Hoofdstuk 1

1.
man (hij) is geweest bij (het) land Uz Job zijn naam en (hij) is geweest de man dat onschuldige en rechte en gezien God en (hij) is afgeweken van kwaad
2.
en (zij) zijn geboren als zeven zonen en drie dochters
3.
en wees bezit (...) hem zeven duizend(en) van kleinvee en drie van duizend(en) van kamelen en vijf honderd span rundvee en vijf honderd ezelinnen en feit veelheid zeer en wees de man dat grote van alle bouw! voorkant
4.
en (zij) zijn gegaan zonen (...) hem en Ezau banket huis man dag (...) hem en zendt weg! en (zij) hebben genoemd aan drie van AHITIEM aan eten en te drinken met hen
5.
en wees dat EQIPW dagen van het banket en (hij) zond weg Job en (hij) heiligde (...) hen en (hij) is vroeg opgestaan bij (het) rundvee en dat wat opgaat beklimmingen getal allemaal dat woord Job misschien (zij) hebben gezondigd bouw! en zegent! God bij (het) hart (...) hen zodoende (zij) heeft gemaakt Job alle de dagen
6.
en wees vandaag en voert in! bouw! naar God zich op te stellen op Jahweh en invoer ook de satan bij (het) midden (...) hen
7.
en (hij) sprak Jahweh naar de satan vanwaar? (zij) kwam en wegens de satan (tot) Jahweh en (hij) sprak van zweep bij (het) land en om rond te wandelen bij haar
8.
en (hij) sprak Jahweh naar de satan (is het zo) dat (jij) hebt geplaatst hart (...) jou op werk! Job dat (er is) niet zoiets (...) hem bij (het) land man onschuldige en rechte gezien God en (hij) is afgeweken van kwaad
9.
en wegens de satan (tot) Jahweh en (hij) sprak (de) gratis gezien Job God
10.
toch? (tot) SKT bij (de) getuige (...) hem en door huis (...) hem en door alle die als van rondom Mozes handen (...) hem (jij) hebt gezegend en bezit (...) hem doorbraak bij (het) land
11.
daarentegen wapen toch hand (...) jou en (hij) is gestorven in alle die als als niet op aanzichten (...) jou (hij) zegende (...) jou
12.
en (hij) sprak Jahweh naar de satan hier is alle die als bij (de) hand (...) jou lege naar hem naar (jij) zond weg hand (...) jou en uitgaande de satan bij vandaan aanzicht van Jahweh
13.
en wees vandaag en zonen (...) hem en dochters (...) hem eten-en en twee wijn bij (het) huis broers (...) hen de eerstgeborene
14.
en boodschapper (hij) is gekomen naar Job en (hij) sprak het rundvee (zij) zijn geweest stille (mv) en de ezelinnen medemensen op handen (...) hen
15.
en (zij) viel Scheba en (jij) nam (...) hen en (tot) de jongens (zij) hebben geslagen aan mond van zwaard en (ik) redde (er)naar lege ik alleen ik te vertellen aan jou
16.
nog (eens) dit woestijn en dit (hij) is gekomen en (hij) sprak vuur God (zij) is gevallen vanuit de hemel en (jij) roeide uit bij (het) kleinvee en bij (de) jongens en (jij) at (...) hen en (ik) redde (er)naar lege ik alleen ik te vertellen aan jou
17.
nog (eens) dit woestijn en dit (hij) is gekomen en (hij) sprak Chaldeeën zijn naam drie hoofden en (zij) kleedden uit op de kamelen en (zij) namen (...) hen en (tot) de jongens (zij) hebben geslagen aan mond van zwaard en (ik) redde (er)naar lege ik alleen ik te vertellen aan jou
18.
tot dit woestijn en dit (hij) is gekomen en (hij) sprak zonen (...) jou en bebouwingen (...) jou eten-en en twee wijn bij (het) huis broers (...) hen de eerstgeborene
19.
en hier is wind grootheid kom(t) trek(t) door de woestijn en vermoeide bij vier hoeken het huis en (hij) liet vallen op de jongens en (zij) stierven en (ik) redde (er)naar lege ik alleen ik te vertellen aan jou
20.
en (hij) stond op Job en (hij) scheurde (tot) (zij) hebben ontvreemd WICZ (tot) hoofd (...) hem en (hij) liet vallen naar land en (hij) boog zich diep
21.
en (hij) sprak stad (...) hen IßTI van buik moeder (...) mij en stad (...) hen (ik) blies daarnaar (-s) Jahweh (hij) heeft gegeven en Jahweh lering wees daar Jahweh zegen(t)
22.
in alle deze niet zondaar Job noch (hij) heeft gegeven gebed aan God

Hoofdstuk 2

1.
en wees vandaag en voert in! bouw! naar God zich op te stellen op Jahweh en invoer ook de satan temidden van hen zich op te stellen op Jahweh
2.
en (hij) sprak Jahweh naar de satan waar hiervandaan (zij) kwam en wegens de satan (tot) Jahweh en (hij) sprak MSÐ bij (het) land en om rond te wandelen bij haar
3.
en (hij) sprak Jahweh naar de satan (is het zo) dat (jij) hebt geplaatst hart (...) jou naar werk! Job dat (er is) niet zoiets (...) hem bij (het) land man onschuldige en rechte gezien God en (hij) is afgeweken van kwaad en getuige (...) ons houd(t) bij (jij) stierf (...) hem WTXITNI bij hem te slikken (...) hem gratis
4.
en wegens de satan (tot) Jahweh en (hij) sprak huid door huid en alle die aan man (hij) gaf door ziel (...) hem
5.
maar wapen toch hand (...) jou en (hij) is gestorven naar (zij) zijn machtig geworden en naar kondigt aan! als niet naar aanzichten (...) jou (hij) zegende (...) jou
6.
en (hij) sprak Jahweh naar de satan hier is hij bij (de) hand (...) jou maar (tot) ziel (...) hem bewaar!
7.
en uitgaande de satan honderd aanzicht van Jahweh en (hij) sloeg (tot) Job bij buk je! (...) hen kwaad van lepel voet (...) hem tot QDQDW
8.
en (hij) nam als stille zich te krabben bij hem en hij inwoner binnen de as
9.
en (jij) sprak als vuur (...) hem getuige (...) jou houd(t) bij (zij) stierf (...) jou zegen! God en dode
10.
en (hij) sprak vetstaart zoals woord één de kadavers (jij) sprak ook (tot) (de) goede (wij) ontvingen honderd naar God en (tot) juich! niet (wij) ontvingen in alle deze niet zondaar Job bij (de) lippen (...) hem
11.
en (zij) hoorden toe drie van achtervolg! Job (tot) alle de herder (de) deze (is het zo) dat kom(t) op hem en voert in! man van plaats (...) hem Elifaz de Themaniet en Bildad de Suhiet WßWPR de Naamathiet WIWODW samen te komen LNWD als en te troosten (...) hem
12.
en (zij) droegen (tot) ogen (...) hen om ver te zijn noch (zij) heeft herkend (...) hem en (zij) droegen klank (...) hen en (zij) weenden en (zij) scheurden man (zij) hebben ontvreemd en (zij) gooiden stof op hoofden (...) hen naar de hemel
13.
en (zij) hebben gewoond (met) hem aan land zeven dagen en zeven nachten en (er is) niet woord naar hem woord dat (zij) hebben gezien dat grootheid EKAB zeer

Hoofdstuk 3

1.
na zo opening Job (tot) mond van hem en (hij) vervloekte (tot) dag (...) hem
2.
en wegens Job en (hij) sprak
3.
(hij) ging verloren dag AWLD bij hem en de nacht woord naar heuvel man
4.
vandaag dat wees duisternis naar (zij) legden uit (...) hem God boven en naar TWPO op hem (wij) werden zwanger
5.
ICALEW duisternis en diepe duisternis (jij) behuisde op hem donkere wolk IBOTEW KMRIRI dag
6.
de nacht dat (zij) namen (...) hem donkere naar samen bij (de) dagen van jaar bij (het) getal maan-en naar (hij) kwam
7.
hier is de nacht dat wees CLMWD naar (jij) kwam (zij) heeft gezongen bij hem
8.
(zij) stelden vast (...) hem ARRI dag EOTIDIM ORR zeemonster
9.
IHSKW sterren van (zij) hebben uitgeademd (hij) hoopte aan licht en (er is) niet en naar vrees BOPOPI zwarte
10.
dat niet slot deur (...) mij buik (...) mij en (hij) weerlegde werkzame bestudeer(t) (...) mij
11.
waarom niet heb(t) medelijden (ik) stierf van buik (ik) ben uitgegaan en (ik) stierf
12.
waarom? (zij) zijn voorgegaan (...) mij zegen! (...) hen en wat? roven dat AINQ
13.
dat nu (ik) heb gelegen en (ik) was stil ISNTI destijds (hij) rustte aan mij
14.
met koningen en adviseer! land de zonen zwaarden voor hen
15.
of met zingen goud aan hen (is het zo) dat vervullen huizen (...) hen zilver
16.
of als ga neer! verberg! niet (ik) was als richt aan! (...) hen niet (zij) hebben gezien licht
17.
daar slechte (mv) (zij) hebben opgehouden (hij) is boos geweest en naam [van] (zij) rustten moeiten van kracht
18.
samen AXIRIM SANNW niet (zij) hebben toegehoord klank (wij) naderden
19.
kleine en grote daar hij en slaaf vrije van liggers (...) hem
20.
waarom (hij) gaf aan werkzame licht en leven aan verzet ziel
21.
EMHKIM te sterven en hij is (er) niet en (zij) groeven (...) hem MMÐMWNIM
22.
(is het zo) dat maak blij! (...) hen naar mij vreugde (zij) verblijdden zich dat (zij) vondden graf
23.
aan man die weg (...) hem NXTRE en (hij) goot uit God bij (de) getuige (...) hem
24.
dat voor strijd! ANHTI (zij) kwam WITKW staan op (ik) heb gebruld
25.
dat angst (ik) ben bang geweest WIATINI en die ICRTI (hij) kwam aan mij
26.
niet SLWTI noch (ik) ben stil geweest noch land! en (hij) kwam (hij) is boos geweest

Hoofdstuk 4

1.
en wegens Elifaz de Themaniet en (hij) sprak
2.
(is het zo) dat (zij) is gevlucht woord naar jou TLAE en (hij) heeft vastgehouden bij laat overnachten water van (hij) zal kunnen
3.
hier is IXRT twisten en handen RPWT (jij) versterkte
4.
struikel(t) (zij) vestigden (...) hen besnijden (...) jou en bij (de) zachtheden zoals medemensen (jij) was sterk
5.
dat nu (jij) kwam naar jou WTLA (zij) stierf getuigen (...) jou WTBEL
6.
toch? (jij) hebt gevreesd (...) jou zoals bloem(meel) (...) jou hoop (...) jou en onschuldige wegen (...) jou
7.
man toch water van hij schone (hij) is verloren gegaan en (ik) was mooi rechte (mv) (wij) verborgen (...) hem
8.
zoals (ik) heb gezien ploeg! kracht en zaaie! werkzame IQßREW
9.
van ziel van God (zij) gingen verloren en van wind neus (...) hem (zij) hebben gekund
10.
(jij) hebt gebruld leeuw en klank leeuw en tweede jonge leeuwen NTOW
11.
leeuw (hij) is verloren gegaan zonder prooi en bouw! leeuw ITPRDW
12.
en naar mij woord ICNB en (jij) nam oren van SMß benoemt!
13.
BSOPIM MHZINWT nacht bij ga neer! diepe slaap op mensen
14.
angst (hij) heeft genoemd (...) mij WRODE en meerderheid botten (...) mij EPHID
15.
en wind op aanzicht van IHLP TXMR dat (jij) bent wakker geworden kondig aan!
16.
(hij) stond vast noch (ik) herkende verschijning (...) hem afbeelding tegen bestudeer! DMME en klank (ik) hoorde toe
17.
de mens van God (hij) had gelijk als handeling (...) hem (hij) zuiverde zich man
18.
èn bij (de) slaven (...) hem niet (hij) geloofde en bij (de) boodschappers (...) hem (hij) plaatste lof(lied)
19.
neus behuis! dochter (...) mij klei die bij (het) stof fundament (...) hen IDKAWM voor maak!
20.
bezoek(t) aan aangename IKTW zonder om te plaatsen uiteindelijk (zij) gingen verloren
21.
toch? (hij) heeft gereisd rest (...) hen in hen (zij) stierven noch bij (de) wijsheid

Hoofdstuk 5

1.
(hij) heeft genoemd toch is er? misdaad (...) jou en naar water van heiligen (jij) wendde je
2.
dat aan dwaas (hij) doodde als maak! en mond (...) haar (jij) doodde jaloezie
3.
ik (ik) heb gezien dwaas MSRIS en (ik) stelde vast woonplaats (...) hem plotseling
4.
(zij) waren ver zonen (...) hem van redding WIDKAW bij (de) poort en (er is) niet redder
5.
die oogst (...) hem honger (hij) at en naar van Zin-en (zij) namen (...) hem WSAP ßMIM macht (...) hen
6.
dat niet uitgaande van stof kracht en van aarde niet (hij) groeide werkzame
7.
dat mens aan werkzame baar(t) en bouw! RSP ICBIEW vogel
8.
maar ik (ik) werd verzocht naar naar en naar God (ik) plaatste woord (...) mij
9.
(hij) heeft gedaan groeiende (mv) en (er is) niet onderzoek wonderen tot (er is) niet getal
10.
(is het zo) dat (hij) heeft gegeven regen op aanzicht van land en wapen water op aanzicht van straten
11.
te plaatsen lage (mv) aan hoogte en word donker! (...) hen SCBW redding
12.
van stier berekenen ORWMIM noch (jullie) maakten handen (...) hen TSIE
13.
voeg samen! wijze (mv) BORMM en raad NPTLIM (wij) haastten ons (er)naar
14.
dag (...) hen (zij) ontmoetten duisternis WKLILE IMSSW bij (de) middag
15.
en redding van zwaard van monden (...) hen en van hand kracht arme
16.
en (zij) was aan armelijke hoop en (zij) is opgegaan QPßE naar mond van
17.
hier is heil mens (hij) werd bewezen (...) ons God en zedeles Sjadai naar (jij) verafschuwde
18.
dat hij IKAIB en (hij) verbond (hij) vermorzelde en (hij) bedankte (jullie) lieten los
19.
bij zes smalle (mv) (hij) redde (...) jou WBSBO niet vermoeide bij jou kwaad
20.
bij (de) honger PDK om te sterven en bij (de) strijd van handen van zwaard
21.
bij (de) zweep tong THBA noch (je) zult vrezen van roof dat invoer
22.
aan roof en aan lepel (...) hen (zij) wreef fijn en (jij) hebt uitgewist het land naar (je) zult vrezen
23.
dat met stenen van het veld verbond (...) jou en dier van het veld (is het zo) dat Salomo aan jou
24.
en (jij) hebt geweten dat vrede (ik) ging en (jij) hebt bekeken NWK noch (jij) zondigde
25.
en (jij) hebt geweten dat meerderheid nakomelingen (...) jou WßAßAIK zoals planten het land
26.
(jij) kwam BKLH naar mij graf zoals beklimmingen CDIS bij (de) tijd (...) hem
27.
hier is deze (wij) hebben onderzocht (er)naar zo zij (hij) heeft toegehoord (...) haar en (met) haar weet! aan jou

Hoofdstuk 6

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
als weeg! ISQL als maak! WEITI BMAZNIM (zij) droegen samen
3.
dat nu van zand dagen (hij) was zwaar op zo spreek! LOW
4.
dat halve Sjadai met mij die leren zak (...) hen (zij) heeft gelegd wind (...) mij bij verdraaie! God (zij) ordenden (...) mij
5.
EINEQ (hij) is in opstand gekomen op mij grasveld als (zij) heeft moeite gedaan os op bij (de) nacht (...) hem
6.
(is het zo) dat (hij) at zoutloze zonder zout als er is smaak BRIR dromen
7.
(zij) heeft geweigerd aan te raken ziel (...) mij deze (mv) KDWI strijd!
8.
water van (hij) gaf (jij) kwam (ik) heb gevraagd en hoop (...) mij (hij) gaf God
9.
WIAL God WIDKANI rest (hij) bedankte en (hij) voerde uit (...) mij
10.
en (zij) was nog (eens) (ik) heb getroost WAXLDE naar bij (de) macht niet (hij) had medelijden dat niet KHDTI Amoriet heilige
11.
wat? zoals levende dat (hij) heeft toegewenst en wat? word wakker! dat (ik) verlengde ziel (...) mij
12.
als kracht stenen zoals levende als kondig aan! (wij) haastten ons
13.
(is het zo) dat als (er is) niet (ik) heb geholpen bij mij WTSIE verstotene (van)uit mij
14.
aan belasting van zijn vriend genade en (jij) hebt gevreesd Sjadai IOZWB
15.
broer kleed (...) hem zoals wadi zoals bedding wadi's (zij) gingen voorbij
16.
(is het zo) dat word donker! (...) hen van mij ijs op hen ITOLM sneeuw
17.
bij (de) tijd IZRBW NßMTW bij bent bronstig! NDOKW van plaats (...) hen
18.
ILPTW manieren generatie (...) jullie (zij) verhieven bij (de) verlatenheid en (zij) gingen verloren
19.
(zij) hebben gekeken manieren TMA ELIKT Scheba (zij) hebben gehoopt voor hen
20.
(zij) hebben zich geschaamd dat veiligheid (zij) zijn gekomen naar sieraad en (zij) groeven
21.
dat nu (jullie) zijn geweest niet (jullie) lieten zien HTT en (jullie) vreesden
22.
sla! (ik) heb gesproken brengt aan mij en van kracht (...) jullie (zij) hebben omgekocht bij (het) sieraad
23.
en redt! (...) mij van hand smalle en van hand tirannen (jullie) bevrijdden (...) mij
24.
EWRWNI en ik AHRIS en wat? SCITI (zij) hebben begrepen aan mij
25.
wat? NMRßW Amoriet rechte en wat? (hij) bewees (hij) is bewezen (van)uit jullie
26.
ELEWKH besnijden (jullie) berekenden en aan wind Amoriet NWAS
27.
neus op wees (jullie) lieten vallen en (jullie) groeven op RIOKM
28.
en nu (zij) zijn erin meegegaan (zij) hebben zich gewend bij mij en op aanzichten (...) jullie als (ik) loog
29.
keert terug! toch naar (zij) was ga(a)(t) op en gevangenschap nog (eens) heb gelijk! bij haar
30.
is er? bij (de) tong (...) mij ga(a)(t) op als verhemeltes van niet (hij) begreep verderf

Hoofdstuk 7

1.
toch? leger aan mens op land WKIMI loonarbeider dagen (...) hem
2.
zoals slaaf ISAP schaduw WKSKIR (hij) hoopte daad (...) hem
3.
zo (is het zo) dat (ik) heb verworven aan mij maan-en van (het) niets en nachten werkzame (zij) hebben opgenoemd aan mij
4.
als (ik) heb gelegen en (ik) heb gesproken wanneer? (ik) wraakte en (hij) heeft gemeten aangename en (ik) ben verzadigd geweest zwerf! (...) hen tot aan schemer
5.
(hij) heeft zich bekleed kondig aan! wormen WCIS stof word wakker! ogenblik en (hij) verafschuwde
6.
dagen van klank (...) hem van mij ARC en (zij) hebben gekund bij (de) niets hoop
7.
man dat wind leef! niet (jij) blies bestudeer! te zien goede
8.
niet (jij) viel af (...) mij oog spiegel ogen (...) jou bij mij en ik ben (er) niet
9.
schoondochter wolk en (hij) ging zo (hij) werd naar beneden gehaald dodenrijk niet (hij) verhief
10.
niet (hij) blies nog (eens) aan huis (...) hem noch (hij) herkende (...) ons nog (eens) plaats (...) hem
11.
ook ik niet AHSK mond van (ik) sprak (er)naar versterkte wind (...) mij (ik) sprak (er)naar bij (de) bittere ziel (...) mij
12.
de zee ik als krokodil dat (jij) plaatste op mij bewaar(t)
13.
dat (ik) heb gesproken (jij) troostte (...) mij ORSI (hij) droeg bij spreek! bedden van
14.
WHTTNI bij (de) dromen WMHZINWT TBOTNI
15.
en (zij) koos MHNQ ziel (...) mij dood van botten (...) mij
16.
(ik) heb verafschuwd niet aan eeuwigheid (ik) leefde (hij) heeft opgehouden (van)uit mij dat damp dagen van
17.
wat? mens dat (zij) groeide (...) ons en dat (jij) legde naar hem hart (...) jou
18.
en (jij) beval (...) ons aan rundvee-en aan ogenblikken TBHNNW
19.
zoiets niet negen (van)uit mij niet (zij) liet los (...) mij tot slik! RQI
20.
(ik) heb gezondigd wat? APOL aan jou (wij) schiepen de mens waarom dat verzacht! LMPCO aan jou en (ik) was op mij aan last
21.
en wat? niet (jij) droeg misdrijf! en (jij) bracht over (tot) armoede dat nu aan stof (ik) lag neer WSHRTNI en ik ben (er) niet

Hoofdstuk 8

1.
en wegens Bildad de Suhiet en (hij) sprak
2.
tot AN TMLL deze en wind geweldige Amoriet monden (...) jou
3.
deze (hij) verdraaide rechtsregel en als Sjadai (hij) verdraaide rechtvaardigheid
4.
als zonen (...) jou (zij) hebben gezondigd als en (hij) zond weg (...) hen bij (de) hand misdaad (...) hen
5.
als (met) haar TSHR naar naar en naar Sjadai TTHNN
6.
als zuivere en rechte (met) haar dat nu (hij) merkte op op jou en gehele NWT rechtvaardigheid (...) jou
7.
en (hij) is geweest begin (...) jou van Zoar WAHRITK ISCE zeer
8.
dat (hij) heeft gevraagd toch aan generatie vorige en (hij) heeft opgezet aan onderzoek vaders (...) hen
9.
dat gisteren wij noch (wij) wisten dat schaduw dagen (...) ons op mij land
10.
toch? zij IWRWK (zij) spraken aan jou en van hart (...) hen (zij) werden tevoorschijn gehaald besnijden
11.
(is het zo) dat (hij) verhief zich CMA zonder BßE ISCE broer (...) hem zonder water
12.
getuige (...) ons bij (zij) hebben gewenst niet IQÐP en voor alle hooi (hij) was droog
13.
zo manieren alle laat vergeten! naar en hoop van (hij) is gevleid (jij) ging verloren
14.
die IQWÐ als baant! en huis OKBIS verzeker(t) zich (...) hem
15.
redding (...) hen op huis (...) hem noch (hij) stond vast (hij) hield bij hem noch (hij) wraakte
16.
RÐB hij voor zon en op CNTW INQTW (jij) ging uit
17.
op hoop wortels (...) hem IXBKW huis stenen (hij) voorspelde
18.
als (hij) slikte (...) ons van plaats (...) hem en (hij) heeft gelogen bij hem niet (ik) heb gezien (...) jou
19.
èn hij vreugde weg (...) hem en van stof andere (zij) groeiden
20.
èn naar niet (hij) verafschuwde onschuldige noch (hij) hield bij (de) hand van kwaden
21.
tot (hij) besneed (er)naar wrijf fijn! monden (...) jou en lippen (...) jou gejubel
22.
haat! (...) jou (zij) bekleedden zich (jij) hebt je geschaamd en tent slechte (mv) hij is (er) niet

Hoofdstuk 9

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
echt (ik) heb geweten dat zo en wat? (hij) had gelijk mens met naar
3.
als (hij) wenste te twisten met hem niet (hij) antwoordde (...) ons één van mij duizend
4.
wijze hart WAMIß kracht water van (de) harde naar hem en (hij) betaalde
5.
EMOTIQ (hij) heeft opgetild noch (zij) hebben geweten die (hij) heeft omgekeerd (...) hen bij (de) neus (...) hem
6.
EMRCIZ land naar van plaats en naar staanders ITPLßWN
7.
de woord LHRX noch IZRH en door sterren IHTM
8.
(wij) bogen om hemel alleen hij en generatie (...) jou op verhoging (...) mij zee
9.
(hij) heeft gedaan maak! dwaas WKIME en dring binnen! (zij) benoemde
10.
(hij) heeft gedaan groeiende (mv) tot (er is) niet onderzoek en wonderen tot (er is) niet getal
11.
èn (hij) ging voorbij op mij noch (ik) liet zien WIHLP noch (ik) begreep als
12.
èn IHTP water van (hij) gaf terug (...) ons water van (hij) sprak naar hem wat? (jij) deed
13.
God niet (hij) gaf terug neus (...) hem (jullie) landden SHHW help! snoeverij
14.
neus dat ik AONNW ABHRE spreek! met hem
15.
die als (ik) heb gelijk gehad niet (ik) antwoordde aan rechtsregels van ATHNN
16.
als (ik) heb genoemd en (hij) antwoordde (...) mij niet (ik) geloofde dat (hij) luisterde klanken van
17.
die naar bij (de) poort (hij) ademde uit (...) mij en veel verwond! gratis
18.
niet (hij) gaf (...) mij geef terug! wind (...) mij dat (hij) was verzadigd (...) mij verbitteren
19.
als aan kracht AMIß hier is en als aan rechtsregel water van IWOIDNI
20.
als AßDQ mond van IRSIONI onschuldige ik WIOQSNI
21.
onschuldige ik niet (ik) wist ziel (...) mij (ik) verafschuwde leef!
22.
één zij op zo (ik) heb gesproken onschuldige en slechte hij beëindig(t)
23.
als zweep (hij) doodde plotseling LMXT (wij) vestigden (hij) spotte
24.
land (zij) heeft gegeven bij (de) hand slechte aanzicht van berecht! (er)naar (hij) bedekte als niet dus water van hij
25.
en dagen van klank (...) hem van mij (hij) heeft gerend (zij) zijn gevlucht niet (zij) hebben gezien goeds
26.
HLPW met schepen (hij) heeft gewenst zoals gier (hij) verliet op mij eten
27.
als Amoriet (ik) werd vergeten (er)naar spreek! (ik) verliet (er)naar aanzicht van WABLICE
28.
ICRTI alle (ik) heb bedroefd (ik) heb geweten dat niet (zij) maakte schoon (...) mij
29.
ik ARSO waarom dit damp AICO
30.
als (ik) heb me gewassen met sneeuw WEZKWTI bij (het) graan zoals mond van
31.
destijds bij (de) kuil (zij) doopte (...) mij en (zij) zijn verafschuwd (...) mij dat te sterven (...) mij
32.
dat niet man zoals ik AONNW (wij) kwamen samen bij (de) rechtsregel
33.
niet er is tussen ons terechtwijzende (hij) legde (hij) bedankte op jaren (...) ons
34.
(hij) week af ontvreemd! stam (...) hem en moeder (...) hem naar TBOTNI
35.
(ik) sprak (er)naar noch (ik) vreesde (...) ons dat niet zo ik met mij

Hoofdstuk 10

1.
NQÐE ziel (...) mij bij leef! (ik) verliet (er)naar op mij spreek! (ik) sprak (er)naar bij (de) bittere ziel (...) mij
2.
woord naar God naar TRSIONI (hij) heeft meegedeeld (...) mij op wat? (jij) twistte (...) mij
3.
(de) goede aan jou dat (zij) deed tekort dat (jij) verafschuwde moeite lepels (...) jou en op raad slechte (mv) EWPOT
4.
(is het zo) dat bestudeer! vlees aan jou als zoals zicht mens (jij) liet zien
5.
EKIMI mens dagen (...) jou als jaren (...) jou zoals dagen van man
6.
dat (jij) zocht aan armoede en aan zondoffers van (jij) legde uit
7.
op kennis (...) jou dat niet ARSO en (er is) niet van hand (...) jou redder
8.
handen (...) jou pijnen van en (zij) hebben gemaakt (...) mij samen rondom en (jij) slikte (...) mij
9.
man toch dat zoals klei (jullie) hebben gedaan (...) mij en naar stof (jij) gaf terug (...) mij
10.
toch? zoals melk TTIKNI WKCBNE TQPIANI
11.
huid en vlees TLBISNI en bij (de) botten WCIDIM TSKKNI
12.
leven en genade (jij) hebt gedaan met mij en (jij) hebt bekeken (...) jou (zij) heeft gehouden wind (...) mij
13.
en deze ßPNT bij (het) hart (...) jou (ik) heb geweten dat deze met jou
14.
als (ik) heb gezondigd en (jullie) hebben gehouden (...) mij en van armoede niet (zij) maakte schoon (...) mij
15.
als zonde (...) mij maak ongelukkig! aan mij en (ik) heb gelijk gehad niet (ik) droeg hoofden van zeven schande en (hij) heeft gezien armoede (...) mij
16.
en (hij) verhief zich zoals leeuw (jij) ving (...) mij en (jij) woonde TTPLA bij mij
17.
THDS getuigen (...) jou tegenover mij en (zij) vermeerderde als maak! (...) jou met mij HLIPWT en leger met mij
18.
en waarom heb(t) medelijden (is het zo) dat uit te gaan (...) mij (ik) stierf en oog niet (jij) liet zien (...) mij
19.
zoals niet (ik) ben geweest (ik) was van buik aan graf rouw(t)
20.
toch? een beetje dagen van (hij) hield op (hij) legde (van)uit mij WABLICE een beetje
21.
voordat (ik) ging noch (ik) blies naar land duisternis en diepe duisternis
22.
land (jij) hebt gevlogen (er)naar zoals donkere diepe duisternis noch XDRIM WTPO zoals donkere

Hoofdstuk 11

1.
en wegens vogel de Naamathiet en (hij) sprak
2.
de meerderheid woorden niet (hij) antwoordde en als man lippen (hij) had gelijk
3.
takken (...) jou sterven IHRISW en (zij) spotte en (er is) niet MKLM
4.
en (jij) sprak zuivere leringen van en graan (ik) ben geweest bij (de) ogen (...) jou
5.
daarentegen water van (hij) gaf God woord en (hij) deed open lippen (...) hem met jou
6.
en (hij) werd verteld aan jou TOLMWT wijsheid dat KPLIM LTWSIE en weet! dat er is (er)naar aan jou God van misdaad (...) jou
7.
het onderzoek God (jij) vond als tot TKLIT Sjadai (jij) vond
8.
hoogte (...) mij hemel wat? TPOL (zij) is diep geweest om te vragen wat? (jij) wist
9.
(zij) heeft geduurd van land maat en plein van mij zee
10.
als IHLP en (hij) bracht in quarantaine WIQEIL en water van (hij) gaf terug (...) ons
11.
dat hij (hij) heeft geweten wanneer? (het) niets en gezien kracht noch (hij) beschouwde
12.
en man NBWB ILBB en stad (hij) is in opstand gekomen mens baar(t)
13.
als (met) haar (jij) hebt bereid hart (...) jou en (jij) hebt uitgespreid naar hem lepels (...) jou
14.
als kracht bij (de) hand (...) jou ERHIQEW en naar (jij) behuisde bij (de) tenten (...) jou ga(a)(t) op
15.
dat destijds (jij) droeg aanzichten (...) jou van gebrek en (jij) bent geweest MßQ noch (je) zult vrezen
16.
dat (met) haar werkzame (jij) liet vergeten staan op (zij) zijn voorbijgegaan (zij) herinnerde zich
17.
en van middag (hij) wraakte HLD (zij) vloog (er)naar zoals rundvee (jij) was
18.
en (jij) hebt je verzekerd dat er is hoop en (jij) hebt gegraven zich te verzekeren (jij) lag neer
19.
WRBßT en (er is) niet verschrikkelijke en (zij) zijn ziek geworden aanzichten (...) jou twisten
20.
en bestudeer! slechte (mv) (jullie) beëindigden en om te vluchten (hij) is verloren gegaan rantsoen (...) hen en hoop-en (...) hen van valstrik ziel

Hoofdstuk 12

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
echt dat (met) hen met en met jullie (jij) stierf wijsheid
3.
ook aan mij hart (zij) zijn opgestaan (...) jullie niet ga neer! ik (van)uit jullie en (tot) water van (er is) niet zoals deze
4.
wolk aan zijn vriend (ik) was (hij) heeft genoemd aan God en (hij) antwoordde (...) hem wrijf fijn! rechtvaardige volledige
5.
LPID minachting LOSTWT zorgeloze juiste aan ontmoetingen van voet
6.
ISLIW tenten LSDDIM en vertrouwen-en LMRCIZI naar te bevestigen (hij) heeft gebracht God bij (hij) bedankte
7.
daarentegen (hij) heeft gevraagd toch reuzendier en tortelduif (...) jou en vogel de hemel en (hij) werd verteld aan jou
8.
of spreek! aan land en tortelduif (...) jou en (zij) vertelden aan jou vissen van de zee
9.
water van niet (hij) heeft geweten in alle deze dat hand Jahweh (zij) heeft gedaan deze
10.
die bij (hij) bedankte ziel alle levende en wind alle vlees man
11.
toch? oor laat overnachten TBHN en verhemelte eten (hij) proefde als
12.
BISISIM wijsheid en lange dagen wijsheid
13.
met hem wijsheid en moed als advies en wijsheid
14.
èn (hij) brak af noch (hij) bouwde (hij) sloot op man noch (hij) deed open
15.
èn (hij) hield vast bij (het) water en (zij) zijn droog geweest en (hij) zond weg (...) hen en (zij) keerden om land
16.
met hem kracht WTWSIE als SCC WMSCE
17.
besnijd! (...) jou adviseurs ontneem(t) en rechters IEWLL
18.
zedeles koningen opening en (hij) nam gevangen gordel bij (de) lendenen (...) hen
19.
besnijd! (...) jou priesters ontneem(t) WATNIM IXLP
20.
verwijder(t) oever aan loyale (mv) en smaak baarden (hij) nam
21.
stort minachting op vrijgevige (mv) WMZIH beddingen RPE
22.
perkament OMQWT van mij duisternis en uitgaande aan licht diepe duisternis
23.
van veel aan volken en (hij) ging verloren (...) hen SÐH aan volken en (hij) troostte
24.
verwijder(t) hart hoofden van met het land en (hij) liep verkeerd (...) hen bij (de) verlatenheid niet weg
25.
IMSSW duisternis noch licht en (hij) liep verkeerd (...) hen als huur!

Hoofdstuk 13

1.
èn alle (zij) heeft gezien bestudeer! (zij) heeft toegehoord oren van en haksel aan haar
2.
zoals kennis (...) jullie (ik) heb geweten ook ik niet ga neer! ik (van)uit jullie
3.
maar ik naar Sjadai (ik) sprak en (hij) is bewezen naar naar AHPß
4.
daarentegen (met) hen ÐPLI leugen genees! maak ongelukkig! kun! (...) jullie
5.
water van (hij) gaf (de) stille THRISWN en (zij) was aan jullie aan wijsheid
6.
(zij) hebben toegehoord toch terechtwijzing (...) mij en twisten lippen van (zij) hebben opgelet
7.
(is het zo) dat tot God (jullie) spraken ga(a)(t) op en als (jullie) spraken bedrog
8.
de aanzichten (...) hem (jullie) droegen (...) hen als tot God (jullie) twistten (...) hen
9.
(de) goede dat (hij) onderzocht (met) jullie als KETL bij (de) mens TETLW bij hem
10.
(hij) is bewezen (hij) bewees (met) jullie als bij (het) geheim aanzicht (jullie) droegen (...) hen
11.
toch? te dragen (...) hem TBOT (met) jullie en (zij) zijn bang geweest (je) zult vallen op jullie
12.
ZKRNIKM heers! as LCBI klei CBIKM
13.
EHRISW (van)uit mij en (ik) sprak (er)naar ik en (hij) ging voorbij op mij wat?
14.
op wat? (ik) droeg kondig aan! bij (de) tweede en ziel (...) mij (ik) plaatste bij (de) lepels van
15.
èn IQÐLNI niet (hij) heeft toegewenst maar wegen van naar aanzichten (...) hem (ik) bewees
16.
ook hij aan mij aan verlossing dat niet voor hem (hij) is gevleid invoer
17.
(zij) hebben toegehoord hoor toe! (ik) heb besneden en zus (...) mij bij (de) oren (...) jullie
18.
hier is toch (ik) heb geordend rechtsregel (ik) heb geweten dat ik AßDQ
19.
water van hij (hij) twistte met mij dat nu AHRIS en (ik) stierf
20.
maar twee naar (jij) maakte met mij destijds van aanzichten (...) jou niet Esther
21.
lepel (...) jou ontvreemd! de afstand en waarheid (...) jou naar TBOTNI
22.
en (hij) heeft genoemd en ik (ik) antwoordde of (ik) sprak en (hij) heeft teruggegeven (...) mij
23.
zoiets aan mij antwoorden en zondige daden misdrijf! en (ik) heb gezondigd EDIONI
24.
waarom aanzichten (...) jou (jij) verborg en (jij) berekende (...) mij aan vijand aan jou
25.
dat wat opgaat NDP TORWß en (tot) stro droogte (zij) achtervolgden
26.
dat (zij) schreef op mij MRRWT en (jij) verdreef (...) mij antwoorden (wij) schudden uit (...) mij
27.
en (zij) plaatste BXD voeten van en (jij) hield alle manieren (...) mij op dat verover! voeten van TTHQE
28.
en hij KRQB naar 50e jaardag zoals kleed (zij) hebben gegeten maak!

Hoofdstuk 14

1.
mens ILWD vrouw QßR dagen en zeven (hij) is boos geweest
2.
zoals bloesem uitgaande en (hij) besneed en (hij) vluchtte zoals schaduw noch (hij) stond
3.
neus op dit (jij) hebt geopend oog (...) jou en (met) mij (jij) bracht bij (de) rechtsregel met jou
4.
water van (hij) gaf zuivere verklaar(t) onrein niet één
5.
als vlijtige (mv) dagen (...) hem getal maanden (...) hem (met) jou wet (...) hem (jij) hebt gedaan noch (hij) ging voorbij
6.
SOE ontvreemd! (...) hem en (hij) hield op tot (hij) rende (er)naar zoals loonarbeider dag (...) hem
7.
dat er is aan boom hoop als (hij) hakte af en nog (eens) IHLIP WINQTW niet (zij) hield op
8.
als IZQIN bij (het) land dat verovert! en bij (het) stof (hij) stierf CZOW
9.
van geur water (hij) bloeide en (hij) heeft gedaan oogst zoals (hij) heeft geplant
10.
en man (hij) stierf WIHLS en (hij) stierf mens en waar is hij?
11.
AZLW water van mij zee en rivier (hij) werd vernield en droogte
12.
en man lig neer! noch (hij) wraakte tot niet hemel niet (zij) werden wakker noch (zij) schudden uit van jaren (...) hen
13.
water van (hij) gaf bij (de) dodenrijk TßPNNI (jij) verborg (...) mij tot terugkeren neus (...) jou (jij) legde aan mij wet en (zij) herinnerde zich (...) mij
14.
als (hij) stierf man (is het zo) dat (hij) leefde alle dagen van schaar je! (hij) heeft toegewenst tot komst HLIPTI
15.
(jij) noemde en ik AONK aan Mozes handen (...) jou TKXP
16.
dat nu stap! (jij) telde niet (jij) bewaarde op (ik) heb gezondigd
17.
angst (...) hen bij (de) bundel misdrijf! WTÐPL op armoede
18.
daarentegen heuvel val(t) (hij) verwelkte en rots IOTQ van plaats (...) hem
19.
stenen (zij) hebben fijngewreven water TSÐP XPIHIE stof land en hoop van mens (jij) hebt verloren laten gaan
20.
TTQPEW uiteindelijk en (hij) ging van jaar aanzichten (...) hem en (jullie) zondden weg (...) hem
21.
(zij) waren zwaar zonen (...) hem noch (hij) heeft geweten WIßORW noch (hij) begreep voor hen
22.
maar kondigt aan! op hem IKAB en ziel (...) hem op hem (jij) rouwde

Hoofdstuk 15

1.
en wegens Elifaz de Themaniet en (hij) sprak
2.
(de) wijze (hij) antwoordde kennis wind en (hij) was vol Oosten buik (...) hem
3.
(hij) is bewezen bij (het) woord niet (zij) goten uit (...) hen en besnijden niet (hij) was nuttig in hen
4.
neus (met) haar (zij) was vruchtbaar vrees en (jij) verminderde spreek! (er)naar voor naar
5.
dat IALP misdaad (...) jou monden (...) jou en (zij) koos tong ORWMIM
6.
IRSIOK monden (...) jou noch ik en lippen (...) jou (zij) antwoordden bij jou
7.
ERAISWN mens TWLD en voor heuvels HWLLT
8.
EBXWD God (jij) hoorde toe en (jij) verminderde naar jou wijsheid
9.
wat? (jij) hebt geweten noch (wij) wisten (jij) begreep noch met ons hij
10.
ook woon! ook (hij) verblijdde zich bij ons geweldige van vader (...) jou dagen
11.
het een beetje (van)uit jou TNHWMWT naar en woord LAÐ met jou
12.
wat? (hij) nam (...) jou hart (...) jou en wat? IRZMWN ogen (...) jou
13.
dat (jij) gaf terug naar naar wind (...) jou en het weggaan van monden (...) jou laat overnachten
14.
wat? mens dat (hij) reinigde en dat (hij) had gelijk ILWD vrouw
15.
èn bij (zij) hebben geheiligd niet (hij) geloofde en hemel niet (zij) hebben gereinigd bij (de) ogen (...) hem
16.
neus dat NTOB WNALH man (zij) heeft gelegd staan op ga(a)(t) op
17.
AHWK nieuws aan mij en dit (ik) heb voorspeld en (ik) vertelde (er)naar
18.
die wijze (mv) (zij) vertelden noch verbergt! om te wensen (...) hen
19.
aan hen alleen zij (zij) heeft gegeven het land noch kant krans bij (het) midden (...) hen
20.
alle dagen van slechte hij MTHWLL en getal twee NßPNW aan tiran
21.
klank angsten bij (de) oren (...) hem bij (de) vrede beroof(t) invoer (...) ons
22.
niet (hij) geloofde terugkeren van mij duisternis en (zij) hebben uitgekeken hij naar mij zwaard
23.
(hij) heeft gezworven hij aan brood waar? (hij) heeft geweten dat juiste bij (hij) bedankte dag duisternis
24.
IBOTEW smalle WMßWQE TTQPEW zoals koning toekomst LKIDWR
25.
dat (wij) bogen om naar naar (hij) bedankte en naar Sjadai ITCBR
26.
(hij) rende naar hem bij (de) hals bij (de) wolk (...) mij CBI schilden (...) hem
27.
dat bedek! aanzichten (...) hem bij (de) melk (...) hem en (hij) heeft gemaakt PIME op mij KXL
28.
en (hij) woonde steden NKHDWT huizen niet (zij) hebben gewoond voor hen die ETOTDW aan hopen
29.
niet (hij) nam een tiende noch (hij) wraakte macht (...) hem noch (hij) boog om aan land MNLM
30.
niet (hij) verblindde van mij duisternis INQTW (jij) maakte droog SLEBT en (hij) verblindde vlucht! monden (...) hem
31.
naar IAMN (zij) hebben zich geschaamd (wij) liepen verkeerd dat (het) niets (jij) was TMWRTW
32.
zonder dag (...) hem (jij) was vol WKPTW niet frisse
33.
(hij) beroofde zoals wijnstok bij (zij) zijn afgeweken en (hij) ging neer zoals olijf NßTW
34.
dat getuige van (hij) is gevleid CLMWD en vuur (zij) heeft gegeten tenten van omkoperij
35.
naar heuvel werkzame en kind kracht en buik (...) hen (jij) bereidde voor bedrog

Hoofdstuk 16

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
(ik) heb toegehoord zoals deze twisten troost (...) mij werkzame kun! (...) jullie
3.
word wakker! te spreken (...) mij wind of wat? IMRIßK dat (jij) antwoordde
4.
ook ik zoals jullie (ik) sprak (er)naar als er is ziel (...) jullie in de plaats van ziel (...) mij AHBIRE op jullie bij besnijden WANIOE op jullie met hoofden van
5.
AAMßKM met mond van WNID lippen van (hij) haastte zich (...) jou
6.
als (ik) sprak (er)naar niet (hij) haastte zich (...) jou zoals vader WAHDLE wat? van mij (hij) ging
7.
maar nu ELANI de namen alle getuige (...) mij
8.
WTQMÐNI voor altijd (hij) is geweest en (hij) stond op bij mij lieg! bij (het) aanzicht van (hij) antwoordde
9.
neus (...) hem prooi WISÐMNI HRQ op mij bij (de) jaren (...) hem schep! ILÐS ogen (...) hem aan mij
10.
PORW op mij bij (de) monden (...) hen bij (de) schande (zij) hebben geslagen wangen van samen op mij ITMLAWN
11.
(hij) bracht in quarantaine (...) mij naar naar OWIL en op handen van slechte (mv) IRÐNI
12.
kwartel (ik) ben geweest WIPRPRNI en Achaz bij druip! WIPßPßNI en (hij) vestigde (...) mij als naar aan regen
13.
(zij) legden opzij op mij meerderheden (...) hem (hij) ploegde nieren (...) mij noch (hij) had medelijden (hij) stortte aan land (ik) heb verbitterd
14.
(hij) brak door (...) mij doorbraak op aanzicht van doorbraak (hij) rende op mij zoals held
15.
zak TPRTI op mij CLDI WOLLTI bij (het) stof groeie!
16.
aanzicht van HMRMRE van mij geween en op OPOPI diepe duisternis
17.
op niet roof bij (de) lepels van en gebed (...) mij reinig!
18.
land naar (jij) bedekte lijk! en naar wees plaats LZOQTI
19.
ook nu hier is bij (de) hemel tot aan WSEDI BMRMIM
20.
MLIßI achtervolg! naar God DLPE bestudeer!
21.
en (hij) werd bewezen aan man met God en zoon mens aan zijn vriend
22.
dat jaren getal IATIW en manier niet (ik) blies (ik) ging

Hoofdstuk 17

1.
wind (...) mij (zij) heeft gesaboteerd dagen van NZOKW graven aan mij
2.
als niet (is het zo) dat hang op! (...) hen met mij WBEMRWTM (zij) overnachtte bestudeer!
3.
plaats! (er)naar toch (hij) is aangenaam geweest (...) mij met jou water van hij aan handen van (hij) blies
4.
dat hart (...) hen ßPNT van verstand op zo niet (jij) verhief
5.
te verdelen (hij) vertelde kwaden en bestudeer! zonen (...) hem (jullie) konen
6.
WEßICNI aan heerser volkeren WTPT vroeger (ik) was
7.
en (jij) sloeg MKOS bestudeer! en fabriceer! zoals schaduw allemaal
8.
past toe! rechte (mv) op deze en schone op (hij) is gevleid ITORR
9.
en (hij) greep rechtvaardige weg (...) hem en zuiverheid handen (hij) zal toevoegen (hij) is sterk geweest
10.
daarentegen allemaal (jullie) woonden en (zij) zijn gekomen toch noch (ik) vond bij jullie wijze
11.
dagen van (zij) zijn voorbijgegaan vuiligheid (...) mij breekt af! MWRSI hart (...) mij
12.
nacht aan dag (zij) plaatsten licht verwant van aanzicht van duisternis
13.
als (ik) werd verzameld dodenrijk huis-en van bij (de) duisternis RPDTI IßWOI
14.
te bederven (ik) heb genoemd vader (met) haar moeder (...) mij en eerste (...) mij aan wormen
15.
en waar? neus (...) hem hoop (...) mij en hoop (...) mij water van effent!
16.
takken van (hij) heeft gevraagd (jullie) daalden als samen op stof (hij) is geland

Hoofdstuk 18

1.
en wegens Bildad (is het zo) dat buk je! en (hij) sprak
2.
tot waarheen? (jullie) plaatsten (...) hen QNßI LMLIN (jullie) begrepen en andere (wij) spraken
3.
waarom? (wij) berekenden (...) ons zoals vee NÐMINW bij (de) ogen (...) jullie
4.
prooi ziel (...) hem bij (de) neus (...) hem ELMONK (jij) verliet land WIOTQ rots van plaats (...) hem
5.
ook licht slechte (mv) (hij) heeft geweten (...) jou noch ICE SBIB vuur (...) hem
6.
licht duisternis bij (de) tent (...) hem en licht (...) hem op hem (hij) heeft geweten (...) jou
7.
fabriceert! stap! kracht (...) hem en (jullie) wierpen af (...) hem advies (...) hem
8.
dat wapen bij (het) netwerk bij (de) voeten (...) hem en op dat (hij) heeft geweend (hij) wandelde rond
9.
(hij) greep bij (de) voetstap valstrik (hij) versterkte op hem ßMIM
10.
verberg! bij (het) land (zij) hebben gesaboteerd en voeg(t) samen (...) hem op mij baan
11.
rondom BOTEW panische angsten WEPIßEW aan voeten (...) hem
12.
wees honger kracht (...) hem en tegenslag juiste aan rib (...) hem
13.
(hij) at takken van wordt wakker! (hij) at takken (...) hem eerstgeborene dood
14.
(hij) brak af van tent (...) hem verzeker(t) zich (...) hem en (jullie) stapten (...) hem aan koning panische angsten
15.
(jij) woonde bij (de) tent (...) hem MBLILW (hij) strooide uit op woonplaats (...) hem zwavel
16.
onder vandaan wortels (...) hem (zij) zijn droog geweest en boven (hij) besneed oogst (...) hem
17.
(zij) hebben zich herinnerd (hij) is verloren gegaan van mij land noch daar als op aanzicht van straat
18.
IEDPEW licht naar duisternis en van wereld INDEW
19.
niet NIN als noch NKD bij (het) volk (...) hem en (er is) niet overlevende BMCWRIW
20.
op dag (...) hem (zij) hebben geademd laatste (mv) WQDMNIM (zij) hebben gegrepen poort
21.
maar deze behuizen onrecht en dit plaats niet (hij) heeft geweten naar

Hoofdstuk 19

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
tot waarheen? TWCIWN ziel (...) mij WTDKAWNNI bij besnijden
3.
dit rijkdom twee keer TKLIMWNI niet (jullie) waren droog TEKRW aan mij
4.
en neus echt SCITI (met) mij (jij) liet overnachten MSWCTI
5.
als echt op mij (jullie) vergrootten en (jullie) bewezen op mij (ik) heb beledigd
6.
weet! neus (...) hem dat God verdraaie! (...) mij en om te vangen (...) hem op mij EQIP
7.
èn AßOQ roof noch (ik) antwoordde (ik) schreeuwde om hulp en (er is) niet rechtsregel
8.
verleen gastvrijheid! omheining noch (ik) ging voorbij en op banen (...) mij duisternis (hij) plaatste
9.
onderscheidingen van ontvreemd! EPSIÐ en (hij) week af (jij) hebt omgeven hoofden van
10.
ITßNI rondom en (ik) ging en (hij) reisde zoals boom hoop (...) mij
11.
en (hij) ontbrandde op mij neus (...) hem en (hij) berekende (...) mij als zoals vijanden (...) hem
12.
samen voert in! eenheden (...) hem WIXLW op mij generatie (...) jullie en (zij) legerden rondom aan tenten van
13.
broer ontvreemd! ERHIQ en (hij) heeft geweten (...) mij maar (zij) hebben uitgestrooid (van)uit mij
14.
(zij) hebben opgehouden verwanten van WMIDOI laat vergeten! (...) mij
15.
vreemdelingen van huis-en van WAMETI aan krans (jij) berekende (...) mij vreemdeling (ik) ben geweest bij (de) ogen (...) hen
16.
te bewerken (...) mij (ik) heb genoemd noch (hij) antwoordde met mond van ATHNN als
17.
wind (...) mij (hij) heeft uitgestrooid aan mijn vrouw WHNTI aan zonen van buik (...) mij
18.
ook OWILIM (zij) hebben verafschuwd bij mij (ik) wraakte (er)naar en (zij) spraken bij mij
19.
(zij) zijn verafschuwd (...) mij alle wanneer? geheimen van en dit (ik) heb liefgehad (zij) zijn veranderd bij mij
20.
bij word wakker! en bij (de) vlees-en van (zij) heeft geplakt word machtig! WATMLÐE bij (de) huid tweede
21.
Hanani Hanani (met) hen achtervolg! dat hand God (zij) heeft aangeraakt bij mij
22.
waarom (zij) achtervolgden (...) mij zoals naar en kondig(t) aan (...) mij niet (jullie) waren verzadigd
23.
water van (hij) gaf neus (...) hem en (zij) schreven (...) hen (hij) heeft besneden (...) mij water van (hij) gaf bij (het) boek WIHQW
24.
BOÐ ijzer en jonge ree van voor altijd pluk druiven! IHßBWN
25.
en ik (ik) heb geweten verlos! levende en laatste op stof (hij) wraakte
26.
en andere word wakker! NQPW deze en kondig(t) aan (...) mij (zij) heeft gegrepen God
27.
die ik (zij) heeft gegrepen aan mij en bestudeer! (zij) hebben gezien noch krans kunt! (ik) ben geëindigd bij (de) wetten van
28.
dat (jullie) spraken wat? NRDP als en wortel woord (wij) vondden bij mij
29.
woont! aan jullie van aanzicht van zwaard dat woede antwoorden zwaard opdat (jullie) wisten (...) hen dat berecht!

Hoofdstuk 20

1.
en wegens vogel de Naamathiet en (hij) sprak
2.
daarom dat (hij) heeft gevlogen (...) mij (zij) gaven terug (...) mij en wegens haast je! bij mij
3.
zedeles schande (...) mij (ik) hoorde toe en wind van verstand (...) mij (hij) antwoordde (...) mij
4.
(de) deze (jij) hebt geweten van mij tot van mij plaats! mens op mij land
5.
dat (jij) hebt gezongen slechte (mv) om nader te komen en (jij) bent blij geweest (hij) is gevleid tot aan ogenblik
6.
als (hij) verhief aan hemel dat (hij) begeerde en hoofd (...) hem aan wolk moeite
7.
als (zij) hebben gedraaid uiteindelijk (hij) ging verloren spiegel (...) hem (zij) spraken waar is hij?
8.
zoals droom (hij) vloog noch (zij) vondden (...) hem WIDD KHZIWN nacht
9.
oog SZPTW noch (jij) voegde toe noch nog (eens) (jij) viel af (...) ons plaats (...) hem
10.
zonen (...) hem (hij) rende (...) hem armen en handen (...) hem (jullie) woonden kracht (...) hem
11.
botten (...) hem (zij) zijn vol geweest OLWMW en met hem op stof (jij) lag neer
12.
als TMTIQ bij (de) monden (...) hem herder IKHIDNE in de plaats van tong (...) hem
13.
(hij) had medelijden op haar noch (hij) verliet (...) haar en (hij) hield terug (...) haar binnen verhemelte (...) hem
14.
(zij) hebben gestreden BMOIW (hij) is veranderd MRWRT PTNIM bij (zij) hebben nader gebracht
15.
macht slechtheid WIQANW van buik (...) hem (wij) hebben veroverd naar
16.
hoofd PTNIM IINQ (jullie) doodden (...) hem tong APOE
17.
naar gezien BPLCWT stroom! verwerf! honing en boter
18.
geef(t) terug vermoeide noch (hij) slikte zoals macht TMWRTW noch IOLX
19.
dat Rßß (hij) heeft verlaten armen huis roof noch (hij) bouwde (...) hem
20.
dat niet (hij) heeft geweten kwartel bij (de) buik (...) hem bij begeer! (...) hem niet (hij) redde
21.
(er is) niet overlevende te eten (...) hem op zo niet IHIL goedheid (...) hem
22.
BMLAWT SPQW fabriceer! als alle hand werkzame (zij) kwam (...) ons
23.
wees vol te zijn buik (...) hem (hij) zond weg bij hem woede neus (...) hem WIMÐR op hen bij strijd! (...) hem
24.
(hij) vluchtte MNSQ ijzer THLPEW boog (wij) haastten ons (er)naar
25.
stoppelveld en uitgaande MCWE en flits verbitter(t) (...) hem (hij) ging op hem naties
26.
alle duisternis verberg! LßPWNIW (jullie) aten (...) hem vuur niet blaas op! (hij) achtervolgde overlevende bij (de) tent (...) hem
27.
(zij) onthulden hemel misdaad (...) hem en land MTQWMME als
28.
(hij) verheugde zich (hij) verwelkte huis (...) hem NCRWT bij (de) dag neus (...) hem
29.
dit deel mens slechte van God en (jij) hebt verworven (zij) hebben gesproken van macht

Hoofdstuk 21

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
(zij) hebben toegehoord hoor toe! (ik) heb besneden en (zij) was deze TNHWMTIKM
3.
draagt! (...) mij en ik (ik) sprak en andere spreek! TLOIC
4.
(is het zo) dat ik aan mens spreek! en als waarom? niet TQßR wind (...) mij
5.
(zij) hebben zich gewend naar mij en de zijn naam en plaatst! hand op mond
6.
en als (ik) heb me herinnerd en (ik) ben geschrokken en Achaz kondig aan! PLßWT
7.
waarom? slechte (mv) (zij) leefden OTQW ook (zij) zijn sterk geworden macht
8.
nakomelingen (...) hen juiste voor hen volk (...) hen WßAßAIEM aan ogen (...) hen
9.
huizen (...) hen vrede ben(t) bang noch stam God op hen
10.
os (...) hem kant noch ICOL TPLÐ koe (...) hem noch TSKL
11.
(zij) zondden weg zoals kleinvee OWILIEM en kinderen (...) hen IRQDWN
12.
(zij) droegen schouder en viool en (zij) maakten blij aan klank orgel
13.
(zij) verwelkten bij (de) goede dagen (...) hen en bij (de) ogenblik dodenrijk (zij) landden
14.
en (zij) spraken tot God verblind! (van)uit hem en kennis wegen (...) jou niet (wij) hebben gewenst
15.
wat? Sjadai dat (wij) bewerkten (...) ons en wat? (wij) waren nuttig dat (wij) troven bij hem
16.
èn niet bij (hij) leek goedheid (...) hen raad slechte (mv) (zij) is ver geweest van mij
17.
zoiets licht slechte (mv) (hij) heeft geweten (...) jou en (hij) kwam op hen tegenslag (...) hen koorden (hij) verdeelde bij (de) neus (...) hem
18.
(zij) waren zoals haksel voor wind en zoals kaf (jij) hebt gestolen (...) hem naar riet
19.
God (hij) overtrok (...) hen aan zonen (...) hem kracht (...) hem (hij) betaalde naar hem en (hij) heeft geweten
20.
(zij) lieten zien bestudeert! als (hij) bedankte en om bronstig te zijn Sjadai (hij) dronk
21.
dat wat? (zij) hebben gewenst bij (het) huis (...) hem na hem en getal maanden (...) hem HßßW
22.
(is het zo) dat tot God (hij) onderwees kennis en hij zijn hoog (hij) berechtte
23.
dit (hij) stierf bij (het) bot (zij) hebben zich verbaasd kunt! SLANN WSLIW
24.
OÐINIW (zij) zijn vol geweest melk WMH botten (...) hem (hij) gaf te drinken
25.
en dit (hij) stierf bij (de) ziel bittere noch eten bij (het) goeds
26.
samen op stof (zij) lagen neer en wormen (jij) bedekte op hen
27.
èn (ik) heb geweten MHSBWTIKM en van vuiligheden op mij (jullie) beroofden
28.
dat (jullie) spraken waar? huis vrijgevige en waar? tent behuizen slechte (mv)
29.
toch? (jullie) hebben gevraagd ga(a)(t) voorbij (...) mij weg WATTM niet TNKRW
30.
dat aan dag tegenslag (hij) haastte zich (...) jou kwaad aan dag OBRWT (zij) werden vervoerd
31.
water van (hij) vertelde op aanzichten (...) hem weg (...) hem en hij (hij) heeft gedaan water van (hij) betaalde als
32.
en hij LQBRWT stroom en op CDIS ISQWD
33.
MTQW als RCBI wadi en na hem alle mens (hij) trok en voor hem (er is) niet getal
34.
en waar ben jij? (jullie) troostten (...) mij damp WTSWBTIKM geblevene boven

Hoofdstuk 22

1.
en wegens Elifaz (is het zo) dat (jij) benoemde en (hij) sprak
2.
(is het zo) dat tot God (hij) goot uit (...) hen man dat (hij) goot uit (...) hen op hen ontwikkeld mens
3.
de wens aan Sjadai dat (zij) had gelijk en als voordeel dat (zij) verbaasde zich wegen (...) jou
4.
EMIRATK IKIHK invoer met jou bij (de) rechtsregel
5.
toch? medemens (...) jou veelheid en (er is) niet eind aan misdaden (...) jou
6.
dat (jij) saboteerde broers (...) jou gratis en bij (het) bokje ORWMIM TPSIÐ
7.
niet water vermoeide (jij) gaf te drinken en van honger (jij) hield terug brood
8.
en man arm als het land WNSWA aanzicht inwoner bij haar
9.
weduwe-en (jij) hebt gezonden leegte (...) hen en armen ITMIM IDKA
10.
op zo omgevingen (...) jou valstrikken WIBELK angst plotseling
11.
of duisternis niet (jij) liet zien WSPOT water (zij) bedekte (...) jou
12.
toch? God hoogte hemel en (hij) heeft gezien hoofd sterren dat (zij) zijn hoog geweest
13.
en (jij) hebt gesproken wat? (hij) heeft geweten naar EBOD nevel (hij) berechtte
14.
wolken geheim als noch vrees en kring hemel (hij) wandelde rond
15.
de manier eeuwigheid (jij) hield die weg (...) hem wanneer? kracht
16.
die QMÐW noch tijd rivier giet uit fundament (...) hen
17.
de woorden tot God verblind! (van)uit hem en wat? IPOL Sjadai voor hen
18.
en hij (hij) is vol geweest huizen (...) hen goede en raad slechte (mv) (zij) is ver geweest van mij
19.
(zij) lieten zien rechtvaardigen en (zij) maakten blij en schone (hij) spotte voor hen
20.
als niet (wij) verborgen (wij) hebben gehandhaafd en rest (...) hen (zij) heeft gegeten vuur
21.
(hij) heeft uitgegoten (...) hen toch met hem en gehele bij hen opbrengst (...) jou goeds
22.
neem! toch van monden (...) hem Wetboek en plaats! woorden (...) hem bij (het) hart (...) jou
23.
als (jij) blies tot Sjadai (jij) bouwde TRHIQ ga(a)(t) op van tent (...) jou
24.
en doorn op stof versterkte WKßWR wadi's Ofir
25.
en (hij) is geweest Sjadai pluk druiven! (...) jou en zilver TWOPWT aan jou
26.
dat destijds op Sjadai TTONC en (jij) droeg naar God aanzichten (...) jou
27.
TOTIR naar hem en (hij) hoorde toe (...) jou en geloften (...) jou (jij) betaalde
28.
WTCZR woord en (hij) stond op aan jou en op wegen (...) jou schijn licht
29.
dat (zij) hebben vernederd en (jij) sprak CWE en (hij) heeft gesproken ogen IWSO
30.
(hij) redde waar schone en (wij) redden bij (het) graan lepels (...) jou

Hoofdstuk 23

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
ook vandaag verzet buk je! handen van (zij) is zwaar geweest op ANHTI
3.
water van (hij) gaf (ik) heb geweten WAMßAEW (ik) kwam tot TKWNTW
4.
(ik) werd geregeld (er)naar voor hem rechtsregel en mond van (ik) was vol terechtwijzingen
5.
(ik) wist (er)naar besnijden (hij) antwoordde (...) mij en wenst! wat? (hij) sprak aan mij
6.
EBRB kracht (hij) twistte met mij niet maar hij pas toe! bij mij
7.
daar rechte tegenover met hem WAPLÐE uiteindelijk rechtsregels van
8.
èn voorkant (ik) ging en hij is (er) niet en achterzijde noch (ik) begreep als
9.
linkerhand bij te doen (...) hem noch Achaz IOÐP rechterhand noch (ik) liet zien
10.
dat (hij) heeft geweten weg met mij bij Hanani zoals goud (ik) ging uit
11.
bij bevestigt! (zij) heeft gegrepen voeten van weg (...) hem (ik) heb gehouden noch
12.
voorschrift van lippen (...) hem noch (ik) week van wetten van ßPNTI Amoriet monden (...) hem
13.
en hij bij één en water van (hij) gaf terug (...) ons en ziel (...) hem haar en (hij) heeft gemaakt
14.
dat (hij) voltooide wetten van en naar priester twisten met hem
15.
op zo van aanzichten (...) hem (ik) schrok (ik) beschouwde en (ik) was bang (van)uit hem
16.
en naar de zachtheid hart (...) mij en Sjadai EBEILNI
17.
dat niet NßMTI van aanzicht van duisternis en van aanzicht van bedek! donkere

Hoofdstuk 24

1.
waarom? van Sjadai niet NßPNW tijden en (zij) hebben geweten niet (zij) hebben voorspeld dagen (...) hem
2.
genzen (zij) bereikten kudde (zij) hebben beroofd en (zij) achtervolgden
3.
ernstige wezen (hij) bestuurde (...) hem (zij) saboteerden os weduwe
4.
(zij) bogen om ABINIM van weg samen HBAW armoede (...) mij land
5.
èn kom in opstand! (...) hen bij (de) woestijn voert uit! bij (de) daad (...) hen van dageraad (...) mij aan prooi wildernis als brood aan jongens
6.
bij (het) veld bij (de) nacht (...) hem IQßIRW en wijngaard slechte ILQSW
7.
(zij) hebben blootgelegd (...) hen (zij) lieten overnachten zonder zich te schamen en (er is) niet bekleding (zij) heeft bezocht
8.
van krans (...) hen (hij) heeft opgetild IRÐBW en zonder dekking (zij) hebben omarmd rots
9.
(zij) beroofden van roof wees en op arme (zij) saboteerden
10.
(zij) hebben blootgelegd (...) hen (zij) zijn gegaan zonder zich te schamen en heb honger! (...) hen (zij) hebben gedragen korenschoof
11.
tussen SWRTM IßEIRW IQBIM weg (...) hem en (zij) hadden dorst
12.
merk(t) op sterven INAQW en ziel doden (jij) schreeuwde om hulp en God niet (hij) plaatste gebed
13.
deze (mv) (zij) zijn geweest bij kom in opstand! licht niet (zij) hebben herkend wegen (...) hem noch (zij) hebben gewoond bij (de) banen (...) hem
14.
aan licht (hij) wraakte vermoord(t) IQÐL arme en arme en bij (de) nacht wees zoals dief
15.
en oog (hij) heeft echtgebroken (zij) heeft gehouden schemer te spreken niet (jij) viel af (...) mij oog en geheim aanzicht (hij) plaatste
16.
HTR bij (de) duisternis huizen dag (...) hen HTMW voor hen niet (zij) hebben geweten licht
17.
dat samen rundvee voor hen diepe duisternis dat (hij) herkende panische angsten diepe duisternis
18.
vlotte hij op aanzicht van water (jij) vervloekte percelen (...) hen bij (het) land niet Jefunne weg als zijn hoog
19.
naar vloot ook hete (zij) beroofden wateren van sneeuw dodenrijk (zij) hebben gezondigd
20.
(zij) lieten vergeten (...) hem baarmoeder MTQW wormen nog (eens) niet (hij) herinnerde zich en (zij) brak zoals boom ga(a)(t) op
21.
herder onvruchtbare niet (jij) baarde en weduwe niet (hij) deed goed
22.
en (hij) heeft getrokken ridders bij (de) kracht (...) hem (hij) wraakte noch (hij) geloofde bij leef! (...) hen
23.
(hij) gaf als zich te verzekeren en redding (...) hen WOINIEW op wegen (...) hen
24.
bent hoog! een beetje en hij is (er) niet WEMKW zoals alle IQPßWN WKRAS SBLT (hij) besneed (...) hem
25.
en als niet neus (...) hem water van IKZIBNI en pas toe! tot God (ik) heb besneden

Hoofdstuk 25

1.
en wegens Bildad (is het zo) dat buk je! en (hij) sprak
2.
de heerser en angst met hem (hij) heeft gedaan vrede bij (de) hoogtes (...) hem
3.
is er? getal aan eenheden (...) hem en op water van niet (hij) wraakte AWREW
4.
en wat? (hij) had gelijk mens met naar en wat? (hij) reinigde ILWD vrouw
5.
èn tot maan noch IAEIL en sterren niet (zij) hebben gereinigd bij (de) ogen (...) hem
6.
neus dat mens wormen en zoon mens worm

Hoofdstuk 26

1.
en wegens Job en (hij) sprak
2.
wat? (jij) hebt geholpen zonder kracht (jij) hebt gered arm niet kracht
3.
wat? (jij) hebt geadviseerd zonder wijsheid WTSIE aan meerderheid (jij) hebt meegedeeld
4.
(tot) water van (jij) hebt verteld laat overnachten en (jij) hebt geademd water van (zij) is uitgegaan (van)uit jou
5.
de spoken IHWLLW onder vandaan water en buurmannen (...) hen
6.
(zij) hebben blootgelegd (...) hen dodenrijk tegenover hem en (er is) niet bekleding LABDWN
7.
(wij) bogen om Noorden op verlatenheid (hij) heeft opgehangen land op zonder wat?
8.
(hij) heeft gebundeld water bij (de) wolken (...) hem noch NBQO wolk in de plaats van hen
9.
van Achaz aanzicht van bedek! PRSZ op hem wolk (...) hem
10.
wet feest op aanzicht van water tot TKLIT licht met duisternis
11.
staanders van hemel IRWPPW en (hij) verbaasde zich (...) hem MCORTW
12.
bij (de) kracht (...) hem ogenblik de zee WBTWBNTW (hij) heeft vermorzeld snoeverij
13.
vlucht! (...) hem hemel dat (hij) is vruchtbaar geweest naar dode (hij) bedankte slang vlucht
14.
èn deze einden weg (...) hem en wat? SMß woord (wij) hoorden toe bij hem en kwaad (...) hen moed (...) hem water van (hij) beschouwde

Hoofdstuk 27

1.
en (hij) heeft toegevoegd Job te dragen (zij) hebben geheerst en (hij) sprak
2.
levende naar (hij) heeft verwijderd rechtsregels van en Sjadai (hij) heeft verbitterd ziel (...) mij
3.
dat alle nog (eens) (ik) heb geademd bij mij en wind God bij (de) neuzen van
4.
als (jullie) spraken lippen van ga(a)(t) op en tong (...) mij als (hij) sprak uit bedrog
5.
God beware aan mij als (ik) gaf gelijk (met) jullie tot (ik) stierf niet (ik) verwijderde (zij) stierf (...) mij (van)uit mij
6.
bij (ik) heb gelijk gehad (ik) heb gehouden noch (ik) liet los niet (hij) beledigde hart (...) mij wateren van
7.
wees zoals slechte vijanden van WMTQWMMI zoals onrecht
8.
dat wat? hoop van (hij) is gevleid dat (hij) voerde uit dat ISL God ziel (...) hem
9.
(is het zo) dat (jij) hebt geschreeuwd (...) hem (hij) hoorde toe naar dat (jij) kwam op hem ellende
10.
als op Sjadai ITONC (hij) noemde God in alle tijd
11.
naar licht (met) jullie bij (de) hand naar die met Sjadai niet (ik) verborg
12.
èn (met) hen kun! (...) jullie (jullie) hebben voorspeld en waarom dit damp TEBLW
13.
dit deel mens slechte met naar en (jij) hebt verworven tirannen van Sjadai (zij) namen
14.
als (zij) vermeerderden zonen (...) hem voor hen zwaard WßAßAIW niet (zij) waren verzadigd brood
15.
overlevende (...) hem bij (de) dood (zij) begroeven en weduwe-en (...) hem niet (jullie) weenden
16.
als IßBR zoals stof zilver WKHMR (hij) bereidde voor om zich te bekleden
17.
(hij) bereidde voor en rechtvaardige (hij) bekleedde zich en zilver schone (hij) verdeelde
18.
(hij) heeft gebouwd als maak! huis (...) hem WKXKE (hij) heeft gedaan (wij) schiepen
19.
rijke (hij) lag neer noch (hij) verzamelde ogen (...) hem (hij) heeft geopend en hij is (er) niet
20.
(jullie) bereikten (...) hem staan op panische angsten nacht (jij) hebt gestolen (...) hem naar riet
21.
(zij) droegen (...) hem Oosten en (hij) ging WISOREW van plaats (...) hem
22.
en (hij) ging neer op hem noch (hij) had medelijden van hand (...) hem vlucht! (hij) vluchtte
23.
ISPQ op hen KPIMW WISRQ op hem van plaats (...) hem

Hoofdstuk 28

1.
dat er is aan zilver word(t) tevoorschijn gehaald en plaats aan goud IZQW
2.
ijzer van stof (hij) nam en steen IßWQ (wij) haastten ons (er)naar
3.
eind daar aan duisternis en aan alle TKLIT hij onderzoek(t) steen donkere en diepe duisternis
4.
doorbraak wadi bij vandaan vreemdeling (is het zo) dat worden vergeten van mij voet (zij) hebben geput van mens (zij) hebben gezworven
5.
land (van)uit haar uitgaande brood en in de plaats van haar (hij) is veranderd zoals vuur
6.
plaats saffier naar stenen en jonge ree van goud als
7.
baan niet (zij) hebben geweten arend noch SZPTW oog waar?
8.
niet EDRIKWEW bouw! SHß niet getuige op hem leeuw
9.
bij (de) kiezel wapen (hij) bedankte (hij) heeft omgekeerd van wortel (hij) heeft opgetild
10.
BßWRWT rivieren BQO en alle waarde (zij) heeft gezien bestudeert!
11.
van geween rivieren (hij) heeft verbonden WTOLME uitgaande licht
12.
en de wijsheid vanwaar? (jij) vond en waar dit plaats verstand
13.
niet (hij) heeft geweten mens (zij) heeft geordend noch (jij) vond bij (het) land de leven
14.
afgrond woord niet bij mij zij en zee woord (er is) niet met mij
15.
niet (hij) gaf slot in de plaats van haar noch ISQL zilver naar prijs
16.
niet TXLE BKTM Ofir bij (de) onyx waarde en saffier
17.
niet (hij) ordende (...) haar goud WZKWKIT WTMWRTE gereedschap goud
18.
RAMWT WCBIS niet (hij) herinnerde zich en (hij) heeft getrokken wijsheid MPNINIM
19.
niet (hij) ordende (...) haar PÐDT Cusch BKTM zuivere niet TXLE
20.
en de wijsheid vanwaar? (jij) kwam en waar dit plaats verstand
21.
WNOLME bestudeer(t) (...) mij alle levende en om te vliegen de hemel NXTRE
22.
(zij) zijn verloren gegaan (...) hen en dood (zij) hebben gesproken bij (de) oren (...) ons (wij) hebben toegehoord (zij) heeft toegehoord
23.
God (hij) heeft begrepen naar weg en hij (hij) heeft geweten (tot) van hoogte
24.
dat hij aan einden het land (hij) keek in de plaats van alle de hemel vrees
25.
te doen aan wind gewicht en water (jij) bereidde bij (de) maat
26.
bij te doen (...) hem aan regen wet en weg LHZIZ vlotte (mv)
27.
destijds (hij) heeft gezien en (hij) vertelde (er)naar sla(a)t! en ook (zij) heeft onderzocht
28.
en (hij) sprak aan mens èn (jij) hebt gevreesd liggers van zij wijsheid en verblind! van kwaad verstand

Hoofdstuk 29

1.
en (hij) heeft toegevoegd Job te dragen (zij) hebben geheerst en (hij) sprak
2.
water van (hij) gaf (...) mij zoals maan-en van voorkant zoals dagen van God (hij) bewaarde (...) mij
3.
BELW licht (...) hem op mij hoofden van aan licht (...) hem (ik) ging duisternis
4.
zoals (ik) ben geweest bij (de) dagen van beledig! bij (het) geheim God op mij tenten van
5.
terwijl Sjadai met mij omgevingen (...) mij schud!
6.
bij (hij) heeft gewassen ELIKI bij (de) woede en rots IßWQ met mij splits! olie
7.
bij uit te gaan (...) mij poort op mij stad bij (de) straat (ik) bereidde voor zetels van
8.
(zij) hebben gezien (...) mij jongens WNHBAW WISISIM (zij) zijn opgestaan sta(a)t vast!
9.
zingen (zij) hebben vastgehouden bij besnijden en lepel (zij) plaatsten aan monden (...) hen
10.
klank leiders NHBAW en tong (...) hen aan wijze (zij) heeft geplakt
11.
dat oor (zij) heeft toegehoord en (jij) bevestigde (...) mij en oog (zij) heeft gezien en (jij) getuigde (...) mij
12.
dat (ik) redde arme schreeuw(t) om hulp en wees noch hulp als
13.
(jij) hebt gezegend (hij) is verloren gegaan op mij (zij) kwam en hart weduwe (ik) roddelde
14.
rechtvaardigheid (ik) heb me bekleed en (hij) bekleedde zich (...) mij zoals mantel WßNIP rechtsregels van
15.
ogen (ik) ben geweest wakker te worden en voeten aan Pesach ik
16.
vader ik aan arme (mv) en meerderheid niet (ik) heb geweten AHQREW
17.
en (ik) verbrijzelde (er)naar MTLOWT onrecht en van jaren (...) hem (ik) wierp af prooi
18.
en woord met koop! (ik) stierf WKHWL sprinkhaan dagen
19.
dat verover! geopende naar mij water en dauw (hij) liet overnachten bij (de) oogsten van
20.
onderscheidingen van maand met mij en bogen van bij (de) handen van THLIP
21.
aan mij (zij) hebben toegehoord en (zij) begonen te en (zij) leken voor hen raden van
22.
na spreek! niet hij is er en op hen TÐP (ik) heb besneden
23.
en (zij) begonen te zoals regen aan mij en monden (...) hen PORW aan late regen
24.
(ik) speelde naar hen niet (zij) geloofden en licht aanzicht van niet (zij) lieten vallen (...) hen
25.
ABHR generatie (...) jullie en (ik) woonde hoofd en (ik) woonde zoals koning bij (de) eenheid zoals rouwen (hij) troostte

Hoofdstuk 30

1.
en nu (zij) hebben fijngewreven op mij kleine (mv) (van)uit mij aan dagen die (ik) heb verafschuwd vaders (...) hen te leggen met honden van kleinvee (...) mij
2.
ook kracht handen (...) hen waarom aan mij op hen (hij) is verloren gegaan zoals frisheid
3.
bij (het) gebrek en bij (de) lepel (...) hen CLMWD EORQIM naar vloot AMS naar (het) niets en naar last
4.
EQÐPIM van paneel op mij spreek! en wortel RTMIM brood (...) hen
5.
vanuit CW (zij) verjoegen (zij) juichten op hen zoals dief
6.
BORWß wadi's te behuizen ontbrand! stof en lepels
7.
tussen spreek! (...) hen INEQW in de plaats van HRWL IXPHW
8.
bouw! harp ook bouw! zonder daar NKAW vanuit het land
9.
en nu NCINTM (ik) ben geweest en (ik) was er aan hen aan woord
10.
(zij) zijn verafschuwd (...) mij (zij) zijn ver geweest van mij en van aanzicht van niet duisternis (...) hem lege
11.
dat Jethro opening en (hij) antwoordde (...) mij WRXN van aanzicht van zendt weg!
12.
op rechterhand PRHH (zij) stondden op voeten van zendt weg! WIXLW op mij manieren tegenslag (...) hen
13.
NTXW baan (...) mij aan verderf (...) mij IOILW niet hulp voor hen
14.
zoals doorbraak breedte IATIW in de plaats van draag! (er)naar ETCLCLW
15.
(is het zo) dat (hij) heeft omgekeerd op mij panische angsten (zij) achtervolgden zoals wind (ik) heb geschonken WKOB (zij) is voorbijgegaan ISOTI
16.
en nu op mij TSTPK ziel (...) mij (zij) grepen (...) mij dagen van arme
17.
nacht word machtig! (hij) heeft uitgestoken ontvreemd! WORQI niet (zij) lagen neer (...) hen
18.
bij (de) meerderheid kracht ITHPS zich te schamen (...) mij zoals mond van hemd (...) mij IAZRNI
19.
(is het zo) dat zing! aan klei WATMSL zoals stof en as
20.
(ik) schreeuwde om hulp naar jou noch (zij) antwoordde (...) mij (ik) heb gestaan WTTBNN bij mij
21.
(zij) keerde om LAKZR aan mij bij (het) bot hand (...) jou TSÐMNI
22.
(jij) droeg (...) mij naar wind TRKIBNI WTMCCNI (jij) was gelijk
23.
dat (ik) heb geweten dood (jij) gaf terug (...) mij en huis ontmoeting aan alle levende
24.
maar niet BOI (hij) zond weg hand als BPIDW aan hen schreeuw om hulp!
25.
als niet (ik) heb geweend aan harde dag OCME ziel (...) mij aan arme
26.
dat goede (ik) heb gehoopt en (hij) kwam kwaad en (zij) heeft toegewenst aan licht en (hij) kwam donkere
27.
ingewanden van RTHW noch (zij) hebben geleken (hij) is voorgegaan (...) mij dagen van arme
28.
(hij) is donker geworden (ik) ben gegaan zonder woede (ik) ben opgestaan bij (de) menigte (ik) schreeuwde om hulp
29.
broer (ik) ben geweest aan jakhalzen en kwaad te bouwen (hij) antwoordde
30.
word wakker! zwarte ontvreemd! en word machtig! (hij) is ontbrand van mij zwaard
31.
en wees aan rouw zoals licht (...) mij en bemin hartstochtelijk! aan klank geween (...) hen

Hoofdstuk 31

1.
verbond hak af! te bestuderen (...) mij en wat? (ik) beschouwde op maagd
2.
en wat? deel God boven en (jij) hebt verworven Sjadai MMRMIM
3.
toch? tegenslag aan onrecht en vreemde land aan daden van kracht
4.
toch? hij vrees wegen van en alle stap! (hij) telde
5.
als (ik) ben gegaan met (het) niets en (zij) haastte zich op bedrog voeten van
6.
ISQLNI BMAZNI rechtvaardigheid en (hij) heeft geweten God (zij) stierf (...) mij
7.
als (jij) boog om heil van mij de weg en andere bestudeer! beweging hart (...) mij en bij (de) lepels van (hij) heeft geplakt iets
8.
(ik) werd gezaaid (er)naar en andere (hij) at WßAßAI ISRSW
9.
als NPTE hart (...) mij op vrouw en op opening achtervolg! (ik) heb in hinderlaag gelegen
10.
TÐHN aan andere mijn vrouw en op haar IKROWN kom te laat! (...) hen
11.
dat hij vuiligheid en zij vijandige PLILIM
12.
dat vuur zij tot (zij) zijn verloren gegaan (...) hen (jij) at en in alle opbrengst (...) mij TSRS
13.
als (ik) verafschuwde rechtsregel werk! en waarheden van bij (de) meerderheid (...) hen met mij
14.
en wat? (ik) werd gedaan dat (hij) wraakte naar en dat (hij) beval wat? (ik) gaf terug (...) ons
15.
toch? bij (de) buik maak! (...) mij maakt! (...) hem en (hij) bereidde (...) ons bij (de) baarmoeder één
16.
als (ik) hield terug van wens armen en bestudeer! weduwe (zij) heeft gegeten
17.
en eten dwaas alleen ik noch eten wees (van)uit haar
18.
dat om uit te schudden (...) mij (hij) is gegroeid (...) mij zoals vader en van buik moeder (...) mij ANHNE
19.
als (ik) liet zien ga(a)(t) verloren zonder zich te schamen en (er is) niet bekleding aan arme
20.
als niet zegent! (...) mij (zij) hebben uitgetrokken WMCZ onderdruk! ITHMM
21.
als ENIPWTI op wees handen van dat (ik) liet zien bij (de) poort (ik) heb geholpen
22.
schouder (...) mij naar van schouder (jij) viel en (ik) werd gezaaid (...) mij bezit (zij) brak
23.
dat angst naar mij tegenslag naar en om te dragen (...) hem niet eet
24.
als (ik) heb geplaatst goud KXLI en te gaan (...) hen (ik) heb gesproken verzeker(t) zich (...) mij
25.
als (ik) maakte blij dat meerderheid machten van en dat geweldige (zij) heeft gevonden handen van
26.
als (ik) liet zien licht dat IEL en maan waarde beweging
27.
en Jafeth bij (het) geheim hart (...) mij en (zij) gaf te drinken handen van aan mond van
28.
ook hij vijandige PLILI dat (ik) heb gelogen tot God boven
29.
als (ik) maakte blij BPID om te haten (...) mij WETORRTI dat (zij) hebben gevonden kwaad
30.
noch (ik) heb gegeven te zondigen verhemeltes van te vragen bij (de) deze ziel (...) hem
31.
als niet (zij) hebben gesproken wanneer? tenten van water van (hij) gaf kondig(t) aan (...) hem niet (hij) heeft gezworen
32.
bij (de) straat niet (hij) liet overnachten vreemdeling deur (...) mij gastvrijheid te verlenen (ik) deed open
33.
als (ik) heb bedekt zoals mens misdrijf! te verbergen BHBI armoede
34.
dat AORWß menigte veelheid en minachting families IHTNI en mens niet (ik) ging uit opening
35.
water van (hij) gaf aan mij nieuws aan mij èn TWI Sjadai (hij) antwoordde (...) mij en boek (hand)schrift man twist!
36.
als niet op schouders van (ik) droeg (...) ons AONDNW kronen aan mij
37.
getal stap! (ik) vertelde (...) ons zoals leider (ik) bracht nader (...) ons
38.
als op mij aarde (...) mij (zij) schreeuwde en samen naar Thalmai IBKIWN
39.
als naar kracht (ik) heb gegeten zonder zilver en ziel bij (de) opgang (is het zo) dat word minder!
40.
in de plaats van tarwe uitgaande HWH en in de plaats van dat leg bloot! (zij) is verrot (zij) hebben zich verbaasd spreek! Job

Hoofdstuk 32

1.
en (zij) rustten drie van de mensen (de) deze om te antwoorden (tot) Job dat hij rechtvaardige bij (de) ogen (...) hem
2.
en (hij) ontbrandde neus Elihu zoon BRKAL (is het zo) dat minacht! van familie van (hij) is hoog geweest bij Job (hij) is ontbrand neus (...) hem op (zij) hebben gelijk gehad ziel (...) hem van God
3.
en bij (de) drie van kwaden (...) hem (hij) is ontbrand neus (...) hem op die niet (zij) hebben gevonden antwoord WIRSIOW (tot) Job
4.
en Elia naar verhemelte (tot) Job bij (de) woorden dat baarden deze (mv) (van)uit hem aan dagen
5.
en gezien Elihu dat (er is) niet antwoord bij (de) mond van drie van de mensen en (hij) ontbrandde neus (...) hem
6.
en wegens Elihu zoon BRKAL (is het zo) dat minacht! en (hij) sprak kleine ik aan dagen en (met) hen ISISIM op zo ZHLTI en (ik) vreesde van boerderij van weet! (met) jullie
7.
(ik) heb gesproken dagen (zij) spraken en meerderheid twee IDIOW wijsheid
8.
werkelijk wind zij bij (de) mens en (jij) hebt geademd Sjadai (jij) begreep (...) hen
9.
niet twisten (zij) werden wijs en baarden (zij) begrepen rechtsregel
10.
daarom (ik) heb gesproken (zij) heeft toegehoord aan mij AHWE weet! neus ik
11.
èn EWHLTI aan woorden (...) jullie AZIN tot wijsheden (...) jullie tot (jullie) onderzochten (...) hen laat overnachten
12.
en getuigen (...) jullie (ik) beschouwde en hier is (er is) niet aan Job terechtwijzende antwoord(t) woorden (...) hem (van)uit jullie
13.
opdat niet (jullie) spraken (wij) hebben gevonden wijsheid naar IDPNW niet man
14.
noch waarde naar mij laat overnachten en bij (de) woorden (...) jullie niet (ik) gaf terug (...) ons
15.
angst niet nederige nog (eens) EOTIQW (van)uit hen besnijden
16.
WEWHLTI dat niet (zij) spraken dat sta(a)t vast! niet nederige nog (eens)
17.
(ik) antwoordde neus ik verdeel! AHWE weet! neus ik
18.
dat (ik) heb besneden besnijden EßIQTNI wind buik (...) mij
19.
hier is buik (...) mij zoals wijn niet (hij) deed open zoals vaders maanden IBQO
20.
(ik) sprak (er)naar WIRWH aan mij (ik) deed open lippen van en (ik) antwoordde
21.
naar toch (ik) droeg aanzicht van man en naar mens niet (ik) noemde
22.
dat niet (ik) heb geweten (ik) noemde zoals een beetje (hij) droeg (...) mij maak! (...) mij

Hoofdstuk 33

1.
daarentegen nieuws toch Job (hij) heeft besneden (...) mij en alle spreek! (zij) heeft geluisterd
2.
hier is toch (ik) heb geopend mond van woord tong (...) mij bij (de) verhemeltes van
3.
rechte hart (...) mij Amoriet en kennis lippen van BRWR MLLW
4.
wind naar OSTNI en (jij) hebt geademd Sjadai (zij) leefde (...) mij
5.
als je zult kunnen (hij) heeft teruggegeven (...) mij (zij) heeft geordend voor (zij) heeft zich opgesteld
6.
èn ik lepels (...) jou tot God van klei QRßTI ook ik
7.
hier is waarheden van niet TBOTK WAKPI op jou niet (hij) was zwaar
8.
maar (jij) hebt gesproken bij (de) oren van en klank laat overnachten (ik) hoorde toe
9.
zuivere ik zonder misdaad HP ik noch vijandige aan mij
10.
èn TNWAWT op mij (hij) vond (hij) berekende (...) mij aan vijand als
11.
pas toe! BXD voeten van (hij) bewaarde alle (ik) heb gastvrijheid verleend
12.
èn deze niet (jij) hebt gelijk gehad AONK dat (hij) vermeerderde God van mens
13.
waarom? naar hem RIBWT dat alle woorden (...) hem niet (hij) antwoordde
14.
dat bij één (hij) sprak naar en (ik) heb me geschaamd (...) hen niet effent!
15.
bij (de) droom HZIWN nacht bij ga neer! diepe slaap op mensen BTNWMWT op mij bed
16.
destijds (hij) onthulde oor mensen WBMXRM IHTM
17.
te verwijderen mens Mozes WCWE van man (hij) bedekte
18.
(hij) haastte zich (...) jou ziel (...) hem van mij kuil en dier (...) hem trek(t) door bij (de) wapen
19.
en (hij) is bewezen BMKAWB op bed (...) hem en twist! kernen (...) hem (met) hen
20.
WZEMTW dier (...) hem brood en ziel (...) hem voedsel begeerte
21.
(hij) heeft gekund kondigt aan! van spiegel en kale heuvel botten (...) hem niet (zij) hebben gezien
22.
en (jij) bracht nader te bederven ziel (...) hem en dier (...) hem tot van dood-en
23.
als er is op hem boodschapper MLIß één van mij duizend te vertellen aan mens effent!
24.
en (hij) legerde (...) ons en (hij) sprak PDOEW om te dalen kuil (ik) heb gevonden dorp
25.
RÐPS kondigt aan! schud(t) (hij) blies aan dagen van OLWMIW
26.
(hij) bad naar God WIRßEW en gezien aanzichten (...) hem bij (het) gejubel en inwoner aan mens weldadigheid (...) hem
27.
rechte op mensen en (hij) sprak (ik) heb gezondigd en rechte EOWITI noch gelijke aan mij
28.
(hij) heeft bevrijd ziel (...) mij trek(t) door bij (de) kuil en dier (...) mij bij (het) licht (jij) liet zien
29.
èn alle deze IPOL naar twee keer drie met man
30.
terug te geven ziel (...) hem van mij kuil aan licht bij (het) licht de leven
31.
let op! Job nieuws aan mij (de) stille en ik (ik) sprak
32.
als er is laat overnachten (hij) heeft teruggegeven (...) mij woord dat (ik) heb gewenst rechtvaardigheid (...) jou
33.
als (er is) niet (met) haar nieuws aan mij (de) stille WAALPK wijsheid

Hoofdstuk 34

1.
en wegens Elihu en (hij) sprak
2.
(zij) hebben toegehoord wijze (mv) (hij) heeft besneden (...) mij WIDOIM (zij) hebben geluisterd aan mij
3.
dat oor laat overnachten TBHN en verhemelte (hij) proefde aan eten
4.
rechtsregel geselecteerde aan ons (wij) wisten (er)naar tussen ons wat? goede
5.
dat woord Job (ik) heb gelijk gehad en naar (hij) heeft verwijderd rechtsregels van
6.
op rechtsregels van (ik) loog mens halve zonder misdaad
7.
water van man zoals Job (hij) dronk spot staan op
8.
en manier samen te binden (er)naar met daden van kracht en te gaan met mens (...) mij slechte
9.
dat woord niet (hij) goot uit (...) hen man bij (jij) hebt gerend (...) hem met God
10.
daarom mens (...) mij hart (zij) hebben toegehoord aan mij naar dode tot God van slechte en Sjadai ontvreemd!
11.
dat daad mens (hij) betaalde als WKARH man (hij) vond (...) ons
12.
neus echt naar niet IRSIO en Sjadai niet (hij) verdraaide rechtsregel
13.
water van opname op hem naar land en water van daar wereld schoondochter
14.
als (hij) plaatste naar hem zijn hart wind (...) hem en ziel (...) hem naar hem (hij) verzamelde
15.
(hij) stierf alle vlees samen en mens op stof (hij) blies
16.
en als verstand (zij) heeft toegehoord deze (zij) heeft geluisterd aan klank (hij) heeft besneden (...) mij
17.
de neus haat rechtsregel (hij) verbond en als rechtvaardige geweldige TRSIO
18.
de woord aan koning slechtheid slechte naar vrijgevige (mv)
19.
die niet verheven aanzicht van zingen noch vreemde land schreeuw om hulp! voor armelijke dat Mozes handen (...) hem allemaal
20.
ogenblik (hij) stierf (...) hem en straten nacht ICOSW met en (zij) gingen voorbij en (zij) verwijderden ridder niet bij (de) hand
21.
dat ogen (...) hem op wegen van man en alle stappen (...) hem vrees
22.
(er is) niet duisternis en (er is) niet diepe duisternis aan het geheim daar daden van kracht
23.
dat niet op man (hij) plaatste nog (eens) te gaan naar naar bij (de) rechtsregel
24.
(hij) achtervolgde geweldige (mv) niet onderzoek en (hij) stond vast anderen in de plaats van hen
25.
daarom (hij) herkende van slaven (...) hen en (hij) heeft omgekeerd nacht WIDKAW
26.
in de plaats van slechte (mv) XPQM bij (de) plaats spiegel (...) hen
27.
die op zo (zij) zijn afgeweken van na hem en alle wegen (...) hem niet (zij) zijn wijs geworden
28.
te brengen op hem (jij) hebt geschreeuwd armelijke en (jij) hebt geschreeuwd armen (hij) hoorde toe
29.
en hij ISQÐ en water van IRSO en (hij) weerlegde aanzicht en water van vereffening (...) ons en op volk en op mens samen
30.
van koning mens (hij) is gevleid MMQSI met
31.
dat naar naar de woord (ik) heb gedragen niet (ik) saboteerde
32.
uitgezonderd (zij) heeft gegrepen (met) haar (is het zo) dat zing! als onrecht onderneming (...) mij niet (ik) voegde toe
33.
EMOMK (hij) betaalde (...) haar dat (jij) hebt verafschuwd dat (met) haar (zij) koos noch ik en wat? (jij) hebt geweten woord
34.
mens (...) mij hart (zij) spraken aan mij en man wijze nieuws aan mij
35.
Job niet bij (de) kennis (hij) sprak en woorden (...) hem niet bij (hij) is wijs geworden
36.
vader IBHN Job tot overwinning op (zij) rustte bij (de) mens (...) mij kracht
37.
dat (hij) zal toevoegen op zonde (...) hem misdaad tussen ons ISPWQ en (hij) vermeerderde woorden (...) hem tot God

Hoofdstuk 35

1.
en wegens Elia en (hij) sprak
2.
(de) deze (jij) hebt gedacht aan rechtsregel (jij) hebt gesproken heb gelijk! van macht
3.
dat (jij) sprak wat? (hij) goot uit (...) hen aan jou wat? AOIL van zondoffers van
4.
ik (ik) gaf terug (...) jou laat overnachten en (tot) kwaden (...) jou met jou
5.
kijk! hemel en (hij) heeft gezien en os wolken hoogte (...) hem (van)uit jou
6.
als zondoffer wat? TPOL bij hem en tienduizend misdaden (...) jou wat? (jij) deed als
7.
als (jij) hebt gelijk gehad wat? te geven (...) hen als of wat? van hand (...) jou (hij) nam
8.
aan man zoals jij slechtheid (...) jou en tot zoon mens (jij) hebt gelijk gehad (...) jou
9.
van meerderheid OSWQIM IZOIQW (zij) schreeuwden om hulp om te zaaien twisten
10.
noch woord waar? God maak! (hij) heeft gegeven gezangen bij (de) nacht
11.
MLPNW van reuzendier land en om te vliegen de hemel (hij) werd wijs (...) ons
12.
daar (zij) schreeuwden noch (hij) antwoordde van aanzicht van (zij) hebben zich verheven (...) hen kwaden
13.
maar (het) niets niet (hij) hoorde toe naar en Sjadai niet effent!
14.
neus dat (jij) sprak niet (jij) viel af (...) ons gerecht voor hem WTHWLL als
15.
en nu dat (er is) niet opname neus (...) hem noch (hij) heeft geweten BPS zeer
16.
en Job damp (hij) opende mond van hem bij (de) echtgenoten van kennis laat overnachten IKBR

Hoofdstuk 36

1.
en (hij) heeft toegevoegd Elihu en (hij) sprak
2.
kroon aan mij kleine WAHWK dat nog (eens) aan God besnijden
3.
(ik) droeg weet! tot van afstand en aan daden van (met) hen rechtvaardigheid
4.
dat echt niet leugen (hij) heeft besneden (...) mij volledige meningen met jou
5.
èn naar geweldige noch (hij) verafschuwde geweldige kracht hart
6.
niet (hij) leefde slechte en rechtsregel armen (hij) gaf
7.
niet (hij) verminderde geef(t) gelijk ogen (...) hem en (tot) koningen aan stoel en (hij) gaf terug (...) hen uiteindelijk WICBEW
8.
en als verboden BZQIM (zij) voegden samen (...) hen bij saboteer! arme
9.
en (hij) werd verteld aan hen daad (...) hen en misdaden (...) hen dat ITCBRW
10.
en (hij) verheugde zich oor (...) hen aan zedeles en (hij) sprak dat (zij) keerden terug (...) hen van kracht
11.
als (zij) hoorden toe en (zij) werkten (zij) hebben gekund dagen (...) hen bij (de) goede en die twee bij (de) aangename (mv)
12.
en als niet (zij) hoorden toe bij (de) wapen (zij) gingen voorbij en (zij) stierven bij (de) echtgenoten van kennis
13.
en word gevleid! hart (zij) plaatsten neus niet (zij) schreeuwden om hulp dat (hij) heeft gevangen genomen (...) hen
14.
(zij) stierf bij (de) jeugd ziel (...) hen en dieren (...) hen bij (de) heiligheden
15.
(hij) trok uit arme bij (de) armoede (...) hem en (hij) verheugde zich bij (de) druk oor (...) hen
16.
en neus EXITK van mond van smalle breedte niet gegoten in de plaats van haar en (hij) is geland tafel (...) jou (hij) is vol geweest vette
17.
en gerecht slechte (jij) bent vol geweest gerecht en rechtsregel ITMKW
18.
dat woede opdat niet IXITK BXPQ en meerderheid dorp naar (hij) boog om (...) jou
19.
word geregeld! schreeuw om hulp! (...) jou niet versterkte en alle MAMßI kracht
20.
naar TSAP de nacht op te gaan volkeren in de plaats van hen
21.
(is het zo) dat bewaar! naar (zij) wendde zich naar kracht dat op dit (jij) hebt gekozen van arme
22.
èn naar ISCIB bij (de) kracht (...) hem water van zoiets (...) hem leraar
23.
water van opname op hem weg (...) hem en water van woord onderneming van ga(a)(t) op
24.
man dat TSCIA daad (...) hem die SRRW mensen
25.
alle mens (zij) hebben voorspeld bij hem mens (hij) keek om ver te zijn
26.
èn naar veel noch (wij) wisten getal jaren (...) hem noch onderzoek
27.
dat (hij) verminderde NÐPI water IZQW regen aan Iddo
28.
die IZLW wolken IROPW op mij mens meerderheid
29.
neus als (hij) begreep verklaar(t) (...) mij wolk TSAWT hut (...) hem
30.
èn ruiter op hem licht (...) hem en wortels van de zee bedek!
31.
dat in hen (hij) berechtte volkeren (hij) gaf eten LMKBIR
32.
op lepels bedek! licht en (hij) gaf opdracht op haar BMPCIO
33.
(hij) vertelde op hem (zij) hebben achtervolgd bezit neus op ga(a)(t) op

Hoofdstuk 37

1.
neus aan deze (hij) schrok hart (...) mij en rest van plaats (...) hem
2.
(zij) hebben toegehoord hoor toe! bij (hij) is boos geweest klank (...) hem en (hij) heeft uitgesproken van monden (...) hem uitgaande
3.
in de plaats van alle de hemel effent! (...) hem en licht (...) hem op KNPWT het land
4.
na hem (hij) brulde klank (hij) achtervolgde (...) hen bij (de) klank (zij) hebben zich verheven (...) ons noch (hij) volgde (...) hen dat (hij) hoorde toe klank (...) hem
5.
(hij) achtervolgde (...) hen naar bij (de) klank (...) hem wonderen (hij) heeft gedaan groeiende (mv) noch (wij) wisten
6.
dat aan sneeuw (hij) sprak hij land en nader! (...) hen regen en nader! (...) hen MÐRWT kracht (...) hem
7.
bij (de) hand alle mens (zij) landden (...) hen te weten alle mens (...) mij handeling (...) hem
8.
en (jij) kwam dier met (hij) heeft in hinderlaag gelegen WBMOWNTIE (jij) behuisde
9.
vanuit de kamer (jij) kwam naar riet WMMZRIM (hij) is gebeurd
10.
van ziel van naar (hij) gaf ijs en breedte water bij (de) gegoten
11.
neus graan (...) mij IÐRIH wolk IPIß wolk licht (...) hem
12.
en hij MXBWT MTEPK BTHBWLTW aan daad (...) hen alle die (hij) gaf opdracht (...) hen op aanzicht van wereld naar land
13.
als aan stam als aan land (...) hem als aan genade (zij) vondden (...) hem
14.
(zij) heeft geluisterd deze Job sta vast! en (hij) heeft beschouwd wonderen naar
15.
(is het zo) dat (jij) wist (zij) hebben zich geschaamd (...) hen God op hen WEPIO licht wolk (...) hem
16.
(is het zo) dat (jij) wist op MPLSI wolk MPLAWT volledige weet! (...) hen
17.
die kledingstukken (...) jou hete (mv) BESQÐ land van zuid
18.
TRQIO met hem aan wolken krachten zoals spiegel gegoten
19.
(hij) heeft meegedeeld (...) ons wat? (wij) spraken als niet (hij) is geregeld van aanzicht van duisternis
20.
(is het zo) dat (hij) vertelde als dat (ik) sprak als woord man dat (hij) slikte
21.
en nu niet (zij) hebben gezien licht BEIR hij bij (de) wolken en wind (zij) is voorbijgegaan en (jij) zuiverde je (...) hen
22.
van Noorden goud IATE op God ontzagwekkende luister
23.
Sjadai niet (wij) hebben gevonden (...) hem veel kracht en rechtsregel en meerderheid weldadigheid niet (hij) antwoordde
24.
daarom IRAWEW mensen niet vrees alle word wijs! hart

Hoofdstuk 38

1.
en wegens Jahweh (tot) Job MNEXORE en (hij) sprak
2.
water van dit MHSIK advies bij laat overnachten zonder kennis
3.
AZR toch zoals man trek uit! (...) jou en (ik) vroeg (...) jou en (hij) heeft meegedeeld (...) mij
4.
(ik) was mooi (jij) bent geweest bij vestig! land vertel! als (jij) hebt geweten verstand
5.
water van daar MMDIE dat (jij) wist of water van (wij) bogen om op haar lijn
6.
op wat? naar liggers EÐBOW of water van (hij) heeft geworpen steen (zij) heeft zich gewend
7.
graan (...) hen samen sterren van rundvee en (zij) juichten alle bouw! God
8.
en (hij) goot uit (ik) ben gescheiden (...) hen zee BCIHW heb(t) medelijden uitgaande
9.
BSWMI wolk (zij) hebben zich bekleed en nevel HTLTW
10.
en (ik) verbrijzelde op hem wetten van en (ik) plaatste grendel en deuren
11.
en woord tot mond (jij) kwam noch TXIP WPA (hij) legde bij (zij) hebben zich verheven (...) hen hopen (...) jou
12.
de wateren (...) jou (jij) hebt opdracht gegeven rundvee (jij) hebt geweten (er)naar zwarte plaats (...) hem
13.
aan Achaz BKNPWT het land en (zij) schudden slechte (mv) (van)uit haar
14.
TTEPK zoals klei zegel en (zij) stelden zich op zoals zich te schamen
15.
en (hij) hield terug van slechte (mv) (ik) werd opgeheven en arm wormen (zij) brak
16.
(jij) hebt gebracht tot NBKI zee en bij (het) onderzoek afgrond (jij) hebt rondgewandeld
17.
ENCLW aan jou poorten van dood en poorten van diepe duisternis (jij) liet zien
18.
ETBNNT tot word breder! land vertel! als (jij) hebt geweten schoondochter
19.
waar dit de weg jullie zijn er licht en duisternis waar dit plaats (...) hem
20.
dat (jij) nam (...) ons naar grens (...) hem en dat (jij) begreep banen huis (...) hem
21.
(jij) hebt geweten dat destijds TWLD en getal dagen (...) jou twisten
22.
(jij) hebt gebracht naar bergingen sneeuw en bergen op hagel (jij) liet zien
23.
die HSKTI aan tijd smalle aan dag binnenste en strijd
24.
waar dit de weg (hij) verdeelde licht (hij) opende Oosten op mij land
25.
water van splitsing LSÐP (jij) verhief en weg LHZIZ vlotte (mv)
26.
LEMÐIR op land niet man woestijn niet mens bij hem
27.
LESBIO draag! (er)naar en naar last en groeien te laten (hij) heeft gevonden grasveld
28.
is er? aan regen vader of water van (hij) heeft voortgebracht ACLI dauw
29.
van buik water van uitgaande het ijs en dorp hemel water van helpt bij de geboorte!
30.
zoals steen water ITHBAW en aanzicht van afgrond ITLKDW
31.
(is het zo) dat (jij) verbond MODNWT naar zoals dag of MSKWT dwaas (jij) deed open
32.
ETßIA om uit te strooien bij (de) tijd (...) hem WOIS op bouw! (er)naar (jij) troostte
33.
(is het zo) dat (jij) hebt geweten grondwetten hemel als (jij) plaatste van politieman (...) hem bij (het) land
34.
(is het zo) dat (jij) tilde op aan wolk klank (...) jou WSPOT water (zij) bedekte (...) jou
35.
(is het zo) dat (jij) zond weg flitsen en (zij) gingen en (zij) spraken aan jou hier zijn wij
36.
water van Set vertrouwen-en wijsheid of water van (hij) heeft gegeven LSKWI verstand
37.
water van (hij) vertelde wolken bij (de) wijsheid en verwelk! hemel water van ISKIB
38.
BßQT stof aan gegoten WRCBIM (zij) plakten
39.
(is het zo) dat (jij) ving aan leeuw prooi en dier van jonge leeuwen (jij) was vol
40.
dat (zij) bukten zich BMOWNWT (zij) hebben gewoond bij (de) hut voor hen (hij) heeft in hinderlaag gelegen
41.
water van (hij) bereidde voor aan aangename jacht (...) hem dat helpt bij de geboorte! naar naar (zij) schreeuwden om hulp (zij) liepen verkeerd aan echtgenoten van eten

Hoofdstuk 39

1.
(is het zo) dat (jij) hebt geweten tijd aan wet (hij) verhief (...) mij rots dode reeën (jij) bewaarde
2.
(jij) vertelde maan-en (jullie) waren vol en (jij) hebt geweten tijd LDTNE
3.
TKRONE kinderen (...) hen (zij) ploegde (...) haar koorden (...) hen (jullie) zondden weg
4.
(zij) droomden zonen (...) hen (zij) vermeerderden bij (het) graan voert uit! noch woont! voor hen
5.
water van wapen (hij) is in opstand gekomen vrije WMXRWT ORWD water van opening
6.
die (ik) heb geplaatst wildernis huis (...) hem en van buurvrouwen (...) hem naar zout
7.
(hij) wreef fijn aan menigte stad TSAWT (wij) naderden niet (hij) hoorde toe
8.
(hij) verspiedde (hij) heeft opgetild van zijn vriend en andere alle IRWQ (hij) legde uit
9.
(is het zo) dat (hij) wenste RIM slaaf (...) jou als (hij) liet overnachten op trog (...) jou
10.
(is het zo) dat (jij) verbond RIM bij (de) vore wolk (...) hem als ISDD dieptes na jou
11.
(is het zo) dat (jij) verzekerde je bij hem dat meerderheid kracht (...) hem en (jij) verliet naar hem moeite (...) jou
12.
(is het zo) dat (jij) geloofde bij hem dat (hij) blies nakomelingen (...) jou WCRNK (hij) verzamelde
13.
vleugel roddel! (...) hen NOLXE als ABRE naar getrouwe WNßE
14.
dat (jij) verliet aan land naar bij (de) vloot en op stof (jij) was bronstig (...) hen
15.
en (jij) liet vergeten dat voet TZWRE en dier van het veld TDWSE
16.
EQSIH bouw! (er)naar zonder aan haar aan lege inspanning zonder angst
17.
dat het lammetje God wijsheid noch deel aan haar bij (het) verstand
18.
zoals tijd bij (de) hoogte TMRIA (zij) wreef fijn aan paard en te rijden (...) hem
19.
(is het zo) dat te geven (...) hen aan paard moed ETLBIS hals (...) hem ROME
20.
ETROISNW zoals sprinkhaan luister (wij) werden bleek (...) hem verschrikking
21.
(zij) groeven bij (de) diepte en (hij) verblijdde zich bij (de) kracht uitgaande tegemoet (hij) heeft gekust
22.
(hij) wreef fijn bang te zijn noch Jahath noch (hij) blies van aanzicht van zwaard
23.
op hem (hij) heeft verspied (...) haar vuilnis LEB (jij) bent gelegerd WKIDWN
24.
bij (het) lawaai en (hij) is boos geweest ICMA land noch (hij) geloofde dat klank ramshoorn
25.
takken van schoonheid (hij) sprak de broer en om ver te zijn IRIH strijd kwaad (...) hen zingen en gejubel
26.
EMBINTK IABR (hij) spreidde uit vleugel (...) hem aan Zuiden
27.
als op monden (...) jou ICBIE gier en dat (hij) tilde op (zij) hebben gekocht
28.
rots jullie zijn er WITLNN op tand rots en om te vangen (er)naar
29.
van daar Hefer eten tot van afstand ogen (...) hem (zij) keken
30.
en (ik) bloeide (...) hem IOLOW bloed en wat betreft doden daar hij

Hoofdstuk 40

1.
en wegens Jahweh (tot) Job en (hij) sprak
2.
de meerderheid met Sjadai (hij) verblindde terechtwijzende God (hij) antwoordde (...) haar
3.
en wegens Job (tot) Jahweh en (hij) sprak
4.
èn QLTI wat? (ik) gaf terug (...) jou handen van (ik) heb geplaatst voor hen mond van
5.
één woord (...) mij noch (ik) antwoordde en twee noch (ik) voegde toe
6.
en wegens Jahweh (tot) Job MNXORE en (hij) sprak
7.
AZR toch zoals man trek uit! (...) jou (ik) vroeg (...) jou en (hij) heeft meegedeeld (...) mij
8.
de neus (zij) was vruchtbaar rechtsregels van TRSIONI opdat (zij) had gelijk
9.
en als arm zoals macht aan jou en bij (de) klank zoiets (...) hem (zij) achtervolgde (...) hen
10.
getuige toch (zij) hebben zich verheven (...) hen en hoogte en luister en pracht (zij) bekleedde zich
11.
EPß OBRWT neus (...) jou en (hij) heeft gezien alle (hij) heeft zich verheven en (zij) heeft vernederd (...) hem
12.
(hij) heeft gezien alle (hij) heeft zich verheven (zij) heeft onderworpen (...) hem en (de) onderdrukte slechte (mv) in de plaats van hen
13.
(hij) heeft verborgen (...) hen bij (het) stof samen aanzichten (...) hen (hij) heeft verbonden bij verberg!
14.
en ook ik (ik) zal bedanken (...) jou dat TWSO aan jou rechterhand (...) jou
15.
hier is toch reuzendier die (ik) heb gedaan met jou hooi zoals rundvee (hij) at
16.
hier is toch kracht (...) hem bij (de) lendenen (...) hem en kracht (...) hem BSRIRI buik (...) hem
17.
(hij) wenste ZNBW zoals ceder CIDI (zij) zijn bang geweest ISRCW
18.
kernen (...) hem beddingen van (zij) heeft vermoed knokkels (...) hem KMÐIL ijzer
19.
hij begin wegen van naar (is het zo) dat Ezau (hij) is genaderd (zij) zijn vernield
20.
dat BWL (hij) heeft opgetild (zij) droegen als en alle dier van het veld (zij) wreven fijn daar
21.
in de plaats van ßALIM (hij) lag neer bij (het) geheim buis WBßE
22.
(zij) goten uit (...) hem ßALIM ßLLW IXBWEW ben aangenaam! wadi
23.
èn (hij) deed tekort rivier niet IHPWZ (hij) verzekerde zich dat ICIH Jordaan naar mond van hem
24.
bij (de) ogen (...) hem (hij) nam (...) ons bij (de) valstrikken INQB neus
25.
(zij) trok zeemonster naar bij (het) verhemelte en bij (het) koord TSQIO tong (...) hem
26.
(is het zo) dat (jij) plaatste ACMN bij (de) neus (...) hem WBHWH TQB wangen (...) hem
27.
(is het zo) dat (hij) vermeerderde naar jou THNWNIM als (hij) sprak naar jou zachte (mv)
28.
word afgehakt! verbond met jou (jij) nam (...) ons te bewerken eeuwigheid
29.
(is het zo) dat (zij) wreef fijn bij hem zoals Zippor en (jij) verbond (...) ons aan meisjes (...) jou
30.
(zij) groeven op hem verbonden IHßWEW tussen Kanaänieten
31.
(is het zo) dat (jij) was vol BSKWT wordt wakker! WBßLßL vissen hoofd (...) hem
32.
plaats! op hem lepel (...) jou man strijd naar (jij) liet toevoegen

Hoofdstuk 41

1.
èn begin (...) hem (wij) logen (er)naar ook? naar van spiegel (...) hem IÐL
2.
niet AKZR dat (hij) schudde uit (...) ons en water van hij voor (hij) stelde zich op
3.
water van EQDIMNI en (ik) betaalde in de plaats van alle de hemel aan mij hij
4.
niet AHRIS takken (...) hem en woord moedige daden WHIN (zij) hebben geordend
5.
water van bol aanzicht van zich te schamen (...) hem BKPL RXNW water van invoer
6.
deur (...) mij aanzichten (...) hem water van opening omgevingen jaren (...) hem verschrikking
7.
hoogmoed beddingen van schilden slot zegel smalle
8.
één bij één (zij) zijn genaderd en wind niet (hij) kwam tussen hen
9.
man bij (ik) leefde (...) hem (zij) plakten ITLKDW noch ITPRDW
10.
OÐISTIW TEL licht en ogen (...) hem KOPOPI zwarte
11.
van monden (...) hem LPIDIM (zij) gingen als (hij) zwierf (...) mij vuur ITMLÐW
12.
MNHIRIW uitgaande maak! (...) hen zoals oom (wij) ademden uit WACMN
13.
ziel (...) hem CHLIM TLEÐ WLEB van monden (...) hem uitgaande
14.
bij (de) hals (...) hem (hij) liet overnachten kracht en voor hem TDWß DABE
15.
MPLI kondigt aan! (zij) hebben geplakt IßWQ op hem echtgenoot (hij) wankelde
16.
zijn hart IßWQ zoals steen WIßWQ zoals part bodem
17.
van lammetje (...) hem (zij) woonden machten verbrijzelen ITHÐAW
18.
bereik(t) (...) hem zwaard zonder (jij) wraakte (jij) bent gelegerd tocht en Seraja
19.
(hij) berekende aan haksel ijzer aan boom RQBWN (wij) haastten ons (er)naar
20.
niet IBRIHNW zoon boog aan stro (zij) zijn veranderd als stenen van gordijn
21.
zoals stro (wij) berekenden (...) hem TWTH en (hij) wreef fijn aan lawaai als (hij) bedankte (...) hen
22.
in de plaats van hem HDWDI stille IRPD vlijtige op mij ÐIÐ
23.
IRTIH zoals pan MßWLE zee (hij) plaatste KMRQHE
24.
na hem (hij) verlichtte baan (hij) berekende afgrond aan ouderdom
25.
(er is) niet op stof (zij) hebben geheerst (is het zo) dat Ezau aan echtgenoten van angst
26.
(tot) alle hoogte vrees hij koning op alle bouw! SHß

Hoofdstuk 42

1.
en wegens Job (tot) Jahweh en (hij) sprak
2.
(jij) hebt geweten dat alle je zult kunnen noch (hij) plukte druiven (van)uit jou van vuiligheid
3.
water van dit ontvreemd! (...) hen advies zonder kennis daarom (ik) heb verteld noch (ik) begreep wonderen (van)uit mij noch (ik) wist
4.
nieuws toch en ik (ik) sprak (ik) vroeg (...) jou en (hij) heeft meegedeeld (...) mij
5.
aan nieuws oor (ik) heb toegehoord (...) jou en nu bestudeer! RATK
6.
op zo (ik) verafschuwde en (ik) heb getroost op stof en as
7.
en wees andere woord Jahweh (tot) de woorden (de) deze naar Job en (hij) sprak Jahweh naar Elifaz de Themaniet (hij) is ontbrand neuzen van bij jou en Basan (...) mij kwaden (...) jou dat niet woorden (...) hen naar mij juiste als werk! Job
8.
en nu neemt! aan jullie zeven stieren en zeven rammen en ga(a)t! naar werk! Job en de opgang-en (...) hen ga(a)(t) op bij (de) getuige (...) jullie en Job werk! (hij) bad op jullie dat als aanzichten (...) hem (ik) droeg opdat niet te doen met jullie kadaver dat niet woorden (...) hen naar mij juiste als werk! Job
9.
en (zij) gingen Elifaz de Themaniet en Bildad de Suhiet vogel de Naamathiet en (zij) hebben gemaakt zoals woord naar hen Jahweh en (hij) droeg Jahweh (tot) aanzicht van Job
10.
en Jahweh woon! (tot) gevangenschap van Job bij (zij) hebben gebeden door zijn vriend en (hij) heeft toegevoegd Jahweh (tot) alle die aan Job tot van jaar
11.
en voert in! naar hem alle broers (...) hem en alle AHITIW en alle IDOIW vroeger en (zij) aten met hem brood bij (het) huis (...) hem WINDW als en (zij) troostten (met) hem op alle de herder die (hij) heeft gebracht Jahweh op hem en (zij) gaven als man QSIÐE één en man neusring goud één
12.
en Jahweh zegen! (tot) einde van Job van hoofd (...) hem en wees als vier rijkdom duizend kleinvee en zes duizenden kamelen en duizend span rundvee en duizend ezelinnen
13.
en wees als (hij) is verzadigd geweest (...) haar zonen en drie dochters
14.
en (hij) noemde daar de één naar dagen en naam [van] de tweede QßIOE en naam [van] ESLISIT hoorn keer om!
15.
noch (wij) vondden worden verlaten mooie (mv) zoals dochters Job in alle het land en (hij) gaf aan hen vaders (...) hen erfgoed binnen broers (...) hen
16.
en leve! Job na deze honderd en veertig jaar en gezien (tot) zonen (...) hem en (tot) bouw! zonen (...) hem vier wonen
17.
en (hij) stierf Job baard en zeven dagen