Hoofdstuk 1
- 1.
- bij (het) begin (hij) heeft geschapen God (tot) de hemel en (tot) het land
- 2.
- en het land (zij) is geweest verlatenheid en lege en duisternis op aanzicht van afgrond en wind God laat zich zweven op aanzicht van het water
- 3.
- en (hij) sprak God wees licht en wees licht
- 4.
- en gezien God (tot) het licht dat goede en (hij) scheidde God tussen het licht en tussen de duisternis
- 5.
- en (hij) noemde God aan licht dag en aan duisternis (hij) heeft genoemd nacht en wees aangename en wees rundvee dag één
- 6.
- en (hij) sprak God wees uitspansel binnen het water en wees scheiding makend tussen water aan water
- 7.
- en (hij) heeft gemaakt God (tot) het uitspansel en (hij) scheidde tussen het water die onder vandaan aan uitspansel en tussen het water die boven aan uitspansel en wees zo
- 8.
- en (hij) noemde God aan uitspansel hemel en wees aangename en wees rundvee dag tweede
- 9.
- en (hij) sprak God (zij) hoopten het water onder vandaan de hemel naar plaats één en (jij) liet zien het vasteland en wees zo
- 10.
- en (hij) noemde God aan vasteland land en aan waterreservoir het water (hij) heeft genoemd dagen en gezien God dat goede
- 11.
- en (hij) sprak God TDSA het land grasveld planten MZRIO nakomelingen boom vrucht (hij) heeft gedaan vrucht aan soort (...) hem die (zij) hebben gezaaid bij hem op het land en wees zo
- 12.
- en (jij) werd tevoorschijn gehaald het land grasveld planten MZRIO nakomelingen aan variatie (...) hem en boom (hij) heeft gedaan vrucht die (zij) hebben gezaaid bij hem aan variatie (...) hem en gezien God dat goede
- 13.
- en wees aangename en wees rundvee dag derde
- 14.
- en (hij) sprak God wees lichten bij (het) uitspansel de hemel LEBDIL tussen vandaag en tussen de nacht en (zij) zijn geweest LATT en aan ontmoetingen en aan dagen en twee
- 15.
- en (zij) zijn geweest aan licht van bij (het) uitspansel de hemel te verlichten op het land en wees zo
- 16.
- en (hij) heeft gemaakt God (tot) tweede de lichten de groten (tot) het licht de grote aan regering van vandaag en (tot) het licht de kleine aan regering van de nacht en (tot) de sterren
- 17.
- en (hij) gaf (met) hen God bij (het) uitspansel de hemel te verlichten op het land
- 18.
- en aan heerser bij (de) dag en bij (de) nacht WLEBDIL tussen het licht en tussen de duisternis en gezien God dat goede
- 19.
- en wees aangename en wees rundvee dag vierde
- 20.
- en (hij) sprak God (zij) krioelden het water (hij) heeft gekrioeld ziel dier en vogel IOWPP op het land op aanzicht van uitspansel de hemel
- 21.
- en (hij) schiep God (tot) de krokodil (...) hen de groten en (tot) alle ziel het dier ERMST die (zij) hebben gekrioeld het water aan soorten (...) hen en (tot) alle vogel vleugel aan variatie (...) hem en gezien God dat goede
- 22.
- en (hij) zegende (met) hen God te spreken (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend en (zij) zijn vol geweest (tot) het water bij (de) dagen en de vogel (hij) vermeerderde bij (het) land
- 23.
- en wees aangename en wees rundvee dag vijfde
- 24.
- en (hij) sprak God (jij) werd tevoorschijn gehaald het land ziel dier aan variatie vee en kruipend gedierte en dier (...) hem land aan variatie en wees zo
- 25.
- en (hij) heeft gemaakt God (tot) dier van het land aan variatie en (tot) de vee aan variatie en (tot) alle kruipend gedierte de aarde aan variatie (...) hem en gezien God dat goede
- 26.
- en (hij) sprak God (hij) is gedaan mens bij (het) beeld (...) ons zoals gestalte (...) ons en (zij) zijn gedaald BDCT de zee en bij (de) vogel de hemel en bij (de) vee en in alle het land en in alle de kruipend gedierte de kruipend gedierte op het land
- 27.
- en (hij) schiep God (tot) de mens bij (het) beeld (...) hem bij (het) beeld God (hij) heeft geschapen (met) hem man en vrouw (hij) heeft geschapen (met) hen
- 28.
- en (hij) zegende (met) hen God en (hij) sprak aan hen God (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend en (zij) zijn vol geweest (tot) het land en ooi en daalt! BDCT de zee en bij (de) vogel de hemel en in alle dier ERMST op het land
- 29.
- en (hij) sprak God hier is (ik) heb gegeven aan jullie (tot) alle planten nakomelingen nakomelingen die op aanzicht van alle het land en (tot) alle de boom die bij hem vrucht boom nakomelingen nakomelingen aan jullie (hij) was naar aan eten
- 30.
- en aan alle dier van het land en aan alle vogel de hemel en aan alle RWMS op het land die bij hem ziel dier (tot) alle groene planten naar aan eten en wees zo
- 31.
- en gezien God (tot) alle die (hij) heeft gedaan en hier is goede zeer en wees aangename en wees rundvee dag (de) zesde
Hoofdstuk 2
- 1.
- en (zij) hebben gekund de hemel en het land en alle leger (...) hen
- 2.
- en (hij) heeft gekund God bij (de) dag (de) zevende handwerk (...) hem die (hij) heeft gedaan en (jij) hebt gewoond bij (de) dag (de) zevende van alle handwerk (...) hem die (hij) heeft gedaan
- 3.
- en (hij) zegende God (tot) dag (de) zevende en (hij) heiligde (met) hem dat bij hem sabbat van alle handwerk (...) hem die (hij) heeft geschapen God te doen
- 4.
- deze TWLDWT de hemel en het land BEBRAM bij (de) dag te doen Jahweh God land en hemel
- 5.
- en alle spreek! het veld voordat (hij) was bij (het) land en alle planten het veld voordat (hij) groeide dat niet EMÐIR Jahweh God op het land en mens (er is) niet te bewerken (tot) de aarde
- 6.
- en damp (hij) verhief vanuit het land en (hij) heeft te drinken gegeven (tot) alle aanzicht van de aarde
- 7.
- en (hij) heeft gefabriceerd Jahweh God (tot) de mens stof vanuit de aarde WIPH bij (de) neuzen (...) hem (jij) hebt geademd leven en wees de mens aan ziel dier
- 8.
- WIÐO Jahweh God tuin bij (de) getuige (...) hen van voorkant en pas toe! daar (tot) de mens die fabriceer!
- 9.
- en (hij) groeide Jahweh God vanuit de aarde alle boom NHMD aan verschijning en goede aan voedsel en boom de leven binnen de tuin en boom de kennis goede en kwaad
- 10.
- en rivier uitgaande van getuige (...) hen te drinken te geven (tot) de tuin en van daar IPRD en (hij) is geweest aan vier hoofden
- 11.
- daar de één PISWN hij (is het zo) dat (hij) is rondgegaan (tot) alle land (is het zo) dat Havila die daar het goud
- 12.
- en goud het land dat goede daar EBDLH en steen de onyx
- 13.
- en naam [van] de rivier (de) tweede Gihon hij (is het zo) dat ga(a)(t) rond (tot) alle land Cusch
- 14.
- en naam [van] de rivier (de) derde HDQL hij de beweging (jij) bent voorgegaan bevestiging en de rivier (de) vierde hij koe van
- 15.
- en (hij) nam Jahweh God (tot) de mens WINHEW bij (de) tuin getuige (...) hen aan feit en te bewaren (er)naar
- 16.
- en (hij) gaf opdracht Jahweh God op de mens te spreken van alle boom de tuin eten (jij) at
- 17.
- en van boom de kennis goede en kwaad niet (jij) at (van)uit hem dat bij (de) dag eten (...) jou (van)uit hem dood (jij) stierf
- 18.
- en (hij) sprak Jahweh God niet goede te zijn de mens alleen hij (ik) werd gedaan als hulp KNCDW
- 19.
- en fabriceer! Jahweh God vanuit de aarde alle dier van het veld en (tot) alle vogel de hemel en (hij) kwam naar de mens te zien wat? (hij) noemde als en alle die (hij) noemde als de mens ziel dier hij zijn naam
- 20.
- en (hij) noemde de mens namen aan alle de vee en te vliegen de hemel en aan alle dier van het veld en aan mens niet (hij) heeft gevonden hulp KNCDW
- 21.
- en (hij) liet vallen Jahweh God diepe slaap op de mens WIISN en (hij) nam één van ribben (...) hem en (hij) sloot vlees THTNE
- 22.
- en (hij) bouwde Jahweh God (tot) de rib die lering vanuit de mens aan vrouw en (hij) kwam (er)naar naar de mens
- 23.
- en (hij) sprak de mens deze de keer bot van bot (...) mij en vlees kondig(t) aan (...) mij aan deze (hij) noemde vrouw dat van man (zij) heeft genomen deze
- 24.
- op zo (hij) verliet man (tot) vader (...) hem en (tot) moeder (...) hem en (hij) heeft geplakt (jij) bent verrot (...) hem en (zij) zijn geweest aan te kondigen één
- 25.
- en (zij) waren die twee ORWMIM de mens en vuur (...) hem noch ITBSSW
Hoofdstuk 3
- 1.
- en de slang (hij) is geweest (zij) hebben blootgelegd (...) hen van alle dier van het veld die (hij) heeft gedaan Jahweh God en (hij) sprak naar de vrouw neus dat woord God niet (jullie) aten van alle boom de tuin
- 2.
- en (jij) sprak de vrouw naar de slang van vrucht boom de tuin (wij) aten
- 3.
- en van vrucht de boom die binnen de tuin woord God niet (jullie) aten (van)uit hem noch (jullie) deedden moeite bij hem opdat niet TMTWN
- 4.
- en (hij) sprak de slang naar de vrouw niet dood TMTWN
- 5.
- dat (hij) heeft geweten God dat bij (de) dag eten (...) jullie (van)uit hem en (wij) openden (...) hem ogen (...) jullie en (jullie) zijn geweest zoals God (hij) heeft geweten (...) mij goede en kwaad
- 6.
- en (zij) liet zien de vrouw dat goede de boom aan voedsel en dat begeerte hij aan ogen WNHMD de boom wijs te worden en (jij) nam van stieren (...) hem en (jij) at en te geven (...) hen ook naar aan man met haar en (hij) at
- 7.
- en (zij) opende (...) haar bestudeer! die twee en (zij) hebben geweten dat OIRMM zij WITPRW blad vijg en (zij) hebben gemaakt aan hen (jij) hebt omgord
- 8.
- en (zij) hoorden toe (tot) klank Jahweh God wandel(t) rond bij (de) tuin aan wind vandaag WITHBA de mens en vuur (...) hem van aanzicht van Jahweh God binnen boom de tuin
- 9.
- en (hij) noemde Jahweh God naar de mens en (hij) sprak als hoe?
- 10.
- en (hij) sprak (tot) klank (...) jou (ik) heb toegehoord bij (de) tuin en (ik) vreesde dat stad (...) hen ik WAHBA
- 11.
- en (hij) sprak water van (hij) heeft verteld aan jou dat stad (...) hen (met) haar het manna de boom die (ik) heb opdracht gegeven (...) jou opdat niet eten (van)uit hem (jij) hebt gegeten
- 12.
- en (hij) sprak de mens de vrouw die zet met mij hij (zij) heeft gegeven aan mij vanuit de boom en eten
- 13.
- en (hij) sprak Jahweh God aan vrouw wat? deze (jij) hebt gedaan en (jij) sprak de vrouw de slang ESIANI en eten
- 14.
- en (hij) sprak Jahweh God naar de slang dat (jij) hebt gedaan deze vervloekte (met) haar van alle de vee en van alle dier van het veld op CHNK (jij) ging en stof (jij) at alle dagen van leven (...) jou
- 15.
- en vijandschap (ik) legde tussen jou en tussen de vrouw en tussen nakomelingen (...) jou en tussen (zij) heeft gezaaid hij (hij) ademde uit (...) jou hoofd en (met) haar (jij) ademde uit (...) ons voetstap
- 16.
- naar de vrouw woord veel sprinkhaan pijn (...) jou WERNK bij (de) bedroefde (jij) baarde zonen en naar man (...) jou begeerte (...) jou en hij (hij) heerste bij jou
- 17.
- en aan mens woord dat (jij) hebt toegehoord aan klank vuur (...) jou en (jij) at vanuit de boom die (ik) heb opdracht gegeven (...) jou te spreken niet (jij) at (van)uit hem vervloekte de aarde bij ga voorbij! (...) jou bij (de) pijn (jullie) aten alle dagen van leven (...) jou
- 18.
- WQWß WDRDR (jij) liet groeien aan jou en (jij) hebt gegeten (tot) planten het veld
- 19.
- BZOT neuzen (...) jou (jij) at brood tot terugkeren (...) jou naar de aarde dat (van)uit haar (jij) hebt genomen dat stof (met) haar en naar stof (jij) blies
- 20.
- en (hij) noemde de mens daar vuur (...) hem boerderij dat hij (zij) is geweest als alle levende
- 21.
- en (hij) heeft gemaakt Jahweh God aan mens en aan vuur (...) hem KTNWT huid en (hij) bekleedde zich (...) hen
- 22.
- en (hij) sprak Jahweh God èn de mens (hij) is geweest zoals een (van)uit hem te weten goede en kwaad en nu opdat niet (hij) zond weg (hij) bedankte en lering ook van boom de leven en eten en levende aan eeuwigheid
- 23.
- en (zij) zondden weg (...) hem Jahweh God schild getuige (...) hen te bewerken (tot) de aarde die lering van daar
- 24.
- en (hij) verjoeg (tot) de mens en jullie zijn er van voorkant aan tuin getuige (...) hen (tot) de beelden van meerderheid en (tot) LEÐ het zwaard EMTEPKT te bewaren (tot) weg boom de leven
Hoofdstuk 4
- 1.
- en de mens (hij) heeft geweten (tot) boerderij vuur (...) hem en (zij) werd zwanger en (jij) baarde (tot) Kain en (jij) sprak (ik) heb gekocht man (tot) Jahweh
- 2.
- en (jij) voegde toe te baren (tot) broers (...) hem (tot) damp en wees damp herder kleinvee en Kain (hij) is geweest slaaf aarde
- 3.
- en wees van eind dagen en (hij) kwam Kain van vrucht de aarde geschenk aan Jahweh
- 4.
- en damp (hij) heeft gebracht ook hij trekken voor ga uit! (...) ons en van melk-en (...) hen en redding Jahweh naar damp en naar geschenk (...) hem
- 5.
- en naar Kain en naar geschenk (...) hem niet SOE en (hij) ontbrandde aan Kain zeer en (zij) vielen aanzichten (...) hem
- 6.
- en (hij) sprak Jahweh naar Kain waarom (hij) is ontbrand aan jou en waarom ga(a)t neer! aanzichten (...) jou
- 7.
- immers als (jij) deed goed te dragen en als niet (jij) deed goed open te doen zondoffer RBß en naar jou begeerte (...) hem en (met) haar (zij) heerste bij hem
- 8.
- en (hij) sprak Kain naar damp broers (...) hem en wees bij te zijn (...) hen bij (het) veld en (hij) stond op Kain naar damp broers (...) hem en (zij) doodden (...) hem
- 9.
- en (hij) sprak Jahweh naar Kain waar damp broers (...) jou en (hij) sprak niet (ik) heb geweten (is het zo) dat bewaar! broer ik
- 10.
- en (hij) sprak wat? (jij) hebt gedaan klank lijk! broers (...) jou schreeuw! (...) hen naar mij vanuit de aarde
- 11.
- en nu vervloekte (met) haar vanuit de aarde die (zij) heeft geopend (tot) naar mond van (jij) hebt genomen (tot) lijk! broers (...) jou van hand (...) jou
- 12.
- dat (zij) werkte (tot) de aarde niet (jij) voegde toe te geven naar kracht aan jou (hij) heeft gezworven en dolende (jij) was bij (het) land
- 13.
- en (hij) sprak Kain naar Jahweh grote armoede van verheven
- 14.
- èn (jij) hebt verjaagd (met) mij vandaag boven aanzicht van de aarde en van aanzichten (...) jou Esther en (ik) ben geweest (hij) heeft gezworven en dolende bij (het) land en (hij) is geweest alle vind! (hij) doodde (...) mij
- 15.
- en (hij) sprak als Jahweh daarom alle (hij) heeft gedood Kain (ik) ben verzadigd geweest (...) hen (hij) stond op en pas toe! Jahweh aan Kain letter opdat niet EKWT (met) hem alle (zij) hebben gevonden
- 16.
- en uitgaande Kain weg van aanzicht van Jahweh en inwoner bij (het) land NWD (jij) bent voorgegaan getuige (...) hen
- 17.
- en (hij) heeft geweten Kain (tot) vuur (...) hem en (zij) werd zwanger en (jij) baarde (tot) (zij) zijn gelegerd (...) jou en wees (hij) heeft gebouwd stad en (hij) noemde daar (hij) heeft opgemerkt zoals naam bij ons (zij) zijn gelegerd (...) jou
- 18.
- en baar(t) LHNWK (tot) Hirad en Hirad kind (tot) Mechujaël en Mechujaël kind (tot) Methusaël en Methusaël kind (tot) Lamech
- 19.
- en (hij) nam als Lamech schering worden verlaten daar de één getuige en naam [van] de tweede naar schaduw
- 20.
- en (jij) baarde getuige (tot) 50e jaardag hij (hij) is geweest vader inwoner tent en bezit
- 21.
- en naam [van] broers (...) hem stroom hij (hij) is geweest vader alle (zij) verbreidde zich viool en orgel
- 22.
- en naar schaduw ook hij (zij) heeft gebaard (tot) (jij) werd vervoerd Kain LÐS alle stille koper en ijzer en zus (jij) werd vervoerd Kain (zij) is aangenaam geweest
- 23.
- en (hij) sprak Lamech aan vrouwen (...) hem getuige en naar schaduw nieuws (...) hen klanken van vrouwen van Lamech (is het zo) dat (ik) hoereerde (ik) heb gesproken dat man (ik) heb gedood te verwonden (...) mij en kind LHBRTI
- 24.
- dat (ik) ben verzadigd geweest (...) hen (hij) stond op Kain en Lamech zeventig en zeven
- 25.
- en (hij) heeft geweten mens nog (eens) (tot) vuur (...) hem en (jij) baarde zoon en (jij) noemde (tot) zijn naam Set dat Set aan mij God nakomelingen andere in de plaats van damp dat (zij) hebben gedood Kain
- 26.
- en aan Set ook hij kind zoon en (hij) noemde (tot) zijn naam mens destijds EWHL te noemen bij (de) naam Jahweh
Hoofdstuk 5
- 1.
- dit boek geschiedenis mens bij (de) dag (hij) heeft geschapen God mens bij (de) gestalte God (hij) heeft gedaan (met) hem
- 2.
- man en vrouw (hij) heeft geschapen (...) hen en (hij) zegende (met) hen en (hij) noemde (tot) naam (...) hen mens bij (de) dag (is het zo) dat (hij) heeft geschapen (...) hen
- 3.
- en leve! mens dertig en honderd jaar en baar(t) bij (de) gestalte (...) hem zoals beeld (...) hem en (hij) noemde (tot) zijn naam Set
- 4.
- en (zij) waren dagen van mens na (zij) hebben voortgebracht (tot) Set acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 5.
- en (zij) waren alle dagen van mens die levende negen honderd jaar en dertig jaar en (hij) stierf
- 6.
- en leve! Set vijf twee en honderd jaar en baar(t) (tot) mens
- 7.
- en leve! Set na (zij) hebben voortgebracht (tot) mens zeven twee en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 8.
- en (zij) waren alle dagen van Set twee tien jaar en negen honderd jaar en (hij) stierf
- 9.
- en leve! mens negentig jaar en baar(t) (tot) Kenan
- 10.
- en leve! mens na (zij) hebben voortgebracht (tot) Kenan vijf tien jaar en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 11.
- en (zij) waren alle dagen van mens vijf twee en negen honderd jaar en (hij) stierf
- 12.
- en leve! Kenan zeventig jaar en baar(t) (tot) Mahalal-el
- 13.
- en leve! Kenan na (zij) hebben voortgebracht (tot) Mahalal-el veertig jaar en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 14.
- en (zij) waren alle dagen van Kenan rijkdom twee en negen honderd jaar en (hij) stierf
- 15.
- en leve! Mahalal-el vijf twee en zestig jaar en baar(t) (tot) (hij) is gedaald
- 16.
- en leve! Mahalal-el na (zij) hebben voortgebracht (tot) (hij) is gedaald dertig jaar en acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 17.
- en (zij) waren alle dagen van Mahalal-el vijf en negentig jaar en acht honderd jaar en (hij) stierf
- 18.
- en leve! (hij) is gedaald twee en zestig jaar en honderd jaar en baar(t) (tot) (zij) zijn gelegerd (...) jou
- 19.
- en leve! (hij) is gedaald na (zij) hebben voortgebracht (tot) (zij) zijn gelegerd (...) jou acht honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 20.
- en (zij) waren alle dagen van (hij) is gedaald twee en zestig jaar en negen honderd jaar en (hij) stierf
- 21.
- en leve! (zij) zijn gelegerd (...) jou vijf en zestig jaar en baar(t) (tot) Methusalach
- 22.
- en (hij) wandelde rond (zij) zijn gelegerd (...) jou (tot) naar God na (zij) hebben voortgebracht (tot) Methusalach drie honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 23.
- en wees alle dagen van (zij) zijn gelegerd (...) jou vijf en zestig jaar en drie honderd jaar
- 24.
- en (hij) wandelde rond (zij) zijn gelegerd (...) jou (tot) naar God en hij is (er) niet dat lering (met) hem God
- 25.
- en leve! Methusalach zeven en tachtig jaar en honderd jaar en baar(t) (tot) Lamech
- 26.
- en leve! Methusalach na (zij) hebben voortgebracht (tot) Lamech twee en tachtig jaar en zeven honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 27.
- en (zij) waren alle dagen van Methusalach negen en zestig jaar en negen honderd jaar en (hij) stierf
- 28.
- en leve! Lamech twee en tachtig jaar en honderd jaar en baar(t) zoon
- 29.
- en (hij) noemde (tot) zijn naam rustende te spreken dit (hij) troostte (...) ons van daad (...) ons en van pijn (zij) berechtten vanuit de aarde die ARRE Jahweh
- 30.
- en leve! Lamech na (zij) hebben voortgebracht (tot) rustende vijf en negentig jaar en vijf honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 31.
- en wees alle dagen van Lamech zeven en zeventig jaar en zeven honderd jaar en (hij) stierf
- 32.
- en wees rustende zoon vijf honderd jaar en baar(t) rustende (tot) daar (tot) hete en (tot) Jafeth
Hoofdstuk 6
- 1.
- en wees dat (hij) is begonnen te de mens aan meerderheid op aanzicht van de aarde en dochters helpt bij de geboorte! aan hen
- 2.
- en (zij) lieten zien bouw! naar God (tot) dochters de mens dat ÐBT hier is en (zij) namen aan hen worden verlaten van alle die (zij) hebben gekozen
- 3.
- en (hij) sprak Jahweh niet (hij) bedankte (...) hen wind (...) mij bij (de) mens aan eeuwigheid BSCM hij vlees en (zij) zijn geweest dagen (...) hem honderd en twintig jaar
- 4.
- (is het zo) dat ga neer! (...) hen (zij) zijn geweest bij (het) land bij (de) dagen die en ook na zo die voert in! bouw! naar God naar dochters de mens en helpt bij de geboorte! aan hen deze (mv) de mannen die van eeuwigheid mens (...) mij (is het zo) dat daar
- 5.
- en gezien Jahweh dat veelheid medemens van de mens bij (het) land en alle fabriceer! bereken(t) zijn hart lege kwaad alle vandaag
- 6.
- en (hij) troostte Jahweh dat (hij) heeft gedaan (tot) de mens bij (het) land WITOßB naar zijn hart
- 7.
- en (hij) sprak Jahweh (ik) wiste uit (tot) de mens die (ik) heb geschapen boven aanzicht van de aarde van mens tot vee tot kruipend gedierte en tot vogel de hemel dat (ik) heb getroost dat (jullie) hebben gedaan
- 8.
- en rustende (hij) heeft gevonden gratie bij bestudeer! Jahweh
- 9.
- deze geschiedenis rustende rustende man rechtvaardige volledige (hij) is geweest bij (de) generaties (...) hem (tot) naar God (hij) heeft rondgewandeld rustende
- 10.
- en baar(t) rustende drie zonen (tot) daar (tot) hete en (tot) Jafeth
- 11.
- en (jij) bedierf het land voor naar God en (jij) was vol het land roof
- 12.
- en gezien God (tot) het land en hier is (wij) bedierven (er)naar dat (hij) heeft kapot gemaakt alle vlees (tot) weg (...) hem op het land
- 13.
- en (hij) sprak God aan rustende eind alle vlees (hij) is gekomen voor dat (zij) is vol geweest het land roof van aanzichten (...) hen en hier ben ik vernieler (...) hen (tot) het land
- 14.
- (hij) heeft gedaan aan jou kist van houten CPR buizen (jij) deed (tot) de kist en verzoendeksel (met) haar van huis en buiten bij (de) dorp
- 15.
- en dit die (jij) deed (met) haar drie honderd natie lange de kist vijftig natie plein en dertig natie hoogte (...) haar
- 16.
- luchtgat (jij) deed aan kist en naar natie (jullie) konen weg van hoogte en opening de kist bij (zij) heeft gevangen (jij) plaatste onderste (mv) twee en dertig (jij) deed
- 17.
- en ik hier ben ik breng(t) (tot) de zondvloed water op het land te bederven alle vlees die bij hem wind leven onder vandaan de hemel alle die bij (het) land (hij) stierf
- 18.
- en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van (met) jou en (jij) bent gekomen naar de kist (met) haar en zonen (...) jou en vuur (...) jou en vrouwen van zonen (...) jou (met) jou
- 19.
- en van alle (de) levende van alle vlees twee van alle (jij) bracht naar de kist aan het dier van (met) jou man en vrouw (zij) waren
- 20.
- van de vogel aan variatie (...) hem en vanuit de vee aan variatie van alle kruipend gedierte de aarde aan variatie (...) hem twee van alle voert in! naar jou aan de dieren
- 21.
- en (met) haar neem! aan jou van alle voedsel die (hij) at en (jij) hebt verzameld naar jou en (hij) is geweest aan jou en aan hen naar aan eten
- 22.
- en (hij) heeft gemaakt rustende zoals alle die geef opdracht! (met) hem God zo (hij) heeft gedaan
Hoofdstuk 7
- 1.
- en (hij) sprak Jahweh aan rustende (hij) is gekomen (met) haar en alle huis (...) jou naar de kist dat (met) jou (ik) heb gezien rechtvaardige voor bij (de) generatie deze
- 2.
- van alle de vee (de) zuivere (jij) nam aan jou zeven zeven man en vuur (...) hem en vanuit de vee die niet (zij) heeft gezuiverd hij twee man en vuur (...) hem
- 3.
- ook om te vliegen de hemel zeven zeven man en vrouw te leven nakomelingen op aanzicht van alle het land
- 4.
- dat aan dagen nog (eens) zeven ik MMÐIR op het land veertig dag en veertig nacht en (ik) heb uitgewist (tot) alle (is het zo) dat (hij) wraakte die (ik) heb gedaan boven aanzicht van de aarde
- 5.
- en (hij) heeft gemaakt rustende zoals alle die geeft opdracht! Jahweh
- 6.
- en rustende zoon zes honderd jaar en de zondvloed (hij) is geweest water op het land
- 7.
- en (hij) kwam rustende en zonen (...) hem en vuur (...) hem en vrouwen van zonen (...) hem (met) hem naar de kist van aanzicht van water van de zondvloed
- 8.
- vanuit de vee (de) zuivere en vanuit de vee die zij is (er) niet (zij) heeft gezuiverd en vanuit de vogel en alle die kruipend gedierte op de aarde
- 9.
- twee twee (zij) zijn gekomen naar rustende naar de kist man en vrouw zoals geef opdracht! God (tot) rustende
- 10.
- en wees aan zeven de dagen en water van de zondvloed (zij) zijn geweest op het land
- 11.
- bij (het) jaar van zes honderd jaar wangen van rustende bij (de) maand (de) tweede bij zeven rijkdom dag aan maand bij (de) dag deze NBQOW alle bestudeer(t) afgrond veelheid en (jij) hebt in hinderlaag gelegen de hemel (wij) deedden open (...) hem
- 12.
- en wees (is het zo) dat nader! (...) hen op het land veertig dag en veertig nacht
- 13.
- bij (het) bot vandaag deze (hij) is gekomen rustende en naam [van] en hete en Jafeth bouw! rustende en vuur van rustende en drie van vrouwen van zonen (...) hem (met) hen naar de kist
- 14.
- deze (mv) en alle het dier aan variatie en alle de vee aan variatie en alle de kruipend gedierte de kruipend gedierte op het land aan variatie (...) hem en alle de vogel aan variatie (...) hem alle Zippor alle vleugel
- 15.
- en voert in! naar rustende naar de kist twee twee van alle het vlees die bij hem wind leven
- 16.
- en die gekomen man en vrouw van alle vlees (zij) zijn gekomen zoals geef opdracht! (met) hem God en (hij) sloot Jahweh bij (de) getuige (...) hem
- 17.
- en wees de zondvloed veertig dag op het land en (zij) vermeerderden het water en (zij) droegen (tot) de kist en (zij) was hoog boven het land
- 18.
- en (zij) werden sterk het water en (zij) vermeerderden zeer op het land en (jij) ging de kist op aanzicht van het water
- 19.
- en het water (zij) zijn sterk geworden zeer zeer op het land en (zij) bedekten alle naar de heuvels (de) hoge (mv) die in de plaats van alle de hemel
- 20.
- vijf tien natie weg van hoogte (zij) zijn sterk geworden het water en (zij) bedekten naar de heuvels
- 21.
- en (hij) stierf alle vlees de kruipend gedierte op het land bij (de) vogel en bij (de) vee en bij (het) dier en in alle (is het zo) dat (hij) heeft gekrioeld (is het zo) dat (hij) heeft gekrioeld op het land en alle de mens
- 22.
- alle die (jij) hebt geademd wind leven bij (de) neuzen (...) hem van alle die bij (het) droog land (zij) zijn gestorven
- 23.
- en (hij) wiste uit (tot) alle (is het zo) dat (hij) wraakte die op aanzicht van de aarde van mens tot vee tot kruipend gedierte en tot vogel de hemel en (zij) wisten uit vanuit het land WISAR maar rustende en die (met) hem bij (de) kist
- 24.
- en (zij) werden sterk het water op het land vijftig en honderd dag
Hoofdstuk 8
- 1.
- en (hij) herinnerde zich God (tot) rustende en (tot) alle het dier en (tot) alle de vee die (met) hem bij (de) kist en (hij) ging voorbij God wind op het land en (zij) beten het water
- 2.
- WIXKRW bestudeer(t) afgrond en (jij) hebt in hinderlaag gelegen de hemel en (hij) zette gevangen (is het zo) dat nader! (...) hen vanuit de hemel
- 3.
- en (zij) hebben gewoond het water boven het land gang en terugkeren en (zij) ontbraken het water van einde vijftig en honderd dag
- 4.
- en (zij) rustte de kist bij (de) maand (de) zevende bij zeven rijkdom dag aan maand op zie hier! ARRÐ
- 5.
- en het water (zij) zijn geweest gang en ontbreek! tot de maand (de) tiende bij (de) tiende bij één aan maand (wij) lieten zien (...) hem hoofden van naar de heuvels
- 6.
- en wees van eind veertig dag en (hij) deed open rustende (tot) (zij) zijn ziek geworden (...) hen de kist die (hij) heeft gedaan
- 7.
- en (hij) zond weg (tot) (de) aangename en uitgaande IßWA en terugkeren tot (jij) bent droog geweest het water boven het land
- 8.
- en (hij) zond weg (tot) de duif van hem te zien (zij) hebben verlicht het water boven aanzicht van de aarde
- 9.
- noch (zij) heeft gevonden de duif om te rusten aan lepel naar voet en (jij) woonde naar hem naar de kist dat water op aanzicht van alle het land en (hij) zond weg (hij) bedankte en (hij) nam (er)naar en (hij) kwam (met) haar naar hem naar de kist
- 10.
- en (hij) begon te nog (eens) zeven dagen anderen en (hij) heeft toegevoegd wapen (tot) de duif vanuit de kist
- 11.
- en (zij) kwam naar hem de duif aan tijd aangename en hier is blad olijf prooi naar bij (de) mond van en (hij) heeft geweten rustende dat klank (...) hem het water boven het land
- 12.
- en (hij) heeft gehoopt nog (eens) zeven dagen anderen en (hij) zond weg (tot) de duif noch (zij) heeft toegevoegd terugkeren naar hem nog (eens)
- 13.
- en wees bij één en zes honderd jaar bij (de) eerste bij één aan maand (zij) zijn vernield het water boven het land en (hij) week af rustende (tot) bedek(t) de kist en gezien en hier is (zij) zijn vernield aanzicht van de aarde
- 14.
- en bij (de) maand (de) tweede bij zeven en twintig dag aan maand vasteland het land
- 15.
- en (hij) sprak God naar rustende te spreken
- 16.
- ga weg! vanuit de kist (met) haar en vuur (...) jou en zonen (...) jou en vrouwen van zonen (...) jou (met) jou
- 17.
- alle het dier die (met) jou van alle vlees bij (de) vogel en bij (de) vee en in alle de kruipend gedierte de kruipend gedierte op het land (hij) is tevoorschijn gehaald (met) jou en (zij) hebben gekrioeld bij (het) land en (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend op het land
- 18.
- en uitgaande rustende en zonen (...) hem en vuur (...) hem en vrouwen van zonen (...) hem (met) hem
- 19.
- alle het dier alle de kruipend gedierte en alle de vogel alle RWMS op het land LMSPHTIEM voert uit! vanuit de kist
- 20.
- en (hij) bouwde rustende altaar aan Jahweh en (hij) nam van alle de vee (zij) heeft zich gezuiverd en van alle de vogel (de) zuivere en (hij) verhief opgaan bij (het) altaar
- 21.
- en maan Jahweh (tot) geur (de) aangename en (hij) sprak Jahweh naar zijn hart niet Asaf te vervloeken nog (eens) (tot) de aarde wegens de mens dat fabriceer! hart de mens kwaad van jeugd (...) hem noch Asaf nog (eens) te slaan (tot) alle levende zoals (ik) heb gedaan
- 22.
- tot alle dagen van het land nakomelingen en oogst WQR en hete en zomer en beledig! en dag en nacht niet (zij) rustten
Hoofdstuk 9
- 1.
- en (hij) zegende God (tot) rustende en (tot) zonen (...) hem en (hij) sprak aan hen (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend en (zij) zijn vol geweest (tot) het land
- 2.
- en vrees (...) jullie en angst (...) jullie (hij) was op alle dier van het land en op alle vogel de hemel in alle die TRMS de aarde en in alle vissen van de zee bij (de) hand (...) jullie (zij) hebben gegeven
- 3.
- alle kruipend gedierte die hij levende aan jullie (hij) was naar aan eten zoals groene planten (ik) heb gegeven aan jullie (tot) alle
- 4.
- maar vlees bij (de) ziel (...) hem (zij) hebben geleken niet (jullie) aten
- 5.
- en maar (tot) bloed (...) jullie aan zielen (...) jullie (ik) werd verzocht van hand alle dier (ik) werd verzocht (...) ons en van hand de mens van hand man broers (...) hem (ik) werd verzocht (tot) ziel de mens
- 6.
- monding bloed de mens bij (de) mens (zij) hebben geleken (hij) stortte dat bij (het) beeld God (hij) heeft gedaan (tot) de mens
- 7.
- en (met) hen (zij) zijn vruchtbaar geweest en tienduizend (zij) hebben gekrioeld bij (het) land en tienduizend bij haar
- 8.
- en (hij) sprak God naar rustende en naar zonen (...) hem (met) hem te spreken
- 9.
- en ik hier ben ik vestig(t) (tot) verbonden van (met) jullie en (tot) nakomelingen (...) jullie na jullie
- 10.
- en (tot) alle ziel het dier die (met) jullie bij (de) vogel bij (de) vee en in alle dier van het land (met) jullie van alle voer uit! de kist aan alle dier van het land
- 11.
- en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van (met) jullie noch (hij) hakte af alle vlees nog (eens) van water van de zondvloed noch (hij) was nog (eens) zondvloed te bederven het land
- 12.
- en (hij) sprak God deze letter het verbond die ik (hij) heeft gegeven tussen mij en tussen jullie en tussen alle ziel dier die (met) jullie aan generatie van eeuwigheid
- 13.
- (tot) bogen van (ik) heb gegeven bij (de) wolk en (zij) is geweest aan letter verbond tussen mij en tussen het land
- 14.
- en (hij) is geweest bij (de) wolken van wolk op het land WNRATE de boog bij (de) wolk
- 15.
- en (ik) heb me herinnerd (tot) verbonden van die tussen mij en tussen jullie en tussen alle ziel dier in alle vlees noch (hij) was nog (eens) het water aan zondvloed te bederven alle vlees
- 16.
- en (zij) is geweest de boog bij (de) wolk en (ik) heb gezien (er)naar aan man verbond eeuwigheid tussen God en tussen alle ziel dier in alle vlees die op het land
- 17.
- en (hij) sprak God naar rustende deze letter het verbond die (ik) heb gevestigd tussen mij en tussen alle vlees die op het land
- 18.
- en (zij) waren bouw! rustende de uitgaanden vanuit de kist daar en hete en Jafeth en hete hij vader Kanaän
- 19.
- drie deze bouw! rustende en naar van macht (zij) heeft verspreid alle het land
- 20.
- en (hij) begon te rustende man de aarde WIÐO wijngaard
- 21.
- en (hij) legde vanuit de wijn en (hij) huurde WITCL binnen naar tent
- 22.
- en gezien hete vader Kanaän (tot) worden wakker vader (...) hem en (hij) werd verteld aan tweede broers (...) hem bij (de) straat
- 23.
- en (hij) nam daar en Jafeth (tot) de jurk en (zij) plaatsten op schouder die twee en (zij) gingen achterwaarts en (zij) bedekten (tot) worden wakker vaders (...) hen en aanzichten (...) hen achterwaarts en worden wakker vaders (...) hen niet (zij) hebben gezien
- 24.
- en (hij) werd wakker rustende van wijn (...) hem en (hij) heeft geweten (tot) die (hij) heeft gedaan als bij ons de kleine
- 25.
- en (hij) sprak vervloekte Kanaän slaaf slaven (hij) was aan broers (...) hem
- 26.
- en (hij) sprak gezegende Jahweh mijn God daar en wees Kanaän slaaf voor hen
- 27.
- Jafeth God aan Jafeth en jullie zijn er bij (de) tenten van daar en wees Kanaän slaaf voor hen
- 28.
- en leve! rustende andere de zondvloed drie honderd jaar en vijftig jaar
- 29.
- en (zij) waren alle dagen van rustende negen honderd jaar en vijftig jaar en (hij) stierf
Hoofdstuk 10
- 1.
- en deze geschiedenis bouw! rustende daar hete en Jafeth en (zij) zijn geboren aan hen zonen andere de zondvloed
- 2.
- bouw! Jafeth einde en van Gog en van die en doffer en wereld en (hij) heeft getrokken WTIRX
- 3.
- en bouw! einde ASKNZ WRIPT WTCRME
- 4.
- en bouw! doffer ALISE en Tharsis KTIM WDDNIM
- 5.
- van deze NPRDW eilanden van de volken bij (de) landen (...) hen man aan tong (...) hem aan families (...) hen bij (de) volken (...) hen
- 6.
- en bouw! hete Cusch en Egypte en Put en Kanaän
- 7.
- en bouw! Cusch XBA en Havila WXBTE WROME WXBTKA en bouw! ROME Scheba en tepel (...) hen
- 8.
- en Cusch kind (tot) NMRD hij (hij) is begonnen te te zijn man bij (het) land
- 9.
- hij (hij) is geweest man jacht voor Jahweh op zo (hij) sprak KNMRD held jacht voor Jahweh
- 10.
- en (zij) was begin rijk (...) hem Babel en lange WAKD en kunt! bij (het) land Sinear
- 11.
- vanuit het land dat uitgaande bevestiging en (hij) bouwde (tot) Ninevé en (tot) (jij) bent breder geworden stad en (tot) zoals frisheid
- 12.
- en (tot) RXN tussen Ninevé en tussen zoals frisheid hij (hij) heeft opgemerkt de grootheid
- 13.
- en Egypte kind (tot) LWDIM en (tot) ONMIM en (tot) LEBIM en (tot) NPTHIM
- 14.
- en (tot) PTRXIM en (tot) als vergeef! (...) hen die voert uit! van daar Filistijnen en (tot) KPTRIM
- 15.
- en Kanaän kind (tot) Sidon trekt voor! en (tot) angst
- 16.
- en (tot) de Jebusiet en (tot) de Amoriet en (tot) ECRCSI
- 17.
- en (tot) de Heviet en (tot) EORQI en (tot) (is het zo) dat Sinaï
- 18.
- en (tot) EARWDI en (tot) de wol (...) mij en (tot) de leren zak-en van en andere verbrijzelt! families (de) Kanaänitische
- 19.
- en wees grens (de) Kanaänitische van Sidon bij (ik) sloeg naar Gerar tot naar kracht bij (ik) sloeg naar Sodom en Gomorra en aarde en gazellen tot LSO
- 20.
- deze bouw! hete aan families (...) hen LLSNTM bij (de) landen (...) hen bij (de) volken (...) hen
- 21.
- en aan naam kind ook hij vader alle bouw! kant broer Jafeth (de) grote
- 22.
- bouw! daar Elam en bevestiging en Arfachsad en Lud en Syrië
- 23.
- en bouw! Syrië Uz en zand WCTR WMS
- 24.
- en Arfachsad kind (tot) wapen en wapen kind (tot) kant
- 25.
- en door te trekken kind tweede zonen daar de één splitsing dat bij (de) dagen (...) hem (wij) splitsten (er)naar het land en naam [van] broers (...) hem IQÐN
- 26.
- WIQÐN kind (tot) ALMWDD en (tot) stoppelveld en (tot) HßRMWT en (tot) maan
- 27.
- en (tot) de generatie (...) hen en (tot) AWZL en (tot) DQLE
- 28.
- en (tot) OWBL en (tot) ABIMAL en (tot) Scheba
- 29.
- en (tot) AWPR en (tot) Havila en (tot) Jobab alle deze bouw! IQÐN
- 30.
- en wees zetel (...) hen van last bij (ik) sloeg (zij) heeft geteld heuvel de voorkant
- 31.
- deze bouw! daar aan families (...) hen LLSNTM bij (de) landen (...) hen aan volken (...) hen
- 32.
- deze familie van bouw! rustende aan geschiedenis (...) hen bij (de) volken (...) hen en naar van macht NPRDW de volken bij (het) land andere de zondvloed
Hoofdstuk 11
- 1.
- en wees alle het land oever één en woorden AHDIM
- 2.
- en wees bij (hij) heeft gereisd (...) hen van voorkant en (zij) vondden BQOE bij (het) land Sinear en (zij) hebben gewoond daar
- 3.
- en (zij) spraken man naar zijn vriend vooruit! NLBNE witte (mv) en (wij) verbrandden (er)naar te verbranden (er)naar en (zij) was aan hen (de) witte aan steen en de klei (hij) is geweest aan hen aan klei
- 4.
- en (zij) spraken vooruit! (wij) bouwden aan ons stad en kweek(t) en hoofd (...) hem bij (de) hemel en (hij) is gedaan aan ons daar opdat niet (wij) verspreidden op aanzicht van alle het land
- 5.
- en (hij) is gedaald Jahweh te vrezen (tot) (hij) heeft opgemerkt en (tot) (is het zo) dat kweek(t) die bij ons bouw! de mens
- 6.
- en (hij) sprak Jahweh èn met één en oever één aan allen (...) hen en dit (is het zo) dat (hij) heeft gedroomd te doen en nu niet (hij) plukte druiven (van)uit hen alle die IZMW te doen
- 7.
- vooruit! (wij) daalden (er)naar en kadaver daar lip (...) hen die niet (zij) hoorden toe man oever van zijn vriend
- 8.
- en (hij) opende Jahweh (met) hen van daar op aanzicht van alle het land en (zij) hieldden op aan dochter van (hij) heeft opgemerkt
- 9.
- op zo (hij) heeft genoemd daarnaar (-s) Babel dat daar BLL Jahweh oever van alle het land en van daar EPIßM Jahweh op aanzicht van alle het land
- 10.
- deze geschiedenis daar daar zoon honderd jaar en baar(t) (tot) Arfachsad twee jaren andere de zondvloed
- 11.
- en leve! daar na (zij) hebben voortgebracht (tot) Arfachsad vijf honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 12.
- en Arfachsad levende vijf en dertig jaar en baar(t) (tot) wapen
- 13.
- en leve! Arfachsad na (zij) hebben voortgebracht (tot) wapen drie twee en vier honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 14.
- en wapen levende dertig jaar en baar(t) (tot) kant
- 15.
- en leve! wapen na (zij) hebben voortgebracht (tot) kant drie twee en vier honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 16.
- en leve! kant vier en dertig jaar en baar(t) (tot) splitsing
- 17.
- en leve! kant na (zij) hebben voortgebracht (tot) splitsing dertig jaar en vier honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 18.
- en leve! splitsing dertig jaar en baar(t) (tot) (zij) hebben achtervolgd
- 19.
- en leve! splitsing na (zij) hebben voortgebracht (tot) (zij) hebben achtervolgd negen twee en honderd paar jaar en baar(t) zonen en dochters
- 20.
- en leve! (zij) hebben achtervolgd twee en dertig jaar en baar(t) (tot) Serug
- 21.
- en leve! (zij) hebben achtervolgd na (zij) hebben voortgebracht (tot) Serug zeven twee en honderd paar jaar en baar(t) zonen en dochters
- 22.
- en leve! Serug dertig jaar en baar(t) (tot) Nahor
- 23.
- en leve! Serug na (zij) hebben voortgebracht (tot) Nahor honderd paar jaar en baar(t) zonen en dochters
- 24.
- en leve! Nahor negen en twintig jaar en baar(t) (tot) Terach
- 25.
- en leve! Nahor na (zij) hebben voortgebracht (tot) Terach negen tien jaar en honderd jaar en baar(t) zonen en dochters
- 26.
- en leve! Terach zeventig jaar en baar(t) (tot) Abram (tot) Nahor en (tot) Haran
- 27.
- en deze geschiedenis Terach Terach (hij) heeft voortgebracht (tot) Abram (tot) Nahor en (tot) Haran en Haran (hij) heeft voortgebracht (tot) Lot
- 28.
- en (hij) stierf Haran op aanzicht van Terach vader (...) hem bij (het) land vaderland (...) hem bij (het) licht Chaldeeën
- 29.
- en (hij) nam Abram en Nahor aan hen worden verlaten daar vuur van Abram Sarai en naam [van] vuur van Nahor koningin dochter Haran vader koningin en vader (hij) goot uit (er)naar
- 30.
- en (zij) was Sarai onvruchtbare (er is) niet aan haar en baar!
- 31.
- en (hij) nam Terach (tot) Abram bij ons en (tot) Lot zoon Haran zoon bij ons en (tot) Sarai schoondochter (...) hem vuur van Abram bij ons en voert uit! (met) hen licht Chaldeeën te gaan naar land Kanaän en voert in! tot Haran en (zij) hebben gewoond daar
- 32.
- en (zij) waren dagen van Terach vijf twee en honderd paar jaar en (hij) stierf Terach bij Haran
Hoofdstuk 12
- 1.
- en (hij) sprak Jahweh naar Abram aan jou aan jou van land (...) jou en van vaderland (...) jou en van huis vader (...) jou naar het land die (ik) liet zien (...) jou
- 2.
- en (ik) maakte (...) jou aan volk grote en (ik) zegende (...) jou en (ik) kweekte (er)naar naam (...) jou en (hij) is geweest gelukwens
- 3.
- en (ik) zegende (er)naar zegenen (...) jou en vervloek(t) (...) jou AAR en (wij) zegenden (...) hem bij jou alle familie van de aarde
- 4.
- en (hij) ging Abram zoals woord naar hem Jahweh en (hij) ging (met) hem Lot en Abram zoon vijf twee en zeventig jaar bij uit te gaan (...) hem van Haran
- 5.
- en (hij) nam Abram (tot) Sarai vuur (...) hem en (tot) Lot zoon broers (...) hem en (tot) alle RKWSM die RKSW en (tot) de ziel die Ezau bij Haran en voert uit! te gaan naar land Kanaän en voert in! naar land Kanaän
- 6.
- en (hij) ging voorbij Abram bij (het) land tot plaats schouder tot eik leraar en (de) Kanaänitische destijds bij (het) land
- 7.
- en gezien Jahweh naar Abram en (hij) sprak aan nakomelingen (...) jou (met) hen (tot) het land (de) deze en (hij) bouwde daar altaar aan Jahweh (is het zo) dat (wij) lieten zien naar hem
- 8.
- WIOTQ van daar naar de heuvel van voorkant aan huis naar en (hij) neeg naar tent huis naar water en Ai van voorkant en (hij) bouwde daar altaar aan Jahweh en (hij) noemde bij (de) naam Jahweh
- 9.
- en (hij) reisde Abram gang en (wij) reisden (is het zo) dat (zij) heeft afgedroogd
- 10.
- en wees honger bij (het) land en (hij) is gedaald Abram naar Egypte te wonen daar dat lever de honger bij (het) land
- 11.
- en wees zoals (hij) heeft aangeboden te komen naar Egypte en (hij) sprak naar Sarai vuur (...) hem hier is toch (ik) heb geweten dat vrouw Jafeth verschijning (tot)
- 12.
- en (hij) is geweest dat (zij) lieten zien (met) jou (is het zo) dat Egypte en (zij) hebben gesproken vuur (...) hem deze en (zij) hebben gedood (met) mij en (met) jou (zij) leefden
- 13.
- Amoriet toch eerste (...) mij (tot) opdat (hij) was goed aan mij bij ga voorbij! (...) jou en (zij) heeft geleefd ziel (...) mij bij (hij) heeft gedraaid (...) jou
- 14.
- en wees zoals komst Abram naar Egypte en (zij) lieten zien (is het zo) dat Egypte (tot) de vrouw dat mooie hij zeer
- 15.
- en (zij) lieten zien (met) haar Sarai farao en (zij) zullen loven (met) haar naar farao en (jij) nam de vrouw huis farao
- 16.
- en aan Abram (hij) heeft goed gedaan bij ga voorbij! (er)naar en wees als kleinvee en rundvee en ezeldrijvers en slaven en slavin van WATNT en kamelen
- 17.
- WINCO Jahweh (tot) farao plagen grootheden en (tot) huis (...) hem op woord Sarai vuur van Abram
- 18.
- en (hij) noemde farao aan Abram en (hij) sprak wat? deze (jij) hebt gedaan aan mij waarom niet (jij) hebt verteld aan mij dat vuur (...) jou hij
- 19.
- waarom (jij) hebt gesproken eerste (...) mij hij en (ik) nam (met) haar aan mij aan vrouw en nu hier is vuur (...) jou neem! en aan jou
- 20.
- en (hij) gaf opdracht op hem farao mensen en (zij) zondden weg (met) hem en (tot) vuur (...) hem en (tot) alle die als
Hoofdstuk 13
- 1.
- en (hij) verhief Abram van Egypte hij en vuur (...) hem en alle die als en Lot met hem (is het zo) dat (zij) heeft afgedroogd
- 2.
- en Abram lever zeer bij (het) bezit bij (het) zilver en bij (het) goud
- 3.
- en (hij) ging aan tochten (...) hem droog(t) af en tot huis naar tot de plaats die (hij) is geweest daar naar tent bij (het) begin tussen huis naar en tussen Ai
- 4.
- naar plaats het altaar die (hij) heeft gedaan daar in het eerste en (hij) noemde daar Abram bij (de) naam Jahweh
- 5.
- en ook aan Lot de beweging (tot) Abram (hij) is geweest kleinvee en rundvee en tenten
- 6.
- noch verheven (met) hen het land te wonen samen dat (hij) is geweest RKWSM meerderheid noch (zij) hebben gekund te wonen samen
- 7.
- en wees twist! tussen achtervolg! bezit Abram en tussen achtervolg! bezit Lot en (de) Kanaänitische en de Fereziet destijds inwoner bij (het) land
- 8.
- en (hij) sprak Abram naar Lot naar toch (zij) was om te twisten (er)naar tussen mij en tussen jou en tussen achtervolg! en tussen kwaden (...) jou dat mensen broers wij
- 9.
- toch? alle het land voor jou scheid! toch ontvreemd! als ESMAL WAIMNE en als de rechterhand WASMAILE
- 10.
- en (hij) droeg Lot (tot) ogen (...) hem en gezien (tot) alle plein de Jordaan dat schoondochter geef(t) te drinken voor kuil Jahweh (tot) Sodom en (tot) Gomorra zoals tuin Jahweh zoals land Egypte bij (ik) sloeg Zoar
- 11.
- en (hij) koos als Lot (tot) alle plein de Jordaan en (hij) reisde Lot van voorkant WIPRDW man boven broers (...) hem
- 12.
- Abram inwoner bij (het) land Kanaän en Lot inwoner roeie uit! het plein WIAEL tot Sodom
- 13.
- en mens (...) mij Sodom kwaden en zondaars aan Jahweh zeer
- 14.
- en Jahweh woord naar Abram na scheid! Lot van volk (...) hem draag! toch ogen (...) jou en (hij) heeft gezien vanuit de plaats die (met) haar daar naar Noorden en (zij) heeft afgedroogd en (zij) is voorgegaan en naar dag
- 15.
- dat (tot) alle het land die (met) haar (hij) heeft gezien aan jou (ik) zal geven en aan nakomelingen (...) jou tot eeuwigheid
- 16.
- en (ik) heb geplaatst (tot) nakomelingen (...) jou zoals stof het land die als (hij) zal kunnen man op te noemen (tot) stof het land ook nakomelingen (...) jou (hij) benoemde
- 17.
- sta op! (hij) heeft rondgewandeld bij (het) land aan lange en aan plein dat aan jou (ik) zal geven
- 18.
- WIAEL Abram en (hij) kwam en inwoner BALNI Mamre die bij Hebron en (hij) bouwde daar altaar aan Jahweh
Hoofdstuk 14
- 1.
- en wees bij (de) dagen van AMRPL koning Sinear ARIWK koning ALXR KDRLOMR koning Elam WTDOL koning volken
- 2.
- Ezau strijd (tot) bij (het) kwaad koning Sodom en (tot) bij (de) slechte koning Gomorra SNAB koning aarde WSMABR koning gazellen en koning slechtheid zij Zoar
- 3.
- alle deze (zij) hebben zich aangesloten naar diepte de roven hij zee het zout
- 4.
- twee tien jaar (zij) hebben gewerkt (tot) KDRLOMR en drie tien jaar (zij) zijn in opstand gekomen
- 5.
- WBARBO tien jaar (hij) is gekomen KDRLOMR en de koningen die (met) hem en (zij) sloegen (tot) spoken BOSTRT hoornen en (tot) EZWZIM bij hen en (tot) EAIMIM bij (de) gelijke (ik) ben gebeurd (...) hen
- 6.
- en (tot) (is het zo) dat ontbrand! BERRM bok tot ram Paran die op de woestijn
- 7.
- en (zij) hebben gewoond en voert in! naar oog rechtsregel hij heiligheid en (zij) sloegen (tot) alle veld de Amelekiet en ook (tot) de Amoriet de inwoner BHßßN dadel
- 8.
- en uitgaande koning Sodom en koning Gomorra en koning aarde en koning gazellen en koning slechtheid hij Zoar en (zij) ordenden (met) hen strijd bij (de) diepte de roven
- 9.
- (tot) KDRLOMR koning Elam WTDOL koning volken WAMRPL koning Sinear WARIWK koning ALXR vier koningen (tot) de vijf
- 10.
- en diepte de roven BART BART klei en (zij) vluchtten koning Sodom en Gomorra en (zij) vielen daarnaar (-s) en de geblevenen naar heuvel (zij) zijn gevlucht
- 11.
- en (zij) namen (tot) alle RKS Sodom en Gomorra en (tot) alle eten (...) hen en (zij) gingen
- 12.
- en (zij) namen (tot) Lot en (tot) RKSW zoon broer Abram en (zij) gingen en hij inwoner bij Sodom
- 13.
- en (hij) kwam (hij) heeft eruit gelaten en (hij) werd verteld aan Abram de Hebreeër en hij buurman BALNI Mamre de Amoriet broer Eskol en broer ONR en zij bij (de) hoge verbond Abram
- 14.
- en (hij) hoorde toe Abram dat (zij) heeft geblazen broers (...) hem en groene (tot) HNIKIW ingeborenen van huis (...) hem acht rijkdom en drie honderd en (hij) achtervolgden tot Dan
- 15.
- en (hij) verdeelde op hen nacht hij en slaven (...) hem en (hij) stond op en (hij) achtervolgden (...) hen tot HWBE die MSMAL aan Damaskus
- 16.
- en inwoner (tot) alle ERKS en ook (tot) Lot broers (...) hem WRKSW (hij) heeft teruggegeven en ook (tot) (is het zo) dat worden verlaten en (tot) het volk
- 17.
- en uitgaande koning Sodom hem tegemoet na keert terug! om te slaan (tot) KDRLOMR en (tot) de koningen die (met) hem naar diepte gelijke hij diepte kroon!
- 18.
- en heers! rechtvaardigheid koning gehele (hij) heeft tevoorschijn gehaald brood en wijn en hij priester tot God hoogste
- 19.
- en (hij) zegende (...) hem en (hij) sprak gezegende Abram tot God hoogste buis hemel en land
- 20.
- en gezegende naar hoogste die schild vijanden (...) jou bij (de) hand (...) jou en (hij) gaf als tiende van alle
- 21.
- en (hij) sprak koning Sodom naar Abram geef! aan mij de ziel WERKS neem! aan jou
- 22.
- en (hij) sprak Abram naar koning Sodom (ik) heb opgetild handen van naar Jahweh naar hoogste buis hemel en land
- 23.
- als MHWÐ en tot (zij) hebben gezongen (...) jou schoen en als (ik) nam van alle die aan jou noch (jij) sprak ik (is het zo) dat (ik) heb een tiende genomen (tot) Abram
- 24.
- uitgezonderd lege die (zij) hebben gegeten de jongens en deel de mensen die (zij) zijn gegaan (met) mij ONR Eskol en Mamre zij (zij) namen deel (...) hen
Hoofdstuk 15
- 1.
- andere de woorden (de) deze (hij) is geweest woord Jahweh naar Abram BMHZE te spreken naar (je) zult vrezen Abram ik schild aan jou beloning (...) jou veel zeer
- 2.
- en (hij) sprak Abram liggers van Jahweh wat? te geven (...) hen aan mij en ik ga(a)(t) ORIRI en zoon van zak huis-en van hij Damaskus ALIOZR
- 3.
- en (hij) sprak Abram èn aan mij niet zet nakomelingen en hier is zoon huis-en van verover(t) (met) mij
- 4.
- en hier is woord Jahweh naar hem te spreken niet (hij) veroverde (...) jou dit dat als die uitgaande van ingewanden (...) jou hij (hij) veroverde (...) jou
- 5.
- en (hij) bracht naar buiten (met) hem naar de straat en (hij) sprak kijk! toch naar de hemel en boek de sterren als je zult kunnen te vertellen (met) hen en (hij) sprak als zo (hij) was nakomelingen (...) jou
- 6.
- en geloof! bij Jahweh en (hij) berekende (er)naar als weldadigheid
- 7.
- en (hij) sprak naar hem ik Jahweh die (ik) ben tevoorschijn gehaald (...) jou licht Chaldeeën te geven aan jou (tot) het land (de) deze te veroveren (er)naar
- 8.
- en (hij) sprak liggers van Jahweh verhoging (ik) wist dat AIRSNE
- 9.
- en (hij) sprak naar hem neem! (er)naar aan mij koekalf van drie van en kracht van drie van en ram MSLS en tortelduif en kuiken
- 10.
- en (hij) nam als (tot) alle deze WIBTR (met) hen binnen en (hij) gaf man bij (zij) dronk genoeg tegemoet zijn vriend en (tot) de vogel niet bij (de) tortelduif
- 11.
- en (hij) is gedaald de arend op de kadavers en inwoner (met) hen Abram
- 12.
- en wees de zon te komen en diepe slaap (zij) is gevallen op Abram en hier is verschrikking naar duisternis grootheid (jij) bent gevallen op hem
- 13.
- en (hij) sprak aan Abram (hij) heeft geweten (jij) wist dat vreemdeling (hij) was nakomelingen (...) jou bij (het) land niet aan hen en (zij) hebben gewerkt (...) hen en nederige (met) hen vier honderd jaar
- 14.
- en ook (tot) de volk die (zij) werkten Dan ik en na zo voert uit! BRKS grote
- 15.
- en (met) haar (jij) kwam naar vaders (...) jou bij (de) vrede (zij) begroef bij (de) ouderdom goeds
- 16.
- en generatie vierde (zij) keerden terug hier is dat niet gehele vijandige de Amoriet tot hier is
- 17.
- en wees de zon kom(t) WOLÐE (hij) is geweest en hier is TNWR maak! (...) hen WLPID vuur die kant tussen de wortelen (de) deze
- 18.
- bij (de) dag dat (hij) heeft afgehakt Jahweh (tot) Abram verbond te spreken aan nakomelingen (...) jou (ik) heb gegeven (tot) het land (de) deze van rivier Egypte tot de rivier de grote rivier koe van
- 19.
- (tot) de Keniet en (tot) EQNZI en (tot) (is het zo) dat (hij) is voorgegaan (...) mij
- 20.
- en (tot) de angsten van en (tot) de Fereziet en (tot) de spoken
- 21.
- en (tot) de Amoriet en (tot) (de) Kanaänitische en (tot) ECRCSI en (tot) de Jebusiet
Hoofdstuk 16
- 1.
- en Sarai vuur van Abram niet (zij) heeft gebaard als en aan haar slavin MßRIT en daarnaar (-s) Hagar
- 2.
- en (jij) sprak Sarai naar Abram hier is toch (hij) heeft vastgehouden (...) mij Jahweh om te baren (hij) is gekomen toch naar dat word minder! misschien (ik) bouwde (van)uit haar en (hij) hoorde toe Abram aan klank Sarai
- 3.
- en (jij) nam Sarai vuur van Abram (tot) Hagar EMßRIT dat (zij) is minder geworden van eind rijkdom twee te wonen Abram bij (het) land Kanaän en te geven (...) hen (met) haar aan Abram naar man als aan vrouw
- 4.
- en (hij) kwam naar Hagar en (zij) werd zwanger en (zij) liet zien dat (zij) is zwanger geworden en (jij) verlichtte (jij) bent sterk geworden (er)naar bij bestudeer! (er)naar
- 5.
- en (jij) sprak Sarai naar Abram beroof! op jou ik (ik) heb gegeven dat word minder! bij (de) boezem (...) jou en (zij) liet zien dat (zij) is zwanger geworden en (ik) verlichtte bij bestudeer! (er)naar (hij) berechtte Jahweh tussen mij WBINIK
- 6.
- en (hij) sprak Abram naar Sarai hier is slavin (...) jou bij (de) hand (...) jou maak! aan haar (de) goede bij (de) ogen (...) jou en (jij) antwoordde Sarai en (zij) vluchtte naar van aanzicht van
- 7.
- en (hij) vond (er)naar boodschapper Jahweh op oog het water bij (de) woestijn op de oog bij (de) weg os
- 8.
- en (hij) sprak Hagar dat (hij) is minder geworden Sarai waar hiervandaan (jij) bent gekomen en waarheen? (jij) ging en (jij) sprak van aanzicht van Sarai (ik) ben sterk geworden ik (jij) bent gevlucht
- 9.
- en (hij) sprak aan haar boodschapper Jahweh keer terug! naar (jij) bent sterk geworden (...) jou WETONI in de plaats van naar handen
- 10.
- en (hij) sprak aan haar boodschapper Jahweh veel sprinkhaan (tot) nakomelingen (...) jou noch (hij) vertelde van meerderheid
- 11.
- en (hij) sprak aan haar boodschapper Jahweh hier ben jij naar heuvel en (jij) hebt gebaard zoon en (jij) hebt genoemd zijn naam Ismaël dat nieuws Jahweh naar armoede (...) jou
- 12.
- en hij (hij) was (hij) is in opstand gekomen mens (hij) bedankte in alle en hand alle bij hem en op aanzicht van alle broers (...) hem jullie zijn er
- 13.
- en (jij) noemde daar Jahweh het woord vetstaart (met) haar naar spiegel dat (zij) heeft gesproken ook? hierheen (ik) heb gezien na spiegel
- 14.
- op zo (hij) heeft genoemd aan put put wang spiegel hier is tussen heiligheid en tussen hagel
- 15.
- en (jij) baarde Hagar aan Abram zoon en (hij) noemde Abram daar bij ons die (zij) heeft gebaard Hagar Ismaël
- 16.
- en Abram zoon tachtig jaar en zes twee BLDT Hagar (tot) Ismaël aan Abram
Hoofdstuk 17
- 1.
- en wees Abram zoon negentig jaar en negen twee en gezien Jahweh naar Abram en (hij) sprak naar hem ik naar Sjadai (hij) heeft rondgewandeld voor en (hij) is geweest volledige
- 2.
- en (ik) gaf verbonden van tussen mij en tussen jou en sprinkhaan jou bij (de) zeer zeer
- 3.
- en (hij) liet vallen Abram op aanzichten (...) hem en (hij) sprak (met) hem God te spreken
- 4.
- ik hier is verbonden van (met) jou en (jij) bent geweest aan vader menigte volken
- 5.
- noch (hij) noemde nog (eens) (tot) naam (...) jou Abram en (hij) is geweest naam (...) jou Abraham dat vader menigte volken (ik) heb gegeven (...) jou
- 6.
- en de koe (...) mij (met) jou bij (de) zeer zeer en (ik) heb gegeven (...) jou aan volken en koningen (van)uit jou voert uit!
- 7.
- en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van tussen mij en tussen jou en tussen nakomelingen (...) jou na jou aan generaties (...) hen aan verbond eeuwigheid te zijn aan jou aan God en aan nakomelingen (...) jou na jou
- 8.
- en (ik) heb gegeven aan jou en aan nakomelingen (...) jou na jou (tot) land van vreemdelingen (...) jou (tot) alle land Kanaän LAHZT eeuwigheid en (ik) ben geweest aan hen aan God
- 9.
- en (hij) sprak God naar Abraham en (met) haar (tot) verbonden van (jij) bewaarde (met) haar en nakomelingen (...) jou na jou aan generaties (...) hen
- 10.
- deze verbonden van die (jullie) bewaarden tussen mij en tussen jullie en tussen nakomelingen (...) jou na jou (is het zo) dat besnijd! aan jullie alle man
- 11.
- WNMLTM (tot) vlees ORLTKM en (hij) is geweest aan letter verbond tussen mij en tussen jullie
- 12.
- en zoon acht dagen (hij) besneed aan jullie alle man aan generaties (...) jullie ingeborene huis en bezit van zilver van alle zoon vreemde land die niet van nakomelingen (...) jou hij
- 13.
- (is het zo) dat besnijd! (hij) besneed ingeborene huis (...) jou en bezit van zilver (...) jou en (zij) is geweest verbonden van bij (het) vlees (...) jullie aan verbond eeuwigheid
- 14.
- en onbesnedene man die niet (hij) besneed (tot) vlees voorhuid (...) hem en (zij) is afgehakt de ziel dat naar van volkeren (tot) verbonden van de stier
- 15.
- en (hij) sprak God naar Abraham Sarai vuur (...) jou niet (jij) noemde (tot) daarnaar (-s) Sarai dat Sara daarnaar (-s)
- 16.
- en (ik) heb gezegend (met) haar en ook (ik) heb gegeven (van)uit haar aan jou zoon en (ik) heb gezegend (er)naar en (zij) is geweest aan volken heers! volkeren (van)uit haar (zij) waren
- 17.
- en (hij) liet vallen Abraham op aanzichten (...) hem en Izak en (hij) sprak bij (de) zijn hart (is het zo) dat tot zoon honderd jaar baar(t) en als Sara de dochter negentig jaar (jij) baarde
- 18.
- en (hij) sprak Abraham naar naar God als Ismaël (hij) leefde voor jou
- 19.
- en (hij) sprak God rouw Sara vuur (...) jou (jij) hebt gebaard aan jou zoon en (jij) hebt genoemd (tot) zijn naam Izak en (ik) heb gevestigd (tot) verbonden van (met) hem aan verbond eeuwigheid te zaaien (...) hem na hem
- 20.
- en aan Ismaël (ik) heb toegehoord (...) jou hier is (ik) heb gezegend (met) hem WEPRITI (met) hem en (ik) heb vermeerderd (met) hem bij (de) zeer zeer twee rijkdom vorst (...) hen (hij) bracht voort en (ik) heb gegeven (...) hem aan volk grote
- 21.
- en (tot) verbonden van (ik) vestigde (tot) Izak die (jij) baarde aan jou Sara aan ontmoeting deze in het jaar (de) andere
- 22.
- en (hij) heeft gekund te spreken (met) hem en (hij) verhief God boven Abraham
- 23.
- en (hij) nam Abraham (tot) Ismaël bij ons en (tot) alle ingeborenen van huis (...) hem en (tot) alle bezit van als voegt toe! alle man bij (de) mens (...) mij huis Abraham en (hij) besneed (tot) vlees voorhuiden (...) hen bij (het) bot vandaag deze zoals woord (met) hem God
- 24.
- en Abraham zoon negentig en negen jaar BEMLW vlees voorhuid (...) hem
- 25.
- en Ismaël bij ons zoon drie tien jaar BEMLW (tot) vlees voorhuid (...) hem
- 26.
- bij (het) bot vandaag deze (wij) besneedden Abraham en Ismaël bij ons
- 27.
- en alle mens (...) mij huis (...) hem ingeborene huis en bezit van zilver honderd zoon vreemde land (wij) besneedden (...) hem (met) hem
Hoofdstuk 18
- 1.
- en gezien naar hem Jahweh BALNI Mamre en hij inwoner opening de tent zoals hete vandaag
- 2.
- en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien en hier is drie mensen heft-en op hem en gezien en (hij) rende hen tegemoet doe(t) open de tent en (hij) boog zich diep naar land
- 3.
- en (hij) sprak liggers van als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou naar toch (zij) ging voorbij boven slaaf (...) jou
- 4.
- (hij) nam toch een beetje water en (zij) hebben gewassen voeten (...) jullie WESONW in de plaats van de boom
- 5.
- en (ik) nam (er)naar mond van brood WXODW hart (...) jullie andere (jullie) gingen voorbij dat op zo (jullie) zijn voorbijgegaan op slaaf (...) jullie en (zij) spraken zo (jij) deed zoals woord van
- 6.
- en (hij) haastte zich Abraham naar de tent naar Sara en (hij) sprak haast je! drie XAIM meel bloem(meel) LWSI en maak! trekken cirkel
- 7.
- en naar het rundvee (hij) heeft gerend Abraham en (hij) nam zoon rundvee zachtheid en goede en (hij) gaf naar de jeugd en (hij) haastte zich te doen (met) hem
- 8.
- en (hij) nam boter en melk en zoon het rundvee die (hij) heeft gedaan en (hij) gaf voor hen en hij sta vast! op hen in de plaats van de boom en (zij) aten
- 9.
- en (zij) spraken naar hem waar? Sara vuur (...) jou en (hij) sprak hier is bij (de) tent
- 10.
- en (hij) sprak terugkeren (ik) blies naar jou zoals tijd dier en hier is zoon aan Sara vuur (...) jou en Sara (jij) hebt toegehoord opening de tent en hij na hem
- 11.
- en Abraham en Sara baarden komen bij (de) dagen (hij) heeft opgehouden te zijn aan Sara manier als worden verlaten
- 12.
- en (zij) lachte Sara bij (zij) heeft nader gebracht te spreken na niet (zij) is geweest aan mij ODNE en liggers van baard
- 13.
- en (hij) sprak Jahweh naar Abraham waarom dit (zij) heeft gelachen Sara te spreken de neus echt (ik) baarde en ik (ik) ben oud geweest
- 14.
- (is het zo) dat (hij) was wonderlijk van Jahweh woord aan ontmoeting (ik) blies naar jou zoals tijd dier en aan Sara zoon
- 15.
- en (jij) loog Sara te spreken niet (ik) heb gelachen dat vrees en (hij) sprak niet dat (jij) hebt gelachen
- 16.
- en (zij) wraakten van daar de mensen WISQPW op aanzicht van Sodom en Abraham beweging volk (...) hen weg te zenden (...) hen
- 17.
- en Jahweh woord (is het zo) dat bedek(t) ik van Abraham die ik (hij) heeft gedaan
- 18.
- en Abraham (zij) zijn geweest (hij) was aan volk grote en word machtig! en (wij) zegenden (...) hem bij hem alle volk (...) mij het land
- 19.
- dat (ik) heb geweten (...) hem opdat die (hij) gaf opdracht (tot) zonen (...) hem en (tot) huis (...) hem na hem en bewaart! weg Jahweh te doen weldadigheid en rechtsregel opdat (hij) heeft gebracht Jahweh op Abraham (tot) die woord op hem
- 20.
- en (hij) sprak Jahweh (jij) hebt geschreeuwd Sodom en Gomorra dat veelheid en (jullie) hebben gezondigd dat (zij) is zwaar geweest zeer
- 21.
- (ik) daalde (er)naar toch en (ik) liet zien EKßOQTE (is het zo) dat kom(t) naar mij Ezau schoondochter en als niet (ik) wist (er)naar
- 22.
- en (zij) wendden zich van daar de mensen en (zij) gingen naar Sodom en Abraham hij (...) nog sta vast! voor Jahweh
- 23.
- en (hij) is genaderd Abraham en (hij) sprak de neus (jij) richtte te gronde rechtvaardige met slechte
- 24.
- misschien er is vijftig rechtvaardige (...) hen binnen (hij) heeft opgemerkt de neus (jij) richtte te gronde noch (jij) droeg aan plaats opdat vijftig (hij) heeft gelijk gegeven (...) hen die bij (zij) heeft nader gebracht
- 25.
- naar dode aan jou om te maken zoals woord deze te doden rechtvaardige met slechte en (hij) is geweest zoals rechtvaardige zoals slechte naar dode aan jou de rechter alle het land niet (zij) heeft gemaakt rechtsregel
- 26.
- en (hij) sprak Jahweh als (ik) vond bij Sodom vijftig rechtvaardige (...) hen binnen (hij) heeft opgemerkt en (ik) heb gedragen aan alle de plaats bij ga voorbij! (...) hen
- 27.
- en wegens Abraham en (hij) sprak hier is toch (ik) ben erin meegegaan te spreken naar liggers van en ik stof en as
- 28.
- misschien (zij) ontbraken (...) hen vijftig (hij) heeft gelijk gegeven (...) hen vijf (is het zo) dat (jij) maakte kapot bij vijf (tot) alle (hij) heeft opgemerkt en (hij) sprak niet (ik) maakte kapot als (ik) vond daar veertig en vijf
- 29.
- en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) te spreken naar hem en (hij) sprak misschien (zij) vondden (...) hen daar veertig en (hij) sprak niet (ik) werd gedaan wegens de veertig
- 30.
- en (hij) sprak naar toch (hij) ontbrandde aan liggers van en (ik) sprak (er)naar misschien (zij) vondden (...) hen daar dertig en (hij) sprak niet (ik) werd gedaan als (ik) vond daar dertig
- 31.
- en (hij) sprak hier is toch (ik) ben erin meegegaan te spreken naar liggers van misschien (zij) vondden (...) hen daar twintig en (hij) sprak niet (ik) maakte kapot wegens de twintig
- 32.
- en (hij) sprak naar toch (hij) ontbrandde aan liggers van en (ik) sprak (er)naar maar de keer misschien (zij) vondden (...) hen daar tien en (hij) sprak niet (ik) maakte kapot wegens de tien
- 33.
- en (hij) ging Jahweh zoals schoondochter te spreken naar Abraham en Abraham woon! aan plaats (...) hem
Hoofdstuk 19
- 1.
- en voert in! tweede de boodschappers naar Sodom bij (de) aangename en Lot inwoner bij (de) poort Sodom en gezien Lot en (hij) stond op hen tegemoet en (hij) boog zich diep neuzen naar land
- 2.
- en (hij) sprak hier is toch liggers van verblindt! toch naar huis slaaf (...) jullie en aan doffer (...) hem en (zij) hebben gewassen voeten (...) jullie en (jullie) zijn vroeg opgestaan en (jullie) zijn gegaan aan weg (...) jullie en (zij) spraken niet dat bij (de) straat (wij) lieten overnachten
- 3.
- WIPßR in hen zeer en (hij) verblindde (...) hem naar hem en voert in! naar huis (...) hem en (hij) heeft gemaakt aan hen banket en voorschrift van naar neus en (zij) aten
- 4.
- voordat (zij) lagen neer en mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt mens (...) mij Sodom (zij) hebben zich afgewend op het huis schud(t) en tot baard alle het volk van einde
- 5.
- en (zij) noemden naar Lot en (zij) spraken als waar? de mensen die (zij) zijn gekomen naar jou de nacht (hij) heeft tevoorschijn gehaald (...) hen naar ons en (wij) wisten (er)naar (met) hen
- 6.
- en uitgaande naar hen Lot (is het zo) dat (zij) heeft geopend en de deur slot na hem
- 7.
- en (hij) sprak naar toch broer (jullie) achtervolgden
- 8.
- hier is toch aan mij schering dochters die niet (zij) hebben geweten man (ik) haalde tevoorschijn (er)naar toch (met) hen naar jullie en Ezau aan hen zoals goede bij (de) ogen (...) jullie lege aan mensen deze naar (jullie) maakten woord dat op zo (zij) zijn gekomen bij (de) schaduw stad-en van
- 9.
- en (zij) spraken nader! (is het zo) dat Lea en (zij) spraken de één (hij) is gekomen te wonen en (hij) berechtte berecht! nu NRO aan jou (van)uit hen WIPßRW bij (de) man bij Lot zeer en (zij) zijn genaderd te verbrijzelen de deur
- 10.
- en (zij) zondden weg de mensen (tot) (hij) leek en (zij) brachten (tot) Lot naar hen naar het huis en (tot) de deur (zij) hebben gesloten
- 11.
- en (tot) de mensen die opening het huis (zij) hebben geslagen bij (de) verblindingen van kleine en tot grote WILAW te vinden de opening
- 12.
- en (zij) spraken de mensen naar Lot tot water van aan jou mond bruidegom en zonen (...) jou en dochters (...) jou en alle die aan jou bij (de) stad (hij) is tevoorschijn gehaald vanuit de plaats
- 13.
- dat bederven wij (tot) de plaats deze dat grootheid (jullie) hebben geschreeuwd (tot) aanzicht van Jahweh en (hij) zond weg (...) ons Jahweh te bederven (er)naar
- 14.
- en uitgaande Lot en (hij) sprak naar bruidegommen (...) hem leringen van dochters (...) hem en (hij) sprak sta(a)t op! ga(a)t uit! vanuit de plaats deze dat vernieler Jahweh (tot) (hij) heeft opgemerkt en wees KMßHQ bij bestudeer! bruidegommen (...) hem
- 15.
- en zoals (de) zwarte blad WIAIßW de boodschappers bij Lot te spreken sta op! neem! (tot) vuur (...) jou en (tot) schering dochters (...) jou (is het zo) dat (jij) hebt je bevonden opdat niet (jij) richtte te gronde bij (de) vijandige (hij) heeft opgemerkt
- 16.
- WITMEME en (zij) hieldden de mensen bij (hij) bedankte en bij (de) hand vuur (...) hem en bij (de) hand schering dochters (...) hem bij (jij) hebt medelijden gehad Jahweh op hem en voert uit! (...) hem WINHEW buiten aan stad
- 17.
- en wees als (hij) heeft tevoorschijn gehaald (...) hen (met) hen naar de straat en (hij) sprak (is het zo) dat red! op ziel (...) jou naar (jij) keek na jou en naar (jij) stond vast in alle het plein naar de heuvel (is het zo) dat red! opdat niet (jij) richtte te gronde
- 18.
- en (hij) sprak Lot naar hen naar toch liggers van
- 19.
- hier is toch (hij) heeft gevonden slaaf (...) jou gratie bij (de) ogen (...) jou en (zij) groeide genade (...) jou die (jij) hebt gedaan met mij aan de dieren (tot) ziel (...) mij en ik niet eet LEMLÐ naar de heuvel opdat niet (zij) plakte (...) mij de herder en wanneer?
- 20.
- hier is toch (hij) heeft opgemerkt (de) deze (zij) heeft nader gebracht te vluchten daarnaar (-s) en hij van Zoar (ik) redde (er)naar toch daarnaar (-s) toch? van Zoar hij en (zij) leefde ziel (...) mij
- 21.
- en (hij) sprak naar hem hier is (ik) heb gedragen aanzichten (...) jou ook te spreken deze opdat niet keer om! (tot) (hij) heeft opgemerkt die woord van
- 22.
- vlugge (is het zo) dat red! daarnaar (-s) dat niet eet te doen woord tot (hij) is gekomen (...) jou daarnaar (-s) op zo (hij) heeft genoemd daar (hij) heeft opgemerkt Zoar
- 23.
- de zon uitgaande op het land en Lot (hij) is gekomen naar Zoar
- 24.
- en Jahweh EMÐIR op Sodom en op Gomorra zwavel en vuur honderd Jahweh vanuit de hemel
- 25.
- en (hij) keerde om (tot) de steden deze en (tot) alle het plein en (tot) alle inwoners van de steden en (hij) is gegroeid de aarde
- 26.
- WTBÐ vuur (...) hem van na hem en (zij) was (wij) stelden op zout
- 27.
- en jullie zijn er Abraham bij (het) rundvee naar de plaats die sta vast! daar (tot) aanzicht van Jahweh
- 28.
- WISQP op aanzicht van Sodom en Gomorra en op alle aanzicht van land het plein en gezien en hier is blad (hij) heeft gerookt het land als (hij) heeft gerookt het schaap (...) hen
- 29.
- en wees bij (de) kuil God (tot) steden van het plein en (hij) herinnerde zich God (tot) Abraham en (hij) zond weg (tot) Lot van midden de omkering bij (hij) heeft omgekeerd (tot) de steden die inwoner bij hen Lot
- 30.
- en (hij) verhief Lot van Zoar en inwoner bij (de) heuvel en schering dochters (...) hem met hem dat gezien te wonen bij Zoar en inwoner bij (de) grot hij en schering dochters (...) hem
- 31.
- en (jij) sprak (de) hooggeplaatste naar (de) kleine (wij) hebben gewenst baard en man (er is) niet bij (het) land te komen op ons zoals weg alle het land
- 32.
- ga! (er)naar (wij) gaven te drinken (tot) (wij) hebben gewenst wijn en (wij) lagen neer (er)naar met hem en (wij) leefden van vader (...) ons nakomelingen
- 33.
- en (jij) gaf te drinken (...) hen (tot) vaders (...) hen wijn bij (de) nacht hij en (zij) kwam (de) hooggeplaatste en (jij) lag neer (tot) naar vader noch (hij) heeft geweten bij (zij) heeft gelegen en bij (de) hoogte
- 34.
- en wees de volgende dag en (jij) sprak (de) hooggeplaatste naar (de) kleine èn (ik) heb gelegen AMS (tot) vader (wij) hebben gekust wijn ook de nacht en bij (de) eiland lig neer! met hem en (wij) leefden van vader (...) ons nakomelingen
- 35.
- en (jij) gaf te drinken (...) hen ook bij (de) nacht dat (tot) vaders (...) hen wijn en (zij) stond op (de) kleine en (jij) lag neer met hem noch (hij) heeft geweten bij (zij) heeft gelegen WBQME
- 36.
- en (jij) werd zwanger (...) hen schering dochters Lot van vaders (...) hen
- 37.
- en (jij) baarde (de) hooggeplaatste zoon en (jij) noemde zijn naam Moab hij vader Moab tot vandaag
- 38.
- en (de) kleine ook hij (zij) heeft gebaard zoon en (jij) noemde zijn naam zoon met mij hij vader bouw! Ammon tot vandaag
Hoofdstuk 20
- 1.
- en (hij) reisde van daar Abraham naar land het Zuiden en inwoner tussen heiligheid en tussen os en (hij) woonde bij Gerar
- 2.
- en (hij) sprak Abraham naar Sara vuur (...) hem eerste (...) mij hij en (hij) zond weg Abimelech koning Gerar en (hij) nam (tot) Sara
- 3.
- en (hij) kwam God naar Abimelech bij (de) droom de nacht en (hij) sprak als hier ben jij dode op de vrouw die (jij) hebt genomen en hij bij opgaan echtgenoot
- 4.
- en Abimelech niet binnenste vetstaart en (hij) sprak liggers van de volk ook rechtvaardige (zij) doodde
- 5.
- toch? hij woord aan mij eerste (...) mij hij en zij ook hij (zij) heeft gesproken broer hij bij (de) onschuldige hart (...) mij WBNQIN zoals mond van (ik) heb gedaan deze
- 6.
- en (hij) sprak naar hem naar God bij (hij) heeft gedroomd ook ik (ik) heb geweten dat bij (de) onschuldige hart (...) jou (jij) hebt gedaan deze WAHSK ook ik jou MHÐW aan mij op zo niet (ik) heb gegeven (...) jou aan plaag vetstaart
- 7.
- en nu geef terug! vuur van de man dat profeet hij en (hij) bad bij (de) getuige (...) jou en dier en als jij bent (er) niet geef(t) terug weet! dat dood (jij) stierf (met) haar en alle die aan jou
- 8.
- en jullie zijn er Abimelech bij (het) rundvee en (hij) noemde aan alle slaven (...) hem en (hij) sprak (tot) alle de woorden (de) deze bij (de) oren (...) hen en (zij) vreesden de mensen zeer
- 9.
- en (hij) noemde Abimelech aan Abraham en (hij) sprak als wat? (jij) hebt gedaan aan ons en wat? (ik) heb gezondigd aan jou dat (jij) hebt gebracht op mij en op rijk (...) mij (zij) heeft gezondigd grootheid daden die niet (zij) hebben gemaakt (jij) hebt gedaan met mij
- 10.
- en (hij) sprak Abimelech naar Abraham wat? (jij) hebt gezien dat (jij) hebt gedaan (tot) het woord deze
- 11.
- en (hij) sprak Abraham dat (ik) heb gesproken lege (er is) niet (jij) hebt gevreesd God bij (de) plaats deze en (zij) hebben gedood (...) mij op woord mijn vrouw
- 12.
- en ook inderdaad eerste (...) mij dochter vader hij maar niet dochter moeder (...) mij en (zij) was aan mij aan vrouw
- 13.
- en wees zoals (is het zo) dat (zij) zijn verkeerd gelopen (met) mij God van huis vader en woord aan haar dit genade (...) jou die (jij) maakte met mij naar alle de plaats die (wij) kwamen daarnaar (-s) Amoriet aan mij broer hij
- 14.
- en (hij) nam Abimelech kleinvee en rundvee en slaven en slavin van en (hij) gaf aan Abraham en inwoner als (tot) Sara vuur (...) hem
- 15.
- en (hij) sprak Abimelech hier is land (...) mij voor jou bij (de) goede bij (de) ogen (...) jou woon!
- 16.
- en aan Sara woord hier is (ik) heb gegeven duizend zilver aan broers (...) jou hier is hij aan jou bekleding ogen aan alle die (met) jou en (tot) alle en (jij) bent aanwezig geweest
- 17.
- en (hij) bad Abraham naar naar God en (hij) genas God (tot) Abimelech en (tot) vuur (...) hem WAMETIW en helpt bij de geboorte!
- 18.
- dat (hij) heeft vastgehouden (hij) heeft vastgehouden Jahweh door alle baarmoeder aan huis Abimelech op woord Sara vuur van Abraham
Hoofdstuk 21
- 1.
- en Jahweh opname (tot) Sara zoals woord en (hij) heeft gemaakt Jahweh aan Sara zoals woord
- 2.
- en (zij) werd zwanger en (jij) baarde Sara aan Abraham zoon aan baarden (...) hem aan ontmoeting die woord (met) hem God
- 3.
- en (hij) noemde Abraham (tot) daar bij ons (is het zo) dat (hij) is geboren als die (zij) heeft gebaard als Sara Izak
- 4.
- en (hij) besneed Abraham (tot) Izak bij ons zoon acht dagen zoals geef opdracht! (met) hem God
- 5.
- en Abraham zoon honderd jaar BEWLD als (tot) Izak bij ons
- 6.
- en (jij) sprak Sara (hij) heeft gelachen (hij) heeft gedaan aan mij God alle laat horen! Izak aan mij
- 7.
- en (jij) sprak water van MLL aan Abraham EINIQE zonen Sara dat (ik) heb gebaard zoon aan baarden (...) hem
- 8.
- en (hij) groeide het kind en (hij) liet ontwennen en (hij) heeft gemaakt Abraham banket grote bij (de) dag de kameel (tot) Izak
- 9.
- en (zij) liet zien Sara (tot) zoon Hagar EMßRIT die (zij) heeft gebaard aan Abraham MßHQ
- 10.
- en (jij) sprak aan Abraham verjaag! de natie (de) deze en (tot) (hij) heeft gebouwd dat niet (hij) veroverde zoon de natie (de) deze met bouw! met Izak
- 11.
- en (hij) achtervolgde het woord zeer bij bestudeer! Abraham op AWDT bij ons
- 12.
- en (hij) sprak God naar Abraham naar (hij) achtervolgde bij (de) ogen (...) jou op de jeugd en op waarheid (...) jou alle die (jij) sprak naar jou Sara nieuws bij (de) vlotte dat bij Izak (hij) noemde aan jou nakomelingen
- 13.
- en ook (tot) zoon de natie aan volk (ik) plaatste (...) ons dat nakomelingen (...) jou hij
- 14.
- en jullie zijn er Abraham bij (het) rundvee en (hij) nam brood en leren zak water en (hij) gaf naar Hagar daar op dat (zij) is opgestaan en (tot) het kind en (hij) zond weg (er)naar en (jij) ging en (zij) liep verkeerd bij (de) woestijn put zeven
- 15.
- en (zij) hebben gekund het water vanuit de leren zak en (jij) ging neer (tot) het kind in de plaats van één (is het zo) dat spreek! (...) hen
- 16.
- en (jij) ging en (jij) woonde aan haar op een afstand de afstand KMÐHWI boog dat (zij) heeft gesproken naar (ik) liet zien bij (de) dood het kind en (jij) woonde op een afstand en (jij) droeg (tot) vlotte en (zij) weende
- 17.
- en (hij) hoorde toe God (tot) klank de jeugd en (hij) noemde boodschapper God naar Hagar vanuit de hemel en (hij) sprak aan haar wat? aan jou Hagar naar (jij) vreesde dat nieuws God naar klank de jeugd wat betreft hij daar
- 18.
- sta op! draag! (tot) de jeugd en houd! (tot) hand (...) jou bij hem dat aan volk grote (ik) plaatste (...) ons
- 19.
- en (hij) opende God (tot) bestudeer! (er)naar en (zij) liet zien put water en (jij) ging en (jij) was vol (tot) de leren zak water en (zij) gaf te drinken (tot) de jeugd
- 20.
- en wees God (tot) de jeugd en (hij) groeide en inwoner bij (de) woestijn en wees veelheid boog
- 21.
- en inwoner bij (de) woestijn Paran en (jij) nam als moeder (...) hem vrouw van land Egypte
- 22.
- en wees bij (de) tijd dat en (hij) sprak Abimelech WPIKL aanvoerder (zij) hebben zich geschaard naar Abraham te spreken God met jou in alle die (met) haar (hij) heeft gedaan
- 23.
- en nu de zeven aan mij bij God hier is als (jij) loog aan mij WLNINI WLNKDI zoals genade die (ik) heb gedaan met jou (jij) deed met mij en met het land die (jij) hebt gewoond (er)naar bij haar
- 24.
- en (hij) sprak Abraham ik (ik) zwoer
- 25.
- en (hij) is bewezen Abraham (tot) Abimelech op ADWT put het water die (zij) hebben beroofd werk! Abimelech
- 26.
- en (hij) sprak Abimelech niet (ik) heb geweten water van (hij) heeft gedaan (tot) het woord deze en ook (met) haar niet (jij) hebt verteld aan mij en ook ik niet (ik) heb toegehoord niet vandaag
- 27.
- en (hij) nam Abraham kleinvee en rundvee en (hij) gaf aan Abimelech en (zij) hakten af die twee verbond
- 28.
- en zet vast! Abraham (tot) zeven (jij) hebt onderdrukt het kleinvee alleen zij
- 29.
- en (hij) sprak Abimelech naar Abraham wat? hier is zeven (jij) hebt onderdrukt (de) deze die (jij) hebt opgesteld LBDNE
- 30.
- en (hij) sprak dat (tot) zeven (jij) hebt onderdrukt (jij) nam van handen van wegens (jij) was aan mij aan getuige dat (ik) heb gegraven (tot) de put (de) deze
- 31.
- op zo (hij) heeft genoemd aan plaats dat put zeven dat daar (zij) hebben gezworen die twee
- 32.
- en (zij) hakten af verbond bij (de) put zeven en (hij) stond op Abimelech WPIKL aanvoerder (zij) hebben zich geschaard en (zij) hebben gewoond naar land Filistijnen
- 33.
- WIÐO ASL bij (de) put zeven en (hij) noemde daar bij (de) naam Jahweh naar eeuwigheid
- 34.
- en (hij) woonde Abraham bij (het) land Filistijnen dagen twisten
Hoofdstuk 22
- 1.
- en wees andere de woorden (de) deze en naar God (zij) is gevlucht (tot) Abraham en (hij) sprak naar hem Abraham en (hij) sprak hier ben ik
- 2.
- en (hij) sprak neem! toch (tot) zoon (...) jou (tot) IHIDK die (jij) hebt liefgehad (tot) Izak en aan jou aan jou naar land verbitter! (er)naar en dat wat opgaat (...) hem daar te verheffen op één naar de heuvels die woord naar jou
- 3.
- en jullie zijn er Abraham bij (het) rundvee en (hij) verbond (tot) klei (...) hem en (hij) nam (tot) tweede jeugd (...) hem (met) hem en (tot) Izak bij ons WIBQO houten blad en (hij) stond op en (hij) ging naar de plaats die woord als naar God
- 4.
- bij (de) dag (de) derde en (hij) droeg Abraham (tot) ogen (...) hem en gezien (tot) de plaats afstand
- 5.
- en (hij) sprak Abraham naar jeugd (...) hem woont! aan jullie mond met (de) ernstige en ik en de jeugd (wij) gingen (er)naar tot zo en (wij) bogen ons diep (er)naar en (wij) bliezen (er)naar naar jullie
- 6.
- en (hij) nam Abraham (tot) houten dat wat opgaat en pas toe! op Izak bij ons en (hij) nam bij (hij) bedankte (tot) het vuur en (tot) EMAKLT en (zij) gingen die twee samen
- 7.
- en (hij) sprak Izak naar Abraham vader (...) hem en (hij) sprak vader en (hij) sprak hier ben ik bouw! en (hij) sprak hier is het vuur en de bomen en waar? het lammetje te verheffen
- 8.
- en (hij) sprak Abraham God vrees als het lammetje te verheffen bouw! en (zij) gingen die twee samen
- 9.
- en voert in! naar de plaats die woord als naar God en (hij) bouwde daar Abraham (tot) het altaar en (hij) ordende (tot) de bomen WIOQD (tot) Izak bij ons en pas toe! (met) hem op het altaar boven aan bomen
- 10.
- en (hij) zond weg Abraham (tot) (hij) bedankte en (hij) nam (tot) EMAKLT LSHÐ (tot) bij ons
- 11.
- en (hij) noemde naar hem boodschapper Jahweh vanuit de hemel en (hij) sprak Abraham Abraham en (hij) sprak hier ben ik
- 12.
- en (hij) sprak naar (jij) zond weg hand (...) jou naar de jeugd en naar (jij) maakte als iets dat nu (ik) heb geweten dat gezien God (met) haar noch HSKT (tot) zoon (...) jou (tot) IHIDK (van)uit mij
- 13.
- en (hij) droeg Abraham (tot) ogen (...) hem en gezien en hier is ram andere (wij) grepen bij (het) dicht gewas bij (de) hoornen (...) hem en (hij) ging Abraham en (hij) nam (tot) de ram en (hij) verhief (...) hem te verheffen in de plaats van bij ons
- 14.
- en (hij) noemde Abraham daar de plaats dat Jahweh vrees die (hij) sprak vandaag bij (de) heuvel Jahweh vrees
- 15.
- en (hij) noemde boodschapper Jahweh naar Abraham ten tweede vanuit de hemel
- 16.
- en (hij) sprak bij mij (ik) heb gezworen (hij) heeft redevoering gehouden Jahweh dat wegens die (jij) hebt gedaan (tot) het woord deze noch HSKT (tot) zoon (...) jou (tot) IHIDK
- 17.
- dat zegen! (ik) zegende (...) jou en veel sprinkhaan (tot) nakomelingen (...) jou zoals sterren van de hemel WKHWL die op oever van de zee en (hij) heeft veroverd nakomelingen (...) jou (tot) poort vijanden (...) hem
- 18.
- WETBRKW bij (de) nakomelingen (...) jou alle volk (...) mij het land voetstap die (jij) hebt toegehoord bij (de) klanken van
- 19.
- en inwoner Abraham naar jeugd (...) hem en (zij) wraakten en (zij) gingen samen naar put zeven en inwoner Abraham bij (de) put zeven
- 20.
- en wees na de woorden (de) deze en (hij) werd verteld aan Abraham te spreken hier is (zij) heeft gebaard koningin ook hij zonen aan Nahor broers (...) jou
- 21.
- (tot) Uz trekt voor! en (tot) minachting broers (...) hem en (tot) QMWAL vader Syrië
- 22.
- en (tot) zoals roof en (tot) (zij) hebben voorspeld en (tot) PLDS en (tot) IDLP en (tot) Betuël
- 23.
- en Betuël kind (tot) Rebekka acht deze (zij) heeft gebaard koningin aan Nahor broer Abraham
- 24.
- en bijvrouw (...) hem en daarnaar (-s) RAWME en (jij) baarde ook hij (tot) slager en (tot) CHM en (tot) (zij) haastte zich en (tot) Maächa
Hoofdstuk 23
- 1.
- en (zij) waren leef! Sara honderd jaar en twintig jaar en zeven twee tweede leef! Sara
- 2.
- en (zij) stierf Sara bij Stad van vier hij Hebron bij (het) land Kanaän en (hij) kwam Abraham LXPD aan Sara WLBKTE
- 3.
- en (hij) stond op Abraham boven aanzicht van (zij) zijn gestorven en (hij) sprak naar bouw! angst te spreken
- 4.
- vreemdeling en inwoner ik met jullie geeft! aan mij (jij) hebt gegrepen graf met jullie WAQBRE wanneer? weg van aanzicht van
- 5.
- en (zij) antwoordden bouw! angst (tot) Abraham te spreken als
- 6.
- (wij) hebben toegehoord liggers van vorst God (met) haar bij (het) midden (...) ons bij (de) keuze graven (...) ons graf (tot) dood (...) jou man (van)uit hem (tot) (zij) hebben begraven niet (zij) heeft gekund (van)uit jou van graf dood (...) jou
- 7.
- en (hij) stond op Abraham en (hij) boog zich diep aan volk het land aan zonen van angst
- 8.
- en (hij) sprak (met) hen te spreken als er is (tot) ziel (...) jullie aan graf (tot) wanneer? weg van aanzicht van (zij) hebben toegehoord (...) mij en (zij) hebben getroffen aan mij bij Efron zoon ßHR
- 9.
- en (hij) gaf aan mij (tot) van vellen EMKPLE die als die bij (het) einde veld (...) hem bij (het) zilver (hij) is vol geweest (hij) gaf (...) haar aan mij bij (het) midden (...) jullie LAHZT graf
- 10.
- en Efron inwoner binnen bouw! angst en wegens Efron de angsten van (tot) Abraham bij (de) oren van bouw! angst aan alle bij (de) eiland poort (zij) hebben blootgelegd te spreken
- 11.
- niet liggers van (hij) heeft toegehoord (...) mij het veld (ik) heb gegeven aan jou en de grot die bij hem aan jou (ik) heb gegeven (er)naar te bestuderen (...) mij bouw! met mij (ik) heb gegeven (er)naar aan jou graf dood (...) jou
- 12.
- en (hij) boog zich diep Abraham voor met het land
- 13.
- en (hij) sprak naar Efron bij (de) oren van met het land te spreken maar als (met) haar als (hij) heeft toegehoord (...) mij (ik) heb gegeven zilver het veld neem! (van)uit mij WAQBRE (tot) wanneer? daarnaar (-s)
- 14.
- en wegens Efron (tot) Abraham te spreken als
- 15.
- liggers van (hij) heeft toegehoord (...) mij land vier honderd munt zilver tussen mij en tussen jou wat? hij en (tot) dood (...) jou graf
- 16.
- en (hij) hoorde toe Abraham naar Efron WISQL Abraham aan stof (...) hen (tot) het zilver die woord bij (de) oren van bouw! angst vier honderd munt zilver kant LXHR
- 17.
- en (hij) stond op veld Efron die BMKPLE die voor Mamre het veld en de grot die bij hem en alle de boom die bij (het) veld die in alle grens (...) hem rondom
- 18.
- aan Abraham aan bezit te bestuderen (...) mij bouw! angst in alle bij (de) eiland poort (zij) hebben blootgelegd
- 19.
- en na zo graf Abraham (tot) Sara vuur (...) hem naar van vellen veld EMKPLE op aanzicht van Mamre hij Hebron bij (het) land Kanaän
- 20.
- en (hij) stond op het veld en de grot die bij hem aan Abraham LAHZT graf honderd bouw! angst
Hoofdstuk 24
- 1.
- en Abraham baard (hij) is gekomen bij (de) dagen en Jahweh zegen! (tot) Abraham in alle
- 2.
- en (hij) sprak Abraham naar (zij) hebben gewerkt baard huis (...) hem de heerser in alle die als plaats! toch hand (...) jou in de plaats van heup (...) mij
- 3.
- WASBIOK bij Jahweh mijn God de hemel en mijn God het land die niet (jij) nam vrouw aan zonen van om te bouwen (de) Kanaänitische die ik bewoner bij (zij) hebben nader gebracht
- 4.
- dat naar land (...) mij en naar vaderlanden van (jij) ging en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van aan Izak
- 5.
- en (hij) sprak naar hem de slaaf misschien niet (jij) wenste de vrouw te gaan na naar het land (de) deze (is het zo) dat geef terug! (ik) gaf terug (tot) zoon (...) jou naar het land die (jij) bent uitgegaan van daar
- 6.
- en (hij) sprak naar hem Abraham (is het zo) dat bewaar! aan jou opdat niet (jij) gaf terug (tot) bouw! daarnaar (-s)
- 7.
- Jahweh mijn God de hemel die (hij) heeft genomen (...) mij van huis vader en van land vaderlanden van en die woord aan mij en die (hij) heeft gezworen aan mij te spreken aan nakomelingen (...) jou (met) hen (tot) het land (de) deze hij (hij) zond weg boodschapper (...) hem voor jou en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van van daar
- 8.
- en als niet (jij) wenste de vrouw te gaan na jou WNQIT MSBOTI deze lege (tot) bouw! niet (jij) woonde daarnaar (-s)
- 9.
- en pas toe! de slaaf (tot) (hij) bedankte in de plaats van heup Abraham liggers (...) hem en (hij) was verzadigd als op het woord deze
- 10.
- en (hij) nam de slaaf tien kamelen laat ontwennen (...) mij liggers (...) hem en (hij) ging en alle goede liggers (...) hem bij (hij) bedankte en (hij) stond op en (hij) ging naar Syrië rivieren naar stad Nahor
- 11.
- en (hij) zegende de kamelen buiten aan stad naar put het water aan tijd aangename aan tijd uit te gaan (is het zo) dat (jij) hebt geput
- 12.
- en (hij) sprak Jahweh mijn God liggers van Abraham (is het zo) dat (hij) is gebeurd toch voor vandaag en (hij) heeft gedaan genade met liggers van Abraham
- 13.
- hier is ik opgesteld op oog het water en dochters mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt (jij) bent uitgegaan LSAB water
- 14.
- en (hij) is geweest de jeugd die woord vetstaart buig om! toch zoals onderdrukte en (ik) dronk en (zij) heeft gesproken (zij) heeft gelegd en ook kamelen (...) jou (ik) gaf te drinken (met) haar EKHT te bewerken (...) jou aan Izak en bij haar (ik) wist dat (jij) hebt gedaan genade met liggers van
- 15.
- en wees hij voordat schoondochter te spreken en hier is Rebekka (jij) bent uitgegaan die (zij) heeft gebaard aan Betuël zoon koningin vuur van Nahor broer Abraham en naar kruik op dat (zij) is opgestaan
- 16.
- en de jeugd ÐBT verschijning zeer maagd en man niet (zij) heeft geweten en (jij) daalde naar de oog en (jij) was vol naar kruik en (zij) verhief
- 17.
- en (hij) rende de slaaf haar tegemoet en (hij) sprak ECMIAINI toch een beetje water van kruik (...) jou
- 18.
- en (jij) sprak (zij) heeft gelegd liggers van en (jij) haastte je en (jij) daalde naar kruik op naar hand en (jij) gaf te drinken (...) hem
- 19.
- en (jij) kon te drinken te geven (...) hem en (jij) sprak ook aan kamelen (...) jou (ik) putte tot als kunt! LSTT
- 20.
- en (jij) haastte je en (zij) legde bloot naar kruik naar ESQT en (zij) rende nog (eens) naar de put LSAB en (jij) putte aan alle kamelen (...) hem
- 21.
- en de man MSTAE aan haar MHRIS te weten (is het zo) dat (hij) is geslaagd Jahweh weg (...) hem als niet
- 22.
- en wees zoals kunt! de kamelen te drinken en (hij) nam de man neusring goud BQO gewicht (...) hem en tweede ßMIDIM op naar handen tien goud gewicht (...) hen
- 23.
- en (hij) sprak dochter water van (tot) vertel! toch aan mij is er? huis vader (...) jou plaats aan ons LLIN
- 24.
- en (jij) sprak naar hem dochter Betuël ik zoon koningin die (zij) heeft gebaard aan Nahor
- 25.
- en (jij) sprak naar hem ook haksel ook MXPWA meerderheid met ons ook plaats te overnachten
- 26.
- en (hij) heeft gebrand de man en (hij) boog zich diep aan Jahweh
- 27.
- en (hij) sprak gezegende Jahweh mijn God liggers van Abraham die niet (hij) heeft verlaten genade (...) hem en moeder (...) hem bij vandaan liggers van ik bij (de) weg (hij) heeft gerust (...) mij Jahweh huis broer liggers van
- 28.
- en (zij) rende de jeugd en (zij) vertelde aan huis natie zoals woorden (de) deze
- 29.
- en aan Rebekka broer en zijn naam tot zoon en (hij) rende tot zoon naar de man naar de straat naar de oog
- 30.
- en wees KRAT (tot) de neusring en (tot) (is het zo) dat koppel! (...) hen op handen van eerste (...) hem WKSMOW (tot) spreek! Rebekka eerste (...) hem te spreken zo woord naar mij de man en (hij) kwam naar de man en hier is sta vast! op de kamelen op de oog
- 31.
- en (hij) sprak komst gezegende Jahweh waarom (jij) stond vast bij (de) straat en ik (ik) heb me gewend het huis en plaats aan kamelen
- 32.
- en (hij) kwam de man naar het huis en (hij) deed open de kamelen en (hij) gaf haksel WMXPWA aan kamelen en water LRHß voeten (...) hem en voeten van de mensen die (met) hem
- 33.
- en (hij) heeft toegepast voor hem aan eten en (hij) sprak niet eten tot als woord (...) mij spreek! en (hij) sprak woord
- 34.
- en (hij) sprak slaaf Abraham ik
- 35.
- en Jahweh zegen! (tot) liggers van zeer en (hij) groeide en (hij) gaf als kleinvee en rundvee en zilver en goud en slaaf (...) hen en slavin van en kamelen en ezeldrijvers
- 36.
- en (jij) baarde Sara vuur van liggers van zoon aan liggers van na (jij) bent oud geweest (er)naar en (hij) gaf als (tot) alle die als
- 37.
- en (hij) was verzadigd (...) mij liggers van te spreken niet (jij) nam vrouw aan zonen van om te bouwen (de) Kanaänitische die ik inwoner bij (het) land (...) hem
- 38.
- als niet naar huis vader (jij) ging en naar familie (...) mij en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van
- 39.
- en woord naar liggers van naar mij niet (jij) ging de vrouw na
- 40.
- en (hij) sprak naar mij Jahweh die (ik) heb rondgewandeld voor hem (hij) zond weg boodschapper (...) hem (met) jou en (hij) is geslaagd weg (...) jou en (jij) hebt genomen vrouw aan zonen van van familie (...) mij en van huis vader
- 41.
- destijds (jij) maakte schoon MALTI dat (jij) kwam naar familie (...) mij en als niet (zij) gaven aan jou en (jij) bent geweest schone MALTI
- 42.
- en (ik) profeteerde vandaag naar de oog en woord Jahweh mijn God liggers van Abraham als jij bent er toch slaag(t) wegen van die ik beweging op haar
- 43.
- hier is ik opgesteld op oog het water en (hij) is geweest de jonge vrouw (is het zo) dat (jij) bent uitgegaan LSAB en (ik) heb gesproken vetstaart geef te drinken! (...) mij toch een beetje water van kruik (...) jou
- 44.
- en (zij) heeft gesproken naar mij ook (met) haar (zij) heeft gelegd en ook aan kamelen (...) jou (ik) putte hij de vrouw die EKIH Jahweh tot zoon liggers van
- 45.
- ik voordat (zij) heeft gegeten te spreken naar hart (...) mij en hier is Rebekka (jij) bent uitgegaan en naar kruik op dat (zij) is opgestaan en (jij) daalde naar de oog en (jij) putte en woord vetstaart geef te drinken! (...) mij toch
- 46.
- en (jij) haastte je en (jij) werd naar beneden gehaald naar kruik van opgang en (jij) sprak (zij) heeft gelegd en ook kamelen (...) jou (ik) gaf te drinken en vuur van en ook de kamelen (zij) heeft te drinken gegeven
- 47.
- en (ik) vroeg (met) haar en woord dochter water van (tot) en (jij) sprak dochter Betuël zoon Nahor die (zij) heeft gebaard als koningin en (hij) heeft zich schuldig gemaakt de neusring op naar neus en verbind! (...) hen op naar handen
- 48.
- en (ik) brandde en (ik) boog me diep (er)naar aan Jahweh en (ik) zegende (tot) Jahweh mijn God liggers van Abraham die geef rust! (...) mij bij (de) weg waarheid (jij) hebt genomen (tot) dochter broer liggers van hart (...) ons
- 49.
- en nu als jullie zijn er maak! (...) hen genade en waarheid (tot) liggers van (zij) hebben verteld aan mij en als niet (zij) hebben verteld aan mij en (ik) wendde me op rechterhand of op SMAL
- 50.
- en wegens tot zoon en Betuël en (zij) spraken van Jahweh uitgaande het woord niet (wij) zullen kunnen woord naar jou kwaad of goede
- 51.
- hier is Rebekka voor jou neem! en aan jou en (zij) was vrouw tot zoon liggers (...) jou zoals woord Jahweh
- 52.
- en wees zoals nieuws slaaf Abraham (tot) woorden (...) hen en (hij) boog zich diep naar land aan Jahweh
- 53.
- en (hij) bracht naar buiten de slaaf gereedschap zilver en gereedschap goud en kledingstukken en (hij) gaf aan Rebekka WMCDNT (hij) heeft gegeven naar aan broer en aan natie
- 54.
- en (zij) aten en (zij) dronken hij en de mensen die met hem en (zij) lieten overnachten en (zij) stondden op bij (het) rundvee en (hij) sprak (hij) mij gezonden aan liggers van
- 55.
- en (hij) sprak (ik) leefde en natie (jij) woonde de jeugd (met) ons dagen of decennium andere (jij) ging
- 56.
- en (hij) sprak naar hen naar (jullie) kwamen te laat (met) mij en Jahweh (hij) is geslaagd wegen van zendt weg! (...) mij en (ik) ging (er)naar aan liggers van
- 57.
- en (zij) spraken (hij) is genoemd te schudden en (wij) vroegen (er)naar (tot) naar mond van
- 58.
- en (zij) noemden aan Rebekka en (zij) spraken vetstaart (is het zo) dat (jij) ging met de man deze en (jij) sprak (ik) ging
- 59.
- en (zij) zondden weg (tot) Rebekka één (...) hen en (tot) MNQTE en (tot) slaaf Abraham en (tot) mensen (...) hem
- 60.
- en (zij) zegenden (tot) Rebekka en (zij) spraken aan haar eerste (...) ons (tot) ben! aan duizend(en) van tienduizend en (hij) veroverde nakomelingen (...) jou (tot) poort haat! (...) hem
- 61.
- en (zij) stond op Rebekka en (ik) heb uitgeschud (er)naar en (zij) reed (...) haar op de kamelen en (jullie) gingen na de man en (hij) nam de slaaf (tot) Rebekka en (hij) ging
- 62.
- en Izak (hij) is gekomen om te komen put wang spiegel en hij bewoner bij (het) land het Zuiden
- 63.
- en uitgaande Izak LSWH bij (het) veld zich te wenden aangename en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien en hier is kamelen komen
- 64.
- en (jij) droeg Rebekka (tot) bestudeer! (er)naar en (zij) liet zien (tot) Izak en (zij) viel boven de kameel
- 65.
- en (jij) sprak naar de slaaf water van de man ELZE de beweging bij (het) veld ons tegemoet en (hij) sprak de slaaf hij liggers van en (jij) nam EßOIP WTTKX
- 66.
- en (hij) vertelde de slaaf aan Izak (tot) alle de woorden die (hij) heeft gedaan
- 67.
- en (hij) kwam (er)naar Izak naar de tent Sara moeder (...) hem en (hij) nam (tot) Rebekka en (zij) was als aan vrouw en (hij) had lief (er)naar en (hij) troostte Izak na moeder (...) hem
Hoofdstuk 25
- 1.
- en (hij) heeft toegevoegd Abraham en (hij) nam vrouw en daarnaar (-s) pluk! (er)naar
- 2.
- en (jij) baarde als (tot) lied (...) hen en (tot) (hij) werd hard (...) hen en (tot) van Dan en (tot) Midian en (tot) ISBQ en (tot) SWH
- 3.
- en (hij) werd hard (...) hen kind (tot) Scheba en (tot) tepel (...) hen en bouw! tepel (...) hen (zij) zijn geweest bevestiging (...) hen WLÐWSM en naties
- 4.
- en bouw! Midian vermoeidheid en stof en gratie (...) jou WABIDO WALDOE alle deze bouw! pluk! (er)naar
- 5.
- en (hij) gaf Abraham (tot) alle die als aan Izak
- 6.
- en aan zonen van EPILCSIM die aan Abraham (hij) heeft gegeven Abraham (jij) hebt verzacht en (hij) zond weg (...) hen boven Izak bij ons BOWDNW levende (zij) is voorgegaan naar land voorkant
- 7.
- en deze dagen van tweede leef! Abraham die levende honderd jaar en zeventig jaar en vijf twee
- 8.
- en (hij) stierf en (hij) stierf Abraham bij (de) ouderdom goeds baard en zeven en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem
- 9.
- en (zij) begroeven (met) hem Izak en Ismaël zonen (...) hem naar van vellen EMKPLE naar veld stof (...) hen zoon ßHR de angsten van die op aanzicht van Mamre
- 10.
- het veld die buis Abraham honderd bouw! angst daarnaar (-s) graf Abraham en Sara vuur (...) hem
- 11.
- en wees na dood Abraham en (hij) zegende God (tot) Izak bij ons en inwoner Izak met put wang spiegel
- 12.
- en deze TLDT Ismaël zoon Abraham die (zij) heeft gebaard Hagar EMßRIT dat (hij) is minder geworden Sara aan Abraham
- 13.
- en deze namen bouw! Ismaël bij (jullie) hebben geplaatst aan geschiedenis (...) hen trek voor! Ismaël NBIT en (hij) is donker geworden WADBAL WMBSM
- 14.
- en van nieuws en lijk(t) en last
- 15.
- HDD WTIMA IÐWR NPIS en (zij) is voorgegaan
- 16.
- deze zij bouw! Ismaël en deze (jullie) hebben geplaatst bij (de) dorpen (...) hen WBÐIRTM twee rijkdom vorst (...) hen aan waarheid (...) hen
- 17.
- en deze tweede leef! Ismaël honderd jaar en dertig jaar en zeven twee en (hij) stierf en (hij) stierf en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem
- 18.
- en (zij) behuisden van Havila tot os die op aanzicht van Egypte bij (ik) sloeg naar bevestiging op aanzicht van alle broers (...) hem ga neer!
- 19.
- en deze geschiedenis Izak zoon Abraham Abraham (hij) heeft voortgebracht (tot) Izak
- 20.
- en wees Izak zoon veertig jaar BQHTW (tot) Rebekka dochter Betuël de Syriër MPDN Syrië zus tot zoon de Syriër als aan vrouw
- 21.
- en (hij) bad Izak aan Jahweh LNKH vuur (...) hem dat onvruchtbare hij en (hij) bad als Jahweh en (zij) werd zwanger Rebekka vuur (...) hem
- 22.
- WITRßßW de zonen bij (zij) heeft nader gebracht en (jij) sprak als zo waarom dit ik en (jij) ging aan advies (tot) Jahweh
- 23.
- en (hij) sprak Jahweh aan haar tweede dalen bij (de) buik (...) jou en tweede naties van ingewanden (...) jou IPRDW en natie van natie (hij) was sterk en meerderheid (hij) werkte kleine
- 24.
- en (zij) waren vol naar dagen te baren en hier is ben(t) volledig naar bij (de) buik
- 25.
- en uitgaande (de) eerste ADMWNI kunt! zoals mantel poort en (zij) noemden zijn naam Ezau
- 26.
- en na zo uitgaande broers (...) hem en (hij) bedankte (jij) hebt gegrepen bij (de) voetstap Ezau en (hij) noemde zijn naam Jakob en Izak zoon zestig jaar BLDT (met) hen
- 27.
- en (zij) groeiden de jongens en wees Ezau man (hij) heeft geweten jacht man veld en Jakob man onschuldige inwoner tenten
- 28.
- en (hij) had lief Izak (tot) Ezau dat jacht bij (de) monden (...) hem en Rebekka (jij) hebt liefgehad (tot) Jakob
- 29.
- WIZD Jakob NZID en (hij) kwam Ezau vanuit het veld en hij vermoeide
- 30.
- en (hij) sprak Ezau naar Jakob ELOIÐNI toch vanuit de mens de mens deze dat vermoeide ik op zo (hij) heeft genoemd zijn naam Edom
- 31.
- en (hij) sprak Jakob (zij) heeft verkocht zoals dag (tot) (jij) hebt voorgetrokken (...) jou aan mij
- 32.
- en (hij) sprak Ezau hier is ik ga(a)(t) te sterven en waarom dit aan mij (zij) heeft voorgetrokken
- 33.
- en (hij) sprak Jakob de zeven aan mij zoals dag en (hij) was verzadigd als en (hij) verkocht (tot) bij (zij) hebben afgehakt aan Jakob
- 34.
- en Jakob (hij) heeft gegeven aan Ezau brood WNZID ODSIM en (hij) at en (hij) legde en (hij) stond op en (hij) ging en (hij) minachtte Ezau (tot) (is het zo) dat (zij) heeft voorgetrokken
Hoofdstuk 26
- 1.
- en wees honger bij (het) land weg van tak de honger (de) eerste die (hij) is geweest bij (de) dagen van Abraham en (hij) ging Izak naar Abimelech koning Filistijnen naar Gerar
- 2.
- en gezien naar hem Jahweh en (hij) sprak naar (jij) daalde naar Egypte buurman bij (het) land die woord naar jou
- 3.
- woon! bij (het) land (de) deze en (ik) was met jou en (ik) zegende (...) jou dat aan jou en aan nakomelingen (...) jou (met) hen (tot) alle het land van deze en (ik) heb gevestigd (tot) de zeven die (ik) heb gezworen aan Abraham vader (...) jou
- 4.
- en (ik) heb vermeerderd (tot) nakomelingen (...) jou zoals sterren van de hemel en (ik) heb gegeven aan nakomelingen (...) jou (tot) alle het land van deze WETBRKW bij (de) nakomelingen (...) jou alle volk (...) mij het land
- 5.
- voetstap die nieuws Abraham bij (de) klanken van en (hij) bewaarde bewaring (...) mij voorschrift (...) mij grondwetten (...) mij en Wetboek (...) mij
- 6.
- en inwoner Izak bij Gerar
- 7.
- en (hij) vroeg (...) hem mens (...) mij de plaats aan vuur (...) hem en (hij) sprak eerste (...) mij hij dat gezien te spreken mijn vrouw opdat niet (hij) doodde (...) mij mens (...) mij de plaats op Rebekka dat goeds van verschijning hij
- 8.
- en wees dat (zij) hebben geduurd als daar de dagen WISQP Abimelech koning Filistijnen door (zij) zijn begonnen te (...) hen en gezien en hier is Izak MßHQ (tot) Rebekka vuur (...) hem
- 9.
- en (hij) noemde Abimelech aan Izak en (hij) sprak maar hier is vuur (...) jou hij en waar ben jij? (jij) hebt gesproken eerste (...) mij hij en (hij) sprak naar hem Izak dat (ik) heb gesproken opdat niet (ik) stierf op haar
- 10.
- en (hij) sprak Abimelech wat? deze (jij) hebt gedaan aan ons zoals een beetje lig neer! één het volk (tot) vuur (...) jou en (jij) hebt gebracht op ons (hij) heeft zich schuldig gemaakt
- 11.
- en (hij) gaf opdracht Abimelech (tot) alle het volk te spreken de plaag bij (de) man deze en bij (het) vuur (...) hem dood (hij) zal worden laten sterven
- 12.
- en (hij) zaaide Izak bij (het) land dat en (hij) vond in het jaar dat honderd dat worden wakker en (hij) zegende (...) hem Jahweh
- 13.
- en (hij) groeide de man en (hij) ging gang en grootheid tot dat grootheid zeer
- 14.
- en wees als bezit kleinvee en bezit rundvee en feit veelheid en (zij) waren jaloers (met) hem Filistijnen
- 15.
- en alle EBART die (zij) hebben gegraven werk! vader (...) hem bij (de) dagen van Abraham vader (...) hem XTMWM Filistijnen en (zij) waren vol (...) hen stof
- 16.
- en (hij) sprak Abimelech naar Izak aan jou van volk (...) ons dat (jij) bent machtig geworden (van)uit hem zeer
- 17.
- en (hij) ging van daar Izak en (hij) legerde bij (de) wadi Gerar en inwoner daar
- 18.
- en inwoner Izak en (hij) groef (tot) BART het water die (zij) hebben gegraven bij (de) dagen van Abraham vader (...) hem WIXTMWM Filistijnen na dood Abraham en (hij) noemde aan hen namen als (jij) hebt geplaatst die (hij) heeft genoemd aan hen vader (...) hem
- 19.
- en (zij) groeven werk! Izak bij (de) wadi en (zij) vondden daar put water leven
- 20.
- en (zij) twistten achtervolg! Gerar met achtervolg! Izak te spreken aan ons het water en (hij) noemde daar de put afzetterij dat (is het zo) dat (jullie) deedden tekort met hem
- 21.
- en (zij) groeven put andere en (zij) twistten ook op haar en (hij) noemde daarnaar (-s) naar satan
- 22.
- WIOTQ van daar en (hij) groef put andere noch tienduizend op haar en (hij) noemde daarnaar (-s) pleinen en (hij) sprak dat nu ERHIB Jahweh aan ons en (wij) zijn vruchtbaar geweest bij (het) land
- 23.
- en (hij) verhief van daar put zeven
- 24.
- en gezien naar hem Jahweh bij (de) nacht dat en (hij) sprak ik mijn God Abraham vader (...) jou naar (je) zult vrezen dat (met) jou ik en (ik) heb gezegend (...) jou en (ik) heb vermeerderd (tot) nakomelingen (...) jou wegens Abraham werk!
- 25.
- en (hij) bouwde daar altaar en (hij) noemde bij (de) naam Jahweh en (hij) neeg daar tent (...) hem en (zij) groeven daar werk! Izak put
- 26.
- en Abimelech beweging naar hem van Gerar en (jij) hebt gegrepen van zijn vriend WPIKL aanvoerder (zij) hebben zich geschaard
- 27.
- en (hij) sprak naar hen Izak waarom? (jullie) zijn gekomen naar mij en (met) hen (jullie) hebben gehaat (met) mij en (jullie) zondden weg (...) mij MATKM
- 28.
- en (zij) spraken (zij) hebben gezien (wij) hebben gezien dat (hij) is geweest Jahweh met jou en (wij) spraken (zij) was toch deze BINWTINW tussen ons en tussen jou en (zij) is afgehakt verbond met jou
- 29.
- als (jij) deed met ons herder zoals niet (wij) hebben aangeraakt (...) jou en zoals (wij) hebben gedaan met jou lege goede en (wij) zondden weg (...) jou bij (de) vrede (met) haar nu gezegende Jahweh
- 30.
- en (hij) heeft gemaakt aan hen banket en (zij) aten en (zij) dronken
- 31.
- en (zij) stondden vroeg op bij (het) rundvee en (zij) waren verzadigd man aan broers (...) hem en (hij) zond weg (...) hen Izak en (zij) gingen van hem bij (de) vrede
- 32.
- en wees bij (de) dag dat en voert in! werk! Izak en (hij) werd verteld (...) hem als op ADWT de put die (zij) hebben gegraven en (zij) spraken als (wij) hebben gevonden water
- 33.
- en (hij) noemde (met) haar zeven op zo daar (hij) heeft opgemerkt put zeven tot vandaag deze
- 34.
- en wees Ezau zoon veertig jaar en (hij) nam vrouw (tot) Judith dochter Beeri de angsten van en (tot) bij (jij) hebt geplaatst dochter ram (...) hen de angsten van
- 35.
- en (jij) was (...) hen MRT wind aan Izak en aan Rebekka
Hoofdstuk 27
- 1.
- en wees dat baard Izak en (jij) werd donker (...) hen ogen (...) hem om te vrezen en (hij) noemde (tot) Ezau bij ons de grote en (hij) sprak naar hem bouw! en (hij) sprak naar hem hier ben ik
- 2.
- en (hij) sprak hier is toch (ik) ben oud geweest niet (ik) heb geweten dag sterf!
- 3.
- en nu draag! toch gereedschappen (...) jou hang op! (...) jou en boog (...) jou en ga weg! het veld en naar stap aan mij naar jacht
- 4.
- en (hij) heeft gedaan aan mij van smaken zoals (ik) heb liefgehad en (zij) heeft gebracht aan mij en (zij) heeft gegeten wegens (jij) zegende (...) jou ziel (...) mij voordat (ik) stierf
- 5.
- en Rebekka (jij) hebt toegehoord bij (het) woord Izak naar Ezau bij ons en (hij) ging Ezau het veld te vangen jacht te brengen
- 6.
- en Rebekka (zij) heeft gesproken naar Jakob (hij) heeft gebouwd te spreken hier is (ik) heb toegehoord (tot) vader (...) jou woestijn naar Ezau broers (...) jou te spreken
- 7.
- (zij) heeft gebracht aan mij jacht en (hij) heeft gedaan aan mij van smaken en (zij) heeft gegeten WABRKKE voor Jahweh voor sterf!
- 8.
- en nu bouw! nieuws bij (de) klanken van te bevestigen ik voorschrift (met) jou
- 9.
- aan jou toch naar het kleinvee en neem! aan mij van daar tweede bokjes van geiten ben goed! (...) hen en (ik) werd gedaan (met) hen van smaken aan vader (...) jou zoals (hij) heeft liefgehad
- 10.
- en (jij) hebt gebracht aan vader (...) jou en eten bij (de) kant die (hij) zegende (...) jou voor sterft!
- 11.
- en (hij) sprak Jakob naar Rebekka moeder (...) hem èn Ezau broer man poort en ik man deel
- 12.
- misschien IMSNI vader en (ik) ben geweest bij (de) ogen (...) hem KMTOTO en (ik) heb gebracht op mij vervloeking noch gelukwens
- 13.
- en (jij) sprak als moeder (...) hem op mij (jij) hebt vervloekt (...) jou bouw! maar nieuws bij (de) klanken van en aan jou neem! aan mij
- 14.
- en (hij) ging en (hij) nam en (hij) kwam natie (...) hem en (jij) maakte moeder (...) hem van smaken zoals (hij) heeft liefgehad vader (...) hem
- 15.
- en (jij) nam Rebekka (tot) bij (het) bokje Ezau (hij) heeft gebouwd de grote (is het zo) dat (jij) hebt begeerd die (met) haar bij (het) huis en (zij) bekleedde zich (tot) Jakob (hij) heeft gebouwd de kleine
- 16.
- en (tot) vellen bokjes van de geiten (is het zo) dat te beschamen (er)naar op handen (...) hem en op perceel van halzen (...) hem
- 17.
- en te geven (...) hen (tot) EMÐOMIM en (tot) het brood die (zij) heeft gedaan bij (de) hand Jakob (hij) heeft gebouwd
- 18.
- en (hij) kwam naar vader (...) hem en (hij) sprak vader en (hij) sprak hier ben ik water van (met) haar bouw!
- 19.
- en (hij) sprak Jakob naar vader (...) hem ik Ezau trek voor! (...) jou (ik) heb gedaan zoals woord van naar mij sta op! toch (zij) is teruggekeerd en (zij) heeft gegeten van jacht (...) mij wegens (jij) zegende (...) mij ziel (...) jou
- 20.
- en (hij) sprak Izak naar bij ons wat? dit (jij) hebt je gehaast te vinden bouw! en (hij) sprak dat (is het zo) dat (hij) is gebeurd Jahweh jouw God voor
- 21.
- en (hij) sprak Izak naar Jakob nader! (er)naar toch WAMSK bouw! (is het zo) dat (met) haar dit bouw! Ezau als niet
- 22.
- en (hij) is genaderd Jakob naar Izak vader (...) hem WIMSEW en (hij) sprak (hij) heeft verlicht klank Jakob en de handen handen van Ezau
- 23.
- noch (zij) hebben herkend dat (zij) zijn geweest handen (...) hem zoals handen van Ezau broers (...) hem dat (jij) bent wakker geworden en (hij) zegende (...) hem
- 24.
- en (hij) sprak (met) haar dit bouw! Ezau en (hij) sprak ik
- 25.
- en (hij) sprak (is het zo) dat nader! (er)naar aan mij en (zij) heeft gegeten van jacht bouw! opdat (jij) zegende (...) jou ziel (...) mij en (hij) is genaderd als en (hij) at en (hij) kwam als wijn en (hij) legde
- 26.
- en (hij) sprak naar hem Izak vader (...) hem nader! (er)naar toch en naar zak aan mij bouw!
- 27.
- en (hij) is genaderd en (hij) gaf te drinken als en maan (tot) geur kledingstukken (...) hem en (hij) zegende (...) hem en (hij) sprak (hij) heeft gezien geur bouw! zoals geur veld die zegent! Jahweh
- 28.
- en (hij) gaf aan jou naar God van dauw de hemel en van olie (...) mij het land en meerderheid graan WTIRS
- 29.
- (zij) werkten (...) jou volkeren en (hij) boog zich diep aan jou naties verderf heer aan broers (...) jou en (zij) bogen zich diep aan jou bouw! moeder (...) jou ARRIK vervloekte en zegenen (...) jou gezegende
- 30.
- en wees zoals schoondochter Izak te zegenen (tot) Jakob en wees maar uitgaande uitgaande Jakob honderd aanzicht van Izak vader (...) hem en Ezau broers (...) hem (hij) is gekomen van jacht (...) hem
- 31.
- en (hij) heeft gemaakt ook hij van smaken en (hij) kwam aan vader (...) hem en (hij) sprak aan vader (...) hem (hij) stond op vader en (hij) at van jacht bij ons bij (de) kant (jij) zegende (...) mij ziel (...) jou
- 32.
- en (hij) sprak als Izak vader (...) hem water van (met) haar en (hij) sprak ik zoon (...) jou trek voor! (...) jou Ezau
- 33.
- en (hij) schrok Izak (zij) is geschrokken grootheid tot zeer en (hij) sprak water van dus hij de kant jacht en (hij) kwam aan mij en eten van alle voordat (jij) kwam WABRKEW ook gezegende (hij) was
- 34.
- toen Ezau (tot) spreek! vader (...) hem en (hij) schreeuwde (zij) heeft geschreeuwd grootheid en bittere tot zeer en (hij) sprak aan vader (...) hem zegen! (...) mij ook ik vader
- 35.
- en (hij) sprak (hij) is gekomen broers (...) jou bij (de) bedrog en (hij) nam (jij) hebt gezegend (...) jou
- 36.
- en (hij) sprak sla! (hij) heeft genoemd zijn naam Jakob en (hij) volgde (...) mij dit twee keer (tot) (ik) heb voorgetrokken lering en hier is nu lering (ik) heb gezegend en (hij) sprak toch? AßLT aan mij gelukwens
- 37.
- en wegens Izak en (hij) sprak aan Ezau èn heer haar naam-en (...) hem aan jou en (tot) alle broers (...) hem (ik) heb gegeven als aan slaven en graan WTIRS (ik) heb gesteund (...) hem en ga! (er)naar dus wat? (ik) werd gedaan bouw!
- 38.
- en (hij) sprak Ezau naar vader (...) hem de gelukwens één hij aan jou vader zegen! (...) mij ook ik vader en (hij) droeg Ezau klank (...) hem en (hij) weende
- 39.
- en wegens Izak vader (...) hem en (hij) sprak naar hem hier is van olie (...) mij het land (hij) was zetel (...) jou en van dauw de hemel boven
- 40.
- en op zwaard (...) jou (jij) leefde en (tot) broers (...) jou (zij) werkte en (hij) is geweest zoals TRID WPRQT (zij) zijn opgegaan boven hals (...) jou
- 41.
- WISÐM Ezau (tot) Jakob op de gelukwens die zegent! vader (...) hem en (hij) sprak Ezau bij (de) zijn hart (zij) brachten nader dagen van rouw vader WAERCE (tot) Jakob broer
- 42.
- en (hij) werd verteld aan Rebekka (tot) spreek! Ezau (hij) heeft gebouwd de grote en (jij) zond weg en (jij) noemde aan Jakob (hij) heeft gebouwd de kleine en (jij) sprak naar hem hier is Ezau broers (...) jou MTNHM aan jou te doden (...) jou
- 43.
- en nu bouw! nieuws bij (de) klanken van en sta op! vlucht aan jou naar tot zoon broer naar Haran
- 44.
- en (jij) hebt gewoond met hem dagen AHDIM tot die (jij) blies leren zak broers (...) jou
- 45.
- tot terugkeren neus broers (...) jou (van)uit jou en laat vergeten! (tot) die (jij) hebt gedaan als en (ik) heb gezonden en (ik) heb genomen (...) jou van daar waarom Eskol ook jaren (...) jullie dag één
- 46.
- en (jij) sprak Rebekka naar Izak einde (...) mij bij leef! van aanzicht van dochters angst als lering Jakob vrouw om te bouwen angst zoals deze om te bouwen het land waarom aan mij leven
Hoofdstuk 28
- 1.
- en (hij) noemde Izak naar Jakob en (hij) zegende (met) hem en (hij) gaf opdracht (...) hem en (hij) sprak als niet (jij) nam vrouw om te bouwen Kanaän
- 2.
- sta op! aan jou PDNE Syrië naar huis Betuël vader moeder (...) jou en neem! aan jou van daar vrouw om te bouwen tot zoon broer moeder (...) jou
- 3.
- en naar Sjadai (hij) zegende (met) jou en (hij) brak kapot en (hij) vermeerderde (...) jou en (jij) bent geweest aan menigte volkeren
- 4.
- en (hij) gaf aan jou (tot) (jij) hebt gezegend Abraham aan jou en aan nakomelingen (...) jou (met) jou te veroveren (...) jou (tot) land van vreemdelingen (...) jou die (hij) heeft gegeven God aan Abraham
- 5.
- en (hij) zond weg Izak (tot) Jakob en (hij) ging PDNE Syrië naar tot zoon zoon Betuël de Syriër broer Rebekka als Jakob en Ezau
- 6.
- en gezien Ezau dat zegen! Izak (tot) Jakob en wapen (met) hem PDNE Syrië (jij) hebt genomen als van daar vrouw bij zegent! (met) hem en (hij) gaf opdracht op hem te spreken niet (jij) nam vrouw om te bouwen Kanaän
- 7.
- en (hij) hoorde toe Jakob naar vader (...) hem en naar moeder (...) hem en (hij) ging PDNE Syrië
- 8.
- en gezien Ezau dat medemensen dochters Kanaän bij bestudeer! Izak vader (...) hem
- 9.
- en (hij) ging Ezau naar Ismaël en (hij) nam (tot) MHLT dochter Ismaël zoon Abraham zus NBIWT op vrouwen (...) hem als aan vrouw
- 10.
- en uitgaande Jakob van put zeven en (hij) ging naar Haran
- 11.
- en (hij) trof bij (de) plaats en (hij) overnachtte daar dat (hij) is gekomen de zon en (hij) nam van stenen van de plaats en pas toe! MRASTIW en (hij) lag neer bij (de) plaats dat
- 12.
- en (hij) droomde en hier is XLM opgestelde naar land en hoofd (...) hem kom(t) toe naar de hemel en hier is boodschappers van God hoogtes WIRDIM bij hem
- 13.
- en hier is Jahweh opgesteld op hem en (hij) sprak ik Jahweh mijn God Abraham vader (...) jou en mijn God Izak het land die (met) haar lig neer! op haar aan jou (ik) zal geven en aan nakomelingen (...) jou
- 14.
- en (hij) is geweest nakomelingen (...) jou zoals stof het land en (jij) hebt doorgebroken naar dag en (zij) is voorgegaan en naar Noorden en (zij) heeft afgedroogd en (wij) zegenden (...) hem bij jou alle familie van de aarde en bij (de) nakomelingen (...) jou
- 15.
- en hier is ik met jou en (ik) heb gehouden (...) jou in alle die (jij) ging en (ik) heb teruggegeven (...) jou naar de aarde (de) deze dat niet (ik) verliet (...) jou tot die als (ik) heb gedaan (tot) die woord (...) mij aan jou
- 16.
- en (hij) werd wakker Jakob van jaar (...) hem en (hij) sprak werkelijk er is Jahweh bij (de) plaats deze en ik niet (ik) heb geweten
- 17.
- en zal zien en (hij) sprak wat? ontzagwekkende de plaats deze (er is) niet dit dat als huis God en dit poort de hemel
- 18.
- en jullie zijn er Jakob bij (het) rundvee en (hij) nam (tot) de steen die daar MRASTIW en pas toe! (met) haar monument en (hij) heeft uitgegoten olie op naar hoofd
- 19.
- en (hij) noemde (tot) daar de plaats dat huis naar daarentegen LWZ daar (hij) heeft opgemerkt LRASNE
- 20.
- en (hij) woonde Jakob gelofte te spreken als (hij) was God met mij en bewaar! (...) mij bij (de) weg deze die ik ga(a)(t) en (hij) heeft gegeven aan mij brood aan eten en kleed LLBS
- 21.
- en rust! bij (de) vrede naar huis vader en (hij) is geweest Jahweh aan mij aan God
- 22.
- en de steen (de) deze die (ik) heb geplaatst monument (hij) was huis God en alle die te geven (...) hen aan mij rijkdom AOSRNW aan jou
Hoofdstuk 29
- 1.
- en (hij) droeg Jakob voeten (...) hem en (hij) ging naar land bouw! voorkant
- 2.
- en gezien en hier is put bij (het) veld en hier is daar drie kudden van kleinvee RBßIM op haar dat vanuit de put dat (zij) gaven te drinken de kudden en de steen grootheid op mond van de put
- 3.
- en (wij) verzamelden (...) hem daarnaar (-s) alle de kudden en (zij) hebben gedraaid (tot) de steen boven mond van de put en (zij) hebben te drinken gegeven (tot) het kleinvee en (zij) hebben teruggegeven (tot) de steen op mond van de put LMQME
- 4.
- en (hij) sprak aan hen Jakob broer vanwaar? (met) hen en (zij) spraken van Haran wij
- 5.
- en (hij) sprak aan hen (is het zo) dat (jullie) hebben geweten (tot) tot zoon zoon Nahor en (zij) spraken (wij) hebben geweten
- 6.
- en (hij) sprak aan hen de vrede als en (zij) spraken vrede en hier is Rachel dochter (...) hem kom(t) met het kleinvee
- 7.
- en (hij) sprak èn nog (eens) vandaag grote niet tijd (is het zo) dat Asaf het bezit (zij) hebben te drinken gegeven het kleinvee en ga(a)t! (zij) hebben achtervolgd
- 8.
- en (zij) spraken niet (wij) zullen kunnen tot die (zij) verzamelden alle de kudden en (zij) hebben gedraaid (tot) de steen boven mond van de put en (wij) hebben te drinken gegeven het kleinvee
- 9.
- hij (...) nog woestijn volk (...) hen en Rachel kom(t) met het kleinvee die naar aan vader dat herder hij
- 10.
- en wees zoals (hij) heeft gezien Jakob (tot) Rachel dochter tot zoon broer moeder (...) hem en (tot) kleinvee tot zoon broer moeder (...) hem en (hij) is genaderd Jakob en (hij) verheugde zich (tot) de steen boven mond van de put en (hij) gaf te drinken (tot) kleinvee tot zoon broer moeder (...) hem
- 11.
- en (hij) gaf te drinken Jakob aan Rachel en (hij) droeg (tot) klank (...) hem en (hij) weende
- 12.
- en (hij) werd verteld Jakob aan Rachel dat broer naar vader hij en dat zoon Rebekka hij en (zij) rende en (zij) vertelde naar aan vader
- 13.
- en wees toen tot zoon (tot) nieuws Jakob zoon eerste (...) hem en (hij) rende hem tegemoet en (hij) omarmde als WINSQ als en (zij) brachten (...) hem naar huis (...) hem en (hij) vertelde aan witte (tot) alle de woorden (de) deze
- 14.
- en (hij) sprak als tot zoon maar word machtig! en kondig aan! (met) haar en inwoner met hem maand dagen
- 15.
- en (hij) sprak tot zoon aan Jakob sla! broer (met) haar en (jullie) hebben gewerkt (...) mij gratis (zij) heeft verteld aan mij wat? MSKRTK
- 16.
- en aan Laban schering dochters daar de grootheid Lea en naam [van] naar de kleine Rachel
- 17.
- en bestudeer! Lea zachte (mv) en Rachel (zij) is geweest Jafeth (hij) heeft beschreven en Jafeth verschijning
- 18.
- en (hij) had lief Jakob (tot) Rachel en (hij) sprak (ik) bewerkte (...) jou zeven twee bij Rachel bij (zij) sloeg naar de kleine
- 19.
- en (hij) sprak tot zoon goede te geven (...) mij (met) haar aan jou (ik) ben gestorven (met) haar aan man andere (zij) is teruggekeerd met mij
- 20.
- en (hij) werkte Jakob bij Rachel zeven twee en (zij) waren bij (de) ogen (...) hem zoals dagen AHDIM bij (de) liefde (...) hem (met) haar
- 21.
- en (hij) sprak Jakob naar tot zoon vooruit! (tot) mijn vrouw dat (zij) zijn vol geweest dagen van en (ik) kwam (er)naar vetstaart
- 22.
- en (hij) verzamelde tot zoon (tot) alle mens (...) mij de plaats en (hij) heeft gemaakt banket
- 23.
- en wees bij (de) aangename en (hij) nam (tot) Lea dochter (...) hem en (hij) kwam (met) haar naar hem en (hij) kwam vetstaart
- 24.
- en (hij) gaf tot zoon aan haar (tot) Zilpa dat (zij) zijn minder geworden aan Lea dochter (...) hem slavin
- 25.
- en wees bij (het) rundvee en hier is hij Lea en (hij) sprak naar tot zoon wat? deze (jij) hebt gedaan aan mij toch? bij Rachel (ik) heb gewerkt met jou en waarom RMITNI
- 26.
- en (hij) sprak tot zoon niet (zij) heeft gemaakt zo bij (de) plaats (...) ons te geven (de) kleine voor (de) hooggeplaatste
- 27.
- (hij) is vol geweest zeven deze en (zij) heeft gegeven aan jou ook (tot) deze bij (het) feit die (zij) werkte met mij nog (eens) zeven twee andere (mv)
- 28.
- en (hij) heeft gemaakt Jakob zo en (hij) was vol zeven deze en (hij) gaf als (tot) Rachel dochter (...) hem als aan vrouw
- 29.
- en (hij) gaf tot zoon aan Rachel dochter (...) hem (tot) panische angst dat (zij) zijn minder geworden aan haar aan slavin
- 30.
- en (hij) kwam ook naar Rachel en (hij) had lief ook (tot) Rachel (zij) is vol geweest en (hij) werkte met hem nog (eens) zeven twee andere (mv)
- 31.
- en gezien Jahweh dat SNWAE Lea en (hij) deed open (tot) (zij) heeft medelijden gehad en Rachel onvruchtbare
- 32.
- en (zij) werd zwanger Lea en (jij) baarde zoon en (jij) noemde zijn naam Ruben dat (zij) heeft gesproken dat (hij) heeft gezien Jahweh bij (de) armoede (...) mij dat nu (hij) had lief (...) mij mannen van
- 33.
- en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) sprak dat nieuws Jahweh dat SNWAE ik en (hij) gaf aan mij ook (tot) dit en (jij) noemde zijn naam Simeon
- 34.
- en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) sprak nu de keer ILWE mannen van naar mij dat (ik) heb gebaard als drie zonen op zo (hij) heeft genoemd zijn naam Levi
- 35.
- en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) sprak de keer (ik) bedankte (tot) Jahweh op zo (zij) heeft genoemd zijn naam Juda en (jij) stond vast om te baren
Hoofdstuk 30
- 1.
- en (zij) liet zien Rachel dat niet (zij) heeft gebaard aan Jakob en (jij) was jaloers Rachel naar bij (de) eerste en (jij) sprak naar Jakob vooruit! aan mij zonen en als (er is) niet (zij) is gestorven ik
- 2.
- en (hij) ontbrandde neus Jakob bij Rachel en (hij) sprak ETHT God ik die (hij) heeft teruggehouden (van)uit jou vrucht buik
- 3.
- en (jij) sprak hier is waarheden van panische angst (hij) is gekomen vetstaart en (jij) baarde op zegen! en (ik) bouwde ook ik (van)uit haar
- 4.
- en te geven (...) hen als (tot) panische angst dat (zij) is minder geworden aan vrouw en (hij) kwam vetstaart Jakob
- 5.
- en (zij) werd zwanger panische angst en (jij) baarde aan Jakob zoon
- 6.
- en (jij) sprak Rachel (hij) heeft berecht (...) mij God en ook nieuws bij (de) klanken van en (hij) gaf aan mij zoon op zo (zij) heeft genoemd zijn naam Dan
- 7.
- en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde panische angst dat (hij) is minder geworden Rachel zoon tweede aan Jakob
- 8.
- en (jij) sprak Rachel NPTWLI God NPTLTI met eerste (...) mij ook (ik) heb gekund en (jij) noemde zijn naam Nafthali
- 9.
- en (zij) liet zien Lea dat (zij) heeft gestaan om te baren en (jij) nam (tot) Zilpa dat (zij) is minder geworden en te geven (...) hen (met) haar aan Jakob aan vrouw
- 10.
- en (jij) baarde Zilpa dat (hij) is minder geworden Lea aan Jakob zoon
- 11.
- en (jij) sprak Lea kleed en (jij) noemde (tot) zijn naam Gad
- 12.
- en (jij) baarde Zilpa dat (hij) is minder geworden Lea zoon tweede aan Jakob
- 13.
- en (jij) sprak Lea bij (de) heil dat bevestigt! (...) mij dochters en (jij) noemde (tot) zijn naam die
- 14.
- en (hij) ging Ruben bij (de) dagen van oogst tarwe en (hij) vond DWDAIM bij (het) veld en (hij) kwam (met) hen naar Lea moeder (...) hem en (jij) sprak Rachel naar Lea geef! toch aan mij MDWDAI zoon (...) jou
- 15.
- en (jij) sprak aan haar het een beetje QHTK (tot) mannen van en (jij) hebt genomen ook (tot) DWDAI bouw! en (jij) sprak Rachel daarom (hij) lag neer met jou de nacht in de plaats van DWDAI zoon (...) jou
- 16.
- en (hij) kwam Jakob vanuit het veld bij (de) aangename en (jij) ging uit Lea hem tegemoet en (jij) sprak naar mij (jij) kwam dat beloning (ik) heb gehuurd (...) jou BDWDAI bouw! en (hij) lag neer met haar bij (de) nacht hij
- 17.
- en (hij) hoorde toe God naar Lea en (zij) werd zwanger en (jij) baarde aan Jakob zoon vijfde
- 18.
- en (jij) sprak Lea (hij) heeft gegeven God huur! die (ik) heb gegeven dat word minder! aan mannen van en (jij) noemde zijn naam Issaschar
- 19.
- en (zij) werd zwanger nog (eens) Lea en (jij) baarde zoon zesde aan Jakob
- 20.
- en (jij) sprak Lea ZBDNI God (met) mij gift goede de keer IZBLNI mannen van dat (ik) heb gebaard als zes zonen en (jij) noemde (tot) zijn naam Zebulon
- 21.
- en andere (zij) heeft gebaard dochter en (jij) noemde (tot) daarnaar (-s) Dina
- 22.
- en (hij) herinnerde zich God (tot) Rachel en (hij) hoorde toe vetstaart God en (hij) deed open (tot) (zij) heeft medelijden gehad
- 23.
- en (zij) werd zwanger en (jij) baarde zoon en (jij) sprak Asaf God (tot) (ik) heb beledigd
- 24.
- en (jij) noemde (tot) zijn naam Jozef te spreken (hij) heeft toegevoegd Jahweh aan mij zoon andere
- 25.
- en wees zoals (zij) heeft gebaard Rachel (tot) Jozef en (hij) sprak Jakob naar tot zoon (hij) mij gezonden en (ik) ging (er)naar naar plaats (...) mij en aan land (...) mij
- 26.
- geef! (tot) vrouwen van en (tot) help bij de geboorte! die (ik) heb gewerkt (met) jou bij hen en (ik) ging (er)naar dat (met) haar (jij) hebt geweten (tot) (ik) heb gewerkt die (ik) heb gewerkt (...) jou
- 27.
- en (hij) sprak naar hem tot zoon als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou (ik) heb vermoed en (hij) zegende (...) mij Jahweh bij (hij) heeft gedraaid (...) jou
- 28.
- en (hij) sprak vrouw beloning (...) jou op mij en (ik) gaf
- 29.
- en (hij) sprak naar hem (met) haar (jij) hebt geweten (tot) die (ik) heb gewerkt (...) jou en (tot) die (hij) is geweest van nest (...) jou (met) mij
- 30.
- dat een beetje die (hij) is geweest aan jou voor en (hij) brak door aan meerderheid en (hij) zegende Jahweh (met) jou aan voeten van en nu wanneer? (ik) werd gedaan ook ik aan huis-en van
- 31.
- en (hij) sprak wat? (met) hen aan jou en (hij) sprak Jakob niet te geven (...) hen aan mij iets als (jij) deed aan mij het woord deze (ik) ging rond (ik) achtervolgde kleinvee (...) jou (ik) bewaarde
- 32.
- (ik) trok door in alle kleinvee (...) jou vandaag verwijder! van daar alle lammetje gestippelde en gelapte en alle lammetje hitte bij (de) schapen en gelapte en gestippelde bij (de) geiten en (hij) is geweest huur!
- 33.
- en (zij) heeft geantwoord bij mij (ik) heb gelijk gehad bij (de) dag morgen dat (jij) kwam op huur! voor jou alle die hij is (er) niet gestippelde en gelapte bij (de) geiten en hitte bij (de) schapen gestolene hij (met) mij
- 34.
- en (hij) sprak tot zoon èn als wees zoals woord (...) jou
- 35.
- en (hij) week af bij (de) dag dat (tot) (is het zo) dat (jij) werd verlaten (...) hen EOQDIM WEÐLAIM en (tot) alle de geiten (de) gestippelde (mv) WEÐLAT alle die tot zoon bij hem en alle hitte bij (de) schapen en (hij) gaf bij (de) hand zonen (...) hem
- 36.
- en pas toe! weg drie van dagen bij (de) doffer (...) hem en tussen Jakob en Jakob herder (tot) kleinvee tot zoon (is het zo) dat (jij) bent overgebleven
- 37.
- en (hij) nam als Jakob verlicht witte frisheid WLWZ WORMWN WIPßL bij hen PßLWT te bouwen MHSP (is het zo) dat tot zoon die op EMQLWT
- 38.
- WIßC (tot) EMQLWT die PßL BREÐIM BSQTWT het water die (zij) kwam (...) hen het kleinvee te drinken LNKH het kleinvee en (hij) is bronstig geweest (...) haar bij (hij) is gekomen (...) hen te drinken
- 39.
- en (zij) zijn bronstig geweest het kleinvee naar EMQLWT en (jij) baarde (...) hen het kleinvee OQDIM gestippelde (mv) WÐLAIM
- 40.
- en de schapen (hij) is gescheiden Jakob en (hij) gaf aanzicht van het kleinvee naar OQD en alle hitte bij (het) kleinvee tot zoon en (hij) legde als kudden alleen hij noch dat onschuldige op kleinvee tot zoon
- 41.
- en (hij) is geweest in alle (hij) is bronstig geweest het kleinvee (is het zo) dat verbinden en naam [van] Jakob (tot) EMQLWT te bestuderen (...) mij het kleinvee BREÐIM LIHMNE BMQLWT
- 42.
- WBEOÐIP het kleinvee niet (hij) plaatste en (hij) is geweest EOÐPIM aan witte WEQSRIM aan Jakob
- 43.
- en (hij) brak door de man zeer zeer en wees als kleinvee twisten en slavinnen en slaven en kamelen en ezeldrijvers
Hoofdstuk 31
- 1.
- en (hij) hoorde toe (tot) spreek! bouw! tot zoon te spreken lering Jakob (tot) alle die aan vader (...) ons en bevestig(t) aan vader (...) ons (hij) heeft gedaan (tot) alle de lever deze
- 2.
- en gezien Jakob (tot) aanzicht van tot zoon en hier is hij is (er) niet met hem zoals gisteren eergisteren
- 3.
- en (hij) sprak Jahweh naar Jakob terugkeren naar land vaders-en (...) jou en aan vaderland (...) jou en (ik) was met jou
- 4.
- en (hij) zond weg Jakob en (hij) noemde aan Rachel en aan Lea het veld naar ga uit! (...) ons
- 5.
- en (hij) sprak aan hen (hij) heeft gezien ik (tot) aanzicht van vader (...) jullie dat hij is (er) niet naar mij als (zij) besneed eergisteren en mijn God vader (hij) is geweest met mij
- 6.
- en (ik) gaf (jullie) hebben geweten dat in alle zoals levende (ik) heb gewerkt (tot) vader (...) jullie
- 7.
- en vader (...) jullie ETL bij mij WEHLP (tot) MSKRTI tiental noem op! (...) hen noch (zij) hebben gegeven God aan het kwaad met mij
- 8.
- als zo (hij) sprak gestippelde (mv) (hij) was beloning (...) jou en helpt bij de geboorte! alle het kleinvee gestippelde (mv) en als zo (hij) sprak OQDIM (hij) was beloning (...) jou en helpt bij de geboorte! alle het kleinvee OQDIM
- 9.
- en (hij) redde God (tot) bezit vader (...) jullie en (hij) gaf aan mij
- 10.
- en wees bij (de) tijd (hij) is bronstig geweest het kleinvee en (ik) droeg bestudeer! en (ik) zag bij (de) droom en hier is de bokken de hoogtes op het kleinvee OQDIM gestippelde (mv) en hagel-en
- 11.
- en (hij) sprak naar mij boodschapper naar God bij (de) droom Jakob en woord hier ben ik
- 12.
- en (hij) sprak draag! toch ogen (...) jou en (hij) heeft gezien alle de bokken de hoogtes op het kleinvee OQDIM gestippelde (mv) en hagel-en dat (ik) heb gezien (tot) alle die tot zoon (hij) heeft gedaan aan jou
- 13.
- ik deze huis naar die (jij) hebt gezalfd daar monument die (jij) hebt gelofte afgelegd aan mij daar gelofte nu sta op! ga weg! vanuit het land (de) deze en terugkeren naar land vaderland (...) jou
- 14.
- en (zij) antwoordde Rachel en Lea en (jullie) spraken als is er nog? aan ons deel en erfgoed bij (het) huis (wij) hebben gewenst
- 15.
- immers vreemde (mv) (wij) berekenden (...) ons als dat (wij) hebben verkocht en (hij) at ook eten (tot) zilver (...) ons
- 16.
- dat alle de rijkdom die (hij) heeft gered God van vader (...) ons aan ons hij en aan zonen (...) ons en nu alle die woord God naar jou (hij) heeft gedaan
- 17.
- en (hij) stond op Jakob en (hij) droeg (tot) zonen (...) hem en (tot) vrouwen (...) hem op de kamelen
- 18.
- en (hij) bestuurde (tot) alle bezit (...) hem en (tot) alle RKSW die RKS bezit (wij) hebben gekocht die RKS BPDN Syrië te komen naar Izak vader (...) hem naar land Kanaän
- 19.
- en tot zoon beweging LCZZ (tot) ga uit! (...) ons WTCNB Rachel (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen die naar aan vader
- 20.
- WICNB Jakob (tot) hart tot zoon de Syriër op zonder (hij) heeft verteld als dat vlucht hij
- 21.
- en (hij) vluchtte hij en alle die als en (hij) stond op en (hij) ging voorbij (tot) de rivier en pas toe! (tot) aanzichten (...) hem heuvel het gedenkteken
- 22.
- en (hij) werd verteld aan witte bij (de) dag (de) derde dat vlucht Jakob
- 23.
- en (hij) nam (tot) broers (...) hem met hem en (hij) achtervolgden na hem weg zeven dagen en (hij) plakte (met) hem bij (de) heuvel het gedenkteken
- 24.
- en (hij) kwam God naar tot zoon de Syriër bij (hij) heeft gedroomd de nacht en (hij) sprak als (is het zo) dat bewaar! aan jou opdat niet (jij) sprak met Jakob van goede tot kwaad
- 25.
- WISC tot zoon (tot) Jakob en Jakob (hij) heeft geblazen (tot) tent (...) hem bij (de) heuvel en tot zoon (hij) heeft geblazen (tot) broers (...) hem bij (de) heuvel het gedenkteken
- 26.
- en (hij) sprak tot zoon aan Jakob wat? (jij) hebt gedaan WTCNB (tot) hart (...) mij WTNEC (tot) dochter (...) mij zoals gevangenschap zwaard
- 27.
- waarom NHBAT aan vlucht WTCNB (met) mij noch (jij) hebt verteld aan mij en (ik) zond weg (...) jou bij (de) vreugde en vlees-en BTP en bij (de) viool
- 28.
- noch (jullie) hebben verlaten (...) mij LNSQ aan zonen van en aan dochter (...) mij nu (is het zo) dat (jij) hebt verijdeld Ezau
- 29.
- er is tot God handen van te doen met jullie kwaad en mijn God vader (...) jullie AMS woord naar mij te spreken (is het zo) dat bewaar! aan jou woestijn met Jakob van goede tot kwaad
- 30.
- en nu beweging (jij) bent gegaan dat NKXP NKXPTE aan huis vader (...) jou waarom Genubat (tot) mijn God
- 31.
- en wegens Jakob en (hij) sprak aan witte dat (ik) heb gevreesd dat (ik) heb gesproken opdat niet TCZL (tot) bebouwingen (...) jou van volkeren van
- 32.
- met die (jij) vond (tot) jouw God niet (hij) leefde tegenover broers (...) ons herken! aan jou wat? met mij en neem! aan jou noch (hij) heeft geweten Jakob dat Rachel (jullie) hebben gestolen
- 33.
- en (hij) kwam tot zoon bij (de) tent Jakob en bij (de) tent Lea en bij (de) tent schering EAMET noch (hij) heeft gevonden en uitgaande van tent Lea en (hij) kwam bij (de) tent Rachel
- 34.
- en Rachel (zij) heeft genomen (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen en (zij) plaatste (...) hen trek voor! de kameel en (jij) woonde op hen WIMSS tot zoon (tot) alle de tent noch (hij) heeft gevonden
- 35.
- en (jij) sprak naar naar vader naar (hij) ontbrandde bij bestudeer! liggers van dat toch niet eet op te staan van aanzichten (...) jou dat weg worden verlaten aan mij WIHPS noch (hij) heeft gevonden (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen
- 36.
- en (hij) ontbrandde aan Jakob en (hij) vermeerderde bij (de) witte en wegens Jakob en (hij) sprak aan witte wat? misdrijf! wat? (ik) heb gezondigd dat DLQT na
- 37.
- dat MSST (tot) alle gereedschap wat? om uit te gaan van alle gereedschap huis (...) jou plaats! zo tegenover broer en broers (...) jou en (zij) bewezen tussen jaren (...) ons
- 38.
- dit twintig jaar ik met jou RHLIK en geiten (...) jou niet dat kunt! en rammen van kleinvee (...) jou niet (ik) heb gegeten
- 39.
- (zij) heeft verscheurd niet (ik) heb gebracht naar jou ik AHÐNE van handen van (jullie) zochten (ik) heb gestolen dag en (ik) heb gestolen nacht
- 40.
- (ik) ben geweest bij (de) dag (hij) heeft gegeten (...) mij zwaard en ijs bij (de) nacht WTDD jaar (...) mij bestudeer(t) (...) mij
- 41.
- dit aan mij twintig jaar bij (het) huis (...) jou (ik) heb gewerkt (...) jou vier tien jaar (ik) heb me geschaamd dochters (...) jou en zes twee bij (het) kleinvee (...) jou WTHLP (tot) MSKRTI tiental noem op! (...) hen
- 42.
- indien niet mijn God vader mijn God Abraham en angst Izak (hij) is geweest aan mij dat nu leegte (...) hen (jullie) hebben gezonden (...) mij (tot) armoede (...) mij en (tot) moeite zoals mond van (hij) heeft gezien God en (hij) werd bewezen AMS
- 43.
- en wegens tot zoon en (hij) sprak naar Jakob de dochters dochter (...) mij en de zonen bouw! en het kleinvee kleinvee (...) mij en alle die (met) haar (hij) heeft gezien aan mij hij en aan dochter (...) mij wat? (ik) werd gedaan aan deze vandaag of aan zonen (...) hen die helpt bij de geboorte!
- 44.
- en nu ga! (er)naar (zij) is afgehakt verbond ik en (met) haar en (hij) is geweest voor altijd tussen mij en tussen jou
- 45.
- en (hij) nam Jakob steen en (hij) tilde op (er)naar monument
- 46.
- en (hij) sprak Jakob aan broers (...) hem verzamelt! stenen en (zij) namen stenen en (zij) hebben gemaakt hoop en (zij) aten daar op de hoop
- 47.
- en (hij) noemde als tot zoon (hij) woonde SEDWTA en Jakob (hij) heeft genoemd als gedenkteken
- 48.
- en (hij) sprak tot zoon de hoop deze tot tussen mij en tussen jou vandaag op zo (hij) heeft genoemd zijn naam gedenkteken
- 49.
- en de uitkijkpunt die woord (hij) overtrok Jahweh tussen mij en tussen jou dat NXTR man van zijn vriend
- 50.
- als (jij) antwoordde (tot) dochter (...) mij en als (jij) nam worden verlaten op dochter (...) mij (er is) niet man met ons (hij) heeft gezien God tot tussen mij en tussen jou
- 51.
- en (hij) sprak tot zoon aan Jakob hier is de hoop deze en hier is de monument die (ik) heb geworpen tussen mij en tussen jou
- 52.
- tot de hoop deze en getuige de monument als ik niet (ik) trok door naar jou (tot) de hoop deze en als (met) haar niet (zij) ging voorbij naar mij (tot) de hoop deze en (tot) de monument (de) deze aan herder
- 53.
- mijn God Abraham en mijn God Nahor (zij) berechtten tussen ons mijn God vaders (...) hen en (hij) was verzadigd Jakob bij (de) angst vader (...) hem Izak
- 54.
- en (hij) slachtte Jakob slachting bij (de) heuvel en (hij) noemde aan broers (...) hem aan eten brood en (zij) aten brood en (zij) lieten overnachten bij (de) heuvel
Hoofdstuk 32
- 1.
- en jullie zijn er tot zoon bij (het) rundvee WINSQ aan zonen (...) hem en aan bebouwingen (...) hem en (hij) zegende ATEM en (hij) ging en inwoner tot zoon aan plaats (...) hem
- 2.
- en Jakob beweging aan weg (...) hem en (zij) troven bij hem boodschappers van God
- 3.
- en (hij) sprak Jakob zoals (hij) heeft gezien (...) hen kamp God dit en (hij) noemde daar de plaats dat kampen
- 4.
- en (hij) zond weg Jakob boodschappers voor hem naar Ezau broers (...) hem naar land bok veld Edom
- 5.
- en (hij) gaf opdracht (met) hen te spreken zo (jullie) spraken (...) hen aan liggers van aan Ezau zo woord slaaf (...) jou Jakob met tot zoon (ik) heb gewoond en andere tot nu
- 6.
- en wees aan mij os en ernstige kleinvee en slaaf en slavin en (ik) zond weg (er)naar te vertellen aan liggers van te vinden gratie bij (de) ogen (...) jou
- 7.
- en (zij) hebben gewoond de boodschappers naar Jakob te spreken (wij) zijn gekomen naar broers (...) jou naar Ezau en ook beweging jou tegemoet en vier honderd man met hem
- 8.
- en zal zien Jakob zeer en fabriceer! als WIHß (tot) het volk die (met) hem en (tot) het kleinvee en (tot) het rundvee en de kamelen aan tweede om te legeren
- 9.
- en (hij) sprak als invoer Ezau naar het kamp de één en (hij) heeft geslagen (...) hem en (hij) is geweest het kamp de geblevene naar aan vluchteling
- 10.
- en (hij) sprak Jakob mijn God vader Abraham en mijn God vader Izak Jahweh de woord naar mij terugkeren aan land (...) jou en aan vaderland (...) jou en (ik) deed goed (er)naar met jou
- 11.
- QÐNTI van alle de genade-en en van alle de waarheid die (jij) hebt gedaan (tot) slaaf (...) jou dat bij verlicht (...) mij (ik) ben voorbijgegaan (tot) de Jordaan deze en nu (ik) ben geweest aan tweede om te legeren
- 12.
- (hij) heeft gered (...) mij toch van hand broer van hand Ezau dat gezien ik (met) hem opdat niet invoer en bereid! als op zonen
- 13.
- en (met) haar (jij) hebt gesproken doe goed! (ik) deed goed met jou en (ik) heb geplaatst (tot) nakomelingen (...) jou zoals zand de zee die niet (hij) vertelde van meerderheid
- 14.
- en (hij) overnachtte daar bij (de) nacht dat en (hij) nam vanuit wat kwam bij (hij) bedankte geschenk aan Ezau broers (...) hem
- 15.
- geiten honderd paar en (jij) werd verlaten (...) hen twintig RHLIM honderd paar en rammen twintig
- 16.
- kamelen MINIQWT en zonen (...) hen dertig vruchten veertig en stieren tien ATNT twintig en stad (...) hen tien
- 17.
- en (hij) gaf bij (de) hand slaven (...) hem kudde kudde alleen hij en (hij) sprak naar slaven (...) hem (zij) zijn voorbijgegaan voor en wind (jullie) plaatsten tussen kudde en tussen kudde
- 18.
- en (hij) gaf opdracht (tot) (de) eerste te spreken dat (hij) ontmoette (...) jou Ezau broer en (hij) heeft gevraagd (...) jou te spreken aan water van (met) haar en waarheen? (jij) ging en aan water van deze voor jou
- 19.
- en (jij) hebt gesproken te bewerken (...) jou aan Jakob geschenk hij zend! (er)naar aan liggers van aan Ezau en hier is ook hij na ons
- 20.
- en (hij) gaf opdracht ook (tot) (de) tweede ook (tot) (de) derde ook (tot) alle de voorbijgangers na de kudden te spreken zoals woord deze (jullie) spraken (...) hen naar Ezau bij (hij) heeft gevonden (...) jullie (met) hem
- 21.
- en (jullie) hebben gesproken ook hier is slaaf (...) jou Jakob na ons dat woord (ik) verzoende (er)naar aanzichten (...) hem bij (het) geschenk (is het zo) dat (jij) bent gegaan voor en na zo (ik) liet zien aanzichten (...) hem misschien (hij) droeg aanzicht van
- 22.
- en (zij) ging voorbij het geschenk op aanzichten (...) hem en hij (hij) heeft overnacht bij (de) nacht dat bij (het) kamp
- 23.
- en (hij) stond op bij (de) nacht hij en (hij) nam (tot) schering vrouwen (...) hem en (tot) schering slavinnen (...) hem en (tot) één rijkdom kinderen (...) hem en (hij) ging voorbij (tot) trek(t) door IBQ
- 24.
- en (hij) nam (...) hen en (hij) ging voorbij (...) hen (tot) de wadi en (hij) ging voorbij (tot) die als
- 25.
- en meer Jakob alleen hij WIABQ man met hem tot beklimmingen (de) zwarte
- 26.
- en gezien dat niet (hij) heeft gekund als en vermoeide bij (de) lepel heup (...) hem en (hij) heeft geblazen lepel heup Jakob BEABQW met hem
- 27.
- en (hij) sprak (hij) mij gezonden dat blad (de) zwarte en (hij) sprak niet (ik) zond weg (...) jou dat als (jullie) hebben gezegend (...) mij
- 28.
- en (hij) sprak naar hem wat? naam (...) jou en (hij) sprak Jakob
- 29.
- en (hij) sprak niet Jakob (hij) sprak nog (eens) naam (...) jou dat als Israël dat (jij) hebt ingeweekt met God en met mensen en je zult kunnen
- 30.
- en (hij) vroeg Jakob en (hij) sprak (zij) heeft verteld toch naam (...) jou en (hij) sprak waarom dit (jij) vroeg aan namen van en (hij) zegende (met) hem daar
- 31.
- en (hij) noemde Jakob daar de plaats PNIAL dat (ik) heb gezien God aanzicht naar aanzicht WTNßL ziel (...) mij
- 32.
- WIZRH als de zon zoals kant (tot) Pnuel en hij rib op heup (...) hem
- 33.
- op zo niet (zij) aten bouw! Israël (tot) CID (is het zo) dat (zij) is verlaten die op lepel de heup tot vandaag deze dat plaag bij (de) lepel heup Jakob BCID (is het zo) dat (zij) is verlaten
Hoofdstuk 33
- 1.
- en (hij) droeg Jakob ogen (...) hem en gezien en hier is Ezau (hij) is gekomen en met hem vier honderd man WIHß (tot) de kinderen op Lea en op Rachel en op schering de slavinnen
- 2.
- en pas toe! (tot) de slavinnen en (tot) kinderen (...) hen in de eerste plaats en (tot) Lea en help bij de geboorte! (er)naar laatste (mv) en (tot) Rachel en (tot) Jozef laatste (mv)
- 3.
- en hij kant voor hen en (hij) boog zich diep naar land zeven twee keer tot CSTW tot broers (...) hem
- 4.
- en (hij) rende Ezau hem tegemoet en (zij) omarmden (...) hem en (hij) liet vallen op hals (...) hem en (hij) gaf te drinken (...) hem en (zij) weenden
- 5.
- en (hij) droeg (tot) ogen (...) hem en gezien (tot) (is het zo) dat worden verlaten en (tot) de kinderen en (hij) sprak water van deze aan jou en (hij) sprak de kinderen die (hij) heeft gratie verleend God (tot) slaaf (...) jou
- 6.
- en (jij) naderde (...) hen de slavinnen hier is en kinderen (...) hen en (jij) boog je diep (...) hen
- 7.
- en (jij) naderde ook Lea en help bij de geboorte! (er)naar en (zij) bogen zich diep en andere (wij) naderden Jozef en Rachel en (zij) bogen zich diep
- 8.
- en (hij) sprak water van aan jou alle het kamp deze die (ik) heb ontmoet en (hij) sprak te vinden gratie bij bestudeer! liggers van
- 9.
- en (hij) sprak Ezau er is aan mij meerderheid broer wees aan jou die aan jou
- 10.
- en (hij) sprak Jakob naar toch als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou en (jij) hebt genomen geschenk (...) mij van handen van dat op zo (ik) heb gezien aanzichten (...) jou KRAT aanzicht van God en (zij) rende (...) mij
- 11.
- neem! toch (tot) (ik) heb gezegend die (jij) hebt gebracht aan jou dat Hanani God en dat er is aan mij alle WIPßR bij hem en (hij) nam
- 12.
- en (hij) sprak (zij) heeft gereisd en (wij) gingen (er)naar en (ik) ging (er)naar tegen jou
- 13.
- en (hij) sprak naar hem liggers van (hij) heeft geweten dat de kinderen zachtheden en het kleinvee en het rundvee beklimmingen op mij WDPQWM dag één en (zij) zijn gestorven alle het kleinvee
- 14.
- (hij) ging voorbij toch liggers van voor (zij) hebben gewerkt en ik ATNELE LAÐI aan voet het handwerk die voor en aan voet de kinderen tot die (ik) profeteerde naar liggers van dat (hij) heeft blootgelegd
- 15.
- en (hij) sprak Ezau AßICE toch met jou vanuit het volk die (met) mij en (hij) sprak waarom dit (ik) vond gratie bij bestudeer! liggers van
- 16.
- en inwoner bij (de) dag dat Ezau aan weg (...) hem dat (hij) heeft blootgelegd
- 17.
- en Jakob (hij) heeft gereisd hut (...) haar en (hij) bouwde als huis en aan bezit (...) hem (hij) heeft gedaan hut van op zo (hij) heeft genoemd daar de plaats hutten
- 18.
- en (hij) kwam Jakob gehele stad schouder die bij (het) land Kanaän bij (het) komen MPDN Syrië en (hij) legerde (tot) aanzicht van (hij) heeft opgemerkt
- 19.
- en (hij) kocht (tot) perceel van het veld die (wij) bogen om daar tent (...) hem van hand bouw! ernstige vader schouder bij honderd QSIÐE
- 20.
- en zet vast! daar altaar en (hij) noemde als naar mijn God Israël
Hoofdstuk 34
- 1.
- en (jij) ging uit Dina dochter Lea die (zij) heeft gebaard aan Jakob te zien bij (de) dochters het land
- 2.
- en gezien (met) haar schouder zoon ernstige de Heviet vorst het land en (hij) nam (met) haar en (hij) lag neer (met) haar en (hij) antwoordde
- 3.
- en (zij) plakte ziel (...) hem bij Dina dochter Jakob en (hij) had lief (tot) de jeugd en (hij) sprak op hart de jeugd
- 4.
- en (hij) sprak schouder naar ernstige vader (...) hem te spreken neem! aan mij (tot) (is het zo) dat (zij) heeft gebaard (de) deze aan vrouw
- 5.
- en Jakob nieuws dat onreine (tot) Dina dochter (...) hem en zonen (...) hem (zij) zijn geweest (tot) bezit (...) hem bij (het) veld en (de) stille Jakob tot bij (de) moeder
- 6.
- en uitgaande ernstige vader schouder naar Jakob te spreken (met) hem
- 7.
- en bouw! Jakob (zij) zijn gekomen vanuit het veld zoals nieuws (...) hen WITOßBW de mensen en (hij) ontbrandde aan hen zeer dat kadaver (hij) heeft gedaan bij Israël neer te liggen (tot) dochter Jakob en zo niet (zij) heeft gemaakt
- 8.
- en (hij) sprak ernstige (met) hen te spreken schouder bouw! (zij) heeft begeerd ziel (...) hem bij (de) dochter (...) jullie geeft! toch (met) haar als aan vrouw
- 9.
- WETHTNW (met) ons dochters (...) jullie (jullie) gaven aan ons en (tot) dochters (...) ons (jullie) namen aan jullie
- 10.
- en (met) ons (jullie) woonden en het land (jij) was voor jullie woont! WXHRWE WEAHZW bij haar
- 11.
- en (hij) sprak schouder naar naar vader en naar (ik) leefde (ik) vond gratie bij (de) ogen (...) jullie en die (jullie) spraken naar mij (met) hen
- 12.
- (zij) hebben vermeerderd op mij zeer vlugge en lenden en (ik) gaf zoals (jullie) spraken naar mij en geeft! aan mij (tot) de jeugd aan vrouw
- 13.
- en (zij) antwoordden bouw! Jakob (tot) schouder en (tot) ernstige vader (...) hem bij (de) bedrog en (zij) spraken die onreine (tot) Dina één (...) hen
- 14.
- en (zij) spraken naar hen niet (wij) zullen kunnen te doen het woord deze te geven (tot) eerste (...) ons aan man die als voorhuid dat schande hij aan ons
- 15.
- maar bij deze passende aan jullie als (jullie) waren (wij) zijn opgestaan LEML aan jullie alle man
- 16.
- en (zij) hebben gegeven (tot) dochters (...) ons aan jullie en (tot) dochters (...) jullie (wij) namen aan ons en (wij) hebben gewoond (met) jullie en (wij) zijn geweest aan volk één
- 17.
- en als niet (jullie) hoorden toe naar ons LEMWL en (wij) hebben genomen (tot) bij geeft! en (wij) zijn gegaan
- 18.
- en (zij) waren goed woorden (...) hen bij bestudeer! ernstige en bij (de) ogen van schouder zoon ernstige
- 19.
- noch andere de jeugd te doen het woord dat wens bij (de) dochter Jakob en hij belangrijke van alle huis vader (...) hem
- 20.
- en (hij) kwam ernstige en schouder bij ons naar poort stad (...) hen en (zij) spraken naar mens (...) mij stad (...) hen te spreken
- 21.
- de mensen (de) deze vergoedingen zij (met) ons en (zij) hebben gewoond bij (het) land WIXHRW (met) haar en het land hier is (jij) bent breder geworden handen voor hen (tot) dochters (...) hen (wij) namen aan ons aan vrouwen en (tot) dochters (...) ons (hij) heeft gegeven aan hen
- 22.
- maar bij deze IATW aan ons de mensen te wonen (met) ons te zijn aan volk één BEMWL aan ons alle man zoals zij NMLIM
- 23.
- bezit (...) hen WQNINM en alle beesten (...) hen immers aan ons zij maar (zij) heeft toegestemd aan hen en (zij) hebben gewoond (met) ons
- 24.
- en (zij) hoorden toe naar ernstige en naar schouder bij ons alle voer uit! poort (zij) hebben blootgelegd en (hij) besneed (...) hem alle man alle voer uit! poort (zij) hebben blootgelegd
- 25.
- en wees bij (de) dag (de) derde bij te zijn (...) hen zoals vader (...) hen en (zij) namen tweede bouw! Jakob Simeon en Levi broer Dina man (zij) zijn vernield en voert in! op (hij) heeft opgemerkt veiligheid en (zij) doodden alle man
- 26.
- en (tot) ernstige en (tot) schouder bij ons (zij) hebben gedood aan mond van zwaard en (zij) namen (tot) Dina van huis schouder en voert uit!
- 27.
- bouw! Jakob (zij) zijn gekomen op de doden en (zij) minachtten (hij) heeft opgemerkt die verklaart onrein! zus (...) hen
- 28.
- (tot) kleinvee (...) hen en (tot) rundvee (...) hen en (tot) ezeldrijvers (...) hen en (tot) die bij (de) stad en (tot) die bij (het) veld (zij) hebben genomen
- 29.
- en (tot) alle macht (...) hen en (tot) alle kleine kinderen (...) hen en (tot) vrouwen (...) hen woont! en (zij) minachtten en (tot) alle die bij (het) huis
- 30.
- en (hij) sprak Jakob naar Simeon en naar Levi OKRTM (met) mij LEBAISNI bij (de) inwoner het land bij (de) Kanaänitische en bij (de) Fereziet en ik wanneer? getal en (wij) verzamelden (...) hem op mij en (zij) hebben geslagen (...) mij WNSMDTI ik en huis-en van
- 31.
- en (zij) spraken EKZWNE (zij) heeft gemaakt (tot) zus (...) ons
Hoofdstuk 35
- 1.
- en (hij) sprak God naar Jakob sta op! blad huis naar en woon! daar en (hij) heeft gedaan daar altaar tot God (is het zo) dat (wij) lieten zien naar jou bij (de) vlucht (...) jou van aanzicht van Ezau broers (...) jou
- 2.
- en (hij) sprak Jakob naar huis (...) hem en naar alle die met hem (is het zo) dat (zij) zijn afgeweken (tot) mijn God het vreemde land die temidden van jullie en (zij) hebben zich gezuiverd WEHLIPW jurken (...) jullie
- 3.
- en (wij) wraakten (er)naar en (wij) verhieven huis naar en (ik) werd gedaan daar altaar tot God (is het zo) dat (hij) heeft geantwoord (met) mij bij (de) dag ellende (...) mij en wees met mij bij (de) weg die (ik) ben gegaan
- 4.
- en (zij) gaven naar Jakob (tot) alle mijn God het vreemde land die bij (hij) leek en (tot) de neusringen die bij (de) oren (...) hen en (hij) verborg (met) hen Jakob in de plaats van (de) deze die met schouder
- 5.
- en (zij) reisden en wees HTT God op de steden die XBIBWTIEM noch (zij) hebben achtervolgd na bouw! Jakob
- 6.
- en (hij) kwam Jakob LWZE die bij (het) land Kanaän hij huis naar hij en alle het volk die met hem
- 7.
- en (hij) bouwde daar altaar en (hij) noemde aan plaats naar huis naar dat daar NCLW naar hem naar God bij (zij) zijn gevlucht van aanzicht van broers (...) hem
- 8.
- en (zij) stierf woord MINQT Rebekka en (zij) begroef onder vandaan aan huis naar in de plaats van de eik en (hij) noemde zijn naam eik BKWT
- 9.
- en gezien God naar Jakob nog (eens) bij (het) komen MPDN Syrië en (hij) zegende (met) hem
- 10.
- en (hij) sprak als God naam (...) jou Jakob niet (hij) noemde naam (...) jou nog (eens) Jakob dat als Israël (hij) was naam (...) jou en (hij) noemde (tot) zijn naam Israël
- 11.
- en (hij) sprak als God ik naar Sjadai koe en veelheid volk en menigte volken (hij) was (van)uit jou en koningen MHLßIK voert uit!
- 12.
- en (tot) het land die (ik) heb gegeven aan Abraham en aan Izak aan jou (ik) zal geven en aan nakomelingen (...) jou na jou (met) hen (tot) het land
- 13.
- en (hij) verhief ontvreemd! (...) hem God bij (de) plaats die woord (met) hem
- 14.
- en zet vast! Jakob monument bij (de) plaats die woord (met) hem monument van steen en (hij) goot uit op haar uitgieting en (hij) heeft uitgegoten op haar olie
- 15.
- en (hij) noemde Jakob (tot) daar de plaats die woord (met) hem daar God huis naar
- 16.
- en (zij) reisden van huis naar en wees nog (eens) een stuk van het land te komen Efrath en (jij) baarde Rachel en (zij) werd hard BLDTE
- 17.
- en wees BEQSTE BLDTE en (jij) sprak aan haar (is het zo) dat help(t) bij de geboorte naar (jij) vreesde dat ook dit aan jou zoon
- 18.
- en wees bij uit te gaan (wij) verbreidden ons dat (zij) is gestorven en (jij) noemde zijn naam zoon krachten van en vader (...) hem (hij) heeft genoemd als Benjamin
- 19.
- en (zij) stierf Rachel en (zij) begroef bij (de) weg Efrath hij huis brood
- 20.
- en zet vast! Jakob monument op (jij) hebt begraven (er)naar hij monument van (jij) hebt begraven Rachel tot vandaag
- 21.
- en (hij) reisde Israël en (hij) neeg naar tent MELAE tot van grootheid kudde
- 22.
- en wees bij (de) buurman Israël bij (het) land dat en (hij) ging Ruben en (hij) lag neer (tot) panische angst bijvrouw vader (...) hem en (hij) hoorde toe Israël en (zij) waren bouw! Jakob twee rijkdom
- 23.
- bouw! Lea eerstgeborene Jakob Ruben en Simeon en Levi en Juda en Issaschar en Zebulon
- 24.
- bouw! Rachel Jozef en Benjamin
- 25.
- en bouw! panische angst dat (hij) is minder geworden Rachel Dan en Nafthali
- 26.
- en bouw! Zilpa dat (hij) is minder geworden Lea Gad en die deze bouw! Jakob die kind als BPDN Syrië
- 27.
- en (hij) kwam Jakob naar Izak vader (...) hem Mamre Stad van de vier hij Hebron die vreemdeling daar Abraham en Izak
- 28.
- en (zij) waren dagen van Izak honderd jaar en tachtig jaar
- 29.
- en (hij) stierf Izak en (hij) stierf en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem baard en zeven dagen en (zij) begroeven (met) hem Ezau en Jakob zonen (...) hem
Hoofdstuk 36
- 1.
- en deze nakomelingen Ezau hij Edom
- 2.
- Ezau lering (tot) vrouwen (...) hem om te bouwen Kanaän (tot) getuige dochter Elon de angsten van en (tot) Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord dochter ßBOWN de Heviet
- 3.
- en (tot) bij (jij) hebt geplaatst dochter Ismaël zus NBIWT
- 4.
- en (jij) baarde getuige aan Ezau (tot) Elifaz en bij (de) haar naam van (zij) heeft gebaard (tot) Rehuël
- 5.
- en Aholibama (zij) heeft gebaard (tot) IOIS en (tot) (hij) verhief (...) hen en (tot) ijs deze bouw! Ezau die helpt bij de geboorte! als bij (het) land Kanaän
- 6.
- en (hij) nam Ezau (tot) vrouwen (...) hem en (tot) zonen (...) hem en (tot) dochters (...) hem en (tot) alle zielen huis (...) hem en (tot) bezit (...) hem en (tot) alle vee (...) hem en (tot) alle (wij) hebben gekocht die RKS bij (het) land Kanaän en (hij) ging naar land van aanzicht van Jakob broers (...) hem
- 7.
- dat (hij) is geweest RKWSM meerderheid om te wonen samen noch (zij) heeft gekund land MCWRIEM te dragen (met) hen van aanzicht van van nesten (...) hen
- 8.
- en inwoner Ezau bij (de) heuvel bok Ezau hij Edom
- 9.
- en deze nakomelingen Ezau vader Edom bij (de) heuvel bok
- 10.
- deze namen bouw! Ezau Elifaz zoon getuige vuur van Ezau Rehuël zoon bij (jij) hebt geplaatst vuur van Ezau
- 11.
- en (zij) waren bouw! Elifaz Zuiden spreek(t) (zij) hebben uitgekeken en (jullie) zijn gestorven en Kenaz
- 12.
- en (jij) hield terug (zij) is geweest bijvrouw aan Elifaz zoon Ezau en (jij) baarde aan Elifaz (tot) Amelek deze bouw! getuige vuur van Ezau
- 13.
- en deze bouw! Rehuël (hij) is geland en glans daarnaar (-s) en hiervandaan deze (zij) zijn geweest bouw! bij (jij) hebt geplaatst vuur van Ezau
- 14.
- en deze (zij) zijn geweest bouw! Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord dochter ßBOWN vuur van Ezau en (jij) baarde aan Ezau (tot) IOIS en (tot) (hij) verhief (...) hen en (tot) ijs
- 15.
- deze aanvoerders van bouw! Ezau bouw! Elifaz eerstgeborene Ezau aanvoerder Zuiden aanvoerder spreek(t) aanvoerder (zij) hebben uitgekeken aanvoerder Kenaz
- 16.
- aanvoerder ijs aanvoerder (jullie) zijn gestorven aanvoerder Amelek deze aanvoerders van Elifaz bij (het) land Edom deze bouw! getuige
- 17.
- en deze bouw! Rehuël zoon Ezau aanvoerder (hij) is geland aanvoerder glans aanvoerder daarnaar (-s) aanvoerder hiervandaan deze aanvoerders van Rehuël bij (het) land Edom deze bouw! bij (jij) hebt geplaatst vuur van Ezau
- 18.
- en deze bouw! Aholibama vuur van Ezau aanvoerder IOWS aanvoerder (hij) verhief (...) hen aanvoerder ijs deze aanvoerders van Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord vuur van Ezau
- 19.
- deze bouw! Ezau en deze aanvoerders (...) hen hij Edom
- 20.
- deze bouw! bok (is het zo) dat ontbrand! inwoners van het land Lotan en Sobal WßBOWN en (hij) heeft geantwoord
- 21.
- WDSWN en berging en (hij) heeft bemest deze aanvoerders van (is het zo) dat ontbrand! bouw! bok bij (het) land Edom
- 22.
- en (zij) waren bouw! Lotan ontbrand! en de dag (...) hen en zus Lotan (jij) hield terug
- 23.
- en deze bouw! Sobal (zij) zijn opgegaan (...) hen en geschenk van en Ebal SPW en kracht (...) hen
- 24.
- en deze bouw! ßBOWN en waar? en (hij) heeft geantwoord hij (hij) heeft geantwoord die (hij) heeft gevonden (tot) de dag (...) hen bij (de) woestijn bij (de) medemens (...) hem (tot) de ezeldrijvers LßBOWN vader (...) hem
- 25.
- en deze bouw! (hij) heeft geantwoord vette en Aholibama dochter (hij) heeft geantwoord
- 26.
- en deze bouw! (hij) heeft bemest (hij) heeft begeerd (...) hen en (ik) woonde (...) hen en rest (...) hen en veld (...) hen
- 27.
- deze bouw! berging echtgenoten (...) hen WZOWN WOQN
- 28.
- deze bouw! (hij) heeft bemest Uz en ark
- 29.
- deze aanvoerders van (is het zo) dat ontbrand! aanvoerder Lotan aanvoerder Sobal aanvoerder ßBOWN aanvoerder (hij) heeft geantwoord
- 30.
- aanvoerder vette aanvoerder berging aanvoerder (hij) heeft bemest deze aanvoerders van (is het zo) dat ontbrand! LALPIEM bij (het) land bok
- 31.
- en deze de koningen die (zij) hebben geheerst bij (het) land Edom voor koning koning aan zonen van Israël
- 32.
- en (hij) heerste bij Edom slechtheid zoon bij (de) huid en naam [van] (zij) hebben blootgelegd DNEBE
- 33.
- en (hij) stierf slechtheid en (hij) heerste in de plaats van hem Jobab zoon glans versterkte
- 34.
- en (hij) stierf Jobab en (hij) heerste in de plaats van hem (hij) heeft zich gehaast (...) hen van land de Themaniet
- 35.
- en (hij) stierf (hij) heeft zich gehaast (...) hen en (hij) heerste in de plaats van hem Hadad zoon eenzame (de) geslagen (tot) Midian bij (het) veld Moab en naam [van] (zij) hebben blootgelegd OWIT
- 36.
- en (hij) stierf Hadad en (hij) heerste in de plaats van hem jurk MMSRQE
- 37.
- en (hij) stierf jurk en (hij) heerste in de plaats van hem dodenrijk van pleinen de rivier
- 38.
- en (hij) stierf dodenrijk en (hij) heerste in de plaats van hem echtgenoot (hij) heeft gratie verleend zoon Achbor
- 39.
- en (hij) stierf echtgenoot (hij) heeft gratie verleend zoon Achbor en (hij) heerste in de plaats van hem pracht en naam [van] (zij) hebben blootgelegd POW en naam [van] vuur (...) hem MEIÐBAL dochter MÐRD dochter water van goud
- 40.
- en deze namen aanvoerders van Ezau aan families (...) hen LMQMTM bij (jullie) hebben geplaatst aanvoerder (jij) hield terug aanvoerder gebladerdte aanvoerder ITT
- 41.
- aanvoerder Aholibama aanvoerder deze aanvoerder PINN
- 42.
- aanvoerder Kenaz aanvoerder Zuiden aanvoerder versterkte
- 43.
- aanvoerder MCDIAL aanvoerder stad (...) hen deze aanvoerders van Edom tot van sabbat (...) hen bij (het) land (jullie) hebben gegrepen hij Ezau vader Edom
Hoofdstuk 37
- 1.
- en inwoner Jakob bij (het) land om te wonen (...) mij vader (...) hem bij (het) land Kanaän
- 2.
- deze nakomelingen Jakob Jozef zoon zeven tien jaar (hij) is geweest herder (tot) broers (...) hem bij (het) kleinvee en hij jeugd (tot) bouw! panische angst en (tot) bouw! Zilpa vrouwen van vader (...) hem en (hij) kwam Jozef (tot) lasterpraat (...) hen herder naar vaders (...) hen
- 3.
- en Israël (hij) heeft liefgehad (tot) Jozef van alle zonen (...) hem dat zoon baarden hij als en (hij) heeft gedaan als hemd strepen
- 4.
- en (zij) lieten zien broers (...) hem dat (met) hem (hij) heeft liefgehad vaders (...) hen van alle broers (...) hem en (zij) haatten (met) hem noch (zij) hebben gekund spreekt! te betalen
- 5.
- en (hij) droomde Jozef droom en (hij) werd verteld aan broers (...) hem en (zij) lieten toevoegen nog (eens) (hij) heeft gehaat (met) hem
- 6.
- en (hij) sprak naar hen (zij) hebben toegehoord toch de droom deze die (ik) heb gedroomd
- 7.
- en hier is wij van stomme (mv) stomme (mv) binnen het veld en hier is (zij) is opgestaan ALMTI en ook naar heft en hier is (jij) legde opzij (...) haar ALMTIKM en (jij) boog je diep (...) hen LALMTI
- 8.
- en (zij) spraken als broers (...) hem kroon! (zij) heerste op ons als heers! (zij) heerste bij ons en (zij) lieten toevoegen nog (eens) (hij) heeft gehaat (met) hem op (ik) heb gedroomd (...) hem en op woorden (...) hem
- 9.
- en (hij) droomde nog (eens) droom andere en (hij) vertelde (met) hem aan broers (...) hem en (hij) sprak hier is (ik) heb gedroomd droom nog (eens) en hier is de zon en de maan en één rijkdom sterren buigen zich diep aan mij
- 10.
- en (hij) vertelde naar vader (...) hem en naar broers (...) hem en (hij) bestrafte bij hem vader (...) hem en (hij) sprak als wat? de droom deze die (jij) hebt gedroomd de komst (wij) kwamen ik en moeder (...) jou en broers (...) jou zich diep te buigen aan jou naar land
- 11.
- en (zij) waren jaloers bij hem broers (...) hem en vader (...) hem bewaar! (tot) het woord
- 12.
- en (zij) gingen broers (...) hem te achtervolgen (tot) kleinvee vaders (...) hen bij (de) schouder
- 13.
- en (hij) sprak Israël naar Jozef immers broers (...) jou kwaden bij (de) schouder ga! (er)naar en (ik) zond weg (...) jou naar hen en (hij) sprak als hier ben ik
- 14.
- en (hij) sprak als aan jou toch (hij) heeft gezien (tot) vrede broers (...) jou en (tot) vrede het kleinvee en geef terug! (...) mij woord en (zij) zondden weg (...) hem van diepte Hebron en (hij) kwam dat (zij) is opgestaan
- 15.
- en (zij) vondden (...) hem man en hier is (hij) is verkeerd gelopen bij (het) veld WISALEW de man te spreken wat? (jij) zocht
- 16.
- en (hij) sprak (tot) broer ik zoek(t) (zij) heeft verteld toch aan mij (ik) was mooi zij kwaden
- 17.
- en (hij) sprak de man (zij) hebben gereisd hiervandaan dat (ik) heb toegehoord woorden (wij) gingen (er)naar DTINE en (hij) ging Jozef andere broers (...) hem en (hij) vond (...) hen bij (de) wet (...) hen
- 18.
- en (zij) lieten zien (met) hem afstand en voordat (hij) bracht nader naar hen WITNKLW (met) hem te doden (...) hem
- 19.
- en (zij) spraken man naar broers (...) hem hier is echtgenoot de dromen ELZE (hij) is gekomen
- 20.
- en nu ga(a)t! WNERCEW WNSLKEW bij één (de) zuivere (mv) en (wij) hebben gesproken dier herder AKLTEW en (wij) lieten zien wat? (zij) waren (ik) heb gedroomd (...) hem
- 21.
- en (hij) hoorde toe Ruben WIßLEW van hand (...) hen en (hij) sprak niet (wij) bereidden (...) hem ziel
- 22.
- en (hij) sprak naar hen Ruben naar (jullie) stortten bloed (zij) hebben afgeworpen (met) hem naar de put deze die bij (de) woestijn en hand naar (jullie) zondden weg bij hem opdat (hij) heeft gered (met) hem van hand (...) hen terug te geven (...) hem naar vader (...) hem
- 23.
- en wees zoals (hij) is gekomen Jozef naar broers (...) hem WIPSIÐW (tot) Jozef (tot) katoen (...) hem (tot) hemd de strepen die op hem
- 24.
- en (zij) namen (...) hem en (zij) gingen neer (met) hem naar het graan en de put lege (er is) niet bij hem water
- 25.
- en (zij) hebben gewoond aan eten brood en (zij) droegen ogen (...) hen en (zij) lieten zien en hier is (jij) hebt gastvrijheid verleend ISMOALIM kom(t) van gedenkteken en kamelen (...) hen dragers NKAT en schep! WLÐ gaan LEWRID naar Egypte
- 26.
- en (hij) sprak Juda naar broers (...) hem wat? voordeel dat NERC (tot) broers (...) ons en (wij) hebben bedekt (tot) (zij) hebben geleken
- 27.
- ga(a)t! WNMKRNW LISMOALIM en hand (...) ons naar (zij) was bij hem dat broers (...) ons bij (wij) hebben gezongen hij en (zij) hoorden toe broers (...) hem
- 28.
- en (zij) gingen voorbij mensen van rechten XHRIM en (zij) troken en (zij) verhieven (tot) Jozef vanuit de put en (zij) verkochten (tot) Jozef LISMOALIM bij twintig zilver en (zij) brachten (tot) Jozef naar Egypte
- 29.
- en inwoner Ruben naar de put en hier is (er is) niet Jozef bij (de) put en (hij) scheurde (tot) kledingstukken (...) hem
- 30.
- en inwoner naar broers (...) hem en (hij) sprak het kind hij is (er) niet en ik waarheen? ik (hij) is gekomen
- 31.
- en (zij) namen (tot) hemd Jozef en (zij) slachtten bok geiten en (zij) doopten (tot) de hemd bij (het) bloed
- 32.
- en (zij) zondden weg (tot) hemd de strepen en (zij) brachten naar vaders (...) hen en (zij) spraken deze (wij) hebben gevonden herken! toch de hemd zoon (...) jou hij als niet
- 33.
- en (hij) herkende (er)naar en (hij) sprak hemd bouw! dier herder AKLTEW prooi prooi Jozef
- 34.
- en (hij) scheurde Jakob jurken (...) hem en pas toe! zak bij (de) lendenen (...) hem en (hij) rouwde op bij ons dagen twisten
- 35.
- en (zij) wraakten alle zonen (...) hem en alle dochters (...) hem te troosten (...) hem en (hij) weigerde LETNHM en (hij) sprak dat (ik) daalde naar bouw! rouw vraag en (hij) weende (met) hem vader (...) hem
- 36.
- WEMDNIM (zij) hebben verkocht (met) hem naar Egypte LPWÐIPR hoveling farao aanvoerder de slagers
Hoofdstuk 38
- 1.
- en wees bij (de) tijd dat en (hij) is gedaald Juda honderd broers (...) hem en (hij) neeg tot man ODLMI en zijn naam HIRE
- 2.
- en gezien daar Juda dochter man Kanaänitische en zijn naam schreeuw om hulp! en (hij) nam (er)naar en (hij) kwam vetstaart
- 3.
- en (zij) werd zwanger en (jij) baarde zoon en (hij) noemde (tot) zijn naam wakkere
- 4.
- en (zij) werd zwanger nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) noemde (tot) zijn naam kracht (...) hen
- 5.
- en (jij) voegde toe nog (eens) en (jij) baarde zoon en (jij) noemde (tot) zijn naam Sela en (hij) is geweest BKZIB BLDTE (met) hem
- 6.
- en (hij) nam Juda vrouw aan wakkere eerstgeborene (...) hem en daarnaar (-s) dadel
- 7.
- en wees wakkere eerstgeborene Juda kwaad bij bestudeer! Jahweh en (zij) stierven (...) hem Jahweh
- 8.
- en (hij) sprak Juda aan kracht (...) hen (hij) is gekomen naar vuur van broers (...) jou WIBM (met) haar en vestig! nakomelingen aan broers (...) jou
- 9.
- en (hij) heeft geweten kracht (...) hen dat niet als (hij) was de nakomelingen en (hij) is geweest als (hij) is gekomen naar vuur van broers (...) hem en kuil naar land opdat niet (hij) heeft gegeven nakomelingen aan broers (...) hem
- 10.
- en (hij) achtervolgde bij bestudeer! Jahweh die (hij) heeft gedaan en (hij) stierf ook (met) hem
- 11.
- en (hij) sprak Juda op te rijzen schoondochter (...) hem gevangenschap weduwe huis vader (...) jou tot (hij) groeide Sela bouw! dat woord opdat niet (hij) stierf ook hij zoals broers (...) hem en (jij) ging dadel en (jij) woonde huis naar vader
- 12.
- en (zij) vermeerderden de dagen en (zij) stierf dochter schreeuw om hulp! vuur van Juda en (hij) troostte Juda en (hij) verhief op CZZI ga uit! (...) ons hij WHIRE zijn vriend EODLMI naar Timna
- 13.
- en (hij) werd verteld op te rijzen te spreken hier is schoonvaders (...) jou blad naar Timna LCZ ga uit! (...) ons
- 14.
- en (zij) week af bij (het) bokje ALMNWTE van opgang en (zij) bedekte BßOIP WTTOLP en (jij) woonde bij (de) opening ogen die op weg naar Timna dat (zij) heeft gezien dat grootheid Sela en hij niet (zij) heeft gegeven als aan vrouw
- 15.
- en vrees Juda en (hij) berekende (er)naar te onderhouden (er)naar dat (zij) heeft bedekt naar aanzicht van
- 16.
- en (hij) neeg vetstaart naar de weg en (hij) sprak vooruit! toch (ik) kwam naar jou dat niet (hij) heeft geweten dat schoondochter (...) hem hij en (jij) sprak wat? te geven (...) hen aan mij dat (jij) kwam naar mij
- 17.
- en (hij) sprak ik (ik) zond weg bokje geiten vanuit het kleinvee en (jij) sprak als te geven (...) hen (zij) zijn aangenaam geweest (...) hen tot wapen (...) jou
- 18.
- en (hij) sprak wat? (is het zo) dat (zij) zijn aangenaam geweest (...) hen die (met) hen aan jou en (jij) sprak HTMK en snoer (...) jou en (hij) heeft gewankeld (...) jou die bij (de) hand (...) jou en (hij) gaf aan haar en (hij) kwam vetstaart en (zij) werd zwanger als
- 19.
- en (zij) stond op en (jij) ging en (zij) week af ßOIPE van opgang en (zij) bekleedde zich bij (het) bokje ALMNWTE
- 20.
- en (hij) zond weg Juda (tot) bokje de geiten bij (de) hand zijn vriend EODLMI (jij) hebt genomen (is het zo) dat (zij) zijn aangenaam geweest (...) hen van hand de vrouw noch (zij) heeft gevonden
- 21.
- en (hij) vroeg (tot) mens (...) mij MQME te spreken waar? de tempel-prostituee hij bij (de) ogen op de weg en (zij) spraken niet (zij) is geweest hier tempel-prostituee
- 22.
- en inwoner naar Juda en (hij) sprak niet (ik) heb gevonden (er)naar en ook mens (...) mij de plaats (zij) hebben gesproken niet (zij) is geweest hier tempel-prostituee
- 23.
- en (hij) sprak Juda (jij) nam aan haar opdat niet (wij) waren te minachten hier is (ik) heb gezonden het bokje deze en (met) haar niet om uit te gaan (er)naar
- 24.
- en wees KMSLS maanden en (hij) werd verteld aan Juda te spreken (zij) heeft gehoereerd dadel schoondochter (...) jou en ook hier is naar heuvel aan hoererij en (hij) sprak Juda (zij) hebben tevoorschijn gehaald (er)naar en (jij) verbrandde
- 25.
- hij word(t) tevoorschijn gehaald en zij (zij) heeft gezonden naar naar schoonvader te spreken aan man die deze als ik naar heuvel en (jij) sprak herken! toch aan water van EHTMT en de snoeren en de stam (de) deze
- 26.
- en (hij) groef Juda en (hij) sprak weldadigheid (van)uit mij dat op zo niet (ik) heb gegeven (er)naar aan Sela bouw! noch (hij) heeft toegevoegd nog (eens) te weten (er)naar
- 27.
- en wees bij (de) tijd naar aan wet en hier is TAWMIM naar bij (de) buik
- 28.
- en wees BLDTE en (hij) gaf hand en (jij) nam (is het zo) dat help(t) bij de geboorte en (jij) verbond op (hij) bedankte tweede te spreken dit uitgaande in de eerste plaats
- 29.
- en wees als geef(t) terug (hij) bedankte en hier is uitgaande broers (...) hem en (jij) sprak wat? (jij) hebt doorgebroken op jou doorbraak en (hij) noemde zijn naam doorbraak
- 30.
- en andere uitgaande broers (...) hem die op (hij) bedankte (de) tweede en (hij) noemde zijn naam glans
Hoofdstuk 39
- 1.
- en Jozef (hij) is naar beneden gehaald naar Egypte en (hij) kocht (...) hem PWÐIPR hoveling farao aanvoerder de slagers man Egyptenaar van hand EISMOALIM die (zij) is naar beneden gehaald (...) hem daarnaar (-s)
- 2.
- en wees Jahweh (tot) Jozef en wees man slaag(t) en wees bij (het) huis liggers (...) hem de Egyptenaar
- 3.
- en gezien liggers (...) hem dat Jahweh (met) hem en alle die hij (hij) heeft gedaan Jahweh slaag(t) bij (hij) bedankte
- 4.
- en (hij) vond Jozef gratie bij (de) ogen (...) hem en (jij) hebt geeffend (met) hem en (zij) bevalen (...) hem op huis (...) hem en alle er is als (hij) heeft gegeven bij (hij) bedankte
- 5.
- en wees van destijds (hij) heeft neergelegd (met) hem bij (het) huis (...) hem en op alle die er is als en (hij) zegende Jahweh (tot) huis de Egyptenaar wegens Jozef en wees (jij) hebt gezegend Jahweh in alle die er is als bij (het) huis en bij (het) veld
- 6.
- en (hij) verliet alle die als bij (de) hand Jozef noch (hij) heeft geweten (met) hem iets dat als het brood die hij eet en wees Jozef mooie (hij) heeft beschreven en mooie verschijning
- 7.
- en wees andere de woorden (de) deze en (jij) droeg vuur van liggers (...) hem (tot) bestudeer! (er)naar naar Jozef en (jij) sprak (zij) heeft gelegen met mij
- 8.
- en (hij) weigerde en (hij) sprak naar vuur van liggers (...) hem èn liggers van niet (hij) heeft geweten (met) mij wat? bij (het) huis en alle die er is als (hij) heeft gegeven bij (de) handen van
- 9.
- hij is (er) niet grote bij (het) huis deze (van)uit mij noch duisternis (van)uit mij iets dat als jou wat betreft (tot) vuur (...) hem en waar ben jij? (ik) werd gedaan de herder de grootheid (de) deze en (ik) heb gezondigd aan God
- 10.
- en wees zoals woord naar Jozef dag dag noch nieuws vetstaart neer te liggen AßLE te zijn met haar
- 11.
- en wees zoals de dag deze en (hij) kwam naar het huis te doen handwerk (...) hem en (er is) niet man van mens (...) mij het huis daar bij (het) huis
- 12.
- WTTPSEW bij (het) kleed (...) hem te spreken (zij) heeft gelegen met mij en (hij) verliet kleed (...) hem naar bij (de) hand en (hij) vluchtte en uitgaande naar de straat
- 13.
- en wees naar zoals zicht dat (hij) heeft verlaten kleed (...) hem naar bij (de) hand en (hij) vluchtte naar de straat
- 14.
- en (jij) noemde aan mens (...) mij naar huis en (jij) sprak aan hen te spreken (zij) hebben gezien (hij) heeft gebracht aan ons man Hebreeër LßHQ bij ons (hij) is gekomen naar mij neer te liggen met mij en (ik) werd genoemd bij (de) klank grote
- 15.
- en wees als (zij) hebben toegehoord dat de wormen (...) mij klanken van en (ik) werd genoemd en (hij) verliet kleed (...) hem AßLI en (hij) vluchtte en uitgaande naar de straat
- 16.
- en (zij) rustte kleed (...) hem AßLE tot komst liggers (...) hem naar huis (...) hem
- 17.
- en (jij) sprak naar hem zoals woorden (de) deze te spreken (hij) is gekomen naar mij de slaaf de Hebreeër die (jij) hebt gebracht aan ons LßHQ bij mij
- 18.
- en wees als til op! klanken van en (ik) werd genoemd en (hij) verliet kleed (...) hem AßLI en (hij) vluchtte naar de straat
- 19.
- en wees toen liggers (...) hem (tot) spreek! vuur (...) hem die woord naar hem te spreken zoals woorden (de) deze (hij) heeft gedaan aan mij slaaf (...) jou en (hij) ontbrandde neus (...) hem
- 20.
- en (hij) nam liggers van Jozef (met) hem en (hij) gaf (...) hem naar huis de maan plaats die verboden van kroon! verboden en wees daar bij (het) huis de maan
- 21.
- en wees Jahweh (tot) Jozef en (hij) neeg naar hem genade en (hij) gaf (zij) zijn gelegerd bij bestudeer! aanvoerder huis de maan
- 22.
- en (hij) gaf aanvoerder huis de maan bij (de) hand Jozef (tot) alle (is het zo) dat (ik) verwijderde (...) hen die bij (het) huis de maan en (tot) alle die maak! (...) hen daar hij (hij) is geweest (hij) heeft gedaan
- 23.
- (er is) niet aanvoerder huis de maan (hij) heeft gezien (tot) alle iets bij (hij) bedankte wat betreft Jahweh (met) hem en die hij (hij) heeft gedaan Jahweh slaag(t)
Hoofdstuk 40
- 1.
- en wees andere de woorden (de) deze (zij) hebben gezondigd geef(t) te drinken koning Egypte en naar de neus aan liggers (...) hen aan koning Egypte
- 2.
- en (hij) maakte zich kwaad farao op tweede hovelingen (...) hem op aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken en op aanvoerder EAWPIM
- 3.
- en (hij) gaf (met) hen bij bewaar(t) huis aanvoerder de slagers naar huis de maan plaats die Jozef verbod daar
- 4.
- en (hij) beval aanvoerder de slagers (tot) Jozef (met) hen en (jij) hebt geeffend (met) hen en (zij) waren dagen bij bewaar(t)
- 5.
- en (zij) droomden droom die twee man (zij) hebben gedroomd bij (de) nacht één man (zij) hebben dichtgeknoopt (...) hen (zij) hebben gedroomd (is het zo) dat geef(t) te drinken en naar de neus die aan koning Egypte die verboden bij (het) huis de maan
- 6.
- en (hij) kwam naar hen Jozef bij (het) rundvee en gezien (met) hen en hier zijn zij boosheden
- 7.
- en (hij) vroeg (tot) hovelingen van farao die (met) hem bij bewaar(t) huis liggers (...) hem te spreken waarom? aanzichten (...) jullie kwaden vandaag
- 8.
- en (zij) spraken naar hem droom (wij) hebben gedroomd WPTR (er is) niet (met) hem en (hij) sprak naar hen Jozef immers aan God PTRNIM vertelt! toch aan mij
- 9.
- en (hij) vertelde aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken (tot) (zij) hebben gedroomd aan Jozef en (hij) sprak als bij (de) droom (...) mij en hier is wijnstok voor
- 10.
- en bij (de) wijnstok drie SRICM en hij als (jij) hebt gebloeid (zij) is opgegaan NßE EBSILW ASKLTIE druiven
- 11.
- en beker farao bij (de) handen van en (ik) nam (tot) de druiven WASHÐ (met) hen naar beker farao en (met) hen (tot) de beker op lepel farao
- 12.
- en (hij) sprak als Jozef dit PTRNW drie van ESRCIM drie van dagen zij
- 13.
- terwijl drie van dagen (hij) droeg farao (tot) hoofd (...) jou en (hij) heeft teruggegeven (...) jou op fundament (...) jou en (jij) hebt gegeven beker farao bij (hij) bedankte zoals rechtsregel (de) eerste die (jij) bent geweest geef(t) te drinken (...) hem
- 14.
- dat als (jullie) hebben je herinnerd (...) mij (met) jou zoals (hij) was goed aan jou en (jij) hebt gedaan toch met mij genade WEZKRTNI naar farao en (jullie) zijn tevoorschijn gehaald (...) mij vanuit het huis deze
- 15.
- dat dief (ik) heb gestolen van land (is het zo) dat voorbijgaan en ook mond niet (ik) heb gedaan iets dat zijn naam (met) mij bij (de) put
- 16.
- en gezien aanvoerder de neuzen dat goede PTR en (hij) sprak naar Jozef neus ik bij (de) droom (...) mij en hier is drie XLI ontbrand! op hoofden van
- 17.
- WBXL (de) hoogste van alle voedsel farao Mozes naar neus en de vogel eten (met) hen vanuit EXL boven hoofden van
- 18.
- en wegens Jozef en (hij) sprak dit PTRNW drie van EXLIM drie van dagen zij
- 19.
- terwijl drie van dagen (hij) droeg farao (tot) hoofd (...) jou ontvreemd! (...) jou en (hij) heeft opgehangen jou op boom en eten de vogel (tot) vlees (...) jou ontvreemd! (...) jou
- 20.
- en wees bij (de) dag (de) derde dag ELDT (tot) farao en (hij) heeft gemaakt banket aan alle slaven (...) hem en (hij) droeg (tot) hoofd aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken en (tot) hoofd aanvoerder de neuzen binnen slaven (...) hem
- 21.
- en inwoner (tot) aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken op geef(t) te drinken (...) hem en (hij) gaf de beker op lepel farao
- 22.
- en (tot) aanvoerder de neuzen (hij) heeft opgehangen zoals PTR aan hen Jozef
- 23.
- noch man aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken (tot) Jozef en (zij) lieten vergeten (...) hem
Hoofdstuk 41
- 1.
- en wees van eind twee jaren dagen en farao (hij) heeft gedroomd en hier is sta vast! op de rivier
- 2.
- en hier is vanuit de rivier opgaan zeven vruchten mooie (mv) verschijning WBRIAT vlees en (jullie) achtervolgden bij (de) broer (...) hem
- 3.
- en hier is zeven vruchten andere (mv) beklimmingen na hen vanuit de rivier medemensen verschijning en dunne (mv) vlees en (jullie) stondden vast naast de vruchten op oever van de rivier
- 4.
- en (jullie) aten de vruchten medemensen de verschijning WDQT het vlees (tot) zeven de vruchten Jafeth de verschijning WEBRIAT en (hij) werd wakker farao
- 5.
- WIISN en (hij) droomde ten tweede en hier is zeven uitlopers beklimmingen bij (de) buis één BRIAWT en goede (mv)
- 6.
- en hier is zeven uitlopers dunne (mv) WSDWPT Oosten ßMHWT na hen
- 7.
- en (jij) slikte (...) haar de uitlopers (de) dunne (mv) (tot) zeven de uitlopers EBRIAWT WEMLAWT en (hij) werd wakker farao en hier is droom
- 8.
- en wees bij (het) rundvee WTPOM wind (...) hem en (hij) zond weg en (hij) noemde (tot) alle HRÐMI Egypte en (tot) alle word wijs! (er)naar en (hij) vertelde farao aan hen (tot) (zij) hebben gedroomd en (er is) niet oplosser hen aan farao
- 9.
- en (hij) sprak aanvoerder (is het zo) dat geven te drinken (tot) farao te spreken (tot) zondig! ik sekretaris vandaag
- 10.
- farao woede op slaven (...) hem en (hij) gaf (met) mij bij bewaar(t) huis aanvoerder de slagers (met) mij en (tot) aanvoerder de neuzen
- 11.
- WNHLME droom bij (de) nacht één ik en hij man (zij) hebben dichtgeknoopt (...) hen (zij) hebben gedroomd (wij) hebben gedroomd
- 12.
- en naam [van] (met) ons jeugd Hebreeër slaaf aan aanvoerder de slagers en (wij) vertelden als WIPTR aan ons (tot) (ik) heb gedroomd (...) ons man als (zij) hebben gedroomd PTR
- 13.
- en wees zoals PTR aan ons zo (hij) is geweest (met) mij (hij) heeft teruggegeven op fundamenten van en (met) hem (hij) heeft opgehangen
- 14.
- en (hij) zond weg farao en (hij) noemde (tot) Jozef WIRIßEW vanuit de put WICLH WIHLP jurken (...) hem en (hij) kwam naar farao
- 15.
- en (hij) sprak farao naar Jozef droom (ik) heb gedroomd WPTR (er is) niet (met) hem en ik (ik) heb toegehoord op jou te spreken (jij) hoorde toe droom LPTR (met) hem
- 16.
- en wegens Jozef (tot) farao te spreken uitgezonderd God (hij) antwoordde (tot) vrede farao
- 17.
- en (hij) sprak farao naar Jozef bij droom! hier ben ik sta vast! op oever van de rivier
- 18.
- en hier is vanuit de rivier opgaan zeven vruchten BRIAWT vlees en Jafeth (hij) heeft beschreven en (jullie) achtervolgden bij (de) broer (...) hem
- 19.
- en hier is zeven vruchten andere (mv) beklimmingen na hen armelijke (mv) en medemensen (hij) heeft beschreven zeer en lege (mv) vlees niet (ik) heb gezien zoals zij in alle land Egypte aan kwaad
- 20.
- en (jullie) aten de vruchten (de) lege (mv) en de medemensen (tot) zeven de vruchten (de) eerste (mv) EBRIAT
- 21.
- en (zij) kwam (...) haar naar naar offer noch (wij) werden bekend dat (zij) zijn gekomen naar naar offer WMRAIEN kwaad zoals bij (het) begin WAIQß
- 22.
- en (ik) zag bij droom! en hier is zeven uitlopers opgaan bij (de) buis één (jij) bent vol geweest en goede (mv)
- 23.
- en hier is zeven uitlopers ßNMWT dunne (mv) SDPWT Oosten ßMHWT na hen
- 24.
- en (jij) slikte (...) hen de uitlopers EDQT (tot) zeven de uitlopers (de) goede (mv) en woord naar EHRÐMIM en (er is) niet vertel(t) aan mij
- 25.
- en (hij) sprak Jozef naar farao droom farao één hij (tot) die naar God (hij) heeft gedaan (hij) heeft verteld aan farao
- 26.
- zeven koe van (jij) hebt goed gedaan zeven twee hier is en zeven de uitlopers (jij) hebt goed gedaan zeven twee hier is droom één hij
- 27.
- en zeven de vruchten (de) lege (mv) en (jij) hebt gejuicht (is het zo) dat opgaan na hen zeven twee hier is en zeven de uitlopers (de) lege (mv) SDPWT het Oosten (zij) waren zeven tweede honger
- 28.
- hij het woord die woord (...) mij naar farao die naar God (hij) heeft gedaan (hij) heeft laten zien (tot) farao
- 29.
- hier is zeven twee komen zeven grote in alle land Egypte
- 30.
- en (zij) zijn opgestaan zeven tweede honger na hen en (hij) is vergeten alle de zeven bij (het) land Egypte en schoondochter de honger (tot) het land
- 31.
- noch (hij) werd bekend de zeven bij (het) land van aanzicht van de honger dat na zo dat lever hij zeer
- 32.
- en op de jaren de droom naar farao twee keer dat juiste het woord bij vandaan naar God en haast zich naar God te maken (...) hem
- 33.
- en nu gezien farao man verstandige en wijze en (zij) legden (...) hem op land Egypte
- 34.
- (zij) heeft gemaakt farao en (hij) beval opnamen op het land en vijf (tot) land Egypte bij zeven tweede de zeven
- 35.
- en (zij) verzamelden (tot) alle eten de twee (de) goede (mv) (jij) hebt gebracht (de) deze WIßBRW graan in de plaats van hand farao eten bij (de) steden en bewaart!
- 36.
- en (hij) is geweest voed! LPQDWN aan land aan zeven tweede de honger die (jij) was (...) hen bij (het) land Egypte noch (jij) zult uitgeroeid worden het land bij (de) honger
- 37.
- en (hij) was goed het woord bij bestudeer! farao en bij (de) ogen van alle slaven (...) hem
- 38.
- en (hij) sprak farao naar slaven (...) hem (is het zo) dat (wij) vondden zoals dit man die wind God bij hem
- 39.
- en (hij) sprak farao naar Jozef na (hij) heeft meegedeeld God jou (tot) alle deze (er is) niet verstandige en wijze zoals jij
- 40.
- (met) haar (jij) was op huis-en van en op monden (...) jou (hij) gaf te drinken alle met mij lege de stoel (ik) kweekte (van)uit jou
- 41.
- en (hij) sprak farao naar Jozef (hij) heeft gezien (ik) heb gegeven (met) jou op alle land Egypte
- 42.
- en (hij) week af farao (tot) ring (...) hem boven (hij) bedankte en (hij) gaf (met) haar op hand Jozef en (hij) bekleedde zich (met) hem bij (het) bokje zes en pas toe! RBD het goud op hals (...) hem
- 43.
- en (hij) reed (met) hem bij (de) rijtuig van wijkt! die als en (zij) noemden voor hem (ik) zegende en geschonken (met) hem op alle land Egypte
- 44.
- en (hij) sprak farao naar Jozef ik farao WBLODIK niet (hij) tilde op man (tot) (hij) bedankte en (tot) voet (...) hem in alle land Egypte
- 45.
- en (hij) noemde farao daar Jozef ßPNT PONH en (hij) gaf als (tot) AXNT dochter PWÐI PRO priester AN aan vrouw en uitgaande Jozef op land Egypte
- 46.
- en Jozef zoon dertig jaar bij sta(a)t vast! voor farao koning Egypte en uitgaande Jozef weg van aanzicht van farao en (hij) ging voorbij in alle land Egypte
- 47.
- en (jij) maakte het land bij zeven tweede de zeven LQMßIM
- 48.
- en (hij) verzamelde (tot) alle eten zeven twee die (zij) zijn geweest bij (het) land Egypte en (hij) gaf eten bij (de) steden eten veld (hij) heeft opgemerkt die naar omgevingen (hij) heeft gegeven naar bij (het) midden
- 49.
- WIßBR Jozef graan zoals zand de zee veel zeer tot dat (hij) heeft opgehouden te vertellen dat (er is) niet getal
- 50.
- en aan Jozef kind tweede zonen voordat (jij) kwam jaar van de honger die (zij) heeft gebaard als AXNT dochter PWÐI PRO priester kracht
- 51.
- en (hij) noemde Jozef (tot) daar de eerstgeborene Manasse dat (hij) is verlaten (...) mij God (tot) alle zwoeg! en (tot) alle huis vader
- 52.
- en (tot) daar (de) tweede (hij) heeft genoemd Efraïm dat EPRNI God bij (het) land armoede (...) mij
- 53.
- en (jullie) beëindigden zeven tweede de zeven die (hij) is geweest bij (het) land Egypte
- 54.
- en (jullie) werden ziek zeven tweede de honger te komen zoals woord Jozef en wees honger in alle de landen en in alle land Egypte (hij) is geweest brood
- 55.
- en (zij) had honger alle land Egypte en (hij) schreeuwde het volk naar farao aan brood en (hij) sprak farao aan alle Egypte ga(a)t! naar Jozef die (hij) sprak aan jullie (jullie) maakten
- 56.
- en de honger (hij) is geweest op alle aanzicht van het land en (hij) deed open Jozef (tot) alle die bij hen en (hij) brak aan Egypte en (hij) versterkte de honger bij (het) land Egypte
- 57.
- en alle het land (zij) zijn gekomen naar Egypte te verbrijzelen naar Jozef dat kracht de honger in alle het land
Hoofdstuk 42
- 1.
- en gezien Jakob dat er is (hij) heeft gebroken bij Egypte en (hij) sprak Jakob aan zonen (...) hem waarom TTRAW
- 2.
- en (hij) sprak hier is (ik) heb toegehoord dat er is (hij) heeft gebroken bij Egypte daalt! daarnaar (-s) en (zij) hebben gebroken aan ons van daar en (wij) leefden noch (wij) stierven
- 3.
- en (zij) zijn gedaald broer Jozef tien te verbrijzelen graan van Egypte
- 4.
- en (tot) Benjamin broer Jozef niet wapen Jakob (tot) broers (...) hem dat woord opdat niet (hij) noemde (...) ons AXWN
- 5.
- en voert in! bouw! Israël te verbrijzelen binnen die gekomen dat (hij) is geweest de honger bij (het) land Kanaän
- 6.
- en Jozef hij de heerser op het land hij EMSBIR aan alle met het land en voert in! broer Jozef en (zij) bogen zich diep als neuzen naar land
- 7.
- en gezien Jozef (tot) broers (...) hem en (hij) groef (...) hen WITNKR naar hen en (hij) sprak (met) hen harde (mv) en (hij) sprak naar hen vanwaar? (jullie) zijn gekomen en (zij) spraken van land Kanaän te verbrijzelen eten
- 8.
- en (hij) groef Jozef (tot) broers (...) hem en zij niet (is het zo) dat (hij) heeft gegraven (...) hem
- 9.
- en (hij) herinnerde zich Jozef (tot) de dromen die (hij) heeft gedroomd aan hen en (hij) sprak naar hen spionnen (met) hen te zien (tot) worden wakker het land (jullie) zijn gekomen
- 10.
- en (zij) spraken naar hem niet liggers van en slaven (...) jou (zij) zijn gekomen te verbrijzelen eten
- 11.
- als (zij) hebben overnacht bouw! man één (wij) hebben gerust fundamenten wij niet (zij) zijn geweest slaven (...) jou spionnen
- 12.
- en (hij) sprak naar hen niet dat worden wakker het land (jullie) zijn gekomen te zien
- 13.
- en (zij) spraken twee rijkdom slaven (...) jou broers wij bouw! man één bij (het) land Kanaän en hier is de kleine (tot) (wij) hebben gewenst vandaag en de eerste hij is (er) niet
- 14.
- en (hij) sprak naar hen Jozef hij die woord (...) mij naar jullie te spreken spionnen (met) hen
- 15.
- bij deze TBHNW levende farao als (jullie) gingen uit hiervandaan dat als bij (de) komst broers (...) jullie de kleine hier is
- 16.
- zendt weg! (van)uit jullie één en (hij) nam (tot) broers (...) jullie en (met) hen (is het zo) dat (zij) hebben gevangen genomen WIBHNW woorden (...) jullie de waarheid (met) jullie en als niet levende farao dat spionnen (met) hen
- 17.
- en (hij) verzamelde (met) hen naar bewaar(t) drie van dagen
- 18.
- en (hij) sprak naar hen Jozef bij (de) dag (de) derde deze Ezau en (zij) hebben geleefd (tot) naar God ik gezien
- 19.
- als fundamenten (met) hen broers (...) jullie één (hij) nam gevangen bij (het) huis bewaar(t) (...) jullie en (met) hen ga(a)t! (zij) hebben gebracht (hij) heeft gebroken (zij) hebben honger gehad (...) hen huizen (...) jullie
- 20.
- en (tot) broers (...) jullie de kleine (jullie) brachten naar mij WIAMNW woorden (...) jullie noch (jullie) stierven en (zij) hebben gemaakt zo
- 21.
- en (zij) spraken man naar broers (...) hem rouw maak je schuldig! (...) hen wij op broers (...) ons die (wij) hebben gezien ellende van ziel (...) hem BETHNNW naar ons noch (wij) hebben toegehoord op zo kom(t) naar ons de ellende (de) deze
- 22.
- en wegens Ruben (met) hen te spreken immers (ik) heb gesproken naar jullie te spreken naar (jullie) zondigden bij (het) kind noch (jullie) hebben toegehoord en ook (zij) hebben geleken hier is (hij) is verzocht
- 23.
- en zij niet (zij) hebben geweten dat nieuws Jozef dat EMLIß verstand-en (...) hen
- 24.
- en (hij) wendde zich af van hoogtes (...) hen en (hij) weende en inwoner naar hen en (hij) sprak naar hen en (hij) nam van jullie (tot) Simeon en (hij) nam gevangen (met) hem aan ogen (...) hen
- 25.
- en (hij) gaf opdracht Jozef en (zij) waren vol (tot) gereedschappen (...) hen graan en terug te geven zilver-en (...) hen man naar zak (...) hem en te geven aan hen (zij) heeft gevangen aan weg en (hij) heeft gemaakt aan hen zo
- 26.
- en (zij) droegen (tot) (hij) heeft gebroken (...) hen op ezeldrijvers (...) hen en (zij) gingen van daar
- 27.
- en (hij) deed open de één (tot) zak (...) hem te geven MXPWA aan klei (...) hem bij om te overnachten en gezien (tot) als voegt toe! en hier is hij bij (de) mond van AMTHTW
- 28.
- en (hij) sprak naar broers (...) hem EWSB als voeg toe! en ook hier is BAMTHTI en uitgaande hart (...) hen en (zij) schroken man naar broers (...) hem te spreken wat? deze (hij) heeft gedaan God aan ons
- 29.
- en voert in! naar Jakob vaders (...) hen naar land Kanaän en (zij) vertelden als (tot) alle de stad (met) hen te spreken
- 30.
- woord de man liggers van het land (met) ons harde (mv) en (hij) gaf (met) ons zoals spionnen (tot) het land
- 31.
- en (wij) spraken naar hem fundamenten wij niet (wij) zijn geweest spionnen
- 32.
- twee rijkdom wij broers bouw! (wij) hebben gewenst de één hij is (er) niet en de kleine vandaag (tot) (wij) hebben gewenst bij (het) land Kanaän
- 33.
- en (hij) sprak naar ons de man liggers van het land bij deze (ik) wist dat fundamenten (met) hen broers (...) jullie de één (zij) hebben rust gegeven (met) mij en (tot) (zij) hebben honger gehad (...) hen huizen (...) jullie neemt! en ga(a)t!
- 34.
- en (zij) hebben gebracht (tot) broers (...) jullie de kleine naar mij en (ik) wist (er)naar dat niet spionnen (met) hen dat fundamenten (met) hen (tot) broers (...) jullie (met) hen aan jullie en (tot) het land TXHRW
- 35.
- en wees zij van lege (mv) zakken (...) hen en hier is man bundel als voegt toe! bij (de) zak (...) hem en (zij) lieten zien (tot) ßRRWT zilver-en (...) hen deze (mv) en vaders (...) hen en (zij) vreesden
- 36.
- en (hij) sprak naar hen Jakob vaders (...) hen (met) mij SKLTM Jozef hij is (er) niet en Simeon hij is (er) niet en (tot) Benjamin (jullie) namen op mij (zij) zijn geweest kunt!
- 37.
- en (hij) sprak Ruben naar vader (...) hem te spreken (tot) tweede bouw! (jij) doodde als niet (ik) bracht (...) ons naar jou geef! (met) hem op handen van en ik (ik) gaf terug (...) ons naar jou
- 38.
- en (hij) sprak niet (hij) is gedaald bouw! met jullie dat broers (...) hem dode en hij alleen hij geblevene en (zij) heeft genoemd (...) hem AXWN bij (de) weg die (jullie) gingen bij haar en (jullie) zijn naar beneden gehaald (tot) ouderdom (...) mij BICWN naar dodenrijk
Hoofdstuk 43
- 1.
- en de honger lever bij (het) land
- 2.
- en wees zoals kunt! aan eten (tot) (is het zo) dat (hij) heeft gebroken die (zij) hebben gebracht van Egypte en (hij) sprak naar hen vaders (...) hen woont! (zij) hebben gebroken aan ons een beetje eten
- 3.
- en (hij) sprak naar hem Juda te spreken getuig! getuig! bij ons de man te spreken niet (jullie) lieten zien aanzicht van niet broers (...) jullie (met) jullie
- 4.
- als jij bent er zend(t) weg (tot) broers (...) ons (met) ons (wij) daalden (er)naar en (wij) verbrijzelden (er)naar aan jou eten
- 5.
- en als jij bent (er) niet zend(t) weg niet (wij) daalden dat de man woord naar ons niet (jullie) lieten zien aanzicht van niet broers (...) jullie (met) jullie
- 6.
- en (hij) sprak Israël waarom (jullie) hebben gejuicht aan mij te vertellen aan man is er nog? aan jullie broer
- 7.
- en (zij) spraken dodenrijk (hij) heeft gevraagd de man aan ons en aan vaderland (...) ons te spreken is er nog? vader (...) jullie levende is er? aan jullie broer en tegenover als op mond van de woorden (de) deze EIDWO (wij) wisten dat (hij) sprak EWRIDW (tot) broers (...) jullie
- 8.
- en (hij) sprak Juda naar Israël vader (...) hem (zij) heeft gezonden de jeugd (met) mij en (wij) wraakten (er)naar en (wij) gingen (er)naar en (wij) leefden noch (wij) stierven ook wij ook (met) haar ook kleine kinderen (...) ons
- 9.
- ik AORBNW van handen van (jij) zocht (...) ons als niet EBIATIW naar jou WEßCTIW voor jou en (ik) heb gezondigd aan jou alle de dagen
- 10.
- dat LWLA ETMEMENW dat nu (wij) zijn teruggekeerd dit twee keer
- 11.
- en (hij) sprak naar hen Israël vaders (...) hen als zo dus deze Ezau neemt! zing(t) het land bij (de) gereedschappen (...) jullie WEWRIDW aan man geschenk een beetje schep! en een beetje honing NKAT WLÐ BÐNIM en amandelen
- 12.
- en zilver van jaar neemt! bij (de) hand (...) jullie en (tot) het zilver de zetel bij (de) mond van AMTHTIKM (jullie) gaven terug bij (de) hand (...) jullie misschien MSCE hij
- 13.
- en (tot) broers (...) jullie neemt! en sta(a)t op! keert terug! naar de man
- 14.
- en naar Sjadai (hij) gaf aan jullie medelijden voor de man en wapen aan jullie (tot) broers (...) jullie andere en (tot) Benjamin en ik zoals SKLTI SKLTI
- 15.
- en (zij) namen de mensen (tot) het geschenk (de) deze en van jaar zilver (zij) hebben genomen bij (hij) leek en (tot) Benjamin en (zij) wraakten en (zij) zijn gedaald Egypte en (zij) stondden vast voor Jozef
- 16.
- en gezien Jozef (met) hen (tot) Benjamin en (hij) sprak te bevestigen op huis (...) hem wat kwam (tot) de mensen naar het huis en slager slager en bereid voor! dat (met) mij (zij) aten de mensen bij (de) middag
- 17.
- en (hij) heeft gemaakt de man zoals woord Jozef en (hij) kwam de man (tot) de mensen naar huis Jozef
- 18.
- en (zij) vreesden de mensen dat EWBAW huis Jozef en (zij) spraken op woord het zilver geef terug! BAMTHTINW bij (het) begin wij MWBAIM LETCLL op ons WLETNPL op ons en (jij) hebt genomen (met) ons aan slaven en (tot) ezeldrijvers (...) ons
- 19.
- en (zij) zijn genaderd naar de man die op huis Jozef en (zij) spraken naar hem opening het huis
- 20.
- en (zij) spraken bij mij liggers van (hij) is gedaald (wij) zijn gedaald bij (het) begin te verbrijzelen eten
- 21.
- en wees dat (wij) zijn gekomen naar (is het zo) dat om te overnachten en (wij) deedden open (er)naar (tot) AMTHTINW en hier is zilver man bij (de) mond van AMTHTW zilver (...) ons bij (het) gewicht (...) hem en (wij) woonden (met) hem bij (de) hand (...) ons
- 22.
- en zilver andere (wij) zijn naar beneden gehaald bij (de) hand (...) ons te verbrijzelen eten niet (wij) hebben geweten water van daar zilver (...) ons BAMTHTINW
- 23.
- en (hij) sprak vrede aan jullie naar (jullie) vreesden jullie God en mijn God vader (...) jullie (hij) heeft gegeven aan jullie om te verbergen BAMTHTIKM zilver (...) jullie (hij) is gekomen naar mij en (hij) bracht naar buiten naar hen (tot) Simeon
- 24.
- en (hij) kwam de man (tot) de mensen naar huis Jozef en (hij) gaf water en (zij) wasten voeten (...) hen en (hij) gaf MXPWA aan ezeldrijvers (...) hen
- 25.
- en (zij) bereidden voor (tot) het geschenk tot komst Jozef bij (de) middag dat (zij) hebben toegehoord dat daar (zij) aten brood
- 26.
- en (hij) kwam Jozef naar het huis en (zij) brachten als (tot) het geschenk die bij (hij) leek naar het huis en (zij) bogen zich diep als naar land
- 27.
- en (hij) vroeg aan hen volledig te zijn en (hij) sprak de vrede vader (...) jullie de baard die (jullie) hebben gesproken (is het zo) dat hij (...) nog levende
- 28.
- en (zij) spraken vrede te bewerken (...) jou aan vader (...) ons hij (...) nog levende en (zij) hebben gebrand en (hij) boog zich diep
- 29.
- en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien (tot) Benjamin broers (...) hem zoon moeder (...) hem en (hij) sprak deze broers (...) jullie de kleine die (jullie) hebben gesproken naar mij en (hij) sprak God (hij) legerde (...) jou bouw!
- 30.
- en (hij) haastte zich Jozef dat NKMRW baarmoeders (...) hem naar broers (...) hem en (hij) zocht te wenen en (hij) kwam (is het zo) dat (zij) is binnengedrongen en (hij) weende daarnaar (-s)
- 31.
- en (hij) waste aanzichten (...) hem en uitgaande en (hij) bedwong zich en (hij) sprak plaatst! brood
- 32.
- en (zij) plaatsten als alleen hij en aan hen alleen zij en aan Egypte de eten-en (met) hem alleen zij dat niet IWKLWN (is het zo) dat Egypte aan eten (tot) (is het zo) dat voorbijgaan brood dat gruwel hij aan Egypte
- 33.
- en (zij) hebben gewoond voor hem (is het zo) dat trek voor! als (jij) hebt voorgetrokken (...) hem en (de) kleine KßORTW en (hij) verbaasde zich (...) hem de mensen man naar zijn vriend
- 34.
- en (hij) droeg om te dragen honderd aanzichten (...) hem naar hen en (zij) vermeerderde om te dragen Benjamin MMSAT allemaal vijf IDWT en (zij) dronken en (zij) huurden met hem
Hoofdstuk 44
- 1.
- en (hij) gaf opdracht (tot) die op huis (...) hem te spreken (hij) is vol geweest (tot) AMTHT de mensen eten zoals IWKLWN te dragen en plaats! zilver man bij (de) mond van AMTHTW
- 2.
- en (tot) CBIOI CBIO het zilver (jij) plaatste bij (de) mond van AMTHT de kleine en (tot) zilver (zij) hebben gebroken en (hij) heeft gemaakt zoals woord Jozef die woord
- 3.
- het rundvee licht en de mensen zendt weg! deze (mv) en ezeldrijvers (...) hen
- 4.
- zij voert uit! (tot) (hij) heeft opgemerkt niet ERHIQW en Jozef woord te bevestigen op huis (...) hem sta op! (hij) heeft achtervolgd na de mensen en (jullie) hebben bereikt en (jij) hebt gesproken naar hen waarom (jullie) zijn volledig geweest herder in de plaats van goeds
- 5.
- immers dit die (hij) dronk liggers van bij hem en hij slang (hij) vermoedde bij hem (jullie) hebben gejuicht die (jullie) hebben gedaan
- 6.
- WISCM en (hij) sprak naar hen (tot) de woorden (de) deze
- 7.
- en (zij) spraken naar hem waarom (hij) sprak liggers van zoals woorden (de) deze God beware aan slaven (...) jou om te doen zoals woord deze
- 8.
- èn zilver die (wij) hebben gevonden bij (de) mond van AMTHTINW (hij) heeft teruggegeven (...) ons naar jou van land Kanaän en waar ben jij? NCNB van huis liggers (...) jou zilver of goud
- 9.
- die (hij) vond (met) hem bewerken (...) jou en dode en ook wij (wij) waren aan liggers van aan slaven
- 10.
- en (hij) sprak ook nu zoals woorden (...) jullie zo hij die (hij) vond (met) hem (hij) was aan mij slaaf en (met) hen (jullie) waren (wij) vestigden
- 11.
- en (zij) haastten zich en (zij) werden naar beneden gehaald man (tot) AMTHTW naar land en (zij) deedden open man AMTHTW
- 12.
- WIHPS bij (de) grote (hij) is begonnen te WBQÐN schoondochter en (hij) vond ECBIO BAMTHT Benjamin
- 13.
- en (zij) scheurden dat (jullie) hebben besneden WIOMX man op klei (...) hem en (zij) hebben gewoond (zij) heeft opgemerkt
- 14.
- en (hij) kwam Juda en broers (...) hem naar huis Jozef en hij hij (...) nog daar en (zij) vielen voor hem naar land
- 15.
- en (hij) sprak aan hen Jozef wat? (is het zo) dat Mozes deze die (jullie) hebben gedaan immers (jullie) hebben geweten dat slang (hij) vermoedde man die zoals ik
- 16.
- en (hij) sprak Juda wat? (wij) spraken aan liggers van wat? (wij) spraken en wat? NßÐDQ naar God (hij) heeft gevonden (tot) vijandige slaven (...) jou hier zijn wij slaven aan liggers van ook wij ook die (wij) vondden ECBIO bij (hij) bedankte
- 17.
- en (hij) sprak God beware aan mij om te doen deze de man die (wij) vondden ECBIO bij (hij) bedankte hij (hij) was aan mij slaaf en (met) hen (zij) zijn opgegaan volledig te zijn naar vader (...) jullie
- 18.
- en (hij) is genaderd naar hem Juda en (hij) sprak bij mij liggers van (hij) sprak toch slaaf (...) jou woord bij (de) oren van liggers van en naar (hij) ontbrandde neus (...) jou bij (de) slaaf (...) jou dat zoals jij zoals farao
- 19.
- liggers van (hij) heeft gevraagd (tot) slaven (...) hem te spreken is er? aan jullie vader of broer
- 20.
- en (wij) spraken naar liggers van er is aan ons vader baard en kind baarden kleine en broers (...) hem dode en meer hij alleen hij natie (...) hem en vader (...) hem (zij) hebben liefgehad
- 21.
- en (jij) sprak naar slaven (...) jou (zij) is naar beneden gehaald (...) hem naar mij en (ik) plaatste (er)naar bestudeer! op hem
- 22.
- en (wij) spraken naar liggers van niet (hij) zal kunnen de jeugd LOZB (tot) vader (...) hem en (hij) heeft verlaten (tot) vader (...) hem en dode
- 23.
- en (jij) sprak naar slaven (...) jou als niet (hij) is gedaald broers (...) jullie de kleine (met) jullie niet (jullie) voegden toe (...) hen te zien aanzicht van
- 24.
- en wees dat op ons naar slaaf (...) jou vader en tegenover als (tot) spreek! liggers van
- 25.
- en (hij) sprak (wij) hebben gewenst woont! (zij) hebben gebroken aan ons een beetje eten
- 26.
- en (wij) spraken niet (wij) zullen kunnen te dalen als er is broers (...) ons de kleine (met) ons en (wij) zijn gedaald dat niet (wij) zullen kunnen te zien aanzicht van de man en broers (...) ons de kleine hij is (er) niet (met) ons
- 27.
- en (hij) sprak slaaf (...) jou vader naar ons (met) hen (jullie) hebben geweten dat twee (zij) heeft gebaard aan mij mijn vrouw
- 28.
- en uitgaande de één van mij en woord maar prooi prooi noch (ik) heb gezien (...) hem tot hier is
- 29.
- en (jullie) hebben genomen ook (tot) dit bij vandaan aanzicht van en (hij) is gebeurd (...) hem AXWN en (jullie) zijn naar beneden gehaald (tot) ouderdom (...) mij bij (de) herder vraag
- 30.
- en nu als (hij) is gekomen (...) mij naar slaaf (...) jou vader en de jeugd hij is (er) niet (met) ons en ziel (...) hem verbind! (er)naar bij (de) ziel (...) hem
- 31.
- en (hij) is geweest zoals zicht (...) hem dat (er is) niet de jeugd en dode WEWRIDW slaven (...) jou (tot) ouderdom van slaaf (...) jou (wij) hebben gewenst BICWN vraag
- 32.
- dat slaaf (...) jou aangename (tot) de jeugd bij vandaan vader te spreken als niet (ik) bracht (...) ons naar jou en (ik) heb gezondigd aan vader alle de dagen
- 33.
- en nu inwoner toch slaaf (...) jou in de plaats van de jeugd slaaf aan liggers van en de jeugd (hij) verhief met broers (...) hem
- 34.
- dat waar ben jij? (ik) verhief naar vader en de jeugd hij is (er) niet (met) mij opdat niet (ik) liet zien bij (het) kwaad die (hij) vond (tot) vader
Hoofdstuk 45
- 1.
- noch (hij) heeft gekund Jozef zich te bedwingen aan alle de heft-en op hem en (hij) noemde (zij) hebben tevoorschijn gehaald alle man ontvreemd! noch sta vast! man (met) hem BETWDO Jozef naar broers (...) hem
- 2.
- en (hij) gaf (tot) klank (...) hem bij (het) geween en (zij) hoorden toe Egypte en (hij) hoorde toe huis farao
- 3.
- en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem ik Jozef is er nog? vader levende noch (zij) hebben gekund broers (...) hem te antwoorden (met) hem dat (zij) zijn geschrokken van aanzichten (...) hem
- 4.
- en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem nadert! toch naar mij en (zij) zijn genaderd en (hij) sprak ik Jozef broers (...) jullie die (jullie) hebben verkocht (met) mij naar Egypte
- 5.
- en nu naar (jullie) bedroefden en naar (hij) ontbrandde bij (de) ogen (...) jullie dat (jullie) hebben verkocht (met) mij hier is dat tot van dier (hij) mij gezonden God voor jullie
- 6.
- dat dit twee jaren de honger te midden van het land en nog (eens) vijf twee die (er is) niet HRIS en oogst
- 7.
- en (hij) zond weg (...) mij God voor jullie te plaatsen aan jullie rest bij (het) land WLEHIWT aan jullie naar aan vluchteling grootheid
- 8.
- en nu niet (met) hen (jullie) hebben gezonden (met) mij hier is dat naar God en (hij) plaatste (...) mij aan vader aan farao en aan heer aan alle huis (...) hem en heerser in alle land Egypte
- 9.
- (zij) hebben zich gehaast en (zij) zijn opgegaan naar vader en (jullie) hebben gesproken naar hem zo woord zoon (...) jou Jozef word vet! God aan heer aan alle Egypte daal! (er)naar naar mij naar (jij) stond vast
- 10.
- en (jij) hebt gewoond bij (het) land nader! (...) hen en (jij) bent geweest verwant naar mij (met) haar en zonen (...) jou en bouw! zonen (...) jou en kleinvee (...) jou en rundvee (...) jou en alle die aan jou
- 11.
- WKLKLTI (met) jou daar dat nog (eens) vijf twee honger opdat niet TWRS (met) haar en huis (...) jou en alle die aan jou
- 12.
- en hier is ogen (...) jullie zicht en bestudeer! broer Benjamin dat mond van de woestijn naar jullie
- 13.
- en (jullie) hebben verteld aan vader (tot) alle onderscheidingen van bij Egypte en (tot) alle die (jullie) hebben gezien en (jullie) hebben je gehaast en (jullie) zijn naar beneden gehaald (tot) vader hier is
- 14.
- en (hij) liet vallen op halzen van Benjamin broers (...) hem en (hij) weende en Benjamin (hij) heeft geweend op halzen (...) hem
- 15.
- WINSQ aan alle broers (...) hem en (hij) weende hoogtes (...) hen en na zo spreekt! broers (...) hem (met) hem
- 16.
- en (hij) heeft verlicht (wij) hoorden toe huis farao te spreken (zij) zijn gekomen broer Jozef en (hij) was goed bij bestudeer! farao en bij (de) ogen van slaven (...) hem
- 17.
- en (hij) sprak farao naar Jozef woord naar broers (...) jou deze Ezau ÐONW (tot) bij (de) stad (...) jullie en ga(a)t! (zij) zijn gekomen naar land Kanaän
- 18.
- en neemt! (tot) vader (...) jullie en (tot) huizen (...) jullie en (zij) zijn gekomen naar mij en (ik) gaf aan jullie (tot) goede land Egypte en (zij) hebben gegeten (tot) melk het land
- 19.
- en (met) haar (jij) hebt opdracht gegeven (er)naar deze Ezau neemt! aan jullie van land Egypte koekalveren aan kleine kinderen (...) jullie en aan vrouwen (...) jullie en (jullie) hebben gedragen (tot) vader (...) jullie en (jullie) zijn gekomen
- 20.
- en oog (...) jullie naar (zij) had medelijden op gereedschappen (...) jullie dat goede alle land Egypte aan jullie hij
- 21.
- en (zij) hebben gemaakt zo bouw! Israël en (hij) gaf aan hen Jozef koekalveren op mond van farao en (hij) gaf aan hen (zij) heeft gevangen aan weg
- 22.
- aan allen (...) hen (hij) heeft gegeven aan man HLPWT dat (jij) hebt besneden en aan Benjamin (hij) heeft gegeven drie honderd zilver en vijf HLPT dat (jij) hebt besneden
- 23.
- en aan vader (...) hem wapen zoals deze tien ezeldrijvers dragers van goede Egypte en rijkdom ATNT (jij) hebt gedragen graan en brood en om te onderhouden aan vader (...) hem aan weg
- 24.
- en (hij) zond weg (tot) broers (...) hem en (zij) gingen en (hij) sprak naar hen naar (jullie) waren boos bij (de) weg
- 25.
- en (zij) verhieven van Egypte en voert in! land Kanaän naar Jakob vaders (...) hen
- 26.
- en (hij) werd verteld (...) hem als te spreken nog (eens) Jozef levende en dat hij heerser in alle land Egypte WIPC zijn hart dat niet (hij) heeft geloofd aan hen
- 27.
- en (zij) spraken naar hem (tot) alle spreek! Jozef die woord naar hen en gezien (tot) de koekalveren die wapen Jozef te dragen (met) hem en (zij) leefde wind Jakob vaders (...) hen
- 28.
- en (hij) sprak Israël meerderheid nog (eens) Jozef bouw! levende (ik) ging (er)naar en (ik) zag (...) ons voordat (ik) stierf
Hoofdstuk 46
- 1.
- en (hij) reisde Israël en alle die als en (hij) kwam naar put zeven en (hij) slachtte slachtingen aan mijn God vader (...) hem Izak
- 2.
- en (hij) sprak God aan Israël bij om te vrezen de nacht en (hij) sprak Jakob Jakob en (hij) sprak hier ben ik
- 3.
- en (hij) sprak ik deze mijn God vader (...) jou naar (je) zult vrezen (zij) is in opstand gekomen naar Egypte dat aan volk grote ASIMK daar
- 4.
- ik (ik) daalde met jou naar Egypte en ik AOLK ook blad en Jozef (hij) legde (hij) bedankte op ogen (...) jou
- 5.
- en (hij) stond op Jakob van put zeven en (zij) droegen bouw! Israël (tot) Jakob vaders (...) hen en (tot) kleine kinderen (...) hen en (tot) vrouwen (...) hen bij (de) koekalveren die wapen farao te dragen (met) hem
- 6.
- en (zij) namen (tot) van nesten (...) hen en (tot) RKWSM die RKSW bij (het) land Kanaän en voert in! naar Egypte Jakob en alle (zij) hebben gezaaid (met) hem
- 7.
- zonen (...) hem en bouw! zonen (...) hem (met) hem dochters (...) hem en dochters zonen (...) hem en alle (zij) hebben gezaaid (hij) heeft gebracht (met) hem naar Egypte
- 8.
- en deze namen bouw! Israël die gekomen naar Egypte Jakob en zonen (...) hem trek voor! Jakob Ruben
- 9.
- en bouw! Ruben (zij) zijn gelegerd (...) jou WPLWA en grondgebied (...) hen en wijngaarden van
- 10.
- en bouw! Simeon IMWAL en rechterhand WAED en (hij) bereidde voor WßHR en dodenrijk zoon EKNONIT
- 11.
- en bouw! Levi Gerson Kahath en Merari
- 12.
- en bouw! Juda wakkere en kracht (...) hen en Sela en doorbraak en glans en (hij) stierf wakkere en kracht (...) hen bij (het) land Kanaän en (zij) waren bouw! doorbraak grondgebied (...) hen en heb medelijden!
- 13.
- en bouw! Issaschar worm WPWE WIWB en bewaar! (...) hen
- 14.
- en bouw! Zebulon XRD en eik WIHLAL
- 15.
- deze bouw! Lea die (zij) heeft gebaard aan Jakob BPDN Syrië en (tot) Dina dochter (...) hem alle ziel zonen (...) hem en bebouwingen (...) hem dertig en drie
- 16.
- en bouw! Gad ßPIWN en feesten van SWNI WAßBN steden van WARWDI WARALI
- 17.
- en bouw! die (hij) benoemde en (hij) was gelijk en (hij) was gelijk (...) mij WBRIOE WSRH één (...) hen en bouw! BRIOE verbond WMLKIAL
- 18.
- deze bouw! Zilpa die (hij) heeft gegeven tot zoon aan Lea dochter (...) hem en (jij) baarde (tot) deze aan Jakob zes tien ziel
- 19.
- bouw! Rachel vuur van Jakob Jozef en Benjamin
- 20.
- en baar(t) aan Jozef bij (het) land Egypte die (zij) heeft gebaard als AXNT dochter PWÐI PRO priester AN (tot) Manasse en (tot) Efraïm
- 21.
- en bouw! Benjamin slechtheid en trek voor! WASBL Gera en Naaman broer en hoofd van monden WHPIM en (ik) daalde
- 22.
- deze bouw! Rachel die kind aan Jakob alle ziel vier rijkdom
- 23.
- en bouw! Dan haasten zich
- 24.
- en bouw! Nafthali IHßAL WCWNI en fabriceer! en gehele
- 25.
- deze bouw! panische angst die (hij) heeft gegeven tot zoon aan Rachel dochter (...) hem en (jij) baarde (tot) deze aan Jakob alle ziel zeven
- 26.
- alle de ziel (is het zo) dat kom(t) aan Jakob naar Egypte voer uit! heup (...) hem weg van tak vrouwen van bouw! Jakob alle ziel zestig en zes
- 27.
- en bouw! Jozef die kind als bij Egypte ziel twee alle de ziel aan huis Jakob (is het zo) dat kom(t) naar Egypte zeventig
- 28.
- en (tot) Juda wapen voor hem naar Jozef LEWRT voor hem nadert! en voert in! naar land nader! (...) hen
- 29.
- en (hij) nam gevangen Jozef rijtuig (...) hem en (hij) verhief tegemoet Israël vader (...) hem nadert! en gezien naar hem en (hij) liet vallen op halzen (...) hem en (hij) weende op halzen (...) hem nog (eens)
- 30.
- en (hij) sprak Israël naar Jozef (ik) stierf (er)naar de keer na zicht (...) mij (tot) aanzichten (...) jou dat jij (...) nog levende
- 31.
- en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem en naar huis vader (...) hem (ik) verhief en (ik) vertelde (er)naar aan farao en (zij) heeft gesproken naar hem broer en huis vader die bij (het) land Kanaän (zij) zijn gekomen naar mij
- 32.
- en de mensen achtervolg! kleinvee dat mens (...) mij bezit (zij) zijn geweest en kleinvee (...) hen en rundvee (...) hen en alle die aan hen (zij) hebben gebracht
- 33.
- en (hij) is geweest dat (hij) noemde aan jullie farao en woord wat? daden (...) jullie
- 34.
- en (jullie) hebben gesproken mens (...) mij bezit (zij) zijn geweest slaven (...) jou MNOWRINW en tot nu ook wij ook vaders (...) ons wegens (jullie) woonden bij (het) land nader! (...) hen dat (jij) bent verafschuwd Egypte alle herder kleinvee
Hoofdstuk 47
- 1.
- en (hij) kwam Jozef en (hij) werd verteld aan farao en (hij) sprak vader en broer en kleinvee (...) hen en rundvee (...) hen en alle die aan hen (zij) zijn gekomen van land Kanaän en hier zijn zij bij (het) land nader! (...) hen
- 2.
- en van einde broers (...) hem lering vijf mensen WIßCM voor farao
- 3.
- en (hij) sprak farao naar broers (...) hem wat? daden (...) jullie en (zij) spraken naar farao herder kleinvee slaven (...) jou ook wij ook vaders-en (...) ons
- 4.
- en (zij) spraken naar farao te wonen bij (het) land (wij) zijn gekomen dat (er is) niet van herder aan kleinvee die aan slaven (...) jou dat lever de honger bij (het) land Kanaän en nu (zij) hebben gewoond toch slaven (...) jou bij (het) land nader! (...) hen
- 5.
- en (hij) sprak farao naar Jozef te spreken vader (...) jou en broers (...) jou (zij) zijn gekomen naar jou
- 6.
- land Egypte voor jou hij BMIÐB het land EWSB (tot) vader (...) jou en (tot) broers (...) jou (zij) hebben gewoond bij (het) land nader! (...) hen en als (jij) hebt geweten en er is in hen mens (...) mij macht en (jullie) hebben geplaatst Sarai bezit op die aan mij
- 7.
- en (hij) kwam Jozef (tot) Jakob vader (...) hem en (zij) stondden vast (...) hem voor farao en (hij) zegende Jakob (tot) farao
- 8.
- en (hij) sprak farao naar Jakob zoiets dagen van tweede leven (...) jou
- 9.
- en (hij) sprak Jakob naar farao dagen van tweede om te wonen (...) mij dertig en honderd jaar een beetje en kwaden (zij) zijn geweest dagen van tweede leef! noch (zij) hebben bereikt (tot) dagen van tweede leef! vaders van bij (de) dagen van MCWRIEM
- 10.
- en (hij) zegende Jakob (tot) farao en uitgaande weg van aanzicht van farao
- 11.
- en bewoner Jozef (tot) vader (...) hem en (tot) broers (...) hem en (hij) gaf aan hen (zij) heeft gegrepen bij (het) land Egypte BMIÐB het land bij (het) land Rameses zoals geef opdracht! farao
- 12.
- WIKLKL Jozef (tot) vader (...) hem en (tot) broers (...) hem en (tot) alle huis vader (...) hem brood aan mond van de kleine kinderen
- 13.
- en brood (er is) niet in alle het land dat lever de honger zeer en (hij) heeft opgehangen land Egypte en land Kanaän van aanzicht van de honger
- 14.
- en (hij) verzamelde Jozef (tot) alle het zilver (is het zo) dat (wij) vondden bij (het) land Egypte en bij (het) land Kanaän bij (hij) heeft gebroken die zij breek! (...) hen en (hij) kwam Jozef (tot) het zilver naar huis farao
- 15.
- en (hij) verbaasde zich het zilver van land Egypte en van land Kanaän en voert in! alle Egypte naar Jozef te spreken vooruit! aan ons brood en waarom (wij) stierven tegenover jou dat niets zilver
- 16.
- en (hij) sprak Jozef brengt van nesten (...) jullie en (ik) gaf aan jullie BMQNIKM als niets zilver
- 17.
- en (zij) brachten (tot) van nesten (...) hen naar Jozef en (hij) gaf aan hen Jozef brood bij (de) paarden en bij (het) bezit het kleinvee en bij (het) bezit het rundvee en bij (de) ezeldrijvers WINELM bij (het) brood in alle bezit (...) hen in het jaar dat
- 18.
- en (zij) verbaasde zich het jaar dat en voert in! naar hem in het jaar de tweede en (zij) spraken als niet (wij) verborgen van liggers van dat als onschuldige het zilver en bezit de vee naar liggers van niet geblevene voor liggers van niet als CWITNW WADMTNW
- 19.
- waarom (wij) stierven aan ogen (...) jou ook wij ook ADMTNW buis (met) ons en (tot) ADMTNW bij (het) brood en (wij) waren wij WADMTNW slaven aan farao en geef! nakomelingen en (wij) leefden noch (wij) stierven en de aarde niet (zij) plaatste
- 20.
- en (hij) kocht Jozef (tot) alle aarde van Egypte aan farao dat (zij) hebben verkocht Egypte man veld (...) hem dat kracht hoogtes (...) hen de honger en (zij) was het land aan farao
- 21.
- en (tot) het volk (hij) heeft overgebracht (met) hem aan steden van einde grens Egypte en tot einde (...) hem
- 22.
- lege aarde van de priesters niet buis dat wet aan priesters honderd farao en (zij) hebben gegeten (tot) wet (...) hen die (hij) heeft gegeven aan hen farao op zo niet (zij) hebben verkocht (tot) aarde-en (...) hen
- 23.
- en (hij) sprak Jozef naar het volk èn (ik) heb gekocht (met) jullie vandaag en (tot) ADMTKM aan farao EA aan jullie nakomelingen en (jullie) hebben gezaaid (tot) de aarde
- 24.
- en (hij) is geweest bij (de) opbrengst van en (jij) hebt gegeven (...) hen HMISIT aan farao en vier EIDT (hij) was aan jullie aan nakomelingen het veld en aan eten (...) jullie en te bevestigen bij (de) huizen (...) jullie en aan eten aan kleine kinderen (...) jullie
- 25.
- en (zij) spraken EHITNW (wij) vondden gratie bij bestudeer! liggers van en (wij) zijn geweest slaven aan farao
- 26.
- en pas toe! (met) haar Jozef aan wet tot vandaag deze op aarde van Egypte aan farao aan vijf lege aarde van de priesters alleen zij niet (zij) is geweest aan farao
- 27.
- en inwoner Israël bij (het) land Egypte bij (het) land nader! (...) hen en (zij) grepen bij haar en (zij) waren vruchtbaar en (zij) vermeerderden zeer
- 28.
- en leve! Jakob bij (het) land Egypte zeven tien jaar en wees dagen van Jakob tweede leef! (...) hem zeven twee en veertig en honderd jaar
- 29.
- en (zij) brachten nader dagen van Israël te sterven en (hij) noemde hart (...) ons aan Jozef en (hij) sprak als als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou plaats! toch hand (...) jou in de plaats van heup (...) mij en (jij) hebt gedaan met mij genade en waarheid naar toch (zij) begroef (...) mij bij Egypte
- 30.
- en (ik) heb gelegen met vaders van en (jullie) hebben gedragen (...) mij van Egypte en (jullie) hebben begraven (...) mij bij (jullie) hebben begraven en (hij) sprak ik (ik) werd gedaan zoals woord (...) jou
- 31.
- en (hij) sprak de zeven aan mij en (hij) was verzadigd als en (hij) boog zich diep Israël op hoofd de stam
Hoofdstuk 48
- 1.
- en wees na de woorden (de) deze en (hij) sprak aan Jozef hier is vader (...) jou (hij) is ziek geworden en (hij) nam (tot) tweede zonen (...) hem met hem (tot) Manasse en (tot) Efraïm
- 2.
- en (hij) werd verteld aan Jakob en (hij) sprak hier is zoon (...) jou Jozef (hij) is gekomen naar jou en (hij) werd sterker Israël en inwoner op de stam
- 3.
- en (hij) sprak Jakob naar Jozef naar Sjadai (wij) lieten zien naar mij BLWZ bij (het) land Kanaän en (hij) zegende (met) mij
- 4.
- en (hij) sprak naar mij hier ben ik breek(t) kapot en (jij) hebt vermeerderd (...) jou en (ik) heb gegeven (...) jou aan menigte volkeren en (ik) heb gegeven (tot) het land (de) deze aan nakomelingen (...) jou na jou (jij) hebt gegrepen eeuwigheid
- 5.
- en nu tweede zonen (...) jou (is het zo) dat worden geboren aan jou bij (het) land Egypte tot bij (de) eiland naar jou naar Egypte aan mij zij Efraïm en Manasse zoals Ruben en Simeon (zij) waren aan mij
- 6.
- en vaderland (...) jou die EWLDT na hen aan jou (zij) waren op daar broers (...) hen (zij) noemden bij (jullie) hebben verworven
- 7.
- en ik bij (hij) is gekomen (...) mij MPDN (zij) is gestorven op mij Rachel bij (het) land Kanaän bij (de) weg terwijl een stuk van land te komen Efrath WAQBRE daar bij (de) weg APRT hij huis brood
- 8.
- en gezien Israël (tot) bouw! Jozef en (hij) sprak water van deze
- 9.
- en (hij) sprak Jozef naar vader (...) hem bouw! zij die (hij) heeft gegeven aan mij God hier en (hij) sprak neem! (...) hen toch naar mij en (ik) zegende (...) hen
- 10.
- en bestudeer! Israël (zij) zijn zwaar geweest van baard niet (hij) zal kunnen te zien en (hij) is genaderd (met) hen naar hem en (hij) gaf te drinken aan hen en (hij) omarmde aan hen
- 11.
- en (hij) sprak Israël naar Jozef (hij) heeft gezien aanzichten (...) jou niet PLLTI en hier is (hij) heeft laten zien (met) mij God ook (tot) nakomelingen (...) jou
- 12.
- en (hij) bracht naar buiten Jozef (met) hen bij vandaan zegen! (...) hem en (hij) boog zich diep aan neuzen (...) hem naar land
- 13.
- en (hij) nam Jozef (tot) die twee (tot) Efraïm bij (de) dagen (...) ons MSMAL Israël en (tot) Manasse bij (de) linkerhand (...) hem van rechterhand Israël en (hij) is genaderd naar hem
- 14.
- en (hij) zond weg Israël (tot) dagen (...) ons en (hij) legde op hoofd Efraïm en hij (de) kleine en (tot) linkerhand (...) hem op hoofd Manasse verstand (tot) handen (...) hem dat Manasse de eerstgeborene
- 15.
- en (hij) zegende (tot) Jozef en (hij) sprak naar God die (zij) hebben rondgewandeld vaders van voor hem Abraham en Izak naar God de herder (met) mij MOWDI tot vandaag deze
- 16.
- de boodschapper de wreker (met) mij van alle kwaad (hij) zegende (tot) de jongens en (hij) noemde bij hen namen van en naam [van] vaders van Abraham en Izak WIDCW aan meerderheid te midden van het land
- 17.
- en gezien Jozef dat (hij) legde vader (...) hem hand dagen (...) ons op hoofd Efraïm en (hij) achtervolgde bij (de) ogen (...) hem en (hij) verbaasde zich (...) jou hand vader (...) hem te verwijderen (met) haar boven hoofd Efraïm op hoofd Manasse
- 18.
- en (hij) sprak Jozef naar vader (...) hem niet zo vader dat dit (is het zo) dat trek voor! plaats! rechterhand (...) jou op hoofd (...) hem
- 19.
- en (hij) weigerde vader (...) hem en (hij) sprak (ik) heb geweten bouw! (ik) heb geweten ook hij (hij) was aan volk en ook hij (hij) groeide daarentegen broers (...) hem de kleine (hij) groeide (van)uit hem en (zij) hebben gezaaid (hij) was (hij) is vol geweest de volken
- 20.
- en (hij) zegende (...) hen bij (de) dag dat LAMWR bij jou (hij) zegende Israël te spreken pas toe! (...) jou God zoals Efraïm WKMNSE en pas toe! (tot) Efraïm voor Manasse
- 21.
- en (hij) sprak Israël naar Jozef hier is ik dode en (hij) is geweest God met jullie en (hij) heeft teruggegeven (met) jullie naar land vaders (...) jullie
- 22.
- en ik (ik) heb gegeven aan jou schouder één op broers (...) jou die (ik) heb genomen van hand de Amoriet bij word vernield! en bij (de) bogen van
Hoofdstuk 49
- 1.
- en (hij) noemde Jakob naar zonen (...) hem en (hij) sprak (is het zo) dat (zij) hebben verzameld en (ik) vertelde (er)naar aan jullie (tot) die (hij) noemde (met) jullie aan het einde van de dagen
- 2.
- (is het zo) dat (zij) hebben verzameld en (zij) hebben toegehoord bouw! Jakob en (zij) hebben toegehoord naar Israël vader (...) jullie
- 3.
- Ruben trek voor! (met) haar zoals levende en begin krachten van rest te dragen en rest kracht
- 4.
- PHZ staan op naar TWTR dat (jij) bent opgegaan bedden van vader (...) jou destijds HLLT IßWOI blad
- 5.
- Simeon en Levi broers gereedschap roof MKRTIEM
- 6.
- bij Sodom naar (zij) kwam ziel (...) mij bij (de) menigte (...) hen naar THD ben zwaar! dat bij (de) neus (...) hen (zij) hebben gedood man WBRßNM OQRW os
- 7.
- vervloekte neus (...) hen dat kracht en (jullie) zijn voorbijgegaan dat (zij) is hard geworden (ik) verdeelde (...) hen bij Jakob WAPIßM bij Israël
- 8.
- Juda (met) haar (zij) bedankten (...) jou broers (...) jou hand (...) jou bij (de) nek vijanden (...) jou (zij) bogen zich diep aan jou bouw! vader (...) jou
- 9.
- woon! leeuw Juda van prooi bouw! (jij) bent opgegaan zoals kwaad RBß zoals leeuw WKLBIA water van (hij) vestigde (...) ons
- 10.
- niet (hij) verblindde stam van Juda WMHQQ van tussen voeten (...) hem tot dat (hij) kwam SILE en als IQET volkeren
- 11.
- neem gevangen! aan wijnstok (hij) heeft blootgelegd WLSRQE bouw! (met) ons was! bij (de) wijn (zij) hebben zich bekleed en bij (het) bloed druiven XWTE
- 12.
- HKLILI ogen van wijn en tot zoon twee van melk
- 13.
- Zebulon LHWP dagen jullie zijn er en hij LHWP schip van en heup (...) hem op Sidon
- 14.
- Issaschar klei knokkel RBß tussen EMSPTIM
- 15.
- en gezien geschenk dat goede en (tot) het land dat (zij) is aangenaam geweest en (hij) neeg dat (zij) zijn opgestaan LXBL en wees aan belasting slaaf
- 16.
- Dan (hij) berechtte met hem zoals een stammen van Israël
- 17.
- wees Dan slang op mij weg SPIPN op mij manier de woekerrente volg! paard en (hij) liet vallen (zij) hebben gereden achterzijde
- 18.
- aan verlossing (...) jou (ik) heb gehoopt Jahweh
- 19.
- Gad eenheid ICWDNW en hij ICD voetstap
- 20.
- bevestig(t) acht (zij) hebben gestreden en hij (hij) gaf MODNI koning
- 21.
- Nafthali ree (zij) heeft gezonden (is het zo) dat (hij) heeft gegeven Amoriet schoonheid
- 22.
- zoon koe van Jozef zoon koe van op mij oog dochters (zij) is gestapt op mij os
- 23.
- en (zij) verbitterden (...) hem en tienduizend WISÐMEW bij (de) hoge pijlen
- 24.
- en (jij) woonde bij (de) sterke boog (...) hem WIPZW zaaie! handen (...) hem van handen van ridder Jakob van daar herder steen Israël
- 25.
- van macht vader (...) jou en (hij) hielp (...) jou en (tot) Sjadai en (hij) zegende (...) jou (jij) hebt gezegend hemel boven (jij) hebt gezegend afgrond RBßT in de plaats van (jij) hebt gezegend roven en baarmoeder
- 26.
- (jij) hebt gezegend vader (...) jou (zij) zijn sterk geworden op (jij) hebt gezegend EWRI tot begeerte van heuvel van eeuwigheid (jij) was (...) hen aan hoofd Jozef WLQDQD monnik broers (...) hem
- 27.
- Benjamin wolf IÐRP bij (het) rundvee (hij) at tot en aan borg (hij) verdeelde buit
- 28.
- alle deze stammen van Israël twee rijkdom en deze die woord aan hen vaders (...) hen en (hij) zegende hen man die zoals gelukwens (...) hem zegen! (met) hen
- 29.
- en (hij) gaf opdracht hen en (hij) sprak naar hen ik (wij) verzamelden naar met mij (zij) hebben begraven (met) mij naar vaders van naar de grot die bij (het) veld Efron de angsten van
- 30.
- bij (de) grot die bij (het) veld EMKPLE die op aanzicht van Mamre bij (het) land Kanaän die buis Abraham (tot) het veld honderd stof (...) hen de angsten van LAHZT graf
- 31.
- daarnaar (-s) (zij) hebben begraven (tot) Abraham en (tot) Sara vuur (...) hem daarnaar (-s) (zij) hebben begraven (tot) Izak en (tot) Rebekka vuur (...) hem en daarnaar (-s) (ik) heb begraven (tot) Lea
- 32.
- bezit het veld en de grot die bij hem honderd bouw! angst
- 33.
- en (hij) heeft gekund Jakob LßWT (tot) zonen (...) hem en (hij) verzamelde voeten (...) hem naar de stam en (hij) stierf en (hij) verzamelde naar volkeren (...) hem
Hoofdstuk 50
- 1.
- en (hij) liet vallen Jozef op aanzicht van vader (...) hem en (hij) weende op hem en (hij) gaf te drinken als
- 2.
- en (hij) gaf opdracht Jozef (tot) slaven (...) hem (tot) de spoken LHNÐ (tot) vader (...) hem en (zij) balsemden de spoken (tot) Israël
- 3.
- en (zij) waren vol als veertig dag dat zo (zij) waren vol dagen van (is het zo) dat balsem! (...) hen en (zij) weenden (met) hem Egypte zeventig dag
- 4.
- en (zij) gingen voorbij dagen van (jij) hebt geweend (...) hem en (hij) sprak Jozef naar huis farao te spreken als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jullie spreekt! toch bij (de) oren van farao te spreken
- 5.
- vader ESBIONI te spreken hier is ik dode bij begraaf! die (ik) heb gegraven aan mij bij (het) land Kanaän daarnaar (-s) (zij) begroef (...) mij en nu (ik) verhief toch WAQBRE (tot) vader en (ik) ging rond
- 6.
- en (hij) sprak farao blad en graf (tot) vader (...) jou zoals ESBIOK
- 7.
- en (hij) verhief Jozef aan graf (tot) vader (...) hem en (zij) verhieven (met) hem alle werk! farao ben oud! huis (...) hem en alle ben oud! land Egypte
- 8.
- en alle huis Jozef en broers (...) hem en huis vader (...) hem lege kleine kinderen (...) hen en kleinvee (...) hen en rundvee (...) hen (zij) hebben verlaten bij (het) land nader! (...) hen
- 9.
- en (hij) verhief met hem ook wagen ook ruiters en wees het kamp lever zeer
- 10.
- en voert in! tot vreemdeling (...) hen EAÐD die bij (de) kant de Jordaan en (zij) beweenden daar rouwklacht grote en lever zeer en (hij) heeft gemaakt aan vader (...) hem rouw zeven dagen
- 11.
- en gezien bewoner het land (de) Kanaänitische (tot) de rouw bij (de) vreemdeling (...) hen EAÐD en (zij) spraken rouw lever dit aan Egypte op zo (hij) heeft genoemd daarnaar (-s) rouw Egypte die bij (de) kant de Jordaan
- 12.
- en (zij) hebben gemaakt zonen (...) hem als zo zoals opdracht (...) hen
- 13.
- en (zij) droegen (met) hem zonen (...) hem naar land Kanaän en (zij) begroeven (met) hem bij (de) grot van veld EMKPLE die buis Abraham (tot) het veld LAHZT graf honderd stof (...) hen de angsten van op aanzicht van Mamre
- 14.
- en inwoner Jozef naar Egypte hij en broers (...) hem en alle de hoogtes (met) hem aan graf (tot) vader (...) hem na (zij) hebben begraven (tot) vader (...) hem
- 15.
- en (zij) lieten zien broer Jozef dat dode vaders (...) hen en (zij) spraken als ISÐMNW Jozef en geef terug! (hij) gaf terug aan ons (tot) alle de herder die (wij) hebben vergolden (met) hem
- 16.
- en (zij) gaven opdracht naar Jozef te spreken vader (...) jou geef opdracht! voor sterft! te spreken
- 17.
- zo (jullie) spraken aan Jozef och draag! toch misdaad broers (...) jou en (jullie) hebben gezondigd dat herder laat ontwennen! (...) jou en nu draag! toch aan misdaad werk! mijn God vader (...) jou en (hij) weende Jozef bij (het) woord (...) hen naar hem
- 18.
- en (zij) gingen ook broers (...) hem en (zij) vielen voor hem en (zij) spraken hier zijn wij aan jou aan slaven
- 19.
- en (hij) sprak naar hen Jozef naar (jullie) vreesden dat ETHT God ik
- 20.
- en (met) hen (jullie) hebben gedacht op mij herder God (zij) heeft gedacht LÐBE opdat (hij) heeft gedaan zoals dag deze aan het dier van met meerderheid
- 21.
- en nu naar (jullie) vreesden ik AKLKL (met) jullie en (tot) kleine kinderen (...) jullie en (hij) troostte hen en (hij) sprak op hart (...) hen
- 22.
- en inwoner Jozef bij Egypte hij en huis vader (...) hem en leve! Jozef honderd en rijkdom twee
- 23.
- en gezien Jozef aan Efraïm bouw! dertig ook bouw! Machir zoon Manasse helpt bij de geboorte! op zegen! Jozef
- 24.
- en (hij) sprak Jozef naar broers (...) hem ik dode en God opname (hij) beval (met) jullie en dat wat opgaat (met) jullie vanuit het land (de) deze naar het land die (hij) heeft gezworen aan Abraham aan Izak en aan Jakob
- 25.
- en (hij) was verzadigd Jozef (tot) bouw! Israël te spreken opname (hij) beval God (met) jullie en dat wat opgaat-en (...) hen (tot) (ik) ben machtig geworden hiervandaan
- 26.
- en (hij) stierf Jozef zoon honderd en rijkdom twee en (zij) balsemden (met) hem en (hij) heeft toegepast bij (de) kist bij Egypte