...) mij en alle die (met) haar (hij) heeft gezien aan mij hij en aan dochter (...) mij wat? (ik) werd gedaan aan deze vandaag of aan zonen (...) hen die helpt bij de geboorte!
44.
en nu ga! (er)naar (zij) is afgehakt verbond ik en (met) haar en (hij) is geweest voor altijd tussen mij en tussen jou
45.
en (hij) nam Jakob steen en (hij) tilde op (er)naar monument
46.
en (hij) sprak Jakob aan broers (...) hem verzamelt! stenen en (zij) namen stenen en (zij) hebben gemaakt hoop en (zij) aten daar op de hoop
47.
en (hij) noemde als tot zoon (hij) woonde SEDWTA en Jakob (hij) heeft genoemd als gedenkteken
48.
en (hij) sprak tot zoon de hoop deze tot tussen mij en tussen jou vandaag op zo (hij) heeft genoemd zijn naam gedenkteken
49.
en de uitkijkpunt die woord (hij) overtrok Jahweh tussen mij en tussen jou dat NXTR man van zijn vriend
50.
als (jij) antwoordde (tot) dochter (...) mij en als (jij) nam worden verlaten op dochter (...) mij (er is) niet man met ons (hij) heeft gezien God tot tussen mij en tussen jou
51.
en (hij) sprak tot zoon aan Jakob hier is de hoop deze en hier is de monument die (ik) heb geworpen tussen mij en tussen jou
52.
tot de hoop deze en getuige de monument als ik niet (ik) trok door naar jou (tot) de hoop deze en als (met) haar niet (zij) ging voorbij naar mij (tot) de hoop deze en (tot) de monument (de) deze aan herder
53.
mijn God Abraham en mijn God Nahor (zij) berechtten tussen ons mijn God vaders (...) hen en (hij) was verzadigd Jakob bij (de) angst vader (...) hem Izak
54.
en (hij) slachtte Jakob slachting bij (de) heuvel en (hij) noemde aan broers (...) hem aan eten brood en (zij) aten brood en (zij) lieten overnachten bij (de) heuvel

Hoofdstuk 32

1.
en jullie zijn er tot zoon bij (het) rundvee WINSQ aan zonen (...) hem en aan bebouwingen (...) hem en (hij) zegende ATEM en (hij) ging en inwoner tot zoon aan plaats (...) hem
2.
en Jakob beweging aan weg (...) hem en (zij) troven bij hem boodschappers van God
3.
en (hij) sprak Jakob zoals (hij) heeft gezien (...) hen kamp God dit en (hij) noemde daar de plaats dat kampen
4.
en (hij) zond weg Jakob boodschappers voor hem naar Ezau broers (...) hem naar land bok veld Edom
5.
en (hij) gaf opdracht (met) hen te spreken zo (jullie) spraken (...) hen aan liggers van aan Ezau zo woord slaaf (...) jou Jakob met tot zoon (ik) heb gewoond en andere tot nu
6.
en wees aan mij os en ernstige kleinvee en slaaf en slavin en (ik) zond weg (er)naar te vertellen aan liggers van te vinden gratie bij (de) ogen (...) jou
7.
en (zij) hebben gewoond de boodschappers naar Jakob te spreken (wij) zijn gekomen naar broers (...) jou naar Ezau en ook beweging jou tegemoet en vier honderd man met hem
8.
en zal zien Jakob zeer en fabriceer! als WIHß (tot) het volk die (met) hem en (tot) het kleinvee en (tot) het rundvee en de kamelen aan tweede om te legeren
9.
en (hij) sprak als invoer Ezau naar het kamp de één en (hij) heeft geslagen (...) hem en (hij) is geweest het kamp de geblevene naar aan vluchteling
10.
en (hij) sprak Jakob mijn God vader Abraham en mijn God vader Izak Jahweh de woord naar mij terugkeren aan land (...) jou en aan vaderland (...) jou en (ik) deed goed (er)naar met jou
11.
QÐNTI van alle de genade-en en van alle de waarheid die (jij) hebt gedaan (tot) slaaf (...) jou dat bij verlicht (...) mij (ik) ben voorbijgegaan (tot) de Jordaan deze en nu (ik) ben geweest aan tweede om te legeren
12.
(hij) heeft gered (...) mij toch van hand broer van hand Ezau dat gezien ik (met) hem opdat niet invoer en bereid! als op zonen
13.
en (met) haar (jij) hebt gesproken doe goed! (ik) deed goed met jou en (ik) heb geplaatst (tot) nakomelingen (...) jou zoals zand de zee die niet (hij) vertelde van meerderheid
14.
en (hij) overnachtte daar bij (de) nacht dat en (hij) nam vanuit wat kwam bij (hij) bedankte geschenk aan Ezau broers (...) hem
15.
geiten honderd paar en (jij) werd verlaten (...) hen twintig RHLIM honderd paar en rammen twintig
16.
kamelen MINIQWT en zonen (...) hen dertig vruchten veertig en stieren tien ATNT twintig en stad (...) hen tien
17.
en (hij) gaf bij (de) hand slaven (...) hem kudde kudde alleen hij en (hij) sprak naar slaven (...) hem (zij) zijn voorbijgegaan voor en wind (jullie) plaatsten tussen kudde en tussen kudde
18.
en (hij) gaf opdracht (tot) (de) eerste te spreken dat (hij) ontmoette (...) jou Ezau broer en (hij) heeft gevraagd (...) jou te spreken aan water van (met) haar en waarheen? (jij) ging en aan water van deze voor jou
19.
en (jij) hebt gesproken te bewerken (...) jou aan Jakob geschenk hij zend! (er)naar aan liggers van aan Ezau en hier is ook hij na ons
20.
en (hij) gaf opdracht ook (tot) (de) tweede ook (tot) (de) derde ook (tot) alle de voorbijgangers na de kudden te spreken zoals woord deze (jullie) spraken (...) hen naar Ezau bij (hij) heeft gevonden (...) jullie (met) hem
21.
en (jullie) hebben gesproken ook hier is slaaf (...) jou Jakob na ons dat woord (ik) verzoende (er)naar aanzichten (...) hem bij (het) geschenk (is het zo) dat (jij) bent gegaan voor en na zo (ik) liet zien aanzichten (...) hem misschien (hij) droeg aanzicht van
22.
en (zij) ging voorbij het geschenk op aanzichten (...) hem en hij (hij) heeft overnacht bij (de) nacht dat bij (het) kamp
23.
en (hij) stond op bij (de) nacht hij en (hij) nam (tot) schering vrouwen (...) hem en (tot) schering slavinnen (...) hem en (tot) één rijkdom kinderen (...) hem en (hij) ging voorbij (tot) trek(t) door IBQ
24.
en (hij) nam (...) hen en (hij) ging voorbij (...) hen (tot) de wadi en (hij) ging voorbij (tot) die als
25.
en meer Jakob alleen hij WIABQ man met hem tot beklimmingen (de) zwarte
26.
en gezien dat niet (hij) heeft gekund als en vermoeide bij (de) lepel heup (...) hem en (hij) heeft geblazen lepel heup Jakob BEABQW met hem
27.
en (hij) sprak (hij) mij gezonden dat blad (de) zwarte en (hij) sprak niet (ik) zond weg (...) jou dat als (jullie) hebben gezegend (...) mij
28.
en (hij) sprak naar hem wat? naam (...) jou en (hij) sprak Jakob
29.
en (hij) sprak niet Jakob (hij) sprak nog (eens) naam (...) jou dat als Israël dat (jij) hebt ingeweekt met God en met mensen en je zult kunnen
30.
en (hij) vroeg Jakob en (hij) sprak (zij) heeft verteld toch naam (...) jou en (hij) sprak waarom dit (jij) vroeg aan namen van en (hij) zegende (met) hem daar
31.
en (hij) noemde Jakob daar de plaats PNIAL dat (ik) heb gezien God aanzicht naar aanzicht WTNßL ziel (...) mij
32.
WIZRH als de zon zoals kant (tot) Pnuel en hij rib op heup (...) hem
33.
op zo niet (zij) aten bouw! Israël (tot) CID (is het zo) dat (zij) is verlaten die op lepel de heup tot vandaag deze dat plaag bij (de) lepel heup Jakob BCID (is het zo) dat (zij) is verlaten

Hoofdstuk 33

1.
en (hij) droeg Jakob ogen (...) hem en gezien en hier is Ezau (hij) is gekomen en met hem vier honderd man WIHß (tot) de kinderen op Lea en op Rachel en op schering de slavinnen
2.
en pas toe! (tot) de slavinnen en (tot) kinderen (...) hen in de eerste plaats en (tot) Lea en help bij de geboorte! (er)naar laatste (mv) en (tot) Rachel en (tot) Jozef laatste (mv)
3.
en hij kant voor hen en (hij) boog zich diep naar land zeven twee keer tot CSTW tot broers (...) hem
4.
en (hij) rende Ezau hem tegemoet en (zij) omarmden (...) hem en (hij) liet vallen op hals (...) hem en (hij) gaf te drinken (...) hem en (zij) weenden
5.
en (hij) droeg (tot) ogen (...) hem en gezien (tot) (is het zo) dat worden verlaten en (tot) de kinderen en (hij) sprak water van deze aan jou en (hij) sprak de kinderen die (hij) heeft gratie verleend God (tot) slaaf (...) jou
6.
en (jij) naderde (...) hen de slavinnen hier is en kinderen (...) hen en (jij) boog je diep (...) hen
7.
en (jij) naderde ook Lea en help bij de geboorte! (er)naar en (zij) bogen zich diep en andere (wij) naderden Jozef en Rachel en (zij) bogen zich diep
8.
en (hij) sprak water van aan jou alle het kamp deze die (ik) heb ontmoet en (hij) sprak te vinden gratie bij bestudeer! liggers van
9.
en (hij) sprak Ezau er is aan mij meerderheid broer wees aan jou die aan jou
10.
en (hij) sprak Jakob naar toch als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou en (jij) hebt genomen geschenk (...) mij van handen van dat op zo (ik) heb gezien aanzichten (...) jou KRAT aanzicht van God en (zij) rende (...) mij
11.
neem! toch (tot) (ik) heb gezegend die (jij) hebt gebracht aan jou dat Hanani God en dat er is aan mij alle WIPßR bij hem en (hij) nam
12.
en (hij) sprak (zij) heeft gereisd en (wij) gingen (er)naar en (ik) ging (er)naar tegen jou
13.
en (hij) sprak naar hem liggers van (hij) heeft geweten dat de kinderen zachtheden en het kleinvee en het rundvee beklimmingen op mij WDPQWM dag één en (zij) zijn gestorven alle het kleinvee
14.
(hij) ging voorbij toch liggers van voor (zij) hebben gewerkt en ik ATNELE LAÐI aan voet het handwerk die voor en aan voet de kinderen tot die (ik) profeteerde naar liggers van dat (hij) heeft blootgelegd
15.
en (hij) sprak Ezau AßICE toch met jou vanuit het volk die (met) mij en (hij) sprak waarom dit (ik) vond gratie bij bestudeer! liggers van
16.
en inwoner bij (de) dag dat Ezau aan weg (...) hem dat (hij) heeft blootgelegd
17.
en Jakob (hij) heeft gereisd hut (...) haar en (hij) bouwde als huis en aan bezit (...) hem (hij) heeft gedaan hut van op zo (hij) heeft genoemd daar de plaats hutten
18.
en (hij) kwam Jakob gehele stad schouder die bij (het) land Kanaän bij (het) komen MPDN Syrië en (hij) legerde (tot) aanzicht van (hij) heeft opgemerkt
19.
en (hij) kocht (tot) perceel van het veld die (wij) bogen om daar tent (...) hem van hand bouw! ernstige vader schouder bij honderd QSIÐE
20.
en zet vast! daar altaar en (hij) noemde als naar mijn God Israël

Hoofdstuk 34

1.
en (jij) ging uit Dina dochter Lea die (zij) heeft gebaard aan Jakob te zien bij (de) dochters het land
2.
en gezien (met) haar schouder zoon ernstige de Heviet vorst het land en (hij) nam (met) haar en (hij) lag neer (met) haar en (hij) antwoordde
3.
en (zij) plakte ziel (...) hem bij Dina dochter Jakob en (hij) had lief (tot) de jeugd en (hij) sprak op hart de jeugd
4.
en (hij) sprak schouder naar ernstige vader (...) hem te spreken neem! aan mij (tot) (is het zo) dat (zij) heeft gebaard (de) deze aan vrouw
5.
en Jakob nieuws dat onreine (tot) Dina dochter (...) hem en zonen (...) hem (zij) zijn geweest (tot) bezit (...) hem bij (het) veld en (de) stille Jakob tot bij (de) moeder
6.
en uitgaande ernstige vader schouder naar Jakob te spreken (met) hem
7.
en bouw! Jakob (zij) zijn gekomen vanuit het veld zoals nieuws (...) hen WITOßBW de mensen en (hij) ontbrandde aan hen zeer dat kadaver (hij) heeft gedaan bij Israël neer te liggen (tot) dochter Jakob en zo niet (zij) heeft gemaakt
8.
en (hij) sprak ernstige (met) hen te spreken schouder bouw! (zij) heeft begeerd ziel (...) hem bij (de) dochter (...) jullie geeft! toch (met) haar als aan vrouw
9.
WETHTNW (met) ons dochters (...) jullie (jullie) gaven aan ons en (tot) dochters (...) ons (jullie) namen aan jullie
10.
en (met) ons (jullie) woonden en het land (jij) was voor jullie woont! WXHRWE WEAHZW bij haar
11.
en (hij) sprak schouder naar naar vader en naar (ik) leefde (ik) vond gratie bij (de) ogen (...) jullie en die (jullie) spraken naar mij (met) hen
12.
(zij) hebben vermeerderd op mij zeer vlugge en lenden en (ik) gaf zoals (jullie) spraken naar mij en geeft! aan mij (tot) de jeugd aan vrouw
13.
en (zij) antwoordden bouw! Jakob (tot) schouder en (tot) ernstige vader (...) hem bij (de) bedrog en (zij) spraken die onreine (tot) Dina één (...) hen
14.
en (zij) spraken naar hen niet (wij) zullen kunnen te doen het woord deze te geven (tot) eerste (...) ons aan man die als voorhuid dat schande hij aan ons
15.
maar bij deze passende aan jullie als (jullie) waren (wij) zijn opgestaan LEML aan jullie alle man
16.
en (zij) hebben gegeven (tot) dochters (...) ons aan jullie en (tot) dochters (...) jullie (wij) namen aan ons en (wij) hebben gewoond (met) jullie en (wij) zijn geweest aan volk één
17.
en als niet (jullie) hoorden toe naar ons LEMWL en (wij) hebben genomen (tot) bij geeft! en (wij) zijn gegaan
18.
en (zij) waren goed woorden (...) hen bij bestudeer! ernstige en bij (de) ogen van schouder zoon ernstige
19.
noch andere de jeugd te doen het woord dat wens bij (de) dochter Jakob en hij belangrijke van alle huis vader (...) hem
20.
en (hij) kwam ernstige en schouder bij ons naar poort stad (...) hen en (zij) spraken naar mens (...) mij stad (...) hen te spreken
21.
de mensen (de) deze vergoedingen zij (met) ons en (zij) hebben gewoond bij (het) land WIXHRW (met) haar en het land hier is (jij) bent breder geworden handen voor hen (tot) dochters (...) hen (wij) namen aan ons aan vrouwen en (tot) dochters (...) ons (hij) heeft gegeven aan hen
22.
maar bij deze IATW aan ons de mensen te wonen (met) ons te zijn aan volk één BEMWL aan ons alle man zoals zij NMLIM
23.
bezit (...) hen WQNINM en alle beesten (...) hen immers aan ons zij maar (zij) heeft toegestemd aan hen en (zij) hebben gewoond (met) ons
24.
en (zij) hoorden toe naar ernstige en naar schouder bij ons alle voer uit! poort (zij) hebben blootgelegd en (hij) besneed (...) hem alle man alle voer uit! poort (zij) hebben blootgelegd
25.
en wees bij (de) dag (de) derde bij te zijn (...) hen zoals vader (...) hen en (zij) namen tweede bouw! Jakob Simeon en Levi broer Dina man (zij) zijn vernield en voert in! op (hij) heeft opgemerkt veiligheid en (zij) doodden alle man
26.
en (tot) ernstige en (tot) schouder bij ons (zij) hebben gedood aan mond van zwaard en (zij) namen (tot) Dina van huis schouder en voert uit!
27.
bouw! Jakob (zij) zijn gekomen op de doden en (zij) minachtten (hij) heeft opgemerkt die verklaart onrein! zus (...) hen
28.
(tot) kleinvee (...) hen en (tot) rundvee (...) hen en (tot) ezeldrijvers (...) hen en (tot) die bij (de) stad en (tot) die bij (het) veld (zij) hebben genomen
29.
en (tot) alle macht (...) hen en (tot) alle kleine kinderen (...) hen en (tot) vrouwen (...) hen woont! en (zij) minachtten en (tot) alle die bij (het) huis
30.
en (hij) sprak Jakob naar Simeon en naar Levi OKRTM (met) mij LEBAISNI bij (de) inwoner het land bij (de) Kanaänitische en bij (de) Fereziet en ik wanneer? getal en (wij) verzamelden (...) hem op mij en (zij) hebben geslagen (...) mij WNSMDTI ik en huis-en van
31.
en (zij) spraken EKZWNE (zij) heeft gemaakt (tot) zus (...) ons

Hoofdstuk 35

1.
en (hij) sprak God naar Jakob sta op! blad huis naar en woon! daar en (hij) heeft gedaan daar altaar tot God (is het zo) dat (wij) lieten zien naar jou bij (de) vlucht (...) jou van aanzicht van Ezau broers (...) jou
2.
en (hij) sprak Jakob naar huis (...) hem en naar alle die met hem (is het zo) dat (zij) zijn afgeweken (tot) mijn God het vreemde land die temidden van jullie en (zij) hebben zich gezuiverd WEHLIPW jurken (...) jullie
3.
en (wij) wraakten (er)naar en (wij) verhieven huis naar en (ik) werd gedaan daar altaar tot God (is het zo) dat (hij) heeft geantwoord (met) mij bij (de) dag ellende (...) mij en wees met mij bij (de) weg die (ik) ben gegaan
4.
en (zij) gaven naar Jakob (tot) alle mijn God het vreemde land die bij (hij) leek en (tot) de neusringen die bij (de) oren (...) hen en (hij) verborg (met) hen Jakob in de plaats van (de) deze die met schouder
5.
en (zij) reisden en wees HTT God op de steden die XBIBWTIEM noch (zij) hebben achtervolgd na bouw! Jakob
6.
en (hij) kwam Jakob LWZE die bij (het) land Kanaän hij huis naar hij en alle het volk die met hem
7.
en (hij) bouwde daar altaar en (hij) noemde aan plaats naar huis naar dat daar NCLW naar hem naar God bij (zij) zijn gevlucht van aanzicht van broers (...) hem
8.
en (zij) stierf woord MINQT Rebekka en (zij) begroef onder vandaan aan huis naar in de plaats van de eik en (hij) noemde zijn naam eik BKWT
9.
en gezien God naar Jakob nog (eens) bij (het) komen MPDN Syrië en (hij) zegende (met) hem
10.
en (hij) sprak als God naam (...) jou Jakob niet (hij) noemde naam (...) jou nog (eens) Jakob dat als Israël (hij) was naam (...) jou en (hij) noemde (tot) zijn naam Israël
11.
en (hij) sprak als God ik naar Sjadai koe en veelheid volk en menigte volken (hij) was (van)uit jou en koningen MHLßIK voert uit!
12.
en (tot) het land die (ik) heb gegeven aan Abraham en aan Izak aan jou (ik) zal geven en aan nakomelingen (...) jou na jou (met) hen (tot) het land
13.
en (hij) verhief ontvreemd! (...) hem God bij (de) plaats die woord (met) hem
14.
en zet vast! Jakob monument bij (de) plaats die woord (met) hem monument van steen en (hij) goot uit op haar uitgieting en (hij) heeft uitgegoten op haar olie
15.
en (hij) noemde Jakob (tot) daar de plaats die woord (met) hem daar God huis naar
16.
en (zij) reisden van huis naar en wees nog (eens) een stuk van het land te komen Efrath en (jij) baarde Rachel en (zij) werd hard BLDTE
17.
en wees BEQSTE BLDTE en (jij) sprak aan haar (is het zo) dat help(t) bij de geboorte naar (jij) vreesde dat ook dit aan jou zoon
18.
en wees bij uit te gaan (wij) verbreidden ons dat (zij) is gestorven en (jij) noemde zijn naam zoon krachten van en vader (...) hem (hij) heeft genoemd als Benjamin
19.
en (zij) stierf Rachel en (zij) begroef bij (de) weg Efrath hij huis brood
20.
en zet vast! Jakob monument op (jij) hebt begraven (er)naar hij monument van (jij) hebt begraven Rachel tot vandaag
21.
en (hij) reisde Israël en (hij) neeg naar tent MELAE tot van grootheid kudde
22.
en wees bij (de) buurman Israël bij (het) land dat en (hij) ging Ruben en (hij) lag neer (tot) panische angst bijvrouw vader (...) hem en (hij) hoorde toe Israël en (zij) waren bouw! Jakob twee rijkdom
23.
bouw! Lea eerstgeborene Jakob Ruben en Simeon en Levi en Juda en Issaschar en Zebulon
24.
bouw! Rachel Jozef en Benjamin
25.
en bouw! panische angst dat (hij) is minder geworden Rachel Dan en Nafthali
26.
en bouw! Zilpa dat (hij) is minder geworden Lea Gad en die deze bouw! Jakob die kind als BPDN Syrië
27.
en (hij) kwam Jakob naar Izak vader (...) hem Mamre Stad van de vier hij Hebron die vreemdeling daar Abraham en Izak
28.
en (zij) waren dagen van Izak honderd jaar en tachtig jaar
29.
en (hij) stierf Izak en (hij) stierf en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem baard en zeven dagen en (zij) begroeven (met) hem Ezau en Jakob zonen (...) hem

Hoofdstuk 36

1.
en deze nakomelingen Ezau hij Edom
2.
Ezau lering (tot) vrouwen (...) hem om te bouwen Kanaän (tot) getuige dochter Elon de angsten van en (tot) Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord dochter ßBOWN de Heviet
3.
en (tot) bij (jij) hebt geplaatst dochter Ismaël zus NBIWT
4.
en (jij) baarde getuige aan Ezau (tot) Elifaz en bij (de) haar naam van (zij) heeft gebaard (tot) Rehuël
5.
en Aholibama (zij) heeft gebaard (tot) IOIS en (tot) (hij) verhief (...) hen en (tot) ijs deze bouw! Ezau die helpt bij de geboorte! als bij (het) land Kanaän
6.
en (hij) nam Ezau (tot) vrouwen (...) hem en (tot) zonen (...) hem en (tot) dochters (...) hem en (tot) alle zielen huis (...) hem en (tot) bezit (...) hem en (tot) alle vee (...) hem en (tot) alle (wij) hebben gekocht die RKS bij (het) land Kanaän en (hij) ging naar land van aanzicht van Jakob broers (...) hem
7.
dat (hij) is geweest RKWSM meerderheid om te wonen samen noch (zij) heeft gekund land MCWRIEM te dragen (met) hen van aanzicht van van nesten (...) hen
8.
en inwoner Ezau bij (de) heuvel bok Ezau hij Edom
9.
en deze nakomelingen Ezau vader Edom bij (de) heuvel bok
10.
deze namen bouw! Ezau Elifaz zoon getuige vuur van Ezau Rehuël zoon bij (jij) hebt geplaatst vuur van Ezau
11.
en (zij) waren bouw! Elifaz Zuiden spreek(t) (zij) hebben uitgekeken en (jullie) zijn gestorven en Kenaz
12.
en (jij) hield terug (zij) is geweest bijvrouw aan Elifaz zoon Ezau en (jij) baarde aan Elifaz (tot) Amelek deze bouw! getuige vuur van Ezau
13.
en deze bouw! Rehuël (hij) is geland en glans daarnaar (-s) en hiervandaan deze (zij) zijn geweest bouw! bij (jij) hebt geplaatst vuur van Ezau
14.
en deze (zij) zijn geweest bouw! Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord dochter ßBOWN vuur van Ezau en (jij) baarde aan Ezau (tot) IOIS en (tot) (hij) verhief (...) hen en (tot) ijs
15.
deze aanvoerders van bouw! Ezau bouw! Elifaz eerstgeborene Ezau aanvoerder Zuiden aanvoerder spreek(t) aanvoerder (zij) hebben uitgekeken aanvoerder Kenaz
16.
aanvoerder ijs aanvoerder (jullie) zijn gestorven aanvoerder Amelek deze aanvoerders van Elifaz bij (het) land Edom deze bouw! getuige
17.
en deze bouw! Rehuël zoon Ezau aanvoerder (hij) is geland aanvoerder glans aanvoerder daarnaar (-s) aanvoerder hiervandaan deze aanvoerders van Rehuël bij (het) land Edom deze bouw! bij (jij) hebt geplaatst vuur van Ezau
18.
en deze bouw! Aholibama vuur van Ezau aanvoerder IOWS aanvoerder (hij) verhief (...) hen aanvoerder ijs deze aanvoerders van Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord vuur van Ezau
19.
deze bouw! Ezau en deze aanvoerders (...) hen hij Edom
20.
deze bouw! bok (is het zo) dat ontbrand! inwoners van het land Lotan en Sobal WßBOWN en (hij) heeft geantwoord
21.
WDSWN en berging en (hij) heeft bemest deze aanvoerders van (is het zo) dat ontbrand! bouw! bok bij (het) land Edom
22.
en (zij) waren bouw! Lotan ontbrand! en de dag (...) hen en zus Lotan (jij) hield terug
23.
en deze bouw! Sobal (zij) zijn opgegaan (...) hen en geschenk van en Ebal SPW en kracht (...) hen
24.
en deze bouw! ßBOWN en waar? en (hij) heeft geantwoord hij (hij) heeft geantwoord die (hij) heeft gevonden (tot) de dag (...) hen bij (de) woestijn bij (de) medemens (...) hem (tot) de ezeldrijvers LßBOWN vader (...) hem
25.
en deze bouw! (hij) heeft geantwoord vette en Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord
26.
en deze bouw! (hij) heeft bemest (hij) heeft begeerd (...) hen en (ik) woonde (...) hen en rest (...) hen en veld (...) hen
27.
deze bouw! berging echtgenoten (...) hen WZOWN WOQN
28.
deze bouw! (hij) heeft bemest Uz en ark
29.
deze aanvoerders van (is het zo) dat ontbrand! aanvoerder Lotan aanvoerder Sobal aanvoerder ßBOWN aanvoerder (hij) heeft geantwoord
30.
aanvoerder vette aanvoerder berging aanvoerder (hij) heeft bemest deze aanvoerders van (is het zo) dat ontbrand! LALPIEM bij (het) land bok
31.
en deze de koningen die (zij) hebben geheerst bij (het) land Edom voor koning koning aan zonen van Israël
32.
en (hij) heerste bij Edom slechtheid zoon bij (de) huid en naam [van] (zij) hebben blootgelegd DNEBE
33.
en (hij) stierf slechtheid en (hij) heerste in de plaats van hem Jobab zoon glans versterkte
34.
en (hij) stierf Jobab en (hij) heerste in de plaats van hem (hij) heeft zich gehaast (...) hen van land de Themaniet
35.
en (hij) stierf (hij) heeft zich gehaast (...) hen en (hij) heerste in de plaats van hem Hadad zoon eenzame (de) geslagen (tot) Midian bij (het) veld Moab en naam [van] (zij) hebben blootgelegd OWIT
36.
en (hij) stierf Hadad en (hij) heerste in de plaats van hem jurk MMSRQE
37.
en (hij) stierf jurk en (hij) heerste in de plaats van hem dodenrijk van pleinen de rivier
38.
en (hij) stierf dodenrijk en (hij) heerste in de plaats van hem echtgenoot (hij) heeft gratie verleend zoon Achbor
39.
en (hij) stierf echtgenoot (hij) heeft gratie verleend zoon Achbor en (hij) heerste in de plaats van hem pracht en naam [van] (zij) hebben blootgelegd POW en naam [van] vuur (...) hem MEIÐBAL dochter MÐRD dochter water van goud
40.
en deze namen aanvoerders van Ezau aan families (...) hen LMQMTM bij (jullie) hebben geplaatst aanvoerder (jij) hield terug aanvoerder gebladerdte aanvoerder ITT
41.
aanvoerder Aholibama aanvoerder deze aanvoerder PINN
42.
aanvoerder Kenaz aanvoerder Zuiden aanvoerder versterkte
43.
aanvoerder MCDIAL aanvoerder stad (...) hen deze aanvoerders van Edom tot van sabbat (...) hen bij (het) land (jullie) hebben gegrepen hij Ezau vader Edom

Hoofdstuk 37

1.
en inwoner Jakob bij (het) land om te wonen (...) mij vader (...) hem bij (het) land Kanaän
2.
deze nakomelingen Jakob Jozef zoon zeven tien jaar (hij) is geweest herder (tot) broers (...) hem bij (het) kleinvee en hij jeugd (tot) bouw! panische angst en (tot) bouw! Zilpa vrouwen van vader (...) hem en (hij) kwam Jozef (tot) lasterpraat (...) hen herder naar vaders (...) hen
3.
en Israël (hij) heeft liefgehad (tot) Jozef van alle zonen (...) hem dat zoon baarden hij als en (hij) heeft gedaan als hemd strepen
4.
en (zij) lieten zien broers (...) hem dat (met) hem (hij) heeft liefgehad vaders (...) hen van alle broers (...) hem en (zij) haatten (met) hem noch (zij) hebben gekund spreekt! te betalen
5.
en (hij) droomde Jozef droom en (hij) werd verteld aan broers (...) hem en (zij) lieten toevoegen nog (eens) (hij) heeft gehaat (met) hem
6.
en (hij) sprak naar hen (zij) hebben toegehoord toch de droom deze die (ik) heb gedroomd
7.
en hier is wij van stomme (mv) stomme (mv) binnen het veld en hier is (zij) is opgestaan ALMTI en ook naar heft en hier is (jij) legde opzij (...) haar ALMTIKM en (jij) boog je diep (...) hen LALMTI
8.
en (zij) spraken als broers (...) hem kroon! (zij) heerste op ons als heers! (zij) heerste bij ons en (zij) lieten toevoegen nog (eens) (hij) heeft gehaat (met) hem op (ik) heb gedroomd (...) hem en op woorden (...) hem
9.
en (hij) droomde nog (eens) droom andere en (hij) vertelde (met) hem aan broers (...) hem en (hij) sprak hier is (ik) heb gedroomd droom nog (eens) en hier is de zon en de maan en één rijkdom sterren buigen zich diep aan mij
10.
en (hij) vertelde naar vader (...) hem en naar broers (...) hem en (hij) bestrafte bij hem vader (...) hem en (hij) sprak als wat? de droom deze die (jij) hebt gedroomd de komst (wij) kwamen ik en moeder (...) jou en broers (...) jou zich diep te buigen aan jou naar land
11.
en (zij) waren jaloers bij hem broers (...) hem en vader (...) hem bewaar! (tot) het woord
12.
en (zij) gingen broers (...) hem te achtervolgen (tot) kleinvee vaders (...) hen bij (de) schouder
13.
en (hij) sprak Israël naar Jozef immers broers (...) jou kwaden bij (de) schouder ga! (er)naar en (ik) zond weg (...) jou naar hen en (hij) sprak als hier ben ik
14.
en (hij) sprak als aan jou toch (hij) heeft gezien (tot) vrede broers (...) jou en (tot) vrede het kleinvee en geef terug! (...) mij woord en (zij) zondden weg (...) hem van diepte Hebron en (hij) kwam dat (zij) is opgestaan
15.
en (zij) vondden (...) hem man en hier is (hij) is verkeerd gelopen bij (het) veld WISALEW de man te spreken wat? (jij) zocht
16.
en (hij) sprak (tot) broer ik zoek(t) (zij) heeft verteld toch aan mij (ik) was mooi zij kwaden
17.
en (hij) sprak de man (zij) hebben gereisd hiervandaan dat (ik) heb toegehoord woorden (wij) gingen (er)naar DTINE en (hij) ging Jozef andere broers (...) hem en (hij) vond (...) hen bij (de) wet (...) hen
18.
en (zij) lieten zien (met) hem afstand en voordat (hij) bracht nader naar hen WITNKLW (met) hem te doden (...) hem
19.
en (zij) spraken man naar broers (...) hem hier is echtgenoot de dromen ELZE (hij) is gekomen
20.
en nu ga(a)t! WNERCEW WNSLKEW bij één (de) zuivere (mv) en (wij) hebben gesproken dier herder AKLTEW en (wij) lieten zien wat? (zij) waren (ik) heb gedroomd (...) hem
21.
en (hij) hoorde toe Ruben WIßLEW van hand (...) hen en (hij) sprak niet (wij) bereidden (...) hem ziel
22.
en (hij) sprak naar hen Ruben naar (jullie) stortten bloed (zij) hebben afgeworpen (met) hem naar de put deze die bij (de) woestijn en hand naar (jullie) zondden weg bij hem opdat (hij) heeft gered (met) hem van hand (...) hen terug te geven (...) hem naar vader (...) hem
23.
en wees zoals (hij) is gekomen Jozef naar broers (...) hem WIPSIÐW (tot) Jozef (tot) katoen (...) hem (tot) hemd de strepen die op hem
24.
en (zij) namen (...) hem en (zij) gingen neer (met) hem naar het graan en de put lege (er is) niet bij hem water
25.
en (zij) hebben gewoond aan eten brood en (zij) droegen ogen (...) hen en (zij) lieten zien en hier is (jij) hebt gastvrijheid verleend ISMOALIM kom(t) van gedenkteken en kamelen (...) hen dragers NKAT en schep! WLÐ gaan LEWRID naar Egypte
26.
en (hij) sprak Juda naar broers (...) hem wat? voordeel dat NERC (tot) broers (...) ons en (wij) hebben bedekt (tot) (zij) hebben geleken
27.
ga(a)t! WNMKRNW LISMOALIM en hand (...) ons naar (zij) was bij hem dat broers (...) ons bij (wij) hebben gezongen hij en (zij) hoorden toe broers (...) hem
28.
en (zij) gingen voorbij mensen van rechten XHRIM en (zij) troken en (zij) verhieven (tot) Jozef vanuit de put en (zij) verkochten (tot) Jozef LISMOALIM bij twintig zilver en (zij) brachten (tot) Jozef naar Egypte
29.
en inwoner Ruben naar de put en hier is (er is) niet Jozef bij (de) put en (hij) scheurde (tot) kledingstukken (...) hem
30.
en inwoner naar broers (...) hem en (hij) sprak het kind hij is (er) niet en ik waarheen? ik (hij) is gekomen
31.
en (zij) namen (tot) hemd Jozef en (zij) slachtten bok geiten en (zij) doopten (tot) de hemd bij (het) bloed
32.
en (zij) zondden weg (tot) hemd de strepen en (zij) brachten naar vaders (...) hen en (zij) spraken deze (wij) hebben gevonden herken! toch de hemd zoon (...) jou hij als niet
33.
en (hij) herkende (er)naar en (hij) sprak hemd bouw! dier herder AKLTEW prooi prooi Jozef
34.
en (hij) scheurde Jakob jurken (...) hem en pas toe! zak bij (de) lendenen (...) hem en (hij) rouwde op bij ons dagen twisten
35.
en (zij) wraakten alle zonen (...) hem en alle dochters (...) hem te troosten (...) hem en (hij) weigerde LETNHM en (hij) sprak dat (ik) daalde naar bouw! rouw vraag en (hij) weende (met) hem vader (...) hem
36.
WEMDNIM (zij) hebben verkocht (met) hem naar Egypte LPWÐIPR hoveling farao aanvoerder de slagers

Hoofdstuk 38

1.
en wees bij (de) tijd dat en (hij) is gedaald Juda honderd broers (...) hem en (hij) neeg tot man ODLMI en zijn naam HIRE
2.
en gezien daar Juda dochter man Kanaänitische en zijn naam schreeuw om hulp! en (hij) nam (er)naar en (hij) kwam vetstaart
3.
en (zij) werd zwanger en (jij) baarde zoon en (hij) noemde (tot) zijn naam wakkere
4.
en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) noemde (tot) zijn naam kracht (...) hen
5.
en (jij) voegde toe nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) noemde (tot) zijn naam Sela en (hij) is geweest BKZIB BLDTE (met) hem
6.
en (hij) nam Juda vrouw aan wakkere eerstgeborene (...) hem en daarnaar (-s) dadel
7.
en wees wakkere eerstgeborene Juda kwaad bij bestudeer! Jahweh en (zij) stierven (...) hem Jahweh
8.
en (hij) sprak Juda aan kracht (...) hen (hij) is gekomen naar vuur van broers (...) jou WIBM (met) haar en vestig! nakomelingen aan broers (...) jou
9.
en (hij) heeft geweten kracht (...) hen dat niet als (hij) was de nakomelingen en (hij) is geweest als (hij) is gekomen naar vuur van broers (...) hem en kuil naar land opdat niet (hij) heeft gegeven nakomelingen aan broers (...) hem
10.
en (hij) achtervolgde bij bestudeer! Jahweh die (hij) heeft gedaan en (hij) stierf ook (met) hem
11.
en (hij) sprak Juda op te rijzen schoondochter (...) hem gevangenschap weduwe huis vader (...) jou tot (hij) groeide Sela bouw! dat woord opdat niet (hij) stierf ook hij zoals broers (...) hem en (jij) ging dadel en (jij) woonde huis naar vader
12.
en (zij) vermeerderden de dagen en (zij) stierf dochter schreeuw om hulp! vuur van Juda en (hij) troostte Juda en (hij) verhief op CZZI ga uit! (...) ons hij WHIRE zijn vriend EODLMI naar Timna
13.
en (hij) werd verteld op te rijzen te spreken hier is schoonvaders (...) jou blad naar Timna LCZ ga uit! (...) ons
14.
en (zij) week af bij (het) bokje ALMNWTE van opgang en (zij) bedekte BßOIP WTTOLP en (jij) woonde bij (de) opening ogen die op weg naar Timna dat (zij) heeft gezien dat grootheid Sela en hij niet (zij) heeft gegeven als aan vrouw
15.
en vrees Juda en (hij) berekende (er)naar te onderhouden (er)naar dat (zij) heeft bedekt naar aanzicht van
16.
en (hij) neeg vetstaart naar de weg en (hij) sprak vooruit! toch (ik) kwam naar jou dat niet (hij) heeft geweten dat schoondochter (...) hem hij en (jij) sprak wat? te geven (...) hen aan mij dat (jij) kwam naar mij
17.
en (hij) sprak ik (ik) zond weg bokje geiten vanuit het kleinvee en (jij) sprak als te geven (...) hen (zij) zijn aangenaam geweest (...) hen tot wapen (...) jou
18.
en (hij) sprak wat? (is het zo) dat (zij) zijn aangenaam geweest (...) hen die (met) hen aan jou en (jij) sprak HTMK en snoer (...) jou en (hij) heeft gewankeld (...) jou die bij (de) hand (...) jou en (hij) gaf aan haar en (hij) kwam vetstaart en (zij) werd zwanger als
19.
en (zij) stond op en (jij) ging en (zij) week af ßOIPE van opgang en (zij) bekleedde zich bij (het) bokje ALMNWTE
20.
en (hij) zond weg Juda (tot) bokje de geiten bij (de) hand zijn vriend EODLMI (jij) hebt genomen (is het zo) dat (zij) zijn aangenaam geweest (...) hen van hand de vrouw noch (zij) heeft gevonden
21.
en (hij) vroeg (tot) mens (...) mij MQME te spreken waar? de tempel-prostituee hij bij (de) ogen op de weg en (zij) spraken niet (zij) is geweest hier tempel-prostituee
22.
en inwoner naar Juda en (hij) sprak niet (ik) heb gevonden (er)naar en ook mens (...) mij de plaats (zij) hebben gesproken niet (zij) is geweest hier tempel-prostituee
23.
en (hij) sprak Juda (jij) nam aan haar opdat niet (wij) waren te minachten hier is (ik) heb gezonden het bokje deze en (met) haar niet om uit te gaan (er)naar
24.
en wees KMSLS maanden en (hij) werd verteld aan Juda te spreken (zij) heeft gehoereerd dadel schoondochter (...) jou en ook hier is naar heuvel aan hoererij en (hij) sprak Juda (zij) hebben tevoorschijn gehaald (er)naar en (jij) verbrandde
25.
hij word(t) tevoorschijn gehaald en zij (zij) heeft gezonden naar naar schoonvader te spreken aan man die deze als ik naar heuvel en (jij) sprak herken! toch aan water van EHTMT en de snoeren en de stam (de) deze
26.
en (hij) groef Juda en (hij) sprak weldadigheid (van)uit mij dat op zo niet (ik) heb gegeven (er)naar aan Sela bouw! noch (hij) heeft toegevoegd nog (eens) te weten (er)naar
27.
en wees bij (de) tijd naar aan wet en hier is TAWMIM naar bij (de) buik
28.
en wees BLDTE en (hij) gaf hand en (jij) nam (is het zo) dat help(t) bij de geboorte en (jij) verbond op (hij) bedankte tweede te spreken dit uitgaande in de eerste plaats
29.
en wees als geef(t) terug (hij) bedankte en hier is uitgaande broers (...) hem en (jij) sprak wat? (jij) hebt doorgebroken op jou doorbraak en (hij) noemde zijn naam doorbraak
30.
en andere uitgaande broers (...) hem die op (hij) bedankte (de) tweede en (hij) noemde zijn naam glans

Hoofdstuk 39

1.
en Jozef (hij) is naar beneden gehaald naar Egypte en (hij) kocht (...) hem PWÐIPR hoveling farao aanvoerder de slagers man Egyptenaar van hand EISMOALIM die (zij) is naar beneden gehaald (...) hem daarnaar (-s)
2.
en wees Jahweh (tot) Jozef en wees man slaag(t) en wees bij (het) huis liggers (...) hem de Egyptenaar
3.
en gezien liggers (...) hem dat Jahweh (met) hem en alle die hij (hij) heeft gedaan Jahweh slaag(t) bij (hij) bedankte
4.
en (hij) vond Jozef gratie bij (de) ogen (...) hem en (jij) hebt geeffend (met) hem en (zij) bevalen (...) hem op huis (...) hem en alle er is als (hij) heeft gegeven bij (hij) bedankte
5.
en wees van destijds (hij) heeft neergelegd (met) hem bij (het) huis (...) hem en op alle die er is als en (hij) zegende Jahweh (tot) huis de Egyptenaar wegens Jozef en wees (jij) hebt gezegend Jahweh in alle die er is als bij (het) huis en bij (het) veld
6.
en (hij) verliet alle die als bij (de) hand Jozef noch (hij) heeft geweten (met) hem iets dat als het brood die hij eet en wees Jozef mooie (hij) heeft beschreven en mooie verschijning
7.
en wees andere de woorden (de) deze en (jij) droeg vuur van liggers (...) hem (tot) bestudeer! (er)naar naar Jozef en (jij) sprak (zij) heeft gelegen met mij
8.
en (hij) weigerde en (hij) sprak naar vuur van liggers (...) hem èn liggers van niet (hij) heeft geweten (met) mij wat? bij (het) huis en alle die er is als (hij) heeft gegeven bij (de) handen van
9.
hij is (er) niet grote bij (het) huis deze (van)uit mij noch duisternis (van)uit mij iets dat als jou wat betreft (tot) vuur (...) hem en waar ben jij? (ik) werd gedaan de herder de grootheid (de) deze en (ik) heb gezondigd aan God
10.
en wees zoals woord naar Jozef dag dag noch nieuws vetstaart neer te liggen AßLE te zijn met haar
11.
en wees zoals de dag deze en (hij) kwam naar het huis te doen handwerk (...) hem en (er is) niet man van mens (...) mij het huis daar bij (het) huis
12.
WTTPSEW bij (het) kleed (...) hem te spreken (zij) heeft gelegen met mij en (hij) verliet kleed (...) hem naar bij (de) hand en (hij) vluchtte en uitgaande naar de straat
13.
en wees naar zoals zicht dat (hij) heeft verlaten kleed (...) hem naar bij (de) hand en (hij) vluchtte naar de straat
14.
en (jij) noemde aan mens (...) mij naar huis en (jij) sprak aan hen te spreken (zij) hebben gezien (hij) heeft gebracht aan ons man Hebreeër LßHQ bij ons (hij) is gekomen naar mij neer te liggen met mij en (ik) werd genoemd bij (de) klank grote
15.
en wees als (zij) hebben toegehoord dat de wormen (...) mij klanken van en (ik) werd genoemd en (hij) verliet kleed (...) hem AßLI en (hij) vluchtte en uitgaande naar de straat
16.
en (zij) rustte kleed (...) hem AßLE tot komst liggers (...) hem naar huis (...) hem
17.
en (jij) sprak naar hem zoals woorden (de) deze te spreken (hij) is gekomen naar mij de slaaf de Hebreeër die (jij) hebt gebracht aan ons LßHQ bij mij
18.
en wees als til op! klanken van en (ik) werd genoemd en (hij) verliet kleed (...) hem AßLI en (hij) vluchtte naar de straat
19.
en wees toen liggers (...) hem (tot) spreek! vuur (...) hem die woord naar hem te spreken zoals woorden (de) deze (hij) heeft gedaan aan mij slaaf (...) jou en (hij) ontbrandde neus (...) hem
20.
en (hij) nam liggers van Jozef (met) hem en (hij) gaf (...) hem naar huis de maan plaats die verboden van kroon! verboden en wees daar bij (het) huis de maan
21.
en wees Jahweh (tot) Jozef en (hij) neeg naar hem genade en (hij) gaf (zij) zijn gelegerd bij bestudeer! aanvoerder huis de maan
22.
en (hij) gaf aanvoerder huis de maan bij (de) hand Jozef (tot) alle (is het zo) dat (ik) verwijderde (...) hen die bij (het) huis de maan en (tot) alle die maak! (...) hen daar hij (hij) is geweest (hij) heeft gedaan
23.
(er is) niet aanvoerder huis de maan (hij) heeft gezien (tot) alle iets bij (hij) bedankte wat betreft Jahweh (met) hem en die hij (hij) heeft gedaan Jahweh slaag(t)

Hoofdstuk 40

1.
en wees andere de woorden (de) deze (zij) hebben gezondigd geef(t) te drinken koning Egypte en naar de neus aan liggers (...) hen aan koning Egypte
2.
en (hij) maakte zich kwaad farao op tweede hovelingen (...) hem op aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken en op aanvoerder EAWPIM
3.
en (hij) gaf (met) hen bij bewaar(t) huis aanvoerder de slagers naar huis de maan plaats die Jozef verbod daar
4.
en (hij) beval aanvoerder de slagers (tot) Jozef (met) hen en (jij) hebt geeffend (met) hen en (zij) waren dagen bij bewaar(t)
5.
en (zij) droomden droom die twee man (zij) hebben gedroomd bij (de) nacht één man (zij) hebben dichtgeknoopt (...) hen (zij) hebben gedroomd (is het zo) dat geef(t) te drinken en naar de neus die aan koning Egypte die verboden bij (het) huis de maan
6.
en (hij) kwam naar hen Jozef bij (het) rundvee en gezien (met) hen en hier zijn zij boosheden
7.
en (hij) vroeg (tot) hovelingen van farao die (met) hem bij bewaar(t) huis liggers (...) hem te spreken waarom? aanzichten (...) jullie kwaden vandaag
8.
en (zij) spraken naar hem droom (wij) hebben gedroomd WPTR (er is) niet (met) hem en (hij) sprak naar hen Jozef immers aan God PTRNIM vertelt! toch aan mij
9.
en (hij) vertelde aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken (tot) (zij) hebben gedroomd aan Jozef en (hij) sprak als bij (de) droom (...) mij en hier is wijnstok voor
10.
en bij (de) wijnstok drie SRICM en hij als (jij) hebt gebloeid (zij) is opgegaan NßE EBSILW ASKLTIE druiven
11.
en beker farao bij (de) handen van en (ik) nam (tot) de druiven WASHÐ (met) hen naar beker farao en (met) hen (tot) de beker op lepel farao
12.
en (hij) sprak als Jozef dit PTRNW drie van ESRCIM drie van dagen zij
13.
terwijl drie van dagen (hij) droeg farao (tot) hoofd (...) jou en (hij) heeft teruggegeven (...) jou op fundament (...) jou en (jij) hebt gegeven beker farao bij (hij) bedankte zoals rechtsregel (de) eerste die (jij) bent geweest geef(t) te drinken (...) hem
14.
dat als (jullie) hebben je herinnerd (...) mij (met) jou zoals (hij) was goed aan jou en (jij) hebt gedaan toch met mij genade WEZKRTNI naar farao en (jullie) zijn tevoorschijn gehaald (...) mij vanuit het huis deze
15.
dat dief (ik) heb gestolen van land (is het zo) dat voorbijgaan en ook mond niet (ik) heb gedaan iets dat zijn naam (met) mij bij (de) put
16.
en gezien aanvoerder de neuzen dat goede PTR en (hij) sprak naar Jozef neus ik bij (de) droom (...) mij en hier is drie XLI ontbrand! op hoofden van
17.
WBXL (de) hoogste van alle voedsel farao Mozes naar neus en de vogel eten (met) hen vanuit EXL boven hoofden van
18.
en wegens Jozef en (hij) sprak dit PTRNW drie van EXLIM drie van dagen zij
19.
terwijl drie van dagen (hij) droeg farao (tot) hoofd (...) jou ontvreemd! (...) jou en (hij) heeft opgehangen jou op boom en eten de vogel (tot) vlees (...) jou ontvreemd! (...) jou
20.
en wees bij (de) dag (de) derde dag ELDT (tot) farao en (hij) heeft gemaakt banket aan alle slaven (...) hem en (hij) droeg (tot) hoofd aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken en (tot) hoofd aanvoerder de neuzen binnen slaven (...) hem
21.
en inwoner (tot) aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken op geef(t) te drinken (...) hem en (hij) gaf de beker op lepel farao
22.
en (tot) aanvoerder de neuzen (hij) heeft opgehangen zoals PTR aan hen Jozef
23.
noch man aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken (tot) Jozef en (zij) lieten vergeten (...) hem

Hoofdstuk 41

1.
en wees van eind twee jaren dagen en farao (hij) heeft gedroomd en hier is sta vast! op de rivier
2.
en hier is vanuit de rivier opgaan zeven vruchten mooie (mv) verschijning WBRIAT vlees en (jullie) achtervolgden bij (de) broer (...) hem
3.
en hier is zeven vruchten andere (mv) beklimmingen na hen vanuit de rivier medemensen verschijning en dunne (mv) vlees en (jullie) stondden vast naast de vruchten op oever van de rivier
4.
en (jullie) aten de vruchten medemensen de verschijning WDQT het vlees (tot) zeven de vruchten Jafeth de verschijning WEBRIAT en (hij) werd wakker farao
5.
WIISN en (hij) droomde ten tweede en hier is zeven uitlopers beklimmingen bij (de) buis één BRIAWT en goede (mv)
6.
en hier is zeven uitlopers dunne (mv) WSDWPT Oosten ßMHWT na hen
7.
en (jij) slikte (...) haar de uitlopers (de) dunne (mv) (tot) zeven de uitlopers EBRIAWT WEMLAWT en (hij) werd wakker farao en hier is droom
8.
en wees bij (het) rundvee WTPOM wind (...) hem en (hij) zond weg en (hij) noemde (tot) alle HRÐMI Egypte en (tot) alle word wijs! (er)naar en (hij) vertelde farao aan hen (tot) (zij) hebben gedroomd en (er is) niet oplosser hen aan farao
9.
en (hij) sprak aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken (tot) farao te spreken (tot) zondig! ik sekretaris vandaag
10.
farao woede op slaven (...) hem en (hij) gaf (met) mij bij bewaar(t) huis aanvoerder de slagers (met) mij en (tot) aanvoerder de neuzen
11.
WNHLME droom bij (de) nacht één ik en hij man (zij) hebben dichtgeknoopt (...) hen (zij) hebben gedroomd (wij) hebben gedroomd
12.
en naam [van] (met) ons jeugd Hebreeër slaaf aan aanvoerder de slagers en (wij) vertelden als WIPTR aan ons (tot) (ik) heb gedroomd (...) ons man als (zij) hebben gedroomd PTR
13.
en wees zoals PTR aan ons zo (hij) is geweest (met) mij (hij) heeft teruggegeven op fundamenten van en (met) hem (hij) heeft opgehangen
14.
en (hij) zond weg farao en (hij) noemde (tot) Jozef WIRIßEW vanuit de put WICLH WIHLP jurken (...) hem en (hij) kwam naar farao
15.
en (hij) sprak farao naar Jozef droom (ik) heb gedroomd WPTR (er is) niet (met) hem en ik (ik) heb toegehoord op jou te spreken (jij) hoorde toe droom LPTR (met) hem
16.
en wegens Jozef (tot) farao te spreken uitgezonderd God (hij) antwoordde (tot) vrede farao
17.
en (hij) sprak farao naar Jozef bij droom! hier ben ik sta vast! op oever van de rivier
18.
en hier is vanuit de rivier opgaan zeven vruchten BRIAWT vlees en Jafeth (hij) heeft beschreven en (jullie) achtervolgden bij (de) broer (...) hem
19.
en hier is zeven vruchten andere (mv) beklimmingen na hen armelijke (mv) en medemensen (hij) heeft beschreven zeer en lege (mv) vlees niet (ik) heb gezien zoals zij in alle land Egypte aan kwaad
20.
en (jullie) aten de vruchten (de) lege (mv) en de medemensen (tot) zeven de vruchten (de) eerste (mv) EBRIAT
21.
en (zij) kwam (...) haar naar naar offer noch (wij) werden bekend dat (zij) zijn gekomen naar naar offer WMRAIEN kwaad zoals bij (het) begin WAIQß
22.
en (ik) zag bij droom! en hier is zeven uitlopers opgaan bij (de) buis één (jij) bent vol geweest en goede (mv)
23.
en hier is zeven uitlopers ßNMWT dunne (mv) SDPWT Oosten ßMHWT na hen
24.
en (jij) slikte (...) hen de uitlopers EDQT (tot) zeven de uitlopers (de) goede (mv) en woord naar EHRÐMIM en (er is) niet vertel(t) aan mij
25.
en (hij) sprak Jozef naar farao droom farao één hij (tot) die naar God (hij) heeft gedaan (hij) heeft verteld aan farao
26.
zeven koe van (jij) hebt goed gedaan zeven twee hier is en zeven de uitlopers (jij) hebt goed gedaan zeven twee hier is droom één hij
27.
en zeven de vruchten (de) lege (mv) en (jij) hebt gejuicht (is het zo) dat opgaan na hen zeven twee hier is en zeven de uitlopers (de) lege (mv) SDPWT het Oosten (zij) waren zeven tweede honger
28.
hij het woord die woord (...) mij naar farao die naar God (hij) heeft gedaan (hij) heeft laten zien (tot) farao
29.
hier is zeven twee komen zeven grote in alle land Egypte
30.
en (zij) zijn opgestaan zeven tweede honger na hen en (hij) is vergeten alle de zeven bij (het) land Egypte en schoondochter de honger (tot) het land
31.
noch (hij) werd bekend de zeven bij (het) land van aanzicht van de honger dat na zo dat lever hij zeer
32.
en op de jaren de droom naar farao twee keer dat juiste het woord bij vandaan naar God en haast zich naar God te maken (...) hem
33.
en nu gezien farao man verstandige en wijze en (zij) legden (...) hem op land Egypte
34.
(zij) heeft gemaakt farao en (hij) beval opnamen op het land en vijf (tot) land Egypte bij zeven tweede de zeven
35.
en (zij) verzamelden (tot) alle eten de twee (de) goede (mv) (jij) hebt gebracht (de) deze WIßBRW graan in de plaats van hand farao eten bij (de) steden en bewaart!
36.
en (hij) is geweest voed! LPQDWN aan land aan zeven tweede de honger die (jij) was (...) hen bij (het) land Egypte noch (jij) zult uitgeroeid worden het land bij (de) honger
37.
en (hij) was goed het woord bij bestudeer! farao en bij (de) ogen van alle slaven (...) hem
38.
en (hij) sprak farao naar slaven (...) hem (is het zo) dat (wij) vondden zoals dit man die wind God bij hem
39.
en (hij) sprak farao naar Jozef na (hij) heeft meegedeeld God jou (tot) alle deze (er is) niet verstandige en wijze zoals jij
40.
(met) haar (jij) was op huis-en van en op monden (...) jou (hij) gaf te drinken alle met mij lege de stoel (ik) kweekte (van)uit jou
41.
en (hij) sprak farao naar Jozef (hij) heeft gezien (ik) heb gegeven (met) jou op alle land Egypte
42.
en (hij) week af farao (tot) ring (...) hem boven (hij) bedankte en (hij) gaf (met) haar op hand Jozef en (hij) bekleedde zich (met) hem bij (het) bokje zes en pas toe! RBD het goud op hals (...) hem
43.
en (hij) reed (met) hem bij (de) rijtuig van wijkt! die als en (zij) noemden voor hem (ik) zegende en geschonken (met) hem op alle land Egypte
44.
en (hij) sprak farao naar Jozef ik farao WBLODIK niet (hij) tilde op man (tot) (hij) bedankte en (tot) voet (...) hem in alle land Egypte
45.
en (hij) noemde farao daar Jozef ßPNT PONH en (hij) gaf als (tot) AXNT dochter PWÐI PRO priester AN aan vrouw en uitgaande Jozef op land Egypte
46.
en Jozef zoon dertig jaar bij sta(a)t vast! voor farao koning Egypte en uitgaande Jozef weg van aanzicht van farao en (hij) ging voorbij in alle land Egypte
47.
en (jij) maakte het land bij zeven tweede de zeven LQMßIM
48.
en (hij) verzamelde (tot) alle eten zeven twee die (zij) zijn geweest bij (het) land Egypte en (hij) gaf eten bij (de) steden eten veld (hij) heeft opgemerkt die naar omgevingen (hij) heeft gegeven naar bij (het) midden
49.
WIßBR Jozef graan zoals zand de zee veel zeer tot dat (hij) heeft opgehouden te vertellen dat (er is) niet getal
50.
en aan Jozef kind tweede zonen voordat (jij) kwam jaar van de honger die (zij) heeft gebaard als AXNT dochter PWÐI PRO priester kracht
51.
en (hij) noemde Jozef (tot) daar de eerstgeborene Manasse dat (hij) is verlaten (...) mij God (tot) alle zwoeg! en (tot) alle huis vader
52.
en (tot) daar (de) tweede (hij) heeft genoemd Efraïm dat EPRNI God bij (het) land armoede (...) mij
53.
en (jullie) beëindigden zeven tweede de zeven die (hij) is geweest bij (het) land Egypte
54.
en (jullie) werden ziek zeven tweede de honger te komen zoals woord Jozef en wees honger in alle de landen en in alle land Egypte (hij) is geweest brood
55.
en (zij) had honger alle land Egypte en (hij) schreeuwde het volk naar farao aan brood en (hij) sprak farao aan alle Egypte ga(a)t! naar Jozef die (hij) sprak aan jullie (jullie) maakten
56.
en de honger (hij) is geweest op alle aanzicht van het land en (hij) deed open Jozef (tot) alle die bij hen en (hij) brak aan Egypte en (hij) versterkte de honger bij (het) land Egypte
57.
en alle het land (zij) zijn gekomen naar Egypte te verbrijzelen naar Jozef dat kracht de honger in alle het land

Hoofdstuk 42

1.
en gezien Jakob dat er is (hij) heeft gebroken bij Egypte en (hij) sprak Jakob aan zonen (...) hem waarom TTRAW
2.
en (hij) sprak hier is (ik) heb toegehoord dat er is (hij) heeft gebroken bij Egypte daalt! daarnaar (-s) en (zij) hebben gebroken aan ons van daar en (wij) leefden noch (wij) stierven
3.
en (zij) zijn gedaald broer Jozef tien te verbrijzelen graan van Egypte
4.
en (tot) Benjamin broer Jozef niet wapen Jakob (tot) broers (...) hem dat woord opdat niet (hij) noemde (...) ons AXWN
5.
en voert in! bouw! Israël te verbrijzelen binnen die gekomen dat (hij) is geweest de honger bij (het) land Kanaän
6.
en Jozef hij de heerser op het land hij EMSBIR aan alle met het land en voert in! broer Jozef en (zij) bogen zich diep als neuzen naar land
7.
en gezien Jozef (tot) broers (...) hem en (hij) groef (...) hen WITNKR naar hen en (hij) sprak (met) hen harde (mv) en (hij) sprak naar hen vanwaar? (jullie) zijn gekomen en (zij) spraken van land Kanaän te verbrijzelen eten
8.
en (hij) groef Jozef (tot) broers (...) hem en zij niet (is het zo) dat (hij) heeft gegraven (...) hem
9.
en (hij) herinnerde zich Jozef (tot) de dromen die (hij) heeft gedroomd aan hen en (hij) sprak naar hen spionnen (met) hen te zien (tot) worden wakker het land (jullie) zijn gekomen
10.
en (zij) spraken naar hem niet liggers van en slaven (...) jou (zij) zijn gekomen te verbrijzelen eten
11.
als (zij) hebben overnacht bouw! man één (wij) hebben gerust fundamenten wij niet (zij) zijn geweest slaven (...) jou spionnen
12.
en (hij) sprak naar hen niet dat worden wakker het land (jullie) zijn gekomen te zien
13.
en (zij) spraken twee rijkdom slaven (...) jou broers wij bouw! man één bij (het) land Kanaän en hier is de kleine (tot) (wij) hebben gewenst vandaag en de eerste hij is (er) niet
14.
en (hij) sprak naar hen Jozef hij die woord (...) mij naar jullie te spreken spionnen (met) hen
15.
bij deze TBHNW levende farao als (jullie) gingen uit hiervandaan dat als bij (de) komst broers (...) jullie de kleine hier is
16.
zendt weg! (van)uit jullie één en (hij) nam (tot) broers (...) jullie en (met) hen (is het zo) dat (zij) hebben gevangen genomen WIBHNW woorden (...) jullie de waarheid (met) jullie en als niet levende farao dat spionnen (met) hen
17.
en (hij) verzamelde (met) hen naar bewaar(t) drie van dagen
18.
en (hij) sprak naar hen Jozef bij (de) dag (de) derde deze Ezau en (zij) hebben geleefd (tot) naar God ik gezien
19.
als fundamenten (met) hen broers (...) jullie één (hij) nam gevangen bij (het) huis bewaar(t) (...) jullie en (met) hen ga(a)t! (zij) hebben gebracht (hij) heeft gebroken (zij) hebben honger gehad (...) hen huizen (...) jullie
20.
en (tot) broers (...) jullie de kleine (jullie) brachten naar mij WIAMNW woorden (...) jullie noch (jullie) stierven en (zij) hebben gemaakt zo
21.
en (zij) spraken man naar broers (...) hem rouw maak je schuldig! (...) hen wij op broers (...) ons die (wij) hebben gezien ellende van ziel (...) hem BETHNNW naar ons noch (wij) hebben toegehoord op zo kom(t) naar ons de ellende (de) deze
22.
en wegens Ruben (met) hen te spreken immers (ik) heb gesproken naar jullie te spreken naar (jullie) zondigden bij (het) kind noch (jullie) hebben toegehoord en ook (zij) hebben geleken hier is (hij) is verzocht
23.
en zij niet (zij) hebben geweten dat nieuws Jozef dat EMLIß verstand-en (...) hen
24.
en (hij) wendde zich af van hoogtes (...) hen en (hij) weende en inwoner naar hen en (hij) sprak naar hen en (hij) nam van jullie (tot) Simeon en (hij) nam gevangen (met) hem aan ogen (...) hen
25.
en (hij) gaf opdracht Jozef en (zij) waren vol (tot) gereedschappen (...) hen graan en terug te geven zilver-en (...) hen man naar zak (...) hem en te geven aan hen (zij) heeft gevangen aan weg en (hij) heeft gemaakt aan hen zo
26.
en (zij) droegen (tot) (hij) heeft gebroken (...) hen op ezeldrijvers (...) hen en (zij) gingen van daar
27.
en (hij) deed open de één (tot) zak (...) hem te geven MXPWA aan klei (...) hem bij om te overnachten en gezien (tot) als voegt toe! en hier is hij bij (de) mond van AMTHTW
28.
en (hij) sprak naar broers (...) hem EWSB als voeg toe! en ook hier is BAMTHTI en uitgaande hart (...) hen en (zij) schroken man naar broers (...) hem te spreken wat? deze (hij) heeft gedaan God aan ons
29.
en voert in! naar Jakob vaders (...) hen naar land Kanaän en (zij) vertelden als (tot) alle de stad (met) hen te spreken
30.
woord de man liggers van het land (met) ons harde (mv) en (hij) gaf (met) ons zoals spionnen (tot) het land
31.
en (wij) spraken naar hem fundamenten wij niet (wij) zijn geweest spionnen
32.
twee rijkdom wij broers bouw! (wij) hebben gewenst de één hij is (er) niet en de kleine vandaag (tot) (wij) hebben gewenst bij (het) land Kanaän
33.
en (hij) sprak naar ons de man liggers van het land bij deze (ik) wist dat fundamenten (met) hen broers (...) jullie de één (zij) hebben rust gegeven (met) mij en (tot) (zij) hebben honger gehad (...) hen huizen (...) jullie neemt! en ga(a)t!
34.
en (zij) hebben gebracht (tot) broers (...) jullie de kleine naar mij en (ik) wist (er)naar dat niet spionnen (met) hen dat fundamenten (met) hen (tot) broers (...) jullie (met) hen aan jullie en (tot) het land TXHRW
35.
en wees zij van lege (mv) zakken (...) hen en hier is man bundel als voegt toe! bij (de) zak (...) hem en (zij) lieten zien (tot) ßRRWT zilver-en (...) hen deze (mv) en vaders (...) hen en (zij) vreesden
36.
en (hij) sprak naar hen Jakob vaders (...) hen (met) mij SKLTM Jozef hij is (er) niet en Simeon hij is (er) niet en (tot) Benjamin (jullie) namen op mij (zij) zijn geweest kunt!
37.
en (hij) sprak Ruben naar vader (...) hem te spreken (tot) tweede bouw! (jij) doodde als niet (ik) bracht (...) ons naar jou geef! (met) hem op handen van en ik (ik) gaf terug (...) ons naar jou
38.
en (hij) sprak niet (hij) is gedaald bouw! met jullie dat broers (...) hem dode en hij alleen hij geblevene en (zij) heeft genoemd (...) hem AXWN bij (de) weg die (jullie) gingen bij haar en (jullie) zijn naar beneden gehaald (tot) ouderdom (...) mij BICWN naar dodenrijk

Hoofdstuk 43

1.
en de honger lever bij (het) land
2.
en wees zoals kunt! aan eten (tot) (is het zo) dat (hij) heeft gebroken die (zij) hebben gebracht van Egypte en (hij) sprak naar hen vaders (...) hen woont! (zij) hebben gebroken aan ons een beetje eten
3.
en (hij) sprak naar hem Juda te spreken getuig! getuig! bij ons de man te spreken niet (jullie) lieten zien aanzicht van niet broers (...) jullie (met) jullie
4.
als jij bent er zend(t) weg (tot) broers (...) ons (met) ons (wij) daalden (er)naar en (wij) verbrijzelden (er)naar aan jou eten
5.
en als jij bent (er) niet zend(t) weg niet (wij) daalden dat de man woord naar ons niet (jullie) lieten zien aanzicht van niet broers (...) jullie (met) jullie
6.
en (hij) sprak Israël waarom (jullie) hebben gejuicht aan mij te vertellen aan man is er nog? aan jullie broer
7.
en (zij) spraken dodenrijk (hij) heeft gevraagd de man aan ons en aan vaderland (...) ons te spreken is er nog? vader (...) jullie levende is er? aan jullie broer en tegenover als op mond van de woorden (de) deze EIDWO (wij) wisten dat (hij) sprak EWRIDW (tot) broers (...) jullie
8.
en (hij) sprak Juda naar Israël vader (...) hem (zij) heeft gezonden de jeugd (met) mij en (wij) wraakten (er)naar en (wij) gingen (er)naar en (wij) leefden noch (wij) stierven ook wij ook (met) haar ook kleine kinderen (...) ons
9.
ik AORBNW van handen van (jij) zocht (...) ons als niet EBIATIW naar jou WEßCTIW voor jou en (ik) heb gezondigd aan jou alle de dagen
10.
dat LWLA ETMEMENW dat nu (wij) zijn teruggekeerd dit twee keer
11.
en (hij) sprak naar hen Israël vaders (...) hen als zo dus deze Ezau neemt! zing(t) het land bij (de) gereedschappen (...) jullie WEWRIDW aan man geschenk een beetje schep! en een beetje honing NKAT WLÐ BÐNIM en amandelen
12.
en zilver van jaar neemt! bij (de) hand (...) jullie en (tot) het zilver de zetel bij (de) mond van AMTHTIKM (jullie) gaven terug bij (de) hand (...) jullie misschien MSCE hij
13.
en (tot) broers (...) jullie neemt! en sta(a)t op! keert terug! naar de man
14.
en naar Sjadai (hij) gaf aan jullie medelijden voor de man en wapen aan jullie (tot) broers (...) jullie andere en (tot) Benjamin en ik zoals SKLTI SKLTI
15.
en (zij) namen de mensen (tot) het geschenk (de) deze en van jaar zilver (zij) hebben genomen bij (hij) leek en (tot) Benjamin en (zij) wraakten en (zij) zijn gedaald Egypte en (zij) stondden vast voor Jozef
16.
en gezien Jozef (met) hen (tot) Benjamin en (hij) sprak te bevestigen op huis (...) hem wat kwam (tot) de mensen naar het huis en slager slager en bereid voor! dat (met) mij (zij) aten de mensen bij (de) middag
17.
en (hij) heeft gemaakt de man zoals woord Jozef en (hij) kwam de man (tot) de mensen naar huis Jozef
18.
en (zij) vreesden de mensen dat EWBAW huis Jozef en (zij) spraken op woord het zilver geef terug! BAMTHTINW bij (het) begin wij MWBAIM LETCLL op ons WLETNPL op ons en (jij) hebt genomen (met) ons aan slaven en (tot) ezeldrijvers (...) ons
19.
en (zij) zijn genaderd naar de man die op huis Jozef en (zij) spraken naar hem opening het huis
20.
en (zij) spraken bij mij liggers van (hij) is gedaald (wij) zijn gedaald bij (het) begin te verbrijzelen eten
21.
en wees dat (wij) zijn gekomen naar (is het zo) dat om te overnachten en (wij) deedden open (er)naar (tot) AMTHTINW en hier is zilver man bij (de) mond van AMTHTW zilver (...) ons bij (het) gewicht (...) hem en (wij) woonden (met) hem bij (de) hand (...) ons
22.
en zilver andere (wij) zijn naar beneden gehaald bij (de) hand (...) ons te verbrijzelen eten niet (wij) hebben geweten water van daar zilver (...) ons BAMTHTINW
23.
en (hij) sprak vrede aan jullie naar (jullie) vreesden jullie God en mijn God vader (...) jullie (hij) heeft gegeven aan jullie om te verbergen BAMTHTIKM zilver (...) jullie (hij) is gekomen naar mij en (hij) bracht naar buiten naar hen (tot) Simeon
24.
en (hij) kwam de man (tot) de mensen naar huis Jozef en (hij) gaf water en (zij) wasten voeten (...) hen en (hij) gaf MXPWA aan ezeldrijvers (...) hen
25.
en (zij) bereidden voor (tot) het geschenk tot komst Jozef bij (de) middag dat (zij) hebben toegehoord dat daar (zij) aten brood
26.
en (hij) kwam Jozef naar het huis en (zij) brachten als (tot) het geschenk die bij (hij) leek naar het huis en (zij) bogen zich diep als naar land
27.
en (hij) vroeg aan hen volledig te zijn en (hij) sprak de vrede vader (...) jullie de baard die (jullie) hebben gesproken (is het zo) dat hij (...) nog levende
28.
en (zij) spraken vrede te bewerken (...) jou aan vader (...) ons hij (...) nog levende en (zij) hebben gebrand en (hij) boog zich diep
29.
en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien (tot) Benjamin broers (...) hem zoon moeder (...) hem en (hij) sprak deze broers (...) jullie de kleine die (jullie) hebben gesproken naar mij en (hij) sprak God (hij) legerde (...) jou bouw!
30.
en (hij) haastte zich Jozef dat NKMRW baarmoeders (...) hem naar broers (...) hem en (hij) zocht te wenen en (hij) kwam (is het zo) dat (zij) is binnengedrongen en (hij) weende daarnaar (-s)
31.
en (hij) waste aanzichten (...) hem en uitgaande en (hij) bedwong zich en (hij) sprak plaatst! brood
32.
en (zij) plaatsten als alleen hij en aan hen alleen zij en aan Egypte de eten-en (met) hem alleen zij dat niet IWKLWN (is het zo) dat Egypte aan eten (tot) (is het zo) dat voorbijgaan brood dat gruwel hij aan Egypte
33.
en (zij) hebben gewoond voor hem (is het zo) dat trek voor! als (jij) hebt voorgetrokken (...) hem en (de) kleine KßORTW en (hij) verbaasde zich (...) hem de mensen man naar zijn vriend
34.
en (hij) droeg om te dragen honderd aanzichten (...) hem naar hen en (zij) vermeerderde om te dragen Benjamin MMSAT allemaal vijf IDWT en (zij) dronken en (zij) huurden met hem

Hoofdstuk 44

1.
en (hij) gaf opdracht (tot) die op huis (...) hem te spreken (hij) is vol geweest (tot) AMTHT de mensen eten zoals IWKLWN te dragen en plaats! zilver man bij (de) mond van AMTHTW
2.
en (tot) CBIOI CBIO het zilver (jij) plaatste bij (de) mond van AMTHT de kleine en (tot) zilver (zij) hebben gebroken en (hij) heeft gemaakt zoals woord Jozef die woord
3.
het rundvee licht en de mensen zendt weg! deze (mv) en ezeldrijvers (...) hen
4.
zij voert uit! (tot) (hij) heeft opgemerkt niet ERHIQW en Jozef woord te bevestigen op huis (...) hem sta op! (hij) heeft achtervolgd na de mensen en (jullie) hebben bereikt en (jij) hebt gesproken naar hen waarom (jullie) zijn volledig geweest herder in de plaats van goeds
5.
immers dit die (hij) dronk liggers van bij hem en hij slang (hij) vermoedde bij hem (jullie) hebben gejuicht die (jullie) hebben gedaan
6.
WISCM en (hij) sprak naar hen (tot) de woorden (de) deze
7.
en (zij) spraken naar hem waarom (hij) sprak liggers van zoals woorden (de) deze God beware aan slaven (...) jou om te doen zoals woord deze
8.
èn zilver die (wij) hebben gevonden bij (de) mond van AMTHTINW (hij) heeft teruggegeven (...) ons naar jou van land Kanaän en waar ben jij? NCNB van huis liggers (...) jou zilver of goud
9.
die (hij) vond (met) hem bewerken (...) jou en dode en ook wij (wij) waren aan liggers van aan slaven
10.
en (hij) sprak ook nu zoals woorden (...) jullie zo hij die (hij) vond (met) hem (hij) was aan mij slaaf en (met) hen (jullie) waren (wij) vestigden
11.
en (zij) haastten zich en (zij) werden naar beneden gehaald man (tot) AMTHTW naar land en (zij) deedden open man AMTHTW
12.
WIHPS bij (de) grote (hij) is begonnen te WBQÐN schoondochter en (hij) vond ECBIO BAMTHT Benjamin
13.
en (zij) scheurden dat (jullie) hebben besneden WIOMX man op klei (...) hem en (zij) hebben gewoond (zij) heeft opgemerkt
14.
en (hij) kwam Juda en broers (...) hem naar huis Jozef en hij hij (...) nog daar en (zij) vielen voor hem naar land
15.
en (hij) sprak aan hen Jozef wat? (is het zo) dat Mozes deze die (jullie) hebben gedaan immers (jullie) hebben geweten dat slang (hij) vermoedde man die zoals ik
16.
en (hij) sprak Juda wat? (wij) spraken aan liggers van wat? (wij) spraken en wat? NßÐDQ naar God (hij) heeft gevonden (tot) vijandige slaven (...) jou hier zijn wij slaven aan liggers van ook wij ook die (wij) vondden ECBIO bij (hij) bedankte
17.
en (hij) sprak God beware aan mij om te doen deze de man die (wij) vondden ECBIO bij (hij) bedankte hij (hij) was aan mij slaaf en (met) hen (zij) zijn opgegaan volledig te zijn naar vader (...) jullie
18.
en (hij) is genaderd naar hem Juda en (hij) sprak bij mij liggers van (hij) sprak toch slaaf (...) jou woord bij (de) oren van liggers van en naar (hij) ontbrandde neus (...) jou bij (de) slaaf (...) jou dat zoals jij zoals farao
19.
liggers van (hij) heeft gevraagd (tot) slaven (...) hem te spreken is er? aan jullie vader of broer
20.
en (wij) spraken naar liggers van er is aan ons vader baard en kind baarden kleine en broers (...) hem dode en meer hij alleen hij natie (...) hem en vader (...) hem (zij) hebben liefgehad
21.
en (jij) sprak naar slaven (...) jou (zij) is naar beneden gehaald (...) hem naar mij en (ik) plaatste (er)naar bestudeer! op hem
22.
en (wij) spraken naar liggers van niet (hij) zal kunnen de jeugd LOZB (tot) vader (...) hem en (hij) heeft verlaten (tot) vader (...) hem en dode
23.
en (jij) sprak naar slaven (...) jou als niet (hij) is gedaald broers (...) jullie de kleine (met) jullie niet (jullie) voegden toe (...) hen te zien aanzicht van
24.
en wees dat op ons naar slaaf (...) jou vader en tegenover als (tot) spreek! liggers van
25.
en (hij) sprak (wij) hebben gewenst woont! (zij) hebben gebroken aan ons een beetje eten
26.
en (wij) spraken niet (wij) zullen kunnen te dalen als er is broers (...) ons de kleine (met) ons en (wij) zijn gedaald dat niet (wij) zullen kunnen te zien aanzicht van de man en broers (...) ons de kleine hij is (er) niet (met) ons
27.
en (hij) sprak slaaf (...) jou vader naar ons (met) hen (jullie) hebben geweten dat twee (zij) heeft gebaard aan mij mijn vrouw
28.
en uitgaande de één van mij en woord maar prooi prooi noch (ik) heb gezien (...) hem tot hier is
29.
en (jullie) hebben genomen ook (tot) dit bij vandaan aanzicht van en (hij) is gebeurd (...) hem AXWN en (jullie) zijn naar beneden gehaald (tot) ouderdom (...) mij bij (de) herder vraag
30.
en nu als (hij) is gekomen (...) mij naar slaaf (...) jou vader en de jeugd hij is (er) niet (met) ons en ziel (...) hem verbind! (er)naar bij (de) ziel (...) hem
31.
en (hij) is geweest zoals zicht (...) hem dat (er is) niet de jeugd en dode WEWRIDW slaven (...) jou (tot) ouderdom van slaaf (...) jou (wij) hebben gewenst BICWN vraag
32.
dat slaaf (...) jou aangename (tot) de jeugd bij vandaan vader te spreken als niet (ik) bracht (...) ons naar jou en (ik) heb gezondigd aan vader alle de dagen
33.
en nu inwoner toch slaaf (...) jou in de plaats van de jeugd slaaf aan liggers van en de jeugd (hij) verhief met broers (...) hem
34.
dat waar ben jij? (ik) verhief naar vader en de jeugd hij is (er) niet (met) mij opdat niet (ik) liet zien bij (het) kwaad die (hij) vond (tot) vader

Hoofdstuk 45

1.
noch (hij) heeft gekund Jozef zich te bedwingen aan alle de heft-en op hem en (hij) noemde (zij) hebben tevoorschijn gehaald alle man ontvreemd! noch sta vast! man (met) hem BETWDO Jozef naar broers (...) hem
2.
en (hij) gaf (tot) klank (...) hem bij (het) geween en (zij) hoorden toe Egypte en (hij) hoorde toe huis farao
3.
en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem ik Jozef is er nog? vader levende noch (zij) hebben gekund broers (...) hem te antwoorden (met) hem dat (zij) zijn geschrokken van aanzichten (...) hem
4.
en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem nadert! toch naar mij en (zij) zijn genaderd en (hij) sprak ik Jozef broers (...) jullie die (jullie) hebben verkocht (met) mij naar Egypte
5.
en nu naar (jullie) bedroefden en naar (hij) ontbrandde bij (de) ogen (...) jullie dat (jullie) hebben verkocht (met) mij hier is dat tot van dier (hij) mij gezonden God voor jullie
6.
dat dit twee jaren de honger te midden van het land en nog (eens) vijf twee die (er is) niet HRIS en oogst
7.
en (hij) zond weg (...) mij God voor jullie te plaatsen aan jullie rest bij (het) land WLEHIWT aan jullie naar aan vluchteling grootheid
8.
en nu niet (met) hen (jullie) hebben gezonden (met) mij hier is dat naar God en (hij) plaatste (...) mij aan vader aan farao en aan heer aan alle huis (...) hem en heerser in alle land Egypte
9.
(zij) hebben zich gehaast en (zij) zijn opgegaan naar vader en (jullie) hebben gesproken naar hem zo woord zoon (...) jou Jozef word vet! God aan heer aan alle Egypte daal! (er)naar naar mij naar (jij) stond vast
10.
en (jij) hebt gewoond bij (het) land nader! (...) hen en (jij) bent geweest verwant naar mij (met) haar en zonen (...) jou en bouw! zonen (...) jou en kleinvee (...) jou en rundvee (...) jou en alle die aan jou
11.
WKLKLTI (met) jou daar dat nog (eens) vijf twee honger opdat niet TWRS (met) haar en huis (...) jou en alle die aan jou
12.
en hier is ogen (...) jullie zicht en bestudeer! broer Benjamin dat mond van de woestijn naar jullie
13.
en (jullie) hebben verteld aan vader (tot) alle onderscheidingen van bij Egypte en (tot) alle die (jullie) hebben gezien en (jullie) hebben je gehaast en (jullie) zijn naar beneden gehaald (tot) vader hier is
14.
en (hij) liet vallen op halzen van Benjamin broers (...) hem en (hij) weende en Benjamin (hij) heeft geweend op halzen (...) hem
15.
WINSQ aan alle broers (...) hem en (hij) weende hoogtes (...) hen en na zo spreekt! broers (...) hem (met) hem
16.
en (hij) heeft verlicht (wij) hoorden toe huis farao te spreken (zij) zijn gekomen broer Jozef en (hij) was goed bij bestudeer! farao en bij (de) ogen van slaven (...) hem
17.
en (hij) sprak farao naar Jozef woord naar broers (...) jou deze Ezau ÐONW (tot) bij (de) stad (...) jullie en ga(a)t! (zij) zijn gekomen naar land Kanaän
18.
en neemt! (tot) vader (...) jullie en (tot) huizen (...) jullie en (zij) zijn gekomen naar mij en (ik) gaf aan jullie (tot) goede land Egypte en (zij) hebben gegeten (tot) melk het land
19.
en (met) haar (jij) hebt opdracht gegeven (er)naar deze Ezau neemt! aan jullie van land Egypte koekalveren aan kleine kinderen (...) jullie en aan vrouwen (...) jullie en (jullie) hebben gedragen (tot) vader (...) jullie en (jullie) zijn gekomen
20.
en oog (...) jullie naar (zij) had medelijden op gereedschappen (...) jullie dat goede alle land Egypte aan jullie hij
21.
en (zij) hebben gemaakt zo bouw! Israël en (hij) gaf aan hen Jozef koekalveren op mond van farao en (hij) gaf aan hen (zij) heeft gevangen aan weg
22.
aan allen (...) hen (hij) heeft gegeven aan man HLPWT dat (jij) hebt besneden en aan Benjamin (hij) heeft gegeven drie honderd zilver en vijf HLPT dat (jij) hebt besneden
23.
en aan vader (...) hem wapen zoals deze tien ezeldrijvers dragers van goede Egypte en rijkdom ATNT (jij) hebt gedragen graan en brood en om te onderhouden aan vader (...) hem aan weg
24.
en (hij) zond weg (tot) broers (...) hem en (zij) gingen en (hij) sprak naar hen naar (jullie) waren boos bij (de) weg
25.
en (zij) verhieven van Egypte en voert in! land Kanaän naar Jakob vaders (...) hen
26.
en (hij) werd verteld (...) hem als te spreken nog (eens) Jozef levende en dat hij heerser in alle land Egypte WIPC zijn hart dat niet (hij) heeft geloofd aan hen
27.
en (zij) spraken naar hem (tot) alle spreek! Jozef die woord naar hen en gezien (tot) de koekalveren die wapen Jozef te dragen (met) hem en (zij) leefde wind Jakob vaders (...) hen
28.
en (hij) sprak Israël meerderheid nog (eens) Jozef bouw! levende (ik) ging (er)naar en (ik) zag (...) ons voordat (ik) stierf

Hoofdstuk 46

1.
en (hij) reisde Israël en alle die als en (hij) kwam naar put zeven en (hij) slachtte slachtingen aan mijn God vader (...) hem Izak
2.
en (hij) sprak God aan Israël bij om te vrezen de nacht en (hij) sprak Jakob Jakob en (hij) sprak hier ben ik
3.
en (hij) sprak ik deze mijn God vader (...) jou naar (je) zult vrezen (zij) is in opstand gekomen naar Egypte dat aan volk grote ASIMK daar
4.
ik (ik) daalde met jou naar Egypte en ik AOLK ook blad en Jozef (hij) legde (hij) bedankte op ogen (...) jou
5.
en (hij) stond op Jakob van put zeven en (zij) droegen bouw! Israël (tot) Jakob vaders (...) hen en (tot) kleine kinderen (...) hen en (tot) vrouwen (...) hen bij (de) koekalveren die wapen farao te dragen (met) hem
6.
en (zij) namen (tot) van nesten (...) hen en (tot) RKWSM die RKSW bij (het) land Kanaän en voert in! naar Egypte Jakob en alle (zij) hebben gezaaid (met) hem
7.
zonen (...) hem en bouw! zonen (...) hem (met) hem dochters (...) hem en dochters zonen (...) hem en alle (zij) hebben gezaaid (hij) heeft gebracht (met) hem naar Egypte
8.
en deze namen bouw! Israël die gekomen naar Egypte Jakob en zonen (...) hem trek voor! Jakob Ruben
9.
en bouw! Ruben (zij) zijn gelegerd (...) jou WPLWA en grondgebied (...) hen en wijngaarden van
10.
en bouw! Simeon IMWAL en rechterhand WAED en (hij) bereidde voor WßHR en dodenrijk zoon EKNONIT
11.
en bouw! Levi Gerson Kahath en Merari
12.
en bouw! Juda wakkere en kracht (...) hen en Sela en doorbraak en glans en (hij) stierf wakkere en kracht (...) hen bij (het) land Kanaän en (zij) waren bouw! doorbraak grondgebied (...) hen en heb medelijden!
13.
en bouw! Issaschar worm WPWE WIWB en bewaar! (...) hen
14.
en bouw! Zebulon XRD en eik WIHLAL
15.
deze bouw! Lea die (zij) heeft gebaard aan Jakob BPDN Syrië en (tot) Dina dochter (...) hem alle ziel zonen (...) hem en bebouwingen (...) hem dertig en drie
16.
en bouw! Gad ßPIWN en feesten van SWNI WAßBN steden van WARWDI WARALI
17.
en bouw! die (hij) benoemde en (hij) was gelijk en (hij) was gelijk (...) mij WBRIOE WSRH één (...) hen en bouw! BRIOE verbond WMLKIAL
18.
deze bouw! Zilpa die (hij) heeft gegeven tot zoon aan Lea dochter (...) hem en (jij) baarde (tot) deze aan Jakob zes tien ziel
19.
bouw! Rachel vuur van Jakob Jozef en Benjamin
20.
en baar(t) aan Jozef bij (het) land Egypte die (zij) heeft gebaard als AXNT dochter PWÐI PRO priester AN (tot) Manasse en (tot) Efraïm
21.
en bouw! Benjamin slechtheid en trek voor! WASBL Gera en Naaman broer en hoofd van monden WHPIM en (ik) daalde
22.
deze bouw! Rachel die kind aan Jakob alle ziel vier rijkdom
23.
en bouw! Dan haasten zich
24.
en bouw! Nafthali IHßAL WCWNI en fabriceer! en gehele
25.
deze bouw! panische angst die (hij) heeft gegeven tot zoon aan Rachel dochter (...) hem en (jij) baarde (tot) deze aan Jakob alle ziel zeven
26.
alle de ziel (is het zo) dat kom(t) aan Jakob naar Egypte voer uit! heup (...) hem weg van tak vrouwen van bouw! Jakob alle ziel zestig en zes
27.
en bouw! Jozef die kind als bij Egypte ziel twee alle de ziel aan huis Jakob (is het zo) dat kom(t) naar Egypte zeventig
28.
en (tot) Juda wapen voor hem naar Jozef LEWRT voor hem nadert! en voert in! naar land nader! (...) hen
29.
en (hij) nam gevangen Jozef rijtuig (...) hem en (hij) verhief tegemoet Israël vader (...) hem nadert! en gezien naar hem en (hij) liet vallen op halzen (...) hem en (hij) weende op halzen (...) hem nog (eens)
30.
en (hij) sprak Israël naar Jozef (ik) stierf (er)naar de keer na zicht (...) mij (tot) aanzichten (...) jou dat jij (...) nog levende
31.
en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem en naar huis vader (...) hem (ik) verhief en (ik) vertelde (er)naar aan farao en (zij) heeft gesproken naar hem broer en huis vader die bij (het) land Kanaän (zij) zijn gekomen naar mij
32.
en de mensen achtervolg! kleinvee dat mens (...) mij bezit (zij) zijn geweest en kleinvee (...) hen en rundvee (...) hen en alle die aan hen (zij) hebben gebracht
33.
en (hij) is geweest dat (hij) noemde aan jullie farao en woord wat? daden (...) jullie
34.
en (jullie) hebben gesproken mens (...) mij bezit (zij) zijn geweest slaven (...) jou MNOWRINW en tot nu ook wij ook vaders (...) ons wegens (jullie) woonden bij (het) land nader! (...) hen dat (jij) bent verafschuwd Egypte alle herder kleinvee

Hoofdstuk 47

1.
en (hij) kwam Jozef en (hij) werd verteld aan farao en (hij) sprak vader en broer en kleinvee (...) hen en rundvee (...) hen en alle die aan hen (zij) zijn gekomen van land Kanaän en hier zijn zij bij (het) land nader! (...) hen
2.
en van einde broers (...) hem lering vijf mensen WIßCM voor farao
3.
en (hij) sprak farao naar broers (...) hem wat? daden (...) jullie en (zij) spraken naar farao herder kleinvee slaven (...) jou ook wij ook vaders-en (...) ons
4.
en (zij) spraken naar farao te wonen bij (het) land (wij) zijn gekomen dat (er is) niet van herder aan kleinvee die aan slaven (...) jou dat lever de honger bij (het) land Kanaän en nu (zij) hebben gewoond toch slaven (...) jou bij (het) land nader! (...) hen
5.
en (hij) sprak farao naar Jozef te spreken vader (...) jou en broers (...) jou (zij) zijn gekomen naar jou
6.
land Egypte voor jou hij BMIÐB het land EWSB (tot) vader (...) jou en (tot) broers (...) jou (zij) hebben gewoond bij (het) land nader! (...) hen en als (jij) hebt geweten en er is in hen mens (...) mij macht en (jullie) hebben geplaatst Sarai bezit op die aan mij
7.
en (hij) kwam Jozef (tot) Jakob vader (...) hem en (zij) stondden vast (...) hem voor farao en (hij) zegende Jakob (tot) farao
8.
en (hij) sprak farao naar Jakob zoiets dagen van tweede leven (...) jou
9.
en (hij) sprak Jakob naar farao dagen van tweede om te wonen (...) mij dertig en honderd jaar een beetje en kwaden (zij) zijn geweest dagen van tweede leef! noch (zij) hebben bereikt (tot) dagen van tweede leef! vaders van bij (de) dagen van MCWRIEM
10.
en (hij) zegende Jakob (tot) farao en uitgaande weg van aanzicht van farao
11.
en bewoner Jozef (tot) vader (...) hem en (tot) broers (...) hem en (hij) gaf aan hen (zij) heeft gegrepen bij (het) land Egypte BMIÐB het land bij (het) land Rameses zoals geef opdracht! farao
12.
WIKLKL Jozef (tot) vader (...) hem en (tot) broers (...) hem en (tot) alle huis vader (...) hem brood aan mond van de kleine kinderen
13.
en brood (er is) niet in alle het land dat lever de honger zeer en (hij) heeft opgehangen land Egypte en land Kanaän van aanzicht van de honger
14.
en (hij) verzamelde Jozef (tot) alle het zilver (is het zo) dat (wij) vondden bij (het) land Egypte en bij (het) land Kanaän bij (hij) heeft gebroken die zij breek! (...) hen en (hij) kwam Jozef (tot) het zilver naar huis farao
15.
en (hij) verbaasde zich het zilver van land Egypte en van land Kanaän en voert in! alle Egypte naar Jozef te spreken vooruit! aan ons brood en waarom (wij) stierven tegenover jou dat niets zilver
16.
en (hij) sprak Jozef brengt van nesten (...) jullie en (ik) gaf aan jullie BMQNIKM als niets zilver
17.
en (zij) brachten (tot) van nesten (...) hen naar Jozef en (hij) gaf aan hen Jozef brood bij (de) paarden en bij (het) bezit het kleinvee en bij (het) bezit het rundvee en bij (de) ezeldrijvers WINELM bij (het) brood in alle bezit (...) hen in het jaar dat
18.
en (zij) verbaasde zich het jaar dat en voert in! naar hem in het jaar de tweede en (zij) spraken als niet (wij) verborgen van liggers van dat als onschuldige het zilver en bezit de vee naar liggers van niet geblevene voor liggers van niet als CWITNW WADMTNW
19.
waarom (wij) stierven aan ogen (...) jou ook wij ook ADMTNW buis (met) ons en (tot) ADMTNW bij (het) brood en (wij) waren wij WADMTNW slaven aan farao en geef! nakomelingen en (wij) leefden noch (wij) stierven en de aarde niet (zij) plaatste
20.
en (hij) kocht Jozef (tot) alle aarde van Egypte aan farao dat (zij) hebben verkocht Egypte man veld (...) hem dat kracht hoogtes (...) hen de honger en (zij) was het land aan farao
21.
en (tot) het volk (hij) heeft overgebracht (met) hem aan steden van einde grens Egypte en tot einde (...) hem
22.
lege aarde van de priesters niet buis dat wet aan priesters honderd farao en (zij) hebben gegeten (tot) wet (...) hen die (hij) heeft gegeven aan hen farao op zo niet (zij) hebben verkocht (tot) aarde-en (...) hen
23.
en (hij) sprak Jozef naar het volk èn (ik) heb gekocht (met) jullie vandaag en (tot) ADMTKM aan farao EA aan jullie nakomelingen en (jullie) hebben gezaaid (tot) de aarde
24.
en (hij) is geweest bij (de) opbrengst van en (jij) hebt gegeven (...) hen HMISIT aan farao en vier EIDT (hij) was aan jullie aan nakomelingen het veld en aan eten (...) jullie en te bevestigen bij (de) huizen (...) jullie en aan eten aan kleine kinderen (...) jullie
25.
en (zij) spraken EHITNW (wij) vondden gratie bij bestudeer! liggers van en (wij) zijn geweest slaven aan farao
26.
en pas toe! (met) haar Jozef aan wet tot vandaag deze op aarde van Egypte aan farao aan vijf lege aarde van de priesters alleen zij niet (zij) is geweest aan farao
27.
en inwoner Israël bij (het) land Egypte bij (het) land nader! (...) hen en (zij) grepen bij haar en (zij) waren vruchtbaar en (zij) vermeerderden zeer
28.
en leve! Jakob bij (het) land Egypte zeven tien jaar en wees dagen van Jakob tweede leef! (...) hem zeven twee en veertig en honderd jaar
29.
en (zij) brachten nader dagen van Israël te sterven en (hij) noemde hart (...) ons aan Jozef en (hij) sprak als als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou plaats! toch hand (...) jou in de plaats van heup (...) mij en (jij) hebt gedaan met mij genade en waarheid naar toch (zij) begroef (...) mij bij Egypte
30.
en (ik) heb gelegen met vaders van en (jullie) hebben gedragen (...) mij van Egypte en (jullie) hebben begraven (...) mij bij (jullie) hebben begraven en (hij) sprak ik (ik) werd gedaan zoals woord (...) jou
31.
en (hij) sprak de zeven aan mij en (hij) was verzadigd als en (hij) boog zich diep Israël op hoofd de stam

Hoofdstuk 48

1.
en wees na de woorden (de) deze en (hij) sprak aan Jozef hier is vader (...) jou (hij) is ziek geworden en (hij) nam (tot) tweede zonen (...) hem met hem (tot) Manasse en (tot) Efraïm
2.
en (hij) werd verteld aan Jakob en (hij) sprak hier is zoon (...) jou Jozef (hij) is gekomen naar jou en (hij) werd sterker Israël en inwoner op de stam
3.
en (hij) sprak Jakob naar Jozef naar Sjadai (wij) lieten zien naar mij BLWZ bij (het) land Kanaän en (hij) zegende (met) mij
4.
en (hij) sprak naar mij hier ben ik breek(t) kapot en (jij) hebt vermeerderd (...) jou en (ik) heb gegeven (...) jou aan menigte volkeren en (ik) heb gegeven (tot) het land (de) deze aan nakomelingen (...) jou na jou (jij) hebt gegrepen eeuwigheid
5.
en nu tweede zonen (...) jou (is het zo) dat worden geboren aan jou bij (het) land Egypte tot bij (de) eiland naar jou naar Egypte aan mij zij Efraïm en Manasse zoals Ruben en Simeon (zij) waren aan mij
6.
en vaderland (...) jou die EWLDT na hen aan jou (zij) waren op daar broers (...) hen (zij) noemden bij (jullie) hebben verworven
7.
en ik bij (hij) is gekomen (...) mij MPDN (zij) is gestorven op mij Rachel bij (het) land Kanaän bij (de) weg terwijl een stuk van land te komen Efrath WAQBRE daar bij (de) weg APRT hij huis brood
8.
en gezien Israël (tot) bouw! Jozef en (hij) sprak water van deze
9.
en (hij) sprak Jozef naar vader (...) hem bouw! zij die (hij) heeft gegeven aan mij God hier en (hij) sprak neem! (...) hen toch naar mij en (ik) zegende (...) hen
10.
en bestudeer! Israël (zij) zijn zwaar geweest van baard niet (hij) zal kunnen te zien en (hij) is genaderd (met) hen naar hem en (hij) gaf te drinken aan hen en (hij) omarmde aan hen
11.
en (hij) sprak Israël naar Jozef (hij) heeft gezien aanzichten (...) jou niet PLLTI en hier is (hij) heeft laten zien (met) mij God ook (tot) nakomelingen (...) jou
12.
en (hij) bracht naar buiten Jozef (met) hen bij vandaan zegen! (...) hem en (hij) boog zich diep aan neuzen (...) hem naar land
13.
en (hij) nam Jozef (tot) die twee (tot) Efraïm bij (de) dagen (...) ons MSMAL Israël en (tot) Manasse bij (de) linkerhand (...) hem van rechterhand Israël en (hij) is genaderd naar hem
14.
en (hij) zond weg Israël (tot) dagen (...) ons en (hij) legde op hoofd Efraïm en hij (de) kleine en (tot) linkerhand (...) hem op hoofd Manasse verstand (tot) handen (...) hem dat Manasse de eerstgeborene
15.
en (hij) zegende (tot) Jozef en (hij) sprak naar God die (zij) hebben rondgewandeld vaders van voor hem Abraham en Izak naar God de herder (met) mij MOWDI tot vandaag deze
16.
de boodschapper de wreker (met) mij van alle kwaad (hij) zegende (tot) de jongens en (hij) noemde bij hen namen van en naam [van] vaders van Abraham en Izak WIDCW aan meerderheid te midden van het land
17.
en gezien Jozef dat (hij) legde vader (...) hem hand dagen (...) ons op hoofd Efraïm en (hij) achtervolgde bij (de) ogen (...) hem en (hij) verbaasde zich (...) jou hand vader (...) hem te verwijderen (met) haar boven hoofd Efraïm op hoofd Manasse
18.
en (hij) sprak Jozef naar vader (...) hem niet zo vader dat dit (is het zo) dat trek voor! plaats! rechterhand (...) jou op hoofd (...) hem
19.
en (hij) weigerde vader (...) hem en (hij) sprak (ik) heb geweten bouw! (ik) heb geweten ook hij (hij) was aan volk en ook hij (hij) groeide daarentegen broers (...) hem de kleine (hij) groeide (van)uit hem en (zij) hebben gezaaid (hij) was (hij) is vol geweest de volken
20.
en (hij) zegende (...) hen bij (de) dag dat LAMWR bij jou (hij) zegende Israël te spreken pas toe! (...) jou God zoals Efraïm WKMNSE en pas toe! (tot) Efraïm voor Manasse
21.
en (hij) sprak Israël naar Jozef hier is ik dode en (hij) is geweest God met jullie en (hij) heeft teruggegeven (met) jullie naar land vaders (...) jullie
22.
en ik (ik) heb gegeven aan jou schouder één op broers (...) jou die (ik) heb genomen van hand de Amoriet bij word vernield! en bij (de) bogen van

Hoofdstuk 49

1.
en (hij) noemde Jakob naar zonen (...) hem en (hij) sprak (is het zo) dat (zij) hebben verzameld en (ik) vertelde (er)naar aan jullie (tot) die (hij) noemde (met) jullie aan het einde van de dagen
2.
(is het zo) dat (zij) hebben verzameld en (zij) hebben toegehoord bouw! Jakob en (zij) hebben toegehoord naar Israël vader (...) jullie
3.
Ruben trek voor! (met) haar zoals levende en begin krachten van rest te dragen en rest kracht
4.
PHZ staan op naar TWTR dat (jij) bent opgegaan bedden van vader (...) jou destijds HLLT IßWOI blad
5.
Simeon en Levi broers gereedschap roof MKRTIEM
6.
bij Sodom naar (zij) kwam ziel (...) mij bij (de) menigte (...) hen naar THD ben zwaar! dat bij (de) neus (...) hen (zij) hebben gedood man WBRßNM OQRW os
7.
vervloekte neus (...) hen dat kracht en (jullie) zijn voorbijgegaan dat (zij) is hard geworden (ik) verdeelde (...) hen bij Jakob WAPIßM bij Israël
8.
Juda (met) haar (zij) bedankten (...) jou broers (...) jou hand (...) jou bij (de) nek vijanden (...) jou (zij) bogen zich diep aan jou bouw! vader (...) jou
9.
woon! leeuw Juda van prooi bouw! (jij) bent opgegaan zoals kwaad RBß zoals leeuw WKLBIA water van (hij) vestigde (...) ons
10.
niet (hij) verblindde stam van Juda WMHQQ van tussen voeten (...) hem tot dat (hij) kwam SILE en als IQET volkeren
11.
neem gevangen! aan wijnstok (hij) heeft blootgelegd WLSRQE bouw! (met) ons was! bij (de) wijn (zij) hebben zich bekleed en bij (het) bloed druiven XWTE
12.
HKLILI ogen van wijn en tot zoon twee van melk
13.
Zebulon LHWP dagen jullie zijn er en hij LHWP schip van en heup (...) hem op Sidon
14.
Issaschar klei knokkel RBß tussen EMSPTIM
15.
en gezien geschenk dat goede en (tot) het land dat (zij) is aangenaam geweest en (hij) neeg dat (zij) zijn opgestaan LXBL en wees aan belasting slaaf
16.
Dan (hij) berechtte met hem zoals een stammen van Israël
17.
wees Dan slang op mij weg SPIPN op mij manier de woekerrente volg! paard en (hij) liet vallen (zij) hebben gereden achterzijde
18.
aan verlossing (...) jou (ik) heb gehoopt Jahweh
19.
Gad eenheid ICWDNW en hij ICD voetstap
20.
bevestig(t) acht (zij) hebben gestreden en hij (hij) gaf MODNI koning
21.
Nafthali ree (zij) heeft gezonden (is het zo) dat (hij) heeft gegeven Amoriet schoonheid
22.
zoon koe van Jozef zoon koe van op mij oog dochters (zij) is gestapt op mij os
23.
en (zij) verbitterden (...) hem en tienduizend WISÐMEW bij (de) hoge pijlen
24.
en (jij) woonde bij (de) sterke boog (...) hem WIPZW zaaie! handen (...) hem van handen van ridder Jakob van daar herder steen Israël
25.
van macht vader (...) jou en (hij) hielp (...) jou en (tot) Sjadai en (hij) zegende (...) jou (jij) hebt gezegend hemel boven (jij) hebt gezegend afgrond RBßT in de plaats van (jij) hebt gezegend roven en baarmoeder
26.
(jij) hebt gezegend vader (...) jou (zij) zijn sterk geworden op (jij) hebt gezegend EWRI tot begeerte van heuvel van eeuwigheid (jij) was (...) hen aan hoofd Jozef WLQDQD monnik broers (...) hem
27.
Benjamin wolf IÐRP bij (het) rundvee (hij) at tot en aan borg (hij) verdeelde buit
28.
alle deze stammen van Israël twee rijkdom en deze die woord aan hen vaders (...) hen en (hij) zegende hen man die zoals gelukwens (...) hem zegen! (met) hen
29.
en (hij) gaf opdracht hen en (hij) sprak naar hen ik (wij) verzamelden naar met mij (zij) hebben begraven (met) mij naar vaders van naar de grot die bij (het) veld Efron de angsten van
30.
bij (de) grot die bij (het) veld EMKPLE die op aanzicht van Mamre bij (het) land Kanaän die buis Abraham (tot) het veld honderd stof (...) hen de angsten van LAHZT graf
31.
daarnaar (-s) (zij) hebben begraven (tot) Abraham en (tot) Sara vuur (...) hem daarnaar (-s) (zij) hebben begraven (tot) Izak en (tot) Rebekka vuur (...) hem en daarnaar (-s) (ik) heb begraven (tot) Lea
32.
bezit het veld en de grot die bij hem honderd bouw! angst
33.
en (hij) heeft gekund Jakob LßWT (tot) zonen (...) hem en (hij) verzamelde voeten (...) hem naar de stam en (hij) stierf en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem

Hoofdstuk 50

1.
en (hij) liet vallen Jozef op aanzicht van vader (...) hem en (hij) weende op hem en (hij) gaf te drinken als
2.
en (hij) gaf opdracht Jozef (tot) slaven (...) hem (tot) de spoken LHNÐ (tot) vader (...) hem en (zij) balsemden de spoken (tot) Israël
3.
en (zij) waren vol als veertig dag dat zo (zij) waren vol dagen van (is het zo) dat balsem! (...) hen en (zij) weenden (met) hem Egypte zeventig dag
4.
en (zij) gingen voorbij dagen van (jij) hebt geweend (...) hem en (hij) sprak Jozef naar huis farao te spreken als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jullie spreekt! toch bij (de) oren van farao te spreken
5.
vader ESBIONI te spreken hier is ik dode bij begraaf! die (ik) heb gegraven aan mij bij (het) land Kanaän daarnaar (-s) (zij) begroef (...) mij en nu (ik) verhief toch WAQBRE (tot) vader en (ik) ging rond
6.
en (hij) sprak farao blad en graf (tot) vader (...) jou zoals ESBIOK
7.
en (hij) verhief Jozef aan graf (tot) vader (...) hem en (zij) verhieven (met) hem alle werk! farao ben oud! huis (...) hem en alle ben oud! land Egypte
8.
en alle huis Jozef en broers (...) hem en huis vader (...) hem lege kleine kinderen (...) hen en kleinvee (...) hen en rundvee (...) hen (zij) hebben verlaten bij (het) land nader! (...) hen
9.
en (hij) verhief met hem ook wagen ook ruiters en wees het kamp lever zeer
10.
en voert in! tot vreemdeling (...) hen EAÐD die bij (de) kant de Jordaan en (zij) beweenden daar rouwklacht grote en lever zeer en (hij) heeft gemaakt aan vader (...) hem rouw zeven dagen
11.
en gezien bewoner het land (de) Kanaänitische (tot) de rouw bij (de) vreemdeling (...) hen EAÐD en (zij) spraken rouw lever dit aan Egypte op zo (hij) heeft genoemd daarnaar (-s) rouw Egypte die bij (de) kant de Jordaan
12.
en (zij) hebben gemaakt zonen (...) hem als zo zoals opdracht (...) hen
13.
en (zij) droegen (met) hem zonen (...) hem naar land Kanaän en (zij) begroeven (met) hem bij (de) grot van veld EMKPLE die buis Abraham (tot) het veld LAHZT graf honderd stof (...) hen de angsten van op aanzicht van Mamre
14.
en inwoner Jozef naar Egypte hij en broers (...) hem en alle de hoogtes (met) hem aan graf (tot) vader (...) hem na (zij) hebben begraven (tot) vader (...) hem
15.
en (zij) lieten zien broer Jozef dat dode vaders (...) hen en (zij) spraken als ISÐMNW Jozef en geef terug! (hij) gaf terug aan ons (tot) alle de herder die (wij) hebben vergolden (met) hem
16.
en (zij) gaven opdracht naar Jozef te spreken vader (...) jou geef opdracht! voor sterft! te spreken
17.
zo (jullie) spraken aan Jozef och draag! toch misdaad broers (...) jou en (jullie) hebben gezondigd dat herder laat ontwennen! (...) jou en nu draag! toch aan misdaad werk! mijn God vader (...) jou en (hij) weende Jozef bij (het) woord (...) hen naar hem
18.
en (zij) gingen ook broers (...) hem en (zij) vielen voor hem en (zij) spraken hier zijn wij aan jou aan slaven
19.
en (hij) sprak naar hen Jozef naar (jullie) vreesden dat ETHT God ik
20.
en (met) hen (jullie) hebben gedacht op mij herder God (zij) heeft gedacht LÐBE opdat (hij) heeft gedaan zoals dag deze aan het dier van met meerderheid
21.
en nu naar (jullie) vreesden ik AKLKL (met) jullie en (tot) kleine kinderen (...) jullie en (hij) troostte hen en (hij) sprak op hart (...) hen
22.
en inwoner Jozef bij Egypte hij en huis vader (...) hem en leve! Jozef honderd en rijkdom twee
23.
en gezien Jozef aan Efraïm bouw! dertig ook bouw! Machir zoon Manasse helpt bij de geboorte! op zegen! Jozef
24.
en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem ik dode en God opname (hij) beval (met) jullie en dat wat opgaat (met) jullie vanuit het land (de) deze naar het land die (hij) heeft gezworen aan Abraham aan Izak en aan Jakob
25.
en (hij) was verzadigd Jozef (tot) bouw! Israël te spreken opname (hij) beval God (met) jullie en dat wat opgaat-en (...) hen (tot) (ik) ben machtig geworden hiervandaan
26.
en (hij) stierf Jozef zoon honderd en rijkdom twee en (zij) balsemden (met) hem en (hij) heeft toegepast bij (de) kist bij Egypte