Hoofdstuk 1
- 1.
- en wees woord Jahweh naar duif zoon waarheden van te spreken
- 2.
- sta op! aan jou naar Ninevé (hij) heeft opgemerkt de grootheid en (hij) heeft genoemd op haar dat (zij) is opgegaan medemensen (...) hen voor
- 3.
- en (hij) stond op duif aan vlucht naar Tharsis weg van aanzicht van Jahweh en (hij) is gedaald (zij) zijn mooi geweest en (hij) vond schip kom(t) Tharsis en (hij) gaf (zij) heeft gehuurd en (hij) is gedaald bij haar te komen met hen naar Tharsis weg van aanzicht van Jahweh
- 4.
- en Jahweh EÐIL wind grootheid naar de zee en wees storm grote bij (de) zee en het schip (zij) heeft gedacht LESBR
- 5.
- en (zij) vreesden de zeemannen en (zij) schreeuwden man naar zijn God WIÐLW (tot) (de) alle (mv) die bij (het) schip naar de zee te verlichten van hoogtes (...) hen en duif (hij) is gedaald naar heup (...) mij (is het zo) dat voeg toe! (...) haar en (hij) lag neer en (hij) is gedaald (...) hen
- 6.
- en (hij) bracht nader naar hem meerderheid het koord en (hij) sprak als wat? aan jou (wij) daalden (...) hen sta op! (hij) heeft genoemd naar jouw God misschien ITOST naar God aan ons noch (wij) gingen verloren
- 7.
- en (zij) spraken man naar zijn vriend ga(a)t! en (wij) lieten vallen (er)naar loten en (wij) wisten (er)naar bij betaal! de herder (de) deze aan ons en (zij) vielen loten en (hij) liet vallen het lot op duif
- 8.
- en (zij) spraken naar hem (zij) heeft verteld toch aan ons wat betreft aan water van de herder (de) deze aan ons wat? handwerk (...) jou en vanwaar? (jij) kwam wat? land (...) jou en waar hiervandaan met (met) haar
- 9.
- en (hij) sprak naar hen Hebreeër ik en (tot) Jahweh mijn God de hemel ik gezien die (hij) heeft gedaan (tot) de zee en (tot) het vasteland
- 10.
- en (zij) vreesden de mensen vrees grootheid en (zij) spraken naar hem wat? deze (jij) hebt gedaan dat (zij) hebben geweten de mensen dat weg van aanzicht van Jahweh hij vlucht dat (hij) heeft verteld aan hen
- 11.
- en (zij) spraken naar hem wat? (hij) is gedaan aan jou WISTQ de zee ontvreemd! (...) ons dat de zee ga(a)(t) en storm
- 12.
- en (hij) sprak naar hen draagt! (...) mij WEÐILNI naar de zee WISTQ de zee ontvreemd! (...) jullie dat (hij) werd bekend ik dat BSLI de storm (de) grote deze op jullie
- 13.
- WIHTRW de mensen terug te geven naar het vasteland noch (zij) hebben gekund dat de zee ga(a)(t) en storm op hen
- 14.
- en (zij) noemden naar Jahweh en (zij) spraken waarheen? Jahweh naar toch (wij) gingen verloren (er)naar bij (de) ziel de man deze en naar te geven (...) hen op ons bloed NQIA dat (met) haar Jahweh zoals (jij) hebt gewenst (jij) hebt gedaan
- 15.
- en (zij) droegen (tot) duif WIÐLEW naar de zee en (hij) stond vast de zee om boos te zijn (...) hem
- 16.
- en (zij) vreesden de mensen vrees grootheid (tot) Jahweh en (zij) slachtten slachting aan Jahweh en (zij) legden gelofte af geloften
Hoofdstuk 2
- 1.
- en (hij) benoemde Jahweh vis grote aan slechtheid (tot) duif en wees duif bij (de) ingewanden van de vis drie dagen en drie nachten
- 2.
- en (hij) bad duif naar Jahweh zijn God van ingewanden van naar de vis
- 3.
- en (hij) sprak (ik) heb genoemd van ellende aan mij naar Jahweh en (hij) antwoordde (...) mij van buik dodenrijk (ik) heb om hulp geschreeuwd (jij) hebt toegehoord klanken van
- 4.
- en (jij) wierp af (...) mij MßWLE bij (het) hart dagen en rivier (hij) omsingelde (...) mij alle verbrijzelen (...) jou en hopen (...) jou op mij (zij) zijn voorbijgegaan
- 5.
- en ik (ik) heb gesproken NCRSTI op een afstand ogen (...) jou maar (ik) voegde toe te kijken naar paleis heiligheid (...) jou
- 6.
- APPWNI water tot ziel afgrond (hij) omsingelde (...) mij riet verbind! aan hoofden van
- 7.
- LQßBI (hij) heeft opgetild (ik) ben gedaald het land vlucht! (er)naar bij (het) sieraad aan eeuwigheid en (zij) verhief (jij) hebt gezalfd leef! Jahweh mijn God
- 8.
- BETOÐP op mij ziel (...) mij (tot) Jahweh (ik) heb me herinnerd en (jij) kwam naar jou gebed (...) mij naar paleis heiligheid (...) jou
- 9.
- bewaren dampen van (het) niets genade (...) hen (zij) verlieten
- 10.
- en ik bij (de) klank dank AZBHE aan jou die (ik) heb gelofte afgelegd (ik) betaalde (er)naar verlossing (...) haar aan Jahweh
- 11.
- en (hij) sprak Jahweh aan vis WIQA (tot) duif naar het vasteland
Hoofdstuk 3
- 1.
- en wees woord Jahweh naar duif ten tweede te spreken
- 2.
- sta op! aan jou naar Ninevé (hij) heeft opgemerkt de grootheid en (hij) heeft genoemd vetstaart (tot) EQRIAE die ik woord naar jou
- 3.
- en (hij) stond op duif en (hij) ging naar Ninevé zoals woord Jahweh en Ninevé (zij) is geweest stad grootheid aan God ga(a)(t) drie van dagen
- 4.
- en (hij) begon te duif te komen bij (de) stad ga(a)(t) dag één en (hij) noemde en (hij) sprak nog (eens) veertig dag en Ninevé (jij) bent veranderd
- 5.
- en (zij) geloofden mens (...) mij Ninevé bij God en (zij) noemden opdracht (...) hen en (zij) bekleedden zich dat (hij) heeft gehandhaafd om te groeien (...) hen en tot QÐNM
- 6.
- en vermoeide het woord naar koning Ninevé en (hij) stond op van stoel (...) hem en (hij) ging voorbij mantel (...) hem ontvreemd! (...) hem en (hij) bedekte zak en inwoner op de as
- 7.
- en (hij) schreeuwde en (hij) sprak bij Ninevé van smaak kroon! en grootheden (...) hem te spreken de mens en de vee het rundvee en het kleinvee naar (zij) proefden iets naar (zij) achtervolgden en water naar (zij) dronken
- 8.
- WITKXW dat (hij) heeft gehandhaafd de mens en de vee en (zij) noemden naar God bij (zij) is sterk geworden en (zij) hebben gewoond man van weg (...) hem de herder en vanuit de roof die bij (de) lepels (...) hen
- 9.
- water van (hij) werd bekend (hij) blies en (wij) waren bronstig naar God en woon! van woede neus (...) hem noch (wij) gingen verloren
- 10.
- en gezien naar God (tot) daden (...) hen dat woont! van generatie (...) jullie de herder en (hij) troostte naar God op de herder die woord te doen aan hen noch (hij) heeft gedaan
Hoofdstuk 4
- 1.
- en (hij) achtervolgde naar duif herder grootheid en (hij) ontbrandde als
- 2.
- en (hij) bad naar Jahweh en (hij) sprak waarheen? Jahweh immers dit spreek! tot te zijn (...) mij op aarde (...) mij op zo (ik) ben voorgegaan aan vlucht naar Tharsis dat (ik) heb geweten dat (met) haar naar (zij) zijn gelegerd (...) hen en barmhartige lange neuzen en meerderheid genade en (wij) waren bronstig op de herder
- 3.
- en nu Jahweh neem! toch (tot) ziel (...) mij (van)uit mij dat goede sterf! laat leven (...) mij
- 4.
- en (hij) sprak Jahweh (is het zo) dat doe goed! (hij) is ontbrand aan jou
- 5.
- en uitgaande duif vanuit (hij) heeft opgemerkt en inwoner van voorkant aan stad en (hij) heeft gemaakt als daar hut en inwoner in de plaats van haar bij (de) schaduw tot die vrees wat? (hij) was bij (de) stad
- 6.
- en (hij) benoemde Jahweh God QIQIWN en (hij) verhief boven aan duif te zijn schaduw op hoofd (...) hem te redden als om te achtervolgen (...) hem en (hij) maakte blij duif op EQIQIWN vreugde grootheid
- 7.
- en (hij) benoemde naar God worm van bij (de) beklimmingen (de) zwarte LMHRT en (zij) sloeg (tot) EQIQIWN en (hij) was droog
- 8.
- en wees zoals glans de zon en (hij) benoemde God wind Oosten HRISIT en (zij) sloeg de zon op hoofd duif WITOLP en (hij) vroeg (tot) ziel (...) hem te sterven en (hij) sprak goede sterf! laat leven (...) mij
- 9.
- en (hij) sprak God naar duif (is het zo) dat doe goed! (hij) is ontbrand aan jou op EQIQIWN en (hij) sprak doe goed! (hij) is ontbrand aan mij tot dood
- 10.
- en (hij) sprak Jahweh (met) haar (jij) hebt medelijden gehad op EQIQIWN die niet (jij) hebt gezwoegd bij hem noch grootheid (...) hem woon! (...) hen nacht (hij) is geweest en zoon nacht (hij) is verloren gegaan
- 11.
- en ik niet (ik) had medelijden op Ninevé (hij) heeft opgemerkt de grootheid die er is bij haar veel van schering (...) hen tien tienduizend mens die niet (hij) heeft geweten tussen dagen (...) ons aan linkerhand (...) hem en vee veelheid