Hoofdstuk 1

1.
woord Jahweh die (hij) is geweest naar Joël zoon PTWAL
2.
(zij) hebben toegehoord deze de baarden en (zij) hebben geluisterd alle bewoners van het land (is het zo) dat (zij) is geweest deze bij (de) dagen (...) jullie en als bij (de) dagen van vaders (...) jullie
3.
op haar aan zonen (...) jullie vertelt! en zonen (...) jullie aan zonen (...) hen en zonen (...) hen te wonen andere
4.
rest de gesnoeide takken eten de sprinkhaan en rest de sprinkhaan eten EILQ en rest EILQ eten EHXIL
5.
(zij) zijn wakker geworden dat graven en (zij) hebben geweend en jammer! (...) hem alle schering wijn op OXIX dat (hij) is afgehakt van monden (...) jullie
6.
dat volk blad op land (...) mij word machtig! en (er is) niet getal jaren (...) hem tweede leeuw WMTLOWT leeuw als
7.
daar wijnstokken van aan haar naam WTANTI zich kwaad te maken (er)naar HSP HSPE en (hij) heeft afgeworpen ELBINW SRICIE
8.
naar mij zoals maagd (jij) hebt omgord zak op echtgenoot NOWRIE
9.
(jij) hebt herkend geschenk en uitgieting van huis Jahweh (zij) hebben gerouwd de priesters dien(t) (...) mij Jahweh
10.
(hij) heeft beroofd veld (zij) heeft gerouwd aarde dat (hij) heeft beroofd graan (hij) heeft laten opdrogen most (hij) heeft ongelukkig gemaakt zuivere olie
11.
(is het zo) dat beschaamt! AKRIM (zij) hebben gejammerd als zijn hoog op tarwe en op dat leg bloot! dat (hij) is verloren gegaan oogst veld
12.
de wijnstok (zij) heeft laten opdrogen en de vijg (zij) heeft ongelukkig gemaakt granaatappel ook dadel en (jij) ademde uit alle houten het veld (zij) zijn droog geweest dat (is het zo) dat beschaam! (zij) hebben zich verblijd (...) hen vanuit bouw! mens
13.
(zij) hebben omgord en (zij) hebben beweend de priesters (zij) hebben gejammerd dien(t) (...) mij altaar (zij) zijn gekomen aan doffer (...) hem bij (de) zakken dien(t) (...) mij mijn God dat (wij) hieldden terug van huis jullie God geschenk en uitgieting
14.
(zij) hebben geheiligd opdracht (...) hen (zij) hebben genoemd (zij) heeft vastgehouden (zij) hebben verzameld baarden alle inwoners van het land huis Jahweh jullie God en (zij) hebben geschreeuwd naar Jahweh
15.
ach aan dag dat verwant dag Jahweh WKSD van Sjadai invoer
16.
immers tegenover ogen (...) ons eten (hij) is afgehakt van huis onze God vreugde en vreugde
17.
OBSW PRDWT in de plaats van MCRPTIEM (zij) hebben geademd bergingen (wij) braken af (...) hem MMCRWT dat (is het zo) dat beschaam! graan
18.
wat? NANHE vee NBKW kudden van rundvee dat (er is) niet van herder aan hen ook kudden van het kleinvee (wij) maakten ons schuldig (...) hem
19.
naar jou Jahweh (ik) werd genoemd dat vuur (zij) heeft gegeten passende woestijn en vlam LEÐE alle houten het veld
20.
ook reuzendier veld TORWC naar jou dat (zij) zijn droog geweest beddingen van water en vuur (zij) heeft gegeten passende de woestijn

Hoofdstuk 2

1.
(zij) hebben geblazen ramshoorn bij Sion en (zij) hebben gejuicht bij (de) heuvel heilig! (zij) waren boos alle inwoners van het land dat (hij) is gekomen dag Jahweh dat verwant
2.
dag duisternis en duisternis dag wolk en nevel zoals zwarte ruiter op naar de heuvels met meerderheid en word machtig! zoiets (...) hem niet (wij) waren vanuit de eeuwigheid en na hem niet Jozef tot tweede generatie en generatie
3.
voor hem (zij) heeft gegeten vuur en na hem TLEÐ vlam zoals tuin getuige (...) hen het land voor hem en na hem woestijn wildernis en ook naar vluchteling niet (zij) is geweest als
4.
zoals verschijning paarden verschijning (...) hem WKPRSIM zo (zij) renden (...) hen
5.
zoals klank rijtuigen op hoofden van naar de heuvels IRQDWN zoals klank LEB vuur (zij) heeft gegeten stro zoals volk word machtig! orden! strijd
6.
van aanzichten (...) hem IHILW volkeren alle aanzicht (zij) hebben verzameld PARWR
7.
zoals helden IRßWN zoals mens (...) mij strijd (zij) verhieven muur en man bij (de) wegen (...) hem (zij) gingen (...) hen noch IOBÐWN manieren (...) hen
8.
en man broers (...) hem niet IDHQWN man BMXLTW (zij) gingen (...) hen en door de wapen (zij) vielen niet (zij) voerden uit
9.
bij (de) stad (zij) gaven te drinken bij (de) muur IRßWN bij (de) huizen (zij) verhieven door EHLWNIM voert in! zoals dief
10.
voor hem (zij) is boos geweest land (zij) hebben lawaai gemaakt hemel zon en maan (zij) zijn donker geworden en sterren (zij) hebben verzameld schijn (...) hen
11.
en Jahweh (hij) heeft gegeven klank (...) hem voor macht (...) hem dat meerderheid zeer kamp (...) hem dat word machtig! (hij) heeft gedaan spreekt! dat grote dag Jahweh en ontzagwekkende zeer en water van IKILNW
12.
en ook nu (hij) heeft redevoering gehouden Jahweh woont! tot aan in alle hart (...) jullie en bij (de) opdracht (...) hen en bij (het) geween en bij (de) rouwklacht
13.
en (zij) hebben gescheurd hart (...) jullie en naar kledingstukken (...) jullie en keert terug! naar Jahweh jullie God dat (zij) zijn gelegerd (...) hen en barmhartige hij lange neuzen en meerderheid genade en (wij) waren bronstig op de herder
14.
water van (hij) werd bekend (hij) blies en (wij) waren bronstig en (hij) heeft achtergelaten na hem gelukwens geschenk en uitgieting aan Jahweh jullie God
15.
(zij) hebben geblazen ramshoorn bij Sion (zij) hebben geheiligd opdracht (...) hen (zij) hebben genoemd (zij) heeft vastgehouden
16.
(zij) hebben verzameld met (zij) hebben geheiligd menigte (zij) hebben verzameld baarden (zij) hebben verzameld kindertjes en (hij) maakte schoon (...) mij roven uitgaande bruidegom om binnen te dringen (...) hem en schoondochter MHPTE
17.
tussen (is het zo) dat maar en aan altaar (zij) weenden de priesters dien(t) (...) mij Jahweh en (zij) spraken zoek(t) bescherming Jahweh op met jou en naar te geven (...) hen (jij) hebt verworven (...) jou aan schande aan heerser in hen volken waarom (zij) spraken bij (de) volkeren waar? hun God
18.
en (hij) was jaloers Jahweh aan land (...) hem en (hij) had medelijden op met hem
19.
en wegens Jahweh en (hij) sprak aan zijn volk hier ben ik wapen aan jullie (tot) de graan en de most en de zuivere olie en (jullie) zijn verzadigd geweest (met) hem noch (met) hen (met) jullie nog (eens) schande bij (de) volken
20.
en (tot) het Noorden (...) mij ARHIQ ontvreemd! (...) jullie WEDHTIW naar land naar vloot en wildernis (tot) aanzichten (...) hem naar de zee (is het zo) dat (hij) is voorgegaan (...) mij en voegt toe! naar de zee (de) laatste en blad (zij) zijn verrot en (zij) verhief ßHNTW dat (hij) heeft vergroot te doen
21.
naar (jij) vreesde aarde verheuug je! en maak blij! dat (hij) heeft vergroot Jahweh te doen
22.
naar (jullie) vreesden reuzendier Sjadai dat grasveld (...) hem passende woestijn dat boom verheven stieren (...) hem vijg en wijnstok (zij) hebben gegeven macht (...) hen
23.
en bouw! Sion verheuugt je! en maakt blij! bij Jahweh jullie God dat (hij) heeft gegeven aan jullie (tot) de leraar aan weldadigheid en (hij) werd naar beneden gehaald aan jullie nader! (...) hen leraar en late regen bij (de) eerste
24.
en (zij) zijn vol geweest ECRNWT graan WESIQW EIQBIM most en zuivere olie
25.
en (ik) ben volledig geweest aan jullie (tot) de twee die eten de sprinkhaan EILQ WEHXIL en de gesnoeide takken machten van (de) grote die (ik) heb gezonden bij jullie
26.
en (jullie) hebben gegeten eten en week en (jullie) hebben geloofd (tot) daar Jahweh jullie God die (hij) heeft gedaan met jullie LEPLIA noch (zij) zijn droog geweest met mij aan eeuwigheid
27.
en (jullie) hebben geweten dat te midden van Israël ik en ik Jahweh jullie God en (er is) niet nog (eens) noch (zij) zijn droog geweest met mij aan eeuwigheid

Hoofdstuk 3

1.
en (hij) is geweest na zo (ik) stortte (tot) wind (...) mij op alle vlees en (zij) hebben geprofeteerd zonen (...) jullie en bebouwingen (...) jullie baarden (...) jullie dromen (zij) droomden (...) hen jongemannen (...) jullie HZINWT (zij) lieten zien
2.
en ook op de slaven en op de slavinnen bij (de) dagen (is het zo) dat deze (mv) (ik) stortte (tot) wind (...) mij
3.
en (ik) heb gegeven wondertekenen bij (de) hemel en bij (het) land bloed en vuur WTIMRWT maak! (...) hen
4.
de zon (hij) keerde om aan duisternis en de maan aan bloed voor komst dag Jahweh (de) grote en (de) ontzagwekkende
5.
en (hij) is geweest alle die (hij) noemde bij (de) naam Jahweh (hij) redde dat bij (de) heuvel Sion en met Jeruzalem (jij) was naar vluchteling zoals woord Jahweh en bij (de) overlevenden die Jahweh (hij) heeft genoemd

Hoofdstuk 4

1.
dat hier is bij (de) dagen (is het zo) dat deze (mv) en bij (de) tijd die die (ik) blies (tot) rust! Juda en Jeruzalem
2.
en (ik) heb verzameld (tot) alle de volken en (ik) ben naar beneden gehaald (...) hen naar diepte Josafat WNSPÐTI volk (...) hen daar op met mij en (ik) heb verworven Israël die PZRW bij (de) volken en (tot) land (...) mij verdeelt!
3.
en naar met mij (hij) bedankte lot en (zij) gaven het kind bij hoereer(t) en naar het kind (zij) hebben verkocht bij (de) wijn en (zij) dronken
4.
en ook wat? (met) hen aan mij smalle en Sidon en alle CLILWT Filistea (is het zo) dat vergeld! (met) hen betalen op mij en als kamelen (met) hen op mij vlotte (zij) heeft zich gehaast (ik) gaf terug kameel (...) jullie bij (het) hoofd (...) jullie
5.
die als voeg toe! en goud-en van (jullie) hebben genomen WMHMDI (is het zo) dat ben goed! (...) hen (jullie) hebben gebracht aan paleizen (...) jullie
6.
en bouw! Juda en bouw! Jeruzalem (jullie) hebben verkocht aan zonen van de doffers opdat ERHIQM boven grens (...) hen
7.
hier ben ik merk(t) op (...) hen vanuit de plaats die (jullie) hebben verkocht (met) hen daarnaar (-s) en (ik) heb teruggegeven kameel (...) jullie bij (het) hoofd (...) jullie
8.
en (ik) heb verkocht (tot) zonen (...) jullie en (tot) bebouwingen (...) jullie bij (de) hand bouw! Juda en (zij) hebben verkocht (...) hen LSBAIM naar volk afstand dat Jahweh woord
9.
(zij) hebben genoemd deze bij (de) volken (zij) hebben geheiligd strijd (zij) hebben opgemerkt de helden (zij) zijn genaderd (zij) verhieven alle mens (...) mij de strijd
10.
KTW ATIKM aan zwaarden en van gezangen (...) jullie LRMHIM EHLS (hij) sprak held ik
11.
OWSW en (zij) zijn gekomen alle de volken van rondom en (wij) verzamelden (...) hem daarnaar (-s) (jij) hebt rust gegeven Jahweh helden (...) jou
12.
(zij) werden wakker en (zij) verhieven de volken naar diepte Josafat dat daar (ik) woonde aan rechter (tot) alle de volken van rondom
13.
zendt weg! van hoop dat BSL oogst (zij) zijn gekomen daalt! dat (zij) is vol geweest wijnpers ESIQW EIQBIM dat veelheid medemensen (...) hen
14.
(is het zo) dat bedriegen (is het zo) dat bedriegen bij (de) diepte (de) vlijtige dat verwant dag Jahweh bij (de) diepte (de) vlijtige
15.
zon en maan (zij) zijn donker geworden en sterren (zij) hebben verzameld schijn (...) hen
16.
en Jahweh van Sion (hij) brulde en van Jeruzalem (hij) gaf klank (...) hem en (zij) hebben lawaai gemaakt hemel en land en Jahweh dekking aan zijn volk en vesting aan zonen van Israël
17.
en (jullie) hebben geweten dat ik Jahweh jullie God buurman bij Sion heuvel heilig! en (zij) is geweest Jeruzalem heiligheid en kransen niet (zij) gingen voorbij bij haar nog (eens)
18.
en (hij) is geweest bij (de) dag dat IÐPW naar de heuvels OXIX en de heuvels (jullie) gingen melk en alle beddingen van Juda (zij) gingen water en bestudeer(t) van huis Jahweh uitgaande en (hij) heeft te drinken gegeven (tot) wadi de acacia's
19.
Egypte aan wildernis (jij) was en Edom aan woestijn wildernis (jij) was van roof bouw! Juda die (zij) hebben gestort bloed NQIA bij (het) land (...) hen
20.
en Juda aan eeuwigheid (jij) woonde en Jeruzalem te wonen en generatie
21.
WNQITI bloed (...) hen niet NQITI en Jahweh buurman bij Sion