Hoofdstuk 1

1.
en wees na dood Mozes slaaf Jahweh en (hij) sprak Jahweh naar Jozua zoon Nun dien(t) Mozes te spreken
2.
Mozes werk! dode en nu sta op! kant (tot) de Jordaan deze (met) haar en alle het volk deze naar het land die ik (hij) heeft gegeven aan hen aan zonen van Israël
3.
alle plaats die (zij) woonde (...) jou lepel voet (...) jullie bij hem aan jullie (ik) heb gegeven (...) hem zoals woord (...) mij naar Mozes
4.
van de woestijn en de Libanon deze en tot de rivier (de) grote rivier koe van alle land de angsten en tot de zee (de) grote om te komen de zon (hij) was grens (...) jullie
5.
niet (hij) stelde zich op man voor jou alle dagen van leven (...) jou zoals (ik) ben geweest met Mozes (ik) was met jou niet ARPK noch (ik) verliet (...) jou
6.
kracht en (hij) is sterk geweest dat (met) haar TNHIL (tot) het volk deze (tot) het land die (ik) heb gezworen te wensen (...) hen te geven aan hen
7.
lege kracht en (hij) is sterk geweest zeer te bewaren te doen zoals alle het Wetboek die opdracht (...) jou Mozes werk! naar (jij) verblindde (van)uit hem rechterhand en linkerhand opdat (jij) werd wijs in alle die (jij) ging
8.
niet IMWS boek het Wetboek deze van monden (...) jou en (jij) hebt uitgesproken bij hem dag (...) hen en nacht opdat (jij) bewaarde te doen zoals alle het geschrevene bij hem dat destijds (jij) slaagde (tot) weg (...) jou en destijds (jij) werd wijs
9.
immers (ik) heb opdracht gegeven (...) jou kracht en (hij) is sterk geweest naar TORß en naar in de plaats van dat met jou Jahweh jouw God in alle die (jij) ging
10.
en (hij) gaf opdracht Jozua (tot) politie van het volk te spreken
11.
(zij) zijn voorbijgegaan te midden van het kamp en (zij) hebben opdracht gegeven (tot) het volk te spreken (wij) hebben geslagen aan jullie naar jacht dat terwijl drie van dagen (met) hen voorbijgaan (tot) de Jordaan deze te komen te veroveren (tot) het land die Jahweh jullie God (hij) heeft gegeven aan jullie te veroveren (er)naar
12.
en aan Rubeniet en aan bokje en druk! stam die van Manasse woord Jozua te spreken
13.
Zakkur (tot) het woord die geef opdracht! (met) jullie Mozes slaaf Jahweh te spreken Jahweh jullie God geef(t) rust aan jullie en (hij) heeft gegeven aan jullie (tot) het land (de) deze
14.
vrouwen (...) jullie kleine kinderen (...) jullie en van nesten (...) jullie (zij) hebben gewoond bij (het) land die (hij) heeft gegeven aan jullie Mozes bij (de) kant de Jordaan en (met) hen (jullie) gingen voorbij vijftig voor broers (...) jullie alle helden van de macht en (jullie) hebben geholpen hen
15.
tot die (hij) gaf rust Jahweh aan broers (...) jullie zoals jullie en (zij) hebben veroverd ook deze (mv) (tot) het land die Jahweh jullie God (hij) heeft gegeven aan hen en (jullie) zijn teruggekeerd aan land (jij) hebt veroverd (...) jullie en (jullie) hebben veroverd haar die (hij) heeft gegeven aan jullie Mozes slaaf Jahweh bij (de) kant de Jordaan Oosten de zon
16.
en (zij) antwoordden (tot) Jozua te spreken alle die (jij) hebt opdracht gegeven (...) ons (hij) is gedaan en naar alle die (jij) zond weg (...) ons (wij) gingen
17.
zoals alle die (wij) hebben toegehoord naar Mozes zo (wij) hoorden toe naar jou lege (hij) was Jahweh jouw God met jou zoals (hij) is geweest met Mozes
18.
alle man die (hij) verbitterde (er)naar (tot) monden (...) jou noch (hij) hoorde toe (tot) woorden (...) jou aan alle die (zij) gaf opdracht (...) ons (hij) zal worden laten sterven lege kracht en (hij) is sterk geweest

Hoofdstuk 2

1.
en (hij) zond weg Jozua zoon Nun vanuit de acacia's twee mensen spionnen stille te spreken ga(a)t! (zij) hebben gezien (tot) het land en (tot) Jericho en (zij) gingen en voert in! huis vrouw hoereer(t) en daarnaar (-s) breedte en (zij) lagen neer daarnaar (-s)
2.
en (hij) sprak aan koning Jericho te spreken hier is mensen (zij) zijn gekomen hier is de nacht van zonen van Israël aan Hefer (tot) het land
3.
en (hij) zond weg koning Jericho naar breedte te spreken haal tevoorschijn! de mensen die gekomen naar jou die (zij) zijn gekomen aan huis (...) jou dat aan Hefer (tot) alle het land (zij) zijn gekomen
4.
en (jij) nam de vrouw (tot) tweede de mensen en (zij) overtrok (...) ons en (jij) sprak zo (zij) zijn gekomen naar mij de mensen noch (ik) heb geweten vanwaar? deze (mv)
5.
en wees de poort te sluiten bij (de) duisternis en de mensen voert uit! niet (ik) heb geweten waarheen? (zij) zijn gegaan de mensen (zij) hebben achtervolgd vlugge na hen dat (jullie) bereikten (...) hen
6.
en zij dat wat opgaat-en (...) hen naar de dak en (zij) verborg (...) hen BPSTI de boom EORKWT aan haar op de dak
7.
en de mensen (zij) hebben achtervolgd na hen weg de Jordaan op (is het zo) dat trekken door en de poort (zij) hebben gesloten na zoals voert uit! (is het zo) dat achtervolg! (...) hen na hen
8.
en deze (mv) voordat (zij) lagen neer (...) hen en zij (zij) is opgegaan op hen op de dak
9.
en (jij) sprak naar de mensen (ik) heb geweten dat (hij) heeft gegeven Jahweh aan jullie (tot) het land en dat (zij) is gevallen AIMTKM op ons en dat NMCW alle inwoners van het land van aanzichten (...) jullie
10.
dat (wij) hebben toegehoord (tot) die (hij) heeft laten opdrogen Jahweh (tot) water van zee riet van aanzichten (...) jullie bij uit te gaan (...) jullie van Egypte en die (jullie) hebben gedaan aan tweede heers! de Amoriet die bij (de) kant de Jordaan aan Sihon en spot! die EHRMTM hen
11.
en (wij) hoorden toe WIMX hart (...) ons noch (zij) is opgestaan nog (eens) wind bij (de) man van aanzichten (...) jullie dat Jahweh jullie God hij God bij (de) hemel boven en op het land onder vandaan
12.
en nu (is het zo) dat (zij) zijn verzadigd geweest toch aan mij bij Jahweh dat (ik) heb gedaan met jullie genade en (jullie) hebben gedaan ook (met) hen met huis vader genade en (jij) hebt gegeven (...) hen aan mij letter waarheid
13.
en de dieren (...) hen (tot) vader en (tot) moeder (...) mij en (tot) broer en (tot) zus (...) mij en (tot) alle die aan hen en (jullie) hebben gered (tot) zielen (...) ons om te sterven
14.
en (zij) spraken aan haar de mensen ziel (...) ons in de plaats van jullie te sterven als niet (jullie) vertelden (tot) woord (...) ons dit en (hij) is geweest bij te geven Jahweh aan ons (tot) het land en (wij) hebben gedaan met jou genade en waarheid
15.
en (jij) werd naar beneden gehaald (...) hen bij (het) koord door (zij) zijn begonnen te (...) hen dat naar huis bij (de) muur de muur en bij (de) muur zij woon(t)
16.
en (jij) sprak aan hen naar de heuvel ga(a)t! opdat niet (zij) troven bij jullie (is het zo) dat achtervolg! (...) hen WNHBTM daarnaar (-s) drie van dagen tot terugkeren (is het zo) dat achtervolg! (...) hen en andere (jullie) gingen aan weg (...) jullie
17.
en (zij) spraken vetstaart de mensen (wij) vestigden wij MSBOTK deze die (is het zo) dat (jij) bent verzadigd geweest (...) ons
18.
hier is wij komen bij (het) land (tot) hoop van HWÐ (de) tweede deze (jij) verbond bij (zij) zijn ziek geworden (...) hen die (jij) bent naar beneden gehaald (...) ons bij hem en (tot) vader (...) jou en (tot) moeder (...) jou en (tot) broers (...) jou en (tot) alle huis vader (...) jou (jij) verzamelde naar jou naar het huis
19.
en (hij) is geweest alle die uitgaande van deur (...) mij huis (...) jou naar de straat (zij) hebben geleken bij (het) hoofd (...) hem en wij (wij) vestigden en alle die (hij) was (met) jou bij (het) huis (zij) hebben geleken bij (het) hoofd (...) ons als hand (jij) was bij hem
20.
en als (jij) vertelde (tot) woord (...) ons dit en (wij) zijn geweest (wij) vestigden MSBOTK die (is het zo) dat (jij) bent verzadigd geweest (...) ons
21.
en (jij) sprak zoals woorden (...) jullie zo hij en (jij) zond weg (...) hen en (zij) gingen en (jij) verbond (tot) hoop van (de) tweede bij (zij) zijn ziek geworden (...) hen
22.
en (zij) gingen en voert in! naar de heuvel en (zij) hebben gewoond daar drie van dagen tot woont! (is het zo) dat achtervolg! (...) hen en (zij) zochten (is het zo) dat achtervolg! (...) hen in alle de weg noch (zij) hebben gevonden
23.
en (zij) hebben gewoond tweede de mensen en (zij) zijn gedaald van de heuvel en (zij) gingen voorbij en voert in! naar Jozua zoon Nun en (zij) vertelden als (tot) alle EMßAWT hen
24.
en (zij) spraken naar Jozua dat (hij) heeft gegeven Jahweh bij (de) hand (...) ons (tot) alle het land en ook NMCW alle inwoners van het land van aanzichten (...) ons

Hoofdstuk 3

1.
en jullie zijn er Jozua bij (het) rundvee en (zij) reisden van de acacia's en voert in! tot de Jordaan hij en alle bouw! Israël en (hij) overnachtte (...) hem daar voordat (zij) gingen voorbij
2.
en wees van einde drie van dagen en (zij) gingen voorbij de politie te midden van het kamp
3.
en (zij) gaven opdracht (tot) het volk te spreken KRATKM (tot) kist verbond Jahweh jullie God en de priesters de Levieten dragers (met) hem en (met) hen (jullie) reisden van plaats (...) jullie en (jullie) zijn gegaan na hem
4.
maar afstand (hij) was tussen jullie en zonen (...) hem zoals duizenden natie bij (de) maat naar (jullie) brachten nader naar hem opdat die (jullie) wisten (tot) de weg die (jullie) gingen bij haar dat niet (jullie) zijn voorbijgegaan bij (de) weg MTMWL eergisteren
5.
en (hij) sprak Jozua naar het volk (is het zo) dat (jullie) heiligden dat morgen (zij) heeft gemaakt Jahweh bij (het) binnenste (...) jullie wonderen
6.
en (hij) sprak Jozua naar de priesters te spreken draagt! (tot) kist het verbond en (zij) zijn voorbijgegaan voor het volk en (zij) droegen (tot) kist het verbond en (zij) gingen voor het volk
7.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua vandaag deze wens toe! grootheid (...) jou bij bestudeer! alle Israël die (zij) hebben geweten (...) hen dat zoals (ik) ben geweest met Mozes (ik) was met jou
8.
en (met) haar (jij) gaf opdracht (tot) de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij kist het verbond te spreken als (hij) is gekomen (...) jullie tot einde water van de Jordaan bij (de) Jordaan (jullie) stondden vast
9.
en (hij) sprak Jozua naar bouw! Israël nadert! hier is en (zij) hebben toegehoord (tot) spreek! Jahweh jullie God
10.
en (hij) sprak Jozua bij deze (jullie) wisten (...) hen dat naar levende bij (het) binnenste (...) jullie en verdrijf! (hij) verdreef van aanzichten (...) jullie (tot) (de) Kanaänitische en (tot) de angsten van en (tot) de Heviet en (tot) de Fereziet en (tot) ECRCSI en de Amoriet en de Jebusiet
11.
hier is kist het verbond heer alle het land kant voor jullie bij (de) Jordaan
12.
en nu neemt! aan jullie tweede rijkdom man van stammen van Israël man één man één aan stam
13.
en (hij) is geweest als rust! zoals monden voeten van de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij kist Jahweh heer alle het land bij (het) water van de Jordaan water van de Jordaan (zij) hakten af (...) hen het water EIRDIM weg van hoogte en (zij) stondden vast dolende één
14.
en wees bij (hij) heeft gereisd het volk van tenten (...) hen door te trekken (tot) de Jordaan en de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij de kist het verbond voor het volk
15.
WKBWA (hij) heeft gedragen (...) mij de kist tot de Jordaan en voeten van de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij de kist (wij) doopten (...) hem bij (het) einde het water en de Jordaan (hij) is vol geweest op alle CDWTIW alle dagen van oogst
16.
en (zij) stondden vast het water EIRDIM weg van hoogte (zij) zijn opgestaan dolende één de afstand zeer bij (de) mens (hij) heeft opgemerkt die vesting ßRTN WEIRDIM op zee de wildernis zee het zout (zij) hebben zich verbaasd (zij) zijn afgehakt en het volk (zij) zijn voorbijgegaan tegenover Jericho
17.
en (zij) stondden vast de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij de kist verbond Jahweh bij (het) droog land binnen de Jordaan bereid voor! en alle Israël voorbijgaan bij (het) droog land tot die (zij) hebben zich verbaasd alle de volk door te trekken (tot) de Jordaan

Hoofdstuk 4

1.
en wees zoals (zij) hebben zich verbaasd alle de volk voorbij te gaan (tot) de Jordaan en (hij) sprak Jahweh naar Jozua te spreken
2.
neemt! aan jullie vanuit het volk twee rijkdom mensen man één man één van stam
3.
en (zij) hebben opdracht gegeven hen te spreken draagt! aan jullie hiervandaan van midden de Jordaan van opgestelde voeten van de priesters (hij) heeft voorbereid twee tien stenen en (jullie) hebben overgebracht hen met jullie en (jullie) hebben rust gegeven hen bij om te overnachten die (jullie) lieten overnachten bij hem de nacht
4.
en (hij) noemde Jozua naar twee de rijkdom man die (hij) heeft voorbereid van zonen van Israël man één man één van stam
5.
en (hij) sprak aan hen Jozua (zij) zijn voorbijgegaan voor kist Jahweh jullie God naar midden de Jordaan en (zij) hebben opgetild aan jullie man steen één op dat (zij) zijn opgestaan aan getal stammen van bouw! Israël
6.
opdat (jij) was deze letter bij (het) binnenste (...) jullie dat ISALWN zonen (...) jullie morgen te spreken wat? de stenen (de) deze aan jullie
7.
en (jullie) hebben gesproken aan hen die (zij) zijn afgehakt wateren van de Jordaan van aanzicht van kist verbond Jahweh bij (zij) zijn voorbijgegaan bij (de) Jordaan (zij) zijn afgehakt water van de Jordaan en (zij) zijn geweest de stenen (de) deze aan herinnering aan zonen van Israël tot eeuwigheid
8.
en (zij) hebben gemaakt zo bouw! Israël zoals geef opdracht! Jozua en (zij) droegen schering tien stenen van midden de Jordaan zoals woord Jahweh naar Jozua aan getal stammen van bouw! Israël en (zij) gingen voorbij (...) hen volk (...) hen naar (is het zo) dat om te overnachten WINHWM daar
9.
en twee tien stenen (hij) heeft gevestigd Jozua binnen de Jordaan in de plaats van opgestelde voeten van de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij kist het verbond en (zij) waren daar tot vandaag deze
10.
en de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij de kist staanders binnen de Jordaan tot onschuldige alle het woord die geef opdracht! Jahweh (tot) Jozua te spreken naar het volk zoals alle die geef opdracht! Mozes (tot) Jozua en (zij) haastten zich het volk en (zij) gingen voorbij
11.
en wees zoals onschuldige alle het volk voorbij te gaan en (hij) ging voorbij kist Jahweh en de priesters voor het volk
12.
en (zij) gingen voorbij bouw! Ruben en bouw! Gad en halve stam die van Manasse vijftig voor bouw! Israël zoals woord naar hen Mozes
13.
KARBOIM duizend trek uit! (...) mij de leger (zij) zijn voorbijgegaan voor Jahweh aan strijd naar aangename (mv) Jericho
14.
bij (de) dag dat grootheid Jahweh (tot) Jozua bij bestudeer! alle Israël en (zij) lieten zien (met) hem zoals (zij) lieten zien (tot) Mozes alle dagen van leef! (...) hem
15.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua te spreken
16.
geef opdracht! (tot) de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij kist het getuigenis en (zij) verhieven vanuit de Jordaan
17.
en (hij) gaf opdracht Jozua (tot) de priesters te spreken (zij) zijn opgegaan vanuit de Jordaan
18.
en wees bij (de) beklimmingen de priesters (hij) heeft gedragen (...) mij kist verbond Jahweh van midden de Jordaan breekt af! zoals monden voeten van de priesters naar het droog land en (zij) hebben gewoond water van de Jordaan aan plaats (...) hen en (zij) gingen zoals gisteren eergisteren op alle CDWTIW
19.
en het volk (zij) zijn opgegaan vanuit de Jordaan bij (het) decennium aan maand (de) eerste en (zij) legerden bij (de) Gilgal bij (het) einde Oosten Jericho
20.
en (tot) twee tien de stenen (de) deze die (zij) hebben genomen vanuit de Jordaan (hij) heeft gevestigd Jozua bij (de) Gilgal
21.
en (hij) sprak naar bouw! Israël te spreken die ISALWN zonen (...) jullie morgen (tot) vaders (...) hen te spreken wat? de stenen (de) deze
22.
en (jullie) hebben meegedeeld (tot) zonen (...) jullie te spreken bij (het) vasteland kant Israël (tot) de Jordaan deze
23.
die (hij) heeft laten opdrogen Jahweh jullie God (tot) water van de Jordaan van aanzichten (...) jullie tot kant (...) jullie zoals (hij) heeft gedaan Jahweh jullie God aan zee riet die (hij) heeft laten opdrogen van aanzichten (...) ons tot (wij) zijn voorbijgegaan
24.
opdat kennis alle met mij het land (tot) hand Jahweh dat (zij) is sterk geworden zij opdat (jullie) hebben gevreesd (tot) Jahweh jullie God alle de dagen

Hoofdstuk 5

1.
en wees toen alle heers! de Amoriet die bij (de) kant de Jordaan naar dag en alle heers! (de) Kanaänitische die op de zee (tot) die (hij) heeft laten opdrogen Jahweh (tot) water van de Jordaan van aanzicht van bouw! Israël tot (wij) zijn voorbijgegaan WIMX hart (...) hen noch (hij) is geweest in hen nog (eens) wind van aanzicht van bouw! Israël
2.
bij (de) tijd die woord Jahweh naar Jozua (hij) heeft gedaan aan jou zwaarden smalle (mv) en terugkeren (hij) heeft besneden (tot) bouw! Israël ten tweede
3.
en (hij) heeft gemaakt als Jozua zwaarden smalle (mv) en (hij) besneed (tot) bouw! Israël naar heuvel van de voorhuiden
4.
en dit het woord die (hij) heeft besneden Jozua alle het volk de uitgaande van Egypte de mannen alle mens (...) mij de strijd (zij) zijn gestorven bij (de) woestijn bij (de) weg bij uit te gaan (...) hen van Egypte
5.
dat besnijden (zij) zijn geweest alle het volk de uitgaanden en alle het volk de kinderen bij (de) woestijn bij (de) weg bij uit te gaan (...) hen van Egypte niet (zij) hebben besneden
6.
dat veertig jaar (zij) zijn gegaan bouw! Israël bij (de) woestijn tot onschuldige alle de volk mens (...) mij de strijd de uitgaanden van Egypte die niet (zij) hebben toegehoord bij (de) klank Jahweh die (hij) heeft gezworen Jahweh aan hen opdat niet het zicht (...) hen (tot) het land die (hij) heeft gezworen Jahweh te wensen (...) hen te geven aan ons land (jij) hebt gevloeid melk en honing
7.
en (tot) zonen (...) hen (hij) heeft gevestigd in de plaats van hen (met) hen (hij) heeft besneden Jozua dat onbesnedenen (zij) zijn geweest dat niet (zij) hebben besneden hen bij (de) weg
8.
en wees zoals (zij) hebben zich verbaasd alle de volk LEMWL en (zij) hebben gewoond in de plaats van hen bij (het) kamp tot dieren (...) hen
9.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua vandaag ballingschap (...) mij (tot) (jij) hebt beledigd Egypte ontvreemd! (...) jullie en (hij) noemde daar de plaats dat Gilgal tot vandaag deze
10.
en (zij) legerden bouw! Israël bij (de) Gilgal en (zij) hebben gemaakt (tot) het Pesach bij vier rijkdom dag aan maand bij (de) aangename bij (de) aangename (mv) Jericho
11.
en (zij) aten om voorbij te gaan het land de volgende dag het Pesach voorschrift van WQLWI bij (het) bot vandaag deze
12.
en (jij) hebt gewoond het manna de volgende dag bij (het) eten (...) hen om voorbij te gaan het land noch (hij) is geweest nog (eens) aan zonen van Israël vanuit en (zij) aten van opbrengst van land Kanaän in het jaar die
13.
en wees toen (hij) was Jozua bij Jericho en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien en hier is man sta vast! tegen hem en (zij) zijn vernield trek uit! (er)naar bij (hij) bedankte en (hij) ging Jozua naar hem en (hij) sprak als (is het zo) dat aan ons (met) haar als aan vijanden (...) ons
14.
en (hij) sprak niet dat ik aanvoerder leger Jahweh nu (ik) ben gekomen en (hij) liet vallen Jozua naar aanzichten (...) hem naar land en (hij) boog zich diep en (hij) sprak als wat? liggers van woestijn naar (zij) hebben gewerkt
15.
en (hij) sprak aanvoerder leger Jahweh naar Jozua van schoen (...) jou boven voet (...) jou dat de plaats die (met) haar sta vast! op hem heiligheid hij en (hij) heeft gemaakt Jozua zo

Hoofdstuk 6

1.
en Jericho (jij) hebt gesloten en sluit van aanzicht van bouw! Israël (er is) niet (hij) werd tevoorschijn gehaald en (er is) niet (hij) is gekomen
2.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua (hij) heeft gezien (ik) heb gegeven bij (de) hand (...) jou (tot) Jericho en (tot) koningin helden van de macht
3.
WXBTM (tot) (hij) heeft opgemerkt alle mens (...) mij de strijd EQIP (tot) (hij) heeft opgemerkt keer één zo (jij) deed zes dagen
4.
en zeven priesters (zij) droegen zeven ramshoorns de stromen voor de kist en bij (de) dag (de) zevende (jullie) legden opzij (tot) (hij) heeft opgemerkt zeven twee keer en de priesters (zij) bliezen bij (de) ramshoorns
5.
en (hij) is geweest bij (hij) heeft getrokken bij (de) hoorn de stroom bij (het) nieuws (...) jullie (tot) klank de ramshoorn (zij) juichten alle het volk gejubel grootheid en (zij) is gevallen muur van (hij) heeft opgemerkt in de plaats van haar en (zij) zijn opgegaan het volk man tegenover hem
6.
en (hij) noemde Jozua zoon Nun naar de priesters en (hij) sprak naar hen draagt! (tot) kist het verbond en zeven priesters (zij) droegen zeven ramshoorns stromen voor kist Jahweh
7.
en (zij) spraken naar het volk (zij) zijn voorbijgegaan en leg opzij! (...) hem (tot) (hij) heeft opgemerkt WEHLWß (hij) ging voorbij voor kist Jahweh
8.
en wees zoals woord Jozua naar het volk en zeven de priesters dragers zeven ramshoorns de stromen voor Jahweh (zij) zijn voorbijgegaan en (zij) hebben geblazen bij (de) ramshoorns en kist verbond Jahweh beweging na hen
9.
WEHLWß beweging voor de priesters (zij) hebben geblazen de ramshoorns WEMAXP beweging na de kist gang en Tekoa bij (de) ramshoorns
10.
en (tot) het volk geef opdracht! Jozua te spreken niet (jullie) juichten noch (jullie) lieten horen (tot) klank (...) jullie noch uitgaande van monden (...) jullie woord tot dag Amoriet naar jullie (zij) hebben gejuicht WERIOTM
11.
en (hij) wendde zich af kist Jahweh (tot) (hij) heeft opgemerkt EQP keer één en voert in! het kamp en (zij) lieten overnachten bij (het) kamp
12.
en jullie zijn er Jozua bij (het) rundvee en (zij) droegen de priesters (tot) kist Jahweh
13.
en zeven de priesters dragers zeven ramshoorns EIBLIM voor kist Jahweh voorbijgangers gang en (zij) hebben geblazen bij (de) ramshoorns WEHLWß beweging voor hen WEMAXP beweging na kist Jahweh ga(a)(t) en Tekoa bij (de) ramshoorns
14.
en (zij) legden opzij (tot) (hij) heeft opgemerkt bij (de) dag (de) tweede keer één en (zij) hebben gewoond het kamp zo Ezau zes dagen
15.
en wees bij (de) dag (de) zevende en jullie zijn er (...) hem zoals beklimmingen (de) zwarte en (zij) legden opzij (tot) (hij) heeft opgemerkt zoals rechtsregel deze zeven twee keer lege bij (de) dag dat (zij) zijn rondgegaan (tot) (hij) heeft opgemerkt zeven twee keer
16.
en wees bij (de) keer ESBIOIT (zij) hebben geblazen de priesters bij (de) ramshoorns en (hij) sprak Jozua naar het volk (zij) hebben gejuicht dat (hij) heeft gegeven Jahweh aan jullie (tot) (hij) heeft opgemerkt
17.
en (zij) is geweest (hij) heeft opgemerkt boycot zij en alle die bij haar aan Jahweh lege breedte (is het zo) dat hoereer(t) (jij) leefde zij en alle die (met) haar bij (het) huis dat EHBATE (tot) de boodschappers die (wij) hebben gezonden
18.
en lege (met) hen bewaart! vanuit de boycot opdat niet THRIMW en (jullie) hebben genomen vanuit de boycot en (jullie) hebben geplaatst (tot) kamp Israël aan boycot WOKRTM hem
19.
en alle zilver en goud en gereedschap koper en ijzer heiligheid hij aan Jahweh schat Jahweh invoer
20.
en (hij) achtervolgde het volk en (zij) bliezen bij (de) ramshoorns en wees toen het volk (tot) klank de ramshoorn en (zij) juichten het volk gejubel grootheid en (zij) viel de muur in de plaats van haar en (hij) verhief het volk (zij) heeft opgemerkt man tegenover hem en (zij) voegden samen (tot) (hij) heeft opgemerkt
21.
WIHRIMW (tot) alle die bij (de) stad van man en tot vrouw schud(t) en tot baard en tot os en lammetje en ernstige aan mond van zwaard
22.
en aan jaren de mensen de spionnen (tot) het land woord Jozua (zij) zijn gekomen huis de vrouw (is het zo) dat hoereer(t) en (zij) hebben tevoorschijn gehaald van daar (tot) de vrouw en (tot) alle die aan haar zoals (jullie) hebben gezworen aan haar
23.
en voert in! de jongens de spionnen en (zij) haalden tevoorschijn (tot) breedte en (tot) naar vader en (tot) natie en (tot) (ik) leefde en (tot) alle die aan haar en (tot) alle MSPHWTIE (zij) hebben tevoorschijn gehaald en (zij) gaven rust (...) hen buiten aan kamp Israël
24.
en (hij) heeft opgemerkt verbrandt! (hij) is verrot en alle die bij haar lege het zilver en het goud en gereedschap het koper en het ijzer (zij) hebben gegeven schat huis Jahweh
25.
en (tot) breedte (is het zo) dat hoereer(t) en (tot) huis naar vader en (tot) alle die aan haar het dier Jozua en (jij) woonde te midden van Israël tot vandaag deze dat EHBIAE (tot) de boodschappers die wapen Jozua aan voet (tot) Jericho
26.
en (hij) was verzadigd Jozua bij (de) tijd die te spreken vervloekte de man voor Jahweh die (hij) wraakte en (hij) heeft gebouwd (tot) (hij) heeft opgemerkt (de) deze (tot) Jericho bij trekt voor! (hij) heeft gevestigd (...) haar WBßOIRW (hij) stelde op naar deuren
27.
en wees Jahweh (tot) Jozua en wees (zij) hebben toegehoord in alle het land

Hoofdstuk 7

1.
en (zij) ontvreemdden bouw! Israël boven bij (de) boycot en (hij) nam Achan zoon wijngaarden van zoon gift-en van zoon glans aan stam Juda vanuit de boycot en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij bouw! Israël
2.
en (hij) zond weg Jozua mensen van Jericho Ai die met huis kracht van voorkant aan huis naar en (hij) sprak naar hen te spreken (zij) zijn opgegaan en voet (...) hem (tot) het land en (zij) verhieven de mensen WIRCLW (tot) Ai
3.
en (zij) hebben gewoond naar Jozua en (zij) spraken naar hem naar (hij) verhief alle het volk zoals duizenden man of zoals drie van duizenden man (zij) verhieven en (zij) sloegen (tot) Ai naar TICO daarnaar (-s) (tot) alle het volk dat een beetje deze (mv)
4.
en (zij) verhieven vanuit het volk daarnaar (-s) zoals drie van duizenden man en (zij) vluchtten voor mens (...) mij Ai
5.
en (zij) sloegen (van)uit hen mens (...) mij Ai zoals derde (mv) en zes man en (zij) achtervolgdenen (...) hen voor de poort tot (is het zo) dat breek! (...) hen en (hij) stond op bij word(t) naar beneden gehaald WIMX hart het volk en wees aan water
6.
en (hij) scheurde Jozua jurken (...) hem en (hij) liet vallen op aanzichten (...) hem naar land voor kist Jahweh tot (de) aangename hij en ben oud! Israël en (zij) verhieven stof op hoofd (...) hen
7.
en (hij) sprak Jozua ach liggers van Jahweh waarom (jij) hebt overgebracht (hij) heeft overgebracht (tot) het volk deze (tot) de Jordaan te geven (met) ons bij (de) hand de Amoriet verloren gaan te laten (...) ons en als (wij) zijn erin meegegaan en (wij) woonden bij (de) kant de Jordaan
8.
bij mij liggers van wat? woord na die (hij) heeft omgekeerd Israël nek voor vijanden (...) hem
9.
en (zij) hoorden toe (de) Kanaänitische en alle inwoners van het land en (zij) hebben zich afgewend op ons en (zij) hebben vernietigd (tot) (wij) hebben geplaatst vanuit het land en wat? (jij) deed aan naam (...) jou (de) grote
10.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua (hij) is opgestaan aan jou waarom dit (met) haar ga neer! op aanzichten (...) jou
11.
zondaar Israël en ook (zij) zijn voorbijgegaan (tot) verbonden van die (ik) heb opdracht gegeven hen en ook (zij) hebben genomen vanuit de boycot en ook (zij) hebben gestolen en ook (zij) hebben gelogen en ook zijn naam bij (de) gereedschappen (...) hen
12.
noch (zij) hebben gekund bouw! Israël op te staan voor vijanden (...) hen nek (zij) wendden zich voor vijanden (...) hen dat (zij) zijn geweest aan boycot niet (ik) voegde toe te zijn met jullie als niet (jullie) roeiden uit de boycot nastaande (...) jullie
13.
(hij) is opgestaan heiligheid (tot) het volk en (jij) hebt gesproken (is het zo) dat (jullie) heiligden LMHR dat zo woord Jahweh mijn God Israël boycot bij (het) binnenste (...) jou Israël niet je zult kunnen op te staan voor vijanden (...) jou tot (hij) heeft verwijderd (...) jullie de boycot nastaande (...) jullie
14.
WNQRBTM bij (het) rundvee aan stammen (...) jullie en (hij) is geweest de stam die (hij) voegde samen (...) ons Jahweh (hij) bracht nader aan families en de familie die (hij) voegde samen (...) haar Jahweh (jij) bracht nader aan huizen en het huis die (hij) voegde samen (...) ons Jahweh (hij) bracht nader aan mannen
15.
en (hij) is geweest (is het zo) dat (wij) voegden samen bij (de) boycot (hij) verbrandde (hij) is verrot (met) hem en (tot) alle die als dat kant (tot) verbond Jahweh en dat (hij) heeft gedaan kadaver bij Israël
16.
en jullie zijn er Jozua bij (het) rundvee en (hij) bracht nader (tot) Israël aan stammen (...) hem en (hij) voegde samen stam Juda
17.
en (hij) bracht nader (tot) familie van Juda en (hij) voegde samen (tot) familie van (is het zo) dat rijs! en (hij) bracht nader (tot) familie van (is het zo) dat rijs! aan mannen en (hij) voegde samen gift-en van
18.
en (hij) bracht nader (tot) huis (...) hem aan mannen en (hij) voegde samen Achan zoon wijngaarden van zoon gift-en van zoon glans aan stam Juda
19.
en (hij) sprak Jozua naar Achan bouw! plaats! toch eer aan Jahweh mijn God Israël en geef! als dank en vertel! toch aan mij wat? (jij) hebt gedaan naar (jij) verborg (van)uit mij
20.
en wegens Achan (tot) Jozua en (hij) sprak inderdaad ik (ik) heb gezondigd aan Jahweh mijn God Israël en zoals deze en zoals deze (ik) heb gedaan
21.
en (ik) liet zien bij (de) buit mantel Sinear één goeds en honderd paar munten zilver en tong goud één vijftig munten gewicht (...) hem WAHMDM en (ik) nam (...) hen en hier zijn zij ÐMWNIM bij (het) land binnen de tenten van en het zilver in de plaats van haar
22.
en (hij) zond weg Jozua boodschappers en (hij) rende (...) hem naar de tent en hier is verberg! (er)naar bij (de) tent (...) hem en het zilver in de plaats van haar
23.
en (zij) namen (...) hen van midden de tent en voert in! (...) hen naar Jozua en naar alle bouw! Israël en (hij) heeft uitgegoten (...) hen voor Jahweh
24.
en (hij) nam Jozua (tot) Achan zoon glans en (tot) het zilver en (tot) de mantel en (tot) tong het goud en (tot) zonen (...) hem en (tot) dochters (...) hem en (tot) os (...) hem en (tot) klei (...) hem en (tot) ga uit! (...) ons en (tot) tent (...) hem en (tot) alle die als en alle Israël met hem en (zij) verhieven (met) hen diepte OKWR
25.
en (hij) sprak Jozua wat? OKRTNW IOKRK Jahweh bij (de) dag deze WIRCMW (met) hem alle Israël steen en (zij) verbrandden (met) hen (hij) is verrot WIXQLW (met) hen bij (de) stenen
26.
en (zij) vestigden op hem hoop stenen grote tot vandaag deze en inwoner Jahweh van woede neus (...) hem op zo (hij) heeft genoemd daar de plaats dat diepte OKWR tot vandaag deze

Hoofdstuk 8

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua naar (je) zult vrezen en naar in de plaats van neem! met jou (tot) alle met de strijd en sta op! blad Ai (hij) heeft gezien (ik) heb gegeven bij (de) hand (...) jou (tot) koning Ai en (tot) met hem en (tot) (zij) hebben blootgelegd en (tot) land (...) hem
2.
en (jij) hebt gedaan LOI en aan koningin zoals (jij) hebt gedaan aan Jericho en aan koningin lege (zij) heeft ontnomen en vee (...) haar (jullie) minachtten aan jullie plaats! aan jou (hij) heeft in hinderlaag gelegen aan stad MAHRIE
3.
en (hij) stond op Jozua en alle met de strijd op te gaan Ai en (hij) koos Jozua dertig duizend man helden van de macht en (hij) zond weg (...) hen nacht
4.
en (hij) gaf opdracht (met) hen te spreken (zij) hebben gezien (met) hen lig in hinderlaag! (...) hen aan stad van achter (hij) heeft opgemerkt naar TRHIQW vanuit (hij) heeft opgemerkt zeer en (jullie) zijn geweest kun! (...) jullie NKNIM
5.
en ik en alle het volk die (met) mij (wij) brachten nader naar (hij) heeft opgemerkt en (hij) is geweest dat voert uit! ons tegemoet zoals in het eerste en (wij) zijn gevlucht voor hen
6.
en voert uit! na ons tot ETIQNW hen vanuit (hij) heeft opgemerkt dat (zij) spraken vluchten voor ons zoals in het eerste en (wij) zijn gevlucht voor hen
7.
en (met) hen (jullie) wraakten MEAWRB en (jullie) hebben verdreven (tot) (hij) heeft opgemerkt en (zij) heeft gegeven Jahweh jullie God bij (de) hand (...) jullie
8.
en (hij) is geweest als (zij) verbreidde zich (...) jullie (tot) (hij) heeft opgemerkt (jullie) staken aan (tot) (hij) heeft opgemerkt (hij) is verrot zoals woord Jahweh (jullie) maakten (zij) hebben gezien (ik) heb opdracht gegeven (met) jullie
9.
en (hij) zond weg (...) hen Jozua en (zij) gingen naar de hinderlaag en (zij) hebben gewoond tussen huis naar en tussen Ai water LOI en (hij) overnachtte Jozua bij (de) nacht dat binnen het volk
10.
en jullie zijn er Jozua bij (het) rundvee en (hij) beval (tot) het volk en (hij) verhief hij en ben oud! Israël voor het volk Ai
11.
en alle het volk de strijd die (met) hem (zij) zijn opgegaan en (zij) zijn genaderd en voert in! tegenover (hij) heeft opgemerkt en (zij) legerden van Noorden LOI en spreek uit! bij (de) doffer (...) hem en tussen Ai
12.
en (hij) nam KHMST duizenden man en pas toe! hen (hij) heeft in hinderlaag gelegen tussen huis naar en tussen Ai water aan stad
13.
en (zij) plaatsten het volk (tot) alle het kamp die van Noorden aan stad en (tot) (zij) hebben gevolgd water aan stad en (hij) ging Jozua bij (de) nacht dat binnen de diepte
14.
en wees zoals zicht koning Ai en (zij) haastten zich en (zij) stondden vroeg op en voert uit! mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt tegemoet Israël aan strijd hij en alle met hem aan ontmoeting voor de wildernis en hij niet (hij) heeft geweten dat (hij) heeft in hinderlaag gelegen als van achter (hij) heeft opgemerkt
15.
WINCOW Jozua en alle Israël voor hen en (zij) vluchtten weg de woestijn
16.
en (zij) schreeuwden alle het volk die bij (de) stad LRDP na hen en (zij) achtervolgdenen na Jozua en (zij) braken af vanuit (hij) heeft opgemerkt
17.
noch geblevene man BOI en huis naar die niet voert uit! na Israël en (zij) verlieten (tot) (hij) heeft opgemerkt geopende en (zij) achtervolgdenen na Israël
18.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua (wij) bogen om BKIDWN die bij (de) hand (...) jou naar Ai dat bij (de) hand (...) jou (ik) zal geven en (hij) neeg Jozua BKIDWN die bij (hij) bedankte naar (hij) heeft opgemerkt
19.
WEAWRB (hij) is opgestaan (zij) heeft zich gehaast van plaats (...) hem en (zij) renden KNÐWT (hij) bedankte en voert in! (hij) heeft opgemerkt en (zij) voegden samen (er)naar en (zij) haastten zich en (zij) staken aan (tot) (hij) heeft opgemerkt (hij) is verrot
20.
en (zij) wendden zich mens (...) mij Ai na hen en (zij) lieten zien en hier is blad maak! (...) hen (hij) heeft opgemerkt naar de hemel noch (hij) is geweest bij hen handen te vluchten hier is en hier is en het volk het teken de woestijn (hij) is veranderd naar (is het zo) dat achtervolg(t)
21.
en Jozua en alle Israël (zij) hebben gezien dat voeg samen! (is het zo) dat (hij) heeft in hinderlaag gelegen (tot) (hij) heeft opgemerkt en dat blad maak! (...) hen (hij) heeft opgemerkt en (zij) hebben gewoond en (zij) sloegen (tot) mens (...) mij Ai
22.
en deze voert uit! vanuit (hij) heeft opgemerkt hen tegemoet en (zij) waren aan Israël binnen deze hiervandaan en deze hiervandaan en (zij) sloegen hen tot niet (hij) heeft achtergelaten als overlevende en vluchteling
23.
en (tot) koning Ai (jullie) verbreidden je levende en (zij) brachten nader (met) hem naar Jozua
24.
en wees zoals alle (mv) Israël te doden (tot) alle inwoners van Ai bij (het) veld bij (de) woestijn die (zij) hebben achtervolgd (...) hen bij hem en (zij) vielen allemaal aan mond van zwaard tot (hij) is volledig geweest en (zij) hebben gewoond alle Israël Ai en (zij) sloegen (met) haar aan mond van zwaard
25.
en wees alle (is het zo) dat ga neer! (...) hen bij (de) dag dat van man en tot vrouw twee rijkdom duizend alle mens (...) mij Ai
26.
en Jozua niet (hij) heeft teruggegeven (hij) bedankte die (wij) bogen om BKIDWN tot die (is het zo) dat worden bleek (tot) alle inwoners van Ai
27.
lege de vee en buit (hij) heeft opgemerkt die (zij) hebben geplunderd aan hen Israël zoals woord Jahweh die geef opdracht! (tot) Jozua
28.
en (hij) verbrandde Jozua (tot) Ai en (hij) plaatste (er)naar TL eeuwigheid wildernis tot vandaag deze
29.
en (tot) koning Ai (hij) heeft opgehangen op de boom tot tijd (de) aangename WKBWA de zon geef opdracht! Jozua WIRIDW (tot) kadaver (...) hem vanuit de boom en (zij) wierpen af haar naar opening poort (hij) heeft opgemerkt en (zij) vestigden op hem hoop stenen grote tot vandaag deze
30.
destijds (hij) bouwde Jozua altaar aan Jahweh mijn God Israël bij (de) heuvel Ebal
31.
zoals geef opdracht! Mozes slaaf Jahweh (tot) bouw! Israël zoals geschreven bij (het) boek Wetboek van Mozes altaar stenen dat te sterven die niet (hij) heeft gezwaaid op hen ijzer en (zij) verhieven op hem beklimmingen aan Jahweh en (zij) slachtten vergoedingen
32.
en (hij) schreef daar op de stenen (tot) van jaar Wetboek van Mozes die (hand)schrift voor bouw! Israël
33.
en alle Israël en baarden (...) hem en politie en rechters (...) hem staanders hiervandaan en hiervandaan aan kist tegenover de priesters de Levieten (hij) heeft gedragen (...) mij kist verbond Jahweh zoals vreemdeling zoals burger pijlen (...) hem naar tegenover heuvel CRZIM en de pijlen (...) hem naar tegenover heuvel Ebal zoals geef opdracht! Mozes slaaf Jahweh te zegenen (tot) het volk Israël in het eerste
34.
en na zo (hij) heeft genoemd (tot) alle spreek! het Wetboek de gelukwens en de vervloeking zoals alle het geschrevene bij (het) boek het Wetboek
35.
niet (hij) is geweest woord van alle die geef opdracht! Mozes die niet (hij) heeft genoemd Jozua tegenover alle menigte Israël en de vrouwen en de kleine kinderen en Hagar de beweging bij (het) binnenste (...) hen

Hoofdstuk 9

1.
en wees toen alle de koningen die bij (de) kant de Jordaan bij (de) heuvel en bij (het) laagland en in alle HWP de zee (de) grote naar tegenover de Libanon de angsten van en de Amoriet (de) Kanaänitische de Fereziet de Heviet en de Jebusiet
2.
WITQBßW samen aan het brood met Jozua en met Israël mond één
3.
en inwoners van Gibeon (zij) hebben toegehoord (tot) die (hij) heeft gedaan Jozua aan Jericho WLOI
4.
en (zij) hebben gemaakt ook deze (mv) BORME en (zij) gingen WIßÐIRW en (zij) namen dat (hij) heeft gehandhaafd echtgenoten aan ezels (...) hen WNADWT wijn echtgenoten WMBQOIM WMßRRIM
5.
WNOLWT BLWT WMÐLAWT bij (de) voeten (...) hen en gehele (mv) BLWT op hen en alle brood jacht (...) hen droogte (hij) is geweest gestippelde (mv)
6.
en (zij) gingen naar Jozua naar het kamp de Gilgal en (zij) spraken naar hem en naar man Israël van land naar afstand (wij) zijn gekomen en nu (zij) hebben afgehakt aan ons verbond
7.
en (zij) spraken man Israël naar de Heviet misschien bij breng nader! (met) haar bewoner en waar ben jij? (ik) hakte af aan jou verbond
8.
en (zij) spraken naar Jozua slaven (...) jou wij en (hij) sprak naar hen Jozua water van (met) hen en vanwaar? (jij) kwam (...) hem
9.
en (zij) spraken naar hem van land naar afstand zeer (zij) zijn gekomen slaven (...) jou aan naam Jahweh jouw God dat (wij) hebben toegehoord (zij) hebben toegehoord en (tot) alle die (hij) heeft gedaan bij Egypte
10.
en (tot) alle die (hij) heeft gedaan aan tweede heers! de Amoriet die bij (de) kant de Jordaan aan Sihon koning Hesbon en spot! koning de Basan die BOSTRWT
11.
en (zij) spraken naar ons ZQININW en alle inwoners van land (...) ons te spreken neemt! bij (de) hand (...) jullie naar jacht aan weg en ga(a)t! hen tegemoet en (jullie) hebben gesproken naar hen slaven (...) jullie wij en nu (zij) hebben afgehakt aan ons verbond
12.
dit (wij) hebben gestreden hete EßÐIDNW (met) hem van huizen (...) ons bij (de) dag uit te gaan (...) ons te gaan naar jullie en nu hier is droogte en (hij) is geweest gestippelde (mv)
13.
en deze NADWT de wijn die (wij) zijn vol geweest maanden en hier is (zij) zijn opengesprongen en deze SLMWTINW en schoenen (...) ons echtgenoot (...) hem van meerderheid de weg zeer
14.
en (zij) namen de mensen van jacht (...) hen en (tot) mond van Jahweh niet (zij) hebben gevraagd
15.
en (hij) heeft gemaakt aan hen Jozua vrede en (hij) hakte af aan hen verbond te leven (...) hen en (zij) waren verzadigd aan hen vorsten van de getuige
16.
en wees van einde drie van dagen na die (zij) hebben afgehakt aan hen verbond en (zij) hoorden toe dat binnensten zij naar hem en bij (het) binnenste (...) hem zij inwoners
17.
en (zij) reisden bouw! Israël en voert in! naar steden (...) hen bij (de) dag (de) derde en steden (...) hen Gibeon en naar de jonge leeuw WBARWT en Stad van bossen
18.
noch (is het zo) dat sta op! bouw! Israël dat (zij) hebben gezworen aan hen vorsten van de getuige bij Jahweh mijn God Israël en (hij) overnachtte (...) hem alle de getuige op de vorsten
19.
en (zij) spraken alle de vorsten naar alle de getuige wij (wij) hebben gezworen aan hen bij Jahweh mijn God Israël en nu niet (wij) zullen kunnen aan plaag bij hen
20.
deze (hij) is gedaan aan hen en het dier hen noch (hij) was op ons woede op naar de week die (wij) hebben gezworen aan hen
21.
en (zij) spraken naar hen de vorsten (zij) leefden en (zij) waren HÐBI bomen en put! water aan alle de getuige zoals spreekt! aan hen de vorsten
22.
en (hij) noemde aan hen Jozua en (hij) sprak naar hen te spreken waarom bedrog (...) hen (met) ons te spreken afstanden wij (van)uit jullie zeer en (met) hen bij (wij) hebben nader gebracht inwoners
23.
en nu vervloekte (mv) (met) hen noch (hij) hakte af (van)uit jullie slaaf WHÐBI bomen en put! water aan huis mijn God
24.
en (zij) antwoordden (tot) Jozua en (zij) spraken dat vertel! vertel! aan slaven (...) jou (tot) die geef opdracht! Jahweh jouw God (tot) Mozes (zij) hebben gewerkt te geven aan jullie (tot) alle het land en uit te roeien (tot) alle inwoners van het land van aanzichten (...) jullie en (wij) vreesden zeer aan zielen (...) ons van aanzichten (...) jullie en (hij) is gedaan (tot) het woord deze
25.
en nu hier zijn wij bij (de) hand (...) jou zoals goede WKISR bij (de) ogen (...) jou te doen aan ons (hij) heeft gedaan
26.
en (hij) heeft gemaakt aan hen zo en (hij) redde hen van hand bouw! Israël noch (zij) hebben gedood (...) hen
27.
en (hij) gaf (...) hen Jozua bij (de) dag dat HÐBI bomen en put! water aan getuige en aan altaar Jahweh tot vandaag deze naar de plaats die (hij) koos

Hoofdstuk 10

1.
en wees toen liggers van rechtvaardigheid koning Jeruzalem dat voeg samen! Jozua (tot) Ai WIHRIME zoals (hij) heeft gedaan aan Jericho en aan koningin zo (hij) heeft gedaan LOI en aan koningin en dat (zij) hebben voltooid inwoners van Gibeon (tot) Israël en (zij) waren bij (het) binnenste (...) hen
2.
en (zij) vreesden zeer dat stad grootheid Gibeon zoals eerste steden van het rijk en dat zij grootheid vanuit Ai en alle naar mensen mannen
3.
en (hij) zond weg liggers van rechtvaardigheid koning Jeruzalem naar verderf (...) hen koning Hebron en naar (hij) is in opstand gekomen (...) hen koning Jarmuth en naar IPIO koning Lachis en naar aanspraakplaats koning Eglon te spreken
4.
(zij) zijn opgegaan naar mij en (hij) heeft geholpen (...) mij en (wij) sloegen (tot) Gibeon dat (zij) heeft voltooid (tot) Jozua en (tot) bouw! Israël
5.
en (zij) verzamelden en (zij) verhieven vijf heers! de Amoriet koning Jeruzalem koning Hebron koning Jarmuth koning Lachis koning Eglon zij en alle kampen (...) hen en (zij) legerden op Gibeon en (zij) streedden op haar
6.
en (zij) zondden weg mens (...) mij Gibeon naar Jozua naar het kamp (is het zo) dat (zij) heeft gerold te spreken naar (zij) liet los handen (...) jou bewerken (...) jou blad naar ons (zij) heeft zich gehaast en (zij) heeft gered aan ons en (wij) hebben geholpen dat (wij) verzamelden (...) hem naar ons alle heers! de Amoriet inwoners van de heuvel
7.
en (hij) verhief Jozua vanuit de Gilgal hij en alle met de strijd met hem en alle helden van de macht
8.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua naar (je) zult vrezen (van)uit hen dat bij (de) hand (...) jou (ik) heb gegeven (...) hen niet (hij) stond vast man (van)uit hen bij (de) aanzichten (...) jou
9.
en (hij) kwam naar hen Jozua plotseling alle de nacht blad vanuit de Gilgal
10.
en (hij) ruiste (...) hen Jahweh voor Israël en (hij) stond op geslagen grootheid bij Gibeon en (hij) achtervolgden (...) hen weg hoogte huis gat (...) hen en (hij) stond op tot Azeka en tot MQDE
11.
en wees bij (het) teken (...) hen van aanzicht van Israël zij bij word(t) naar beneden gehaald huis gat (...) hen en Jahweh (hij) heeft afgeworpen op hen stenen groeiende (mv) vanuit de hemel tot Azeka en (zij) stierven twisten die (zij) zijn gestorven bij (de) stenen van de hagel bevestig(t) (zij) hebben gedood bouw! Israël bij (het) zwaard
12.
destijds (hij) sprak Jozua aan Jahweh bij (de) dag te geven Jahweh (tot) de Amoriet voor bouw! Israël en (hij) sprak te bestuderen (...) mij Israël zon bij Gibeon stille en maan bij (de) diepte Elon
13.
en (hij) leek de zon en maan sta vast! tot (hij) stond op volk vijanden (...) hem toch? zij geschreven op boek rechtuit en (hij) stond vast de zon bij (de) halve de hemel noch te komen zoals dag volledige
14.
noch (hij) is geweest zoals dag dat voor hem en na hem aan nieuws Jahweh bij (de) klank man dat Jahweh (hij) heeft gestreden aan Israël
15.
en inwoner Jozua en alle Israël met hem naar het kamp (is het zo) dat (zij) heeft gerold
16.
en (zij) vluchtten vijf de koningen (de) deze WIHBAW bij (de) grot BMQDE
17.
en (hij) werd verteld aan Jozua te spreken (zij) hebben zich bevonden vijf de koningen NHBAIM bij (de) grot BMQDE
18.
en (hij) sprak Jozua (zij) hebben zich verheugd stenen groeiende (mv) naar mond van de grot en (zij) hebben neergelegd op haar mensen te bewaren (...) hen
19.
en (met) hen naar (jullie) stondden vast (zij) hebben achtervolgd na vijanden (...) jullie WZNBTM hen naar (jullie) gaven (...) hen te komen naar steden (...) hen dat (hij) heeft gegeven (...) hen Jahweh jullie God bij (de) hand (...) jullie
20.
en wees zoals alle (mv) Jozua en bouw! Israël te slaan (...) hen geslagen grootheid zeer tot (hij) is volledig geweest en de overlevenden dat daalt! (van)uit hen en voert in! naar steden van (de) versterkte
21.
en (zij) hebben gewoond alle het volk naar het kamp naar Jozua MQDE bij (de) vrede niet (hij) heeft ingesneden aan zonen van Israël aan man (tot) tong (...) hem
22.
en (hij) sprak Jozua doet open! (tot) mond van de grot en (zij) hebben tevoorschijn gehaald naar mij (tot) vijf de koningen (de) deze vanuit de grot
23.
en (zij) hebben gemaakt zo en (zij) haalden tevoorschijn naar hem (tot) vijf de koningen (de) deze vanuit de grot (tot) koning Jeruzalem (tot) koning Hebron (tot) koning Jarmuth (tot) koning Lachis (tot) koning Eglon
24.
en wees als (hij) heeft tevoorschijn gehaald (...) hen (tot) de koningen (de) deze naar Jozua en (hij) noemde Jozua naar alle man Israël en (hij) sprak naar officieren van mens (...) mij de strijd EELKWA (met) hem (zij) hebben nader gebracht plaatst! (tot) voeten (...) jullie op halzen van de koningen (de) deze en (zij) brachten nader en (zij) plaatsten (tot) voeten (...) hen op halzen (...) hen
25.
en (hij) sprak naar hen Jozua naar (jullie) vreesden en naar (jullie) landden versterkt! en (zij) zijn sterk geweest dat zodoende (zij) heeft gemaakt Jahweh aan alle vijanden (...) jullie die (met) hen strijden hen
26.
en (hij) stond op Jozua na zo en (hij) doodde (...) hen en (hij) hing op (...) hen op vijf bomen en (zij) waren TLWIM op de bomen tot (de) aangename
27.
en wees aan tijd komst de zon geef opdracht! Jozua WIRIDWM boven de bomen en (hij) ging neer (...) hen naar de grot die NHBAW daar en past toe! stenen groeiende (mv) op mond van de grot tot bot vandaag deze
28.
en (tot) MQDE voeg samen! Jozua bij (de) dag dat en (hij) sloeg aan mond van zwaard en (tot) koningin de boycot hen en (tot) alle de ziel die bij haar niet (hij) heeft achtergelaten overlevende en (hij) heeft gemaakt aan koning MQDE zoals (hij) heeft gedaan aan koning Jericho
29.
en (hij) ging voorbij Jozua en alle Israël met hem MMQDE witte en (hij) streed met witte
30.
en (hij) gaf Jahweh ook haar bij (de) hand Israël en (tot) koningin en (hij) sloeg aan mond van zwaard en (tot) alle de ziel die bij haar niet (hij) heeft achtergelaten bij haar overlevende en (hij) heeft gemaakt aan koningin zoals (hij) heeft gedaan aan koning Jericho
31.
en (hij) ging voorbij Jozua en alle Israël met hem van witte naar Lachis en (hij) legerde op haar en (hij) streed bij haar
32.
en (hij) gaf Jahweh (tot) Lachis bij (de) hand Israël en (hij) voegde samen (er)naar bij (de) dag (de) tweede en (hij) sloeg aan mond van zwaard en (tot) alle de ziel die bij haar zoals alle die (hij) heeft gedaan aan witte
33.
destijds blad til op! koning wortel aan hulp (tot) Lachis en (zij) werden donker Jozua en (tot) met hem tot niet (hij) heeft achtergelaten als overlevende
34.
en (hij) ging voorbij Jozua en alle Israël met hem van Lachis OCLNE en (zij) legerden op haar en (zij) streedden op haar
35.
en (zij) voegden samen (er)naar bij (de) dag dat en (zij) sloegen (er)naar aan mond van zwaard en (tot) alle de ziel die bij haar bij (de) dag dat (is het zo) dat worden bleek zoals alle die (hij) heeft gedaan aan Lachis
36.
en (hij) verhief Jozua en alle Israël met hem naar van Eglon naar Hebron en (zij) streedden op haar
37.
en (zij) voegden samen (er)naar en (zij) sloegen (er)naar aan mond van zwaard en (tot) koningin en (tot) alle naar steden en (tot) alle de ziel die bij haar niet (hij) heeft achtergelaten overlevende zoals alle die (hij) heeft gedaan aan Eglon en (hij) ontbrandde (...) hen haar en (tot) alle de ziel die bij haar
38.
en inwoner Jozua en alle Israël met hem woord en (hij) streed op haar
39.
en (hij) voegde samen (er)naar en (tot) koningin en (tot) alle naar steden en (hij) stond op aan mond van zwaard WIHRIMW (tot) alle ziel die bij haar niet (hij) heeft achtergelaten overlevende zoals (hij) heeft gedaan aan Hebron zo (hij) heeft gedaan aan woord en aan koningin en zoals (hij) heeft gedaan aan witte en aan koningin
40.
en (hij) sloeg Jozua (tot) alle het land de heuvel en het Zuiden en het laagland WEASDWT en (tot) alle koningen (...) hen niet (hij) heeft achtergelaten overlevende en (tot) alle de ziel (is het zo) dat worden bleek zoals geef opdracht! Jahweh mijn God Israël
41.
en (hij) stond op Jozua heilig(t) Barnea en tot naar kracht en (tot) alle land nader! (...) hen en tot Gibeon
42.
en (tot) alle de koningen (de) deze en (tot) land (...) hen voeg samen! Jozua keer één dat Jahweh mijn God Israël (hij) heeft gestreden aan Israël
43.
en inwoner Jozua en alle Israël met hem naar het kamp (is het zo) dat (zij) heeft gerold

Hoofdstuk 11

1.
en wees toen (hij) begreep koning Hazor en (hij) zond weg naar Jobab koning twist en naar koning Samaria en naar koning AKSP
2.
en naar de koningen die van Noorden bij (de) heuvel en bij (de) wildernis Zuiden violen en bij (het) laagland WBNPWT generatie water
3.
(de) Kanaänitische van Oosten en water en de Amoriet en de angsten van en de Fereziet en de Jebusiet bij (de) heuvel en de Heviet in de plaats van Hermon bij (het) land de uitkijkpunt
4.
en voert uit! zij en alle kampen (...) hen volk (...) hen met meerderheid zoals zand die op oever van de zee aan meerderheid en paard en wagen meerderheid zeer
5.
WIWODW alle de koningen (de) deze en voert in! en (zij) legerden samen naar water van hoogte aan het brood met Israël
6.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua naar (je) zult vrezen van aanzichten (...) hen dat morgen zoals tijd (de) deze ik (hij) heeft gegeven (tot) allemaal doden voor Israël (tot) paarden (...) hen TOQR en (tot) MRKBTIEM (jij) verbrandde (hij) is verrot
7.
en (hij) kwam Jozua en alle met de strijd met hem op hen op water van hoogte plotseling en (zij) vielen bij hen
8.
en (hij) gaf (...) hen Jahweh bij (de) hand Israël en (hij) stond op en (zij) achtervolgdenen (...) hen tot Sidon veelheid en tot verbranden water en tot BQOT uitkijkpunt naar Oosten en (hij) stond op tot niet (hij) heeft achtergelaten aan hen overlevende
9.
en (hij) heeft gemaakt aan hen Jozua zoals woord als Jahweh (tot) paarden (...) hen OQR en (tot) MRKBTIEM engel (hij) is verrot
10.
en inwoner Jozua bij (de) tijd die en (hij) voegde samen (tot) Hazor en (tot) koningin (hij) heeft geslagen bij (het) zwaard dat Hazor vroeger zij hoofd alle de rijken (de) deze
11.
en (zij) sloegen (tot) alle de ziel die bij haar aan mond van zwaard de boycot niet overgebleven alle ziel en (tot) Hazor engel (hij) is verrot
12.
en (tot) alle steden van de koningen (de) deze en (tot) alle koningen (...) hen voeg samen! Jozua en (hij) stond op aan mond van zwaard (is het zo) dat worden bleek hen zoals geef opdracht! Mozes slaaf Jahweh
13.
lege alle de steden EOMDWT op vore niet engel (...) hen Israël behalve (tot) Hazor naar aan tak engel Jozua
14.
en alle buit de steden (de) deze en de vee (zij) hebben geplunderd aan hen bouw! Israël lege (tot) alle de mens (zij) hebben geslagen aan mond van zwaard tot roeie uit! (...) hen hen niet (zij) hebben achtergelaten alle ziel
15.
zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes (zij) hebben gewerkt zo geef opdracht! Mozes (tot) Jozua en zo (hij) heeft gedaan Jozua niet (hij) heeft verwijderd woord van alle die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
16.
en (hij) nam Jozua (tot) alle het land (de) deze de heuvel en (tot) alle het Zuiden en (tot) alle land (is het zo) dat nader! (...) hen en (tot) het laagland en (tot) de wildernis en (tot) heuvel Israël en (jij) bent laag geweest (er)naar
17.
vanuit de heuvel het deel (is het zo) dat ga(a)(t) op bok en tot echtgenoot Gad BBQOT de Libanon in de plaats van heuvel Hermon en (tot) alle koningen (...) hen voeg samen! en (hij) stond op en (hij) doodde (...) hen
18.
dagen twisten (hij) heeft gedaan Jozua (tot) alle de koningen (de) deze strijd
19.
niet (zij) is geweest stad die (zij) heeft voltooid naar bouw! Israël niet de Heviet inwoners van Gibeon (tot) (de) alle (zij) hebben genomen bij (de) strijd
20.
dat honderd Jahweh (zij) is geweest te versterken (tot) hart (...) hen tegemoet de strijd (tot) Israël opdat (is het zo) dat worden bleek (...) hen opdat niet te zijn aan hen smeekbede dat opdat (hij) heeft uitgeroeid (...) hen zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
21.
en (hij) kwam Jozua bij (de) tijd die en (hij) hakte af (tot) de reuzen vanuit de heuvel vanuit Hebron vanuit woord vanuit druif en van alle heuvel Juda en van alle heuvel Israël met steden (...) hen (is het zo) dat worden bleek (...) hen Jozua
22.
niet overgebleven reuzen bij (het) land bouw! Israël lege naar Boaz bij (de) wijnpers en met Asdod (zij) zijn gebleven
23.
en (hij) nam Jozua (tot) alle het land zoals alle die woord Jahweh naar Mozes en (hij) gaf Jozua aan erfgoed aan Israël als verdeel(t) (...) hen aan stammen (...) hen en het land (zij) is stil geweest van strijd

Hoofdstuk 12

1.
en deze heers! het land die (zij) hebben geslagen bouw! Israël en (zij) hebben veroverd (tot) land (...) hen bij (de) kant de Jordaan naar Oosten de zon van wadi Arnon tot heuvel Hermon en alle de wildernis naar Oosten
2.
Sihon koning de Amoriet de bewoner bij Hesbon heerser MORWOR die op oever van wadi Arnon en midden de wadi en halve het gedenkteken en tot IBQ de wadi grens bouw! Ammon
3.
en de wildernis tot zee violen naar Oosten en tot zee de wildernis zee het zout naar Oosten weg huis EISMWT en van Zuiden in de plaats van ASDWT de top
4.
en grens Og koning de Basan van rest de spoken de bewoner BOSTRWT WBADROI
5.
en heerser bij (de) heuvel Hermon WBXLKE en in alle de Basan tot grens de Gesuriet WEMOKTI en halve het gedenkteken grens Sihon koning Hesbon
6.
Mozes slaaf Jahweh en bouw! Israël (is het zo) dat sta op! en (hij) gaf Mozes slaaf Jahweh erfenis aan Rubeniet en aan bokje en druk! stam die van Manasse
7.
en deze heers! het land die (hij) heeft geslagen Jozua en bouw! Israël bij (de) kant de Jordaan naar dag van echtgenoot Gad BBQOT de Libanon en tot de heuvel het deel dat wat opgaat dat (hij) heeft blootgelegd en (hij) gaf Jozua aan stammen van Israël erfenis als verdeel(t) (...) hen
8.
bij (de) heuvel en bij (het) laagland en bij (de) wildernis WBASDWT en bij (de) woestijn en bij (het) Zuiden de angsten van de Amoriet en (de) Kanaänitische de Fereziet de Heviet en de Jebusiet
9.
koning Jericho één koning Ai die vesting huis naar één
10.
koning Jeruzalem één koning Hebron één
11.
koning Jarmuth één koning Lachis één
12.
koning Eglon één koning wortel één
13.
koning woord één koning omheining één
14.
koning naar boycot één koning Harad één
15.
koning witte één koning Adullam één
16.
koning MQDE één koning huis naar één
17.
koning (jij) ademde uit één koning Hefer één
18.
koning APQ één koning LSRWN één
19.
koning twist één koning Hazor één
20.
koning Samaria MRAWN één koning AKSP één
21.
koning (zij) antwoordde (...) jou één koning Megiddo één
22.
koning heiligheid één koning IQNOM aan Karmel één
23.
koning generatie LNPT generatie één koning volken aan Gilgal één
24.
koning Thirza één alle koningen dertig en één

Hoofdstuk 13

1.
en Jozua baard (hij) is gekomen bij (de) dagen en (hij) sprak Jahweh naar hem (met) haar (jij) bent oud geweest (er)naar (jij) bent gekomen bij (de) dagen en het land (zij) is gebleven veel zeer te veroveren (er)naar
2.
deze het land (is het zo) dat (jij) bent gebleven alle CLILWT de Filistijnen en alle de Gesuriet
3.
vanuit ESIHWR die op aanzicht van Egypte en tot grens Ekron naar Noorden aan Kanaänitische (jij) berekende vijf (hij) is afgeweken (...) mij Filistijnen EOZTI WEASDWDI EASQLWNI de Gathiet WEOQRWNI WEOWIM
4.
van Zuiden alle land (de) Kanaänitische en grot die LßIDNIM tot APQE tot grens de Amoriet
5.
en het land beperk! (...) mij en alle de Libanon Oosten de zon van echtgenoot Gad in de plaats van heuvel Hermon tot te komen leren zak
6.
alle inwoners van de heuvel vanuit de Libanon tot verbrand(t) water alle ßIDNIM ik (ik) verdreef (...) hen van aanzicht van bouw! Israël lege laat vallen! (er)naar aan Israël bij (het) erfgoed zoals (ik) heb opdracht gegeven (...) jou
7.
en nu deel (tot) het land (de) deze bij (het) erfgoed LTSOT de stammen en halve de stam die van Manasse
8.
met hem de Rubeniet en het bokje (zij) hebben genomen (jullie) hebben verworven die (hij) heeft gegeven aan hen Mozes bij (de) kant de Jordaan naar Oosten zoals (hij) heeft gegeven aan hen Mozes slaaf Jahweh
9.
MORWOR die op oever van wadi Arnon en (hij) heeft opgemerkt die binnen de wadi en alle (is het zo) dat effen(t) MIDBA tot DIBWN
10.
en alle steden van Sihon koning de Amoriet die koning bij Hesbon tot grens bouw! Ammon
11.
en het gedenkteken en grens de Gesuriet WEMOKTI en alle heuvel Hermon en alle de Basan tot XLKE
12.
alle van koninkrijk Og bij (de) Basan die koning BOSTRWT WBADROI hij geblevene van rest de spoken en (hij) stond op Mozes en (hij) heeft veroverd (...) hen
13.
noch (zij) hebben verdreven bouw! Israël (tot) de Gesuriet en (tot) (is het zo) dat (ik) heb samengedrukt en inwoner Gesur en (jij) hebt samengedrukt te midden van Israël tot vandaag deze
14.
lege aan stam (is het zo) dat Levi niet (hij) heeft gegeven erfgoed vuur (...) mij Jahweh mijn God Israël hij erfgoed (...) hem zoals woord als
15.
en (hij) gaf Mozes aan stam bouw! Ruben aan families (...) hen
16.
en wees aan hen de grens MORWOR die op oever van wadi Arnon en (hij) heeft opgemerkt die binnen de wadi en alle (is het zo) dat effen(t) op MIDBA
17.
Hesbon en alle naar steden die bij effen(t) DIBN en bij (de) dood echtgenoot en huis echtgenoot van vijandige
18.
WIEßE en (jij) bent voorgegaan WMPOT
19.
en (ik) ben gebeurd (...) hen WSBME en ellende van (de) zwarte bij (de) heuvel de diepte
20.
en huis Peor WASDWT de top en huis EISMWT
21.
en alle steden van (is het zo) dat effen(t) en alle van koninkrijk Sihon koning de Amoriet die koning bij Hesbon die (hij) heeft geslagen Mozes (met) hem en (tot) vorsten van Midian (tot) o wee! en (tot) (hij) heeft geborduurd en (tot) rots en (tot) Hur en (tot) kwart NXIKI Sihon inwoners van het land
22.
en (tot) Bileam zoon bij (de) huid EQWXM (zij) hebben gedood bouw! Israël bij (het) zwaard naar doden (...) hen
23.
en wees grens bouw! Ruben de Jordaan en grens deze (jij) hebt verworven bouw! Ruben aan families (...) hen de steden en dorpen (...) hen
24.
en (hij) gaf Mozes aan stam Gad aan zonen van Gad aan families (...) hen
25.
en wees aan hen de grens Jaezer en alle steden van het gedenkteken en halve land bouw! Ammon tot ORWOR die op aanzicht van veelheid
26.
en van Hesbon tot (jij) bent hoog geweest de uitkijkpunt WBÐNIM en van kampen tot grens te spreken
27.
en bij (de) diepte huis til op! en huis (wij) verbitterden (er)naar en hutten en Noorden rest van koninkrijk Sihon koning Hesbon de Jordaan en grens tot einde zee zoals licht van kant de Jordaan naar Oosten
28.
deze (jij) hebt verworven bouw! Gad aan families (...) hen de steden en dorpen (...) hen
29.
en (hij) gaf Mozes druk! stam Manasse en wees druk! stam bouw! Manasse aan families (...) hen
30.
en wees grens (...) hen van kampen alle de Basan alle van koninkrijk Og koning de Basan en alle boerderij van (hij) verlichtte die bij (de) Basan zestig stad
31.
en halve het gedenkteken WOSTRWT WADROI steden van van koninkrijk Og bij (de) Basan aan zonen van Machir zoon Manasse druk! bouw! Machir aan families (...) hen
32.
deze die wadi Mozes bij (de) aangename (mv) Moab trek(t) door aan Jordaan Jericho naar Oosten
33.
en aan stam (is het zo) dat Levi niet (hij) heeft gegeven Mozes erfgoed Jahweh mijn God Israël hij (jullie) hebben verworven zoals woord aan hen

Hoofdstuk 14

1.
en deze die (zij) hebben verworven bouw! Israël bij (het) land Kanaän die (zij) hebben verworven hen Eleazar de priester en Jozua zoon Nun en hoofden van vaders (is het zo) dat buigen om aan zonen van Israël
2.
bij (het) lot (jullie) hebben verworven zoals geef opdracht! Jahweh bij (de) hand Mozes LTSOT (is het zo) dat buigen om en halve de stam
3.
dat (hij) heeft gegeven Mozes (jij) hebt verworven tweede (is het zo) dat buigen om en halve de stam trek(t) door aan Jordaan en aan Levieten niet (hij) heeft gegeven erfgoed bij (het) midden (...) hen
4.
dat (zij) zijn geweest bouw! Jozef tweede buigen om Manasse en Efraïm noch (zij) hebben gegeven deel aan Levieten bij (het) land dat als steden te wonen en terreinen (...) hen tot van nesten (...) hen WLQNINM
5.
zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes zo Ezau bouw! Israël en (zij) verdeelden (tot) het land
6.
en (zij) zijn genaderd bouw! Juda naar Jozua bij (de) Gilgal en (hij) sprak naar hem hond zoon Jefunne EQNZI (met) haar (jij) hebt geweten (tot) het woord die woord Jahweh naar Mozes man naar God op ADWTI en op ADWTIK bij (de) heiligheid Barnea
7.
zoon veertig jaar ik bij (de) wapen Mozes slaaf Jahweh (met) mij heilig(t) Barnea aan voet (tot) het land en (ik) woonde (met) hem woord zoals met hart (...) mij
8.
en broer die (zij) zijn opgegaan met mij de belastingen (...) hem (tot) hart het volk en ik (ik) ben vol geweest na Jahweh mijn God
9.
en (hij) was verzadigd Mozes bij (de) dag dat te spreken als niet het land die naar weg voet (...) jou bij haar aan jou (jij) was aan erfgoed en aan zonen (...) jou tot eeuwigheid dat (jij) bent vol geweest na Jahweh mijn God
10.
en nu hier is het dier Jahweh mij zoals woord dit veertig en vijf jaar van destijds woord Jahweh (tot) het woord deze naar Mozes die beweging Israël bij (de) woestijn en nu hier is ik vandaag zoon vijf en tachtig jaar
11.
ik (...) nog vandaag kracht zoals bij (de) dag wapen mij Mozes zoals krachten van destijds WKKHI nu aan strijd en uit te gaan en te komen
12.
en nu geef! aan mij (tot) de heuvel deze die woord Jahweh bij (de) dag dat dat (met) haar (jij) hebt toegehoord bij (de) dag dat dat reuzen daar en steden groeiende (mv) versterkte (mv) misschien Jahweh mij en (ik) heb verdreven (...) hen zoals woord Jahweh
13.
en (hij) zegende (...) hem Jozua en (hij) gaf (tot) Hebron aan hond zoon Jefunne aan erfgoed
14.
op zo (zij) is geweest Hebron aan hond zoon Jefunne EQNZI aan erfgoed tot vandaag deze wegens die (hij) is vol geweest na Jahweh mijn God Israël
15.
en naam [van] Hebron vroeger Stad van vier de mens (de) grote bij (de) reuzen hij en het land (zij) is stil geweest van strijd

Hoofdstuk 15

1.
en wees het lot aan stam bouw! Juda aan families (...) hen naar grens Edom woestijn Zin (zij) heeft afgedroogd van einde Zuiden
2.
en wees aan hen grens Zuiden van einde zee het zout vanuit ELSN de hoek (zij) heeft afgedroogd
3.
en uitgaande naar droog(t) af aan hoogte OQRBIM en kant schild en blad droog(t) af te heiligen Barnea en kant Hezron en blad naar Adar en (wij) legden opzij EQRQOE
4.
en kant (zij) zijn machtig geworden (...) haar en uitgaande wadi Egypte en (hij) is geweest uitloper-en de grens naar dag dit (hij) was aan jullie grens Zuiden
5.
en grens (zij) is voorgegaan zee het zout tot einde de Jordaan en grens aan hoek van naar Noorden van tong de zee van einde de Jordaan
6.
en blad de grens huis HCLE en kant van Noorden aan huis de wildernis en blad de grens steen bij hen zoon Ruben
7.
en blad de grens woord van diepte OKWR en naar Noorden hoek naar de Gilgal die tegenover aan hoogte mensen die droog(t) af aan wadi en kant de grens naar water van oog zon en (zij) zijn geweest uitloper-en (...) hem naar oog voet
8.
en blad de grens dal zoon hier zijn zij naar schouder de Jebusiet droog(t) af zij Jeruzalem en blad de grens naar hoofd de heuvel die op aanzicht van dal hier zijn zij naar dag die bij (het) einde diepte spoken naar Noorden
9.
en (hij) heeft beschreven de grens van hoofd de heuvel naar bestudeer(t) water van (wij) openden en uitgaande naar steden van heuvel Efron en (hij) heeft beschreven de grens vrouw zij Stad van bossen
10.
en (wij) legden opzij de grens van vrouw naar dag naar heuvel bok en kant naar schouder heuvel bossen naar van Noorden zij als baant! (...) hen en (hij) is gedaald huis zon en kant Timna
11.
en uitgaande de grens naar schouder Ekron naar Noorden en (hij) heeft beschreven de grens (zij) hebben gehuurd (...) haar en kant heuvel de vrouw en uitgaande IBNAL en (zij) zijn geweest uitloper-en de grens naar dag
12.
en grens zee naar de dag (de) grote en grens dit grens bouw! Juda rondom aan families (...) hen
13.
en aan hond zoon Jefunne (hij) heeft gegeven deel binnen bouw! Juda naar mond van Jahweh aan Jozua (tot) Stad van vier vader de reus zij Hebron
14.
en (hij) heeft veroverd van daar hond (tot) drie bouw! de reus (tot) zesde en (tot) AHIMN en (tot) Thalmai ingeborenen van de reus
15.
en (hij) verhief van daar naar inwoners van woord en naam [van] woord vroeger Stad van boek
16.
en (hij) sprak hond die (hij) sloeg (tot) Stad van boek en (zij) heeft gevangengenomen en (ik) heb gegeven als (tot) OKXE dochter (...) mij aan vrouw
17.
en (hij) voegde samen (er)naar Otniël zoon Kenaz broer hond en (hij) gaf als (tot) OKXE dochter (...) hem aan vrouw
18.
en wees naar bij (de) komst WTXITEW te vragen honderd naar vader veld WTßNH boven (de) ernstige en (hij) sprak aan haar hond wat? aan jou
19.
en (jij) sprak geef! aan mij gelukwens dat land het Zuiden (jij) hebt gegeven (...) mij en zet aan mij (jij) hebt je verheugd water en (hij) gaf aan haar (tot) (jij) hebt je verheugd hoge (mv) en (tot) (jij) hebt je verheugd onderste (mv)
20.
deze (jij) hebt verworven stam bouw! Juda aan families (...) hen
21.
en (zij) waren de steden van einde aan stam bouw! Juda naar grens Edom bij (zij) heeft afgedroogd QBßAL en kudde en (hij) woonde
22.
en naar Kain WDIMWNE WODODE
23.
en heiligheid en Hazor en (hij) gaf (...) hen
24.
Zif en dauw (...) hen en bij (de) beklimmingen
25.
en Hazor HDTE en steden Hezron zij Hazor
26.
moeder (...) hen en nieuws en naar geboorte
27.
en grondgebied naar Gad WHSMWN en huis PLÐ
28.
en grondgebied vos en put zeven WBZIWTIE
29.
vrouw WOIIM en bot
30.
WALTWLD en dwaas en naar boycot
31.
en Ziklag WMDMNE WXNXNE
32.
WLBAWT en wapens en oog en granaatappel alle steden twintig en negen en dorpen (...) hen
33.
bij (het) laagland ASTAWL en Zora WASNE
34.
en geef op! en oog tuinen (jij) ademde uit en de oog (...) hen
35.
Jarmuth en Adullam SWKE en Azeka
36.
en poorten WODITIM en naar de omheining en (ik) heb een omheining opgericht (...) hen steden vier tien en dorpen (...) hen
37.
Zin (...) hen en naar maand en kweek(t) Gad
38.
WDLON en de uitkijkpunt WIQTAL
39.
Lachis WBßQT en Eglon
40.
en (zij) zijn uitgegaan (...) hen en aan roof WKTLIS
41.
en omheiningen huis Dagon en (zij) is aangenaam geweest WMQDE steden zes tien en dorpen (...) hen
42.
witte en (hij) heeft gebeden en maak! (...) hen
43.
en (hij) deed open WASNE en (wij) stelden op
44.
en Kehila WAKZIB en naar van hoofd steden negen en dorpen (...) hen
45.
Ekron en naar dochters en naar dorpen
46.
van Ekron en naar dag alle die op hand Asdod en dorpen (...) hen
47.
Asdod naar bebouwingen en naar dorpen naar kracht naar bebouwingen en naar dorpen tot wadi Egypte en de zee de grens en grens
48.
en bij (de) heuvel doorn WITIR WSWKE
49.
en deze en Stad van XNE zij woord
50.
en druif WASTME en arme (mv)
51.
en nader! (...) hen en Helon en bol steden één tien en dorpen (...) hen
52.
(hij) heeft in hinderlaag gelegen en naar hoogte en (ik) steunde
53.
WINIM en huis (jij) ademde uit WAPQE
54.
WHMÐE en Stad van vier zij Hebron WßIOR steden negen en dorpen (...) hen
55.
van vijandige Karmel en Zif WIWÐE
56.
en Jizreël WIQDOM en geef op!
57.
(is het zo) dat Kain heuvel en Timna steden rijkdom en dorpen (...) hen
58.
HLHWL huis rots en richt een omheining op!
59.
en van vellen en huis nederigheid van WALTQN steden zes en dorpen (...) hen
60.
Stad van echtgenoot zij Stad van bossen en veel steden twee en dorpen (...) hen
61.
bij (de) woestijn huis de wildernis Midian en (zij) heeft overdekt
62.
WENBSN en stad het zout en oog bokje steden zes en dorpen (...) hen
63.
en (tot) de Jebusiet bewoners van Jeruzalem niet (hij) zal kunnen (...) hem bouw! Juda te verdrijven (...) hen en inwoner de Jebusiet (tot) bouw! Juda bij Jeruzalem tot vandaag deze

Hoofdstuk 16

1.
en uitgaande het lot aan zonen van Jozef van Jordaan Jericho aan water van Jericho naar Oosten de woestijn blad van Jericho bij (de) heuvel huis naar
2.
en uitgaande van huis naar LWZE en kant naar grens (is het zo) dat duur! kronen
3.
en (hij) is gedaald naar dag naar grens EIPLÐI tot grens huis gat (...) hen (jullie) landden (...) hen en tot wortel en (zij) zijn geweest uitloper (...) hem naar dag
4.
en (zij) zullen verwerven bouw! Jozef Manasse en Efraïm
5.
en wees grens bouw! Efraïm aan families (...) hen en wees grens (jullie) hebben verworven naar Oosten kronen Adar tot huis gat (...) hen hoogste
6.
en uitgaande de grens naar de dag EMKMTT van Noorden en (wij) legden opzij de grens naar Oosten TANT Sela en kant hem van Oosten (hij) rustte (er)naar
7.
en (hij) is gedaald MINWHE kronen en (jij) hebt uitgeschud (er)naar en (hij) heeft getroffen bij Jericho en uitgaande de Jordaan
8.
MTPWH (hij) ging de grens naar dag wadi buis en (zij) zijn geweest uitloper-en (...) hem naar de dag deze (jij) hebt verworven stam bouw! Efraïm aan families (...) hen
9.
en de steden EMBDLWT aan zonen van Efraïm binnen (jij) hebt verworven bouw! Manasse alle de steden en dorpen (...) hen
10.
noch (zij) hebben verdreven (tot) (de) Kanaänitische de bewoner bij (de) wortel en inwoner (de) Kanaänitische te midden van Efraïm tot vandaag deze en wees aan belasting slaaf

Hoofdstuk 17

1.
en wees het lot aan stam Manasse dat hij eerstgeborene Jozef aan Machir eerstgeborene Manasse vader het gedenkteken dat hij (hij) is geweest man strijd en wees als het gedenkteken en de Basan
2.
en wees aan zonen van Manasse (is het zo) dat blijven over aan families (...) hen aan zonen van Abiëzer en aan zonen van deel en aan zonen van ASRIAL en aan zonen van schouder en aan zonen van Hefer en aan zonen van SMIDO deze bouw! Manasse zoon Jozef de mannen aan families (...) hen
3.
en aan Zelafead zoon Hefer zoon gedenkteken zoon Machir zoon Manasse niet (zij) zijn geweest als zonen dat als dochters en deze namen dochters (...) hem begin(t) te (er)naar en (zij) heeft gezworven HCLE koningin en Thirza
4.
en (jullie) brachten nader voor Eleazar de priester en voor Jozua zoon Nun en voor de vorsten te spreken Jahweh geef opdracht! (tot) Mozes te geven aan ons erfgoed binnen broers (...) ons en (hij) gaf aan hen naar mond van Jahweh erfgoed binnen broer vaders (...) hen
5.
en (zij) vielen saboteer! Manasse tien alleen van land het gedenkteken en de Basan die trek(t) door aan Jordaan
6.
dat dochters Manasse (zij) hebben verworven erfgoed binnen zonen (...) hem en land het gedenkteken (zij) is geweest aan zonen van Manasse (is het zo) dat blijven over
7.
en wees grens Manasse bevestig(t) EMKMTT die op aanzicht van schouder en beweging de grens naar de rechterhand naar inwoners van oog (jij) ademde uit
8.
aan Manasse (zij) is geweest land (jij) ademde uit en (jij) ademde uit naar grens Manasse aan zonen van Efraïm
9.
en (hij) is gedaald de grens wadi buis (zij) heeft afgedroogd aan wadi steden (de) deze aan Efraïm binnen steden van Manasse en grens Manasse van Noorden aan wadi en wees uitloper-en (...) hem naar de dag
10.
(zij) heeft afgedroogd aan Efraïm en naar Noorden aan Manasse en wees de zee grens (...) hem en wat betreft (zij) troven (...) hen van Noorden en met Issaschar van Oosten
11.
en wees aan Manasse bij Issaschar en wat betreft huis draag! (...) hen en naar bebouwingen en Jibleam en naar bebouwingen en (tot) inwoners van DAR en naar bebouwingen en inwoners van oog generatie en naar bebouwingen en inwoners van (zij) antwoordde (...) jou en naar dochters en inwoners van Megiddo en naar bebouwingen drie van (jij) hebt gezwaaid
12.
noch (zij) hebben gekund bouw! Manasse te verdrijven (tot) de steden (de) deze en Joël (de) Kanaänitische te wonen bij (het) land (de) deze
13.
en wees dat versterkt! bouw! Israël en (zij) gaven (tot) (de) Kanaänitische aan belasting en verdrijf! niet (zij) hebben verdreven
14.
en (zij) spraken bouw! Jozef (tot) Jozua te spreken waarom? zet aan mij erfgoed lot één en koord één en ik met meerderheid tot die tot zo zegen! (...) mij Jahweh
15.
en (hij) sprak naar hen Jozua als met meerderheid (met) haar blad aan jou (is het zo) dat (hij) legde bloot en (jij) hebt geschapen aan jou daar bij (het) land de Fereziet en de spoken dat aan jou heuvel Efraïm
16.
en (zij) spraken bouw! Jozef niet (hij) vond aan ons de heuvel en wagen ijzer in alle (de) Kanaänitische de inwoner bij (het) land de diepte te bevestigen bij (het) huis draag! (...) hen en naar bebouwingen en te bevestigen bij (de) diepte Jizreël
17.
en (hij) sprak Jozua naar huis Jozef aan Efraïm en aan Manasse te spreken met meerderheid (met) haar en kracht grote aan jou niet (hij) was aan jou lot één
18.
dat heuvel (hij) was aan jou dat bos hij en (jij) hebt geschapen (...) hem en (hij) is geweest aan jou uitloper-en (...) hem dat (jij) verdreef (tot) (de) Kanaänitische dat wagen ijzer als dat kracht hij

Hoofdstuk 18

1.
en (zij) verzamelden alle getuige van bouw! Israël Sela WISKINW daar (tot) tent ontmoeting en het land NKBSE voor hen
2.
WIWTRW bij bouw! Israël die niet verdeelt! (tot) (jullie) hebben verworven zeven stammen
3.
en (hij) sprak Jozua naar bouw! Israël tot waarheen? (met) hen MTRPIM te komen te veroveren (tot) het land die (hij) heeft gegeven aan jullie Jahweh mijn God vaders-en (...) jullie
4.
brengt aan jullie drie mensen aan stam en (ik) zond weg (...) hen en (zij) wraakten en (zij) wandelden rond bij (het) land en (zij) schreven haar aan mond van (jullie) hebben verworven en voert in! naar mij
5.
en (zij) hebben verdeeld (met) haar aan zeven delen Juda (hij) stond vast op grens (...) hem droog(t) af en huis Jozef (zij) stondden vast op grens (...) hen van Noorden
6.
en (met) hen (jullie) schreven (tot) het land zeven delen en (jullie) hebben gebracht naar mij hier is en (ik) heb geworpen aan jullie lot mond voor Jahweh onze God
7.
dat (er is) niet deel aan Levieten bij (het) binnenste (...) jullie dat KENT Jahweh erfgoed (...) hem en Gad en Ruben en halve stam die van Manasse (zij) hebben genomen (jullie) hebben verworven trek(t) door aan Jordaan naar Oosten die (hij) heeft gegeven aan hen Mozes slaaf Jahweh
8.
en (zij) wraakten de mensen en (zij) gingen en (hij) gaf opdracht Jozua (tot) de voorbijgangers aan (hand)schrift (tot) het land te spreken ga(a)t! en (zij) hebben rondgewandeld bij (het) land en (zij) hebben geschreven haar en keert terug! naar mij en mond (ik) wierp af aan jullie lot voor Jahweh bij Sela
9.
en (zij) gingen de mensen en (zij) gingen voorbij bij (het) land en (zij) schreven (er)naar aan steden aan zeven delen op boek en voert in! naar Jozua naar het kamp Sela
10.
en (hij) ging neer aan hen Jozua lot bij Sela voor Jahweh en (hij) verdeelde daar Jozua (tot) het land aan zonen van Israël als verdeel(t) (...) hen
11.
en (hij) verhief lot stam bouw! Benjamin aan families (...) hen en uitgaande grens lot (...) hen tussen bouw! Juda en tussen bouw! Jozef
12.
en wees aan hen de grens aan hoek van naar Noorden vanuit de Jordaan en blad de grens naar schouder Jericho van Noorden en blad bij (de) heuvel naar dag en (hij) is geweest uitloper-en (...) hem van woord huis kracht
13.
en kant van daar de grens LWZE naar schouder LWZE (zij) heeft afgedroogd zij huis naar en (hij) is gedaald de grens kronen Adar op de heuvel die droog(t) af aan huis woede (jullie) landden (...) hen
14.
en (hij) heeft beschreven de grens en (wij) legden opzij aan hoek van zee (zij) heeft afgedroogd vanuit de heuvel die op aanzicht van huis woede (zij) heeft afgedroogd en (hij) is geweest uitloper-en (...) hem naar Stad van echtgenoot zij Stad van bossen stad bouw! Juda deze hoek van zee
15.
en hoek van (zij) heeft afgedroogd van einde Stad van bossen en uitgaande de grens naar dag en uitgaande naar bestudeer(t) water van (wij) openden
16.
en (hij) is gedaald de grens naar einde de heuvel die op aanzicht van dal zoon hier zijn zij die bij (de) diepte spoken naar Noorden en (hij) is gedaald dal hier zijn zij naar schouder de Jebusiet (zij) heeft afgedroogd en (hij) is gedaald oog voet
17.
en (hij) heeft beschreven van Noorden en uitgaande oog zon en uitgaande naar CLILWT die tegenover hoogte mensen en (hij) is gedaald steen bij hen zoon Ruben
18.
en kant naar schouder tegenover de wildernis naar Noorden en (hij) is gedaald (is het zo) dat (jij) bent aangenaam geweest (er)naar
19.
en kant de grens naar schouder huis HCLE naar Noorden en (hij) is geweest uitloper-en (...) hem de grens naar tong zee het zout naar Noorden naar einde de Jordaan (zij) heeft afgedroogd dit grens Zuiden
20.
en de Jordaan ICBL (met) hem aan hoek van (zij) is voorgegaan deze (jij) hebt verworven bouw! Benjamin naar aan genzen rondom aan families (...) hen
21.
en (zij) zijn geweest de steden aan stam bouw! Benjamin LMSPHWTIEM Jericho en huis HCLE en diepte QßIß
22.
en huis de wildernis WßMRIM en huis naar
23.
WEOWIM en de koe en jonge ree
24.
en dorp EOMNI WEOPNI en heuvel steden twee tien en dorpen (...) hen
25.
Gibeon en de wormen WBARWT
26.
en de uitkijkpunt en naar de jonge leeuw en de matze
27.
en (hij) heeft geborduurd WIRPAL WTRALE
28.
en rib de duizend en de Jebusiet zij Jeruzalem heuvel van Stad van steden vier tien en dorpen (...) hen deze (jij) hebt verworven bouw! Benjamin aan families (...) hen

Hoofdstuk 19

1.
en uitgaande het lot (de) tweede aan Simeon aan stam bouw! Simeon aan families (...) hen en wees (jullie) hebben verworven binnen (jij) hebt verworven bouw! Juda
2.
en wees aan hen bij (jullie) hebben verworven put zeven en zeven en naar geboorte
3.
en grondgebied vos en naar echtgenoot en bot
4.
WALTWLD WBTWL en naar boycot
5.
en Ziklag en huis de rijtuigen en grondgebied naar paard
6.
en huis LBAWT WSRWHN steden drie tien en dorpen (...) hen
7.
oog granaatappel en (hij) heeft gebeden en maak! (...) hen steden vier en dorpen (...) hen
8.
en alle de dorpen die omgevingen de steden (de) deze tot bij opgaan put RAMT Zuiden deze (jij) hebt verworven stam bouw! Simeon aan families (...) hen
9.
beschadigde bouw! Juda (jij) hebt verworven bouw! Simeon dat (hij) is geweest deel bouw! Juda meerderheid (van)uit hen en (zij) zullen verwerven bouw! Simeon binnen (jullie) hebben verworven
10.
en (hij) verhief het lot (de) derde aan zonen van Zebulon aan families (...) hen en wees grens (jullie) hebben verworven tot overlevende
11.
en blad grens (...) hen naar aan dag WMROLE en (hij) heeft getroffen BDBST en (hij) heeft getroffen naar de wadi die op aanzicht van IQNOM
12.
en woon! van overlevende (zij) is voorgegaan Oosten de zon op grens zoals bloem(meel) TBR en uitgaande naar het woord van en blad IPIO
13.
en van daar kant (zij) is voorgegaan naar Oosten naar wijnpers Hefer nu officier en uitgaande granaatappel (is het zo) dat beschrijf(t) (is het zo) dat (zij) heeft gezworven
14.
en (wij) legden opzij (met) hem de grens van Noorden HNTN en (zij) zijn geweest uitloper-en (...) hem dal (hij) deed open naar
15.
WQÐT en (wij) loofden en Samaria WIDALE en huis brood steden twee tien en dorpen (...) hen
16.
deze (jij) hebt verworven bouw! Zebulon aan families (...) hen de steden (de) deze en dorpen (...) hen
17.
aan Issaschar uitgaande het lot (de) vierde aan zonen van Issaschar aan families (...) hen
18.
en wees grens (...) hen naar Jizreël WEKXWLT WSWNM
19.
en graaf! (...) hen WSIAN WANHRT
20.
en (jij) hebt vermeerderd WQSIWN WABß
21.
en (jij) bent hoog geweest en oog tuinen en oog scherpe en huis Pßß
22.
en (hij) heeft getroffen de grens bij Thabor WSHßWME en huis zon en (zij) zijn geweest uitloper-en grens (...) hen de Jordaan steden zes tien en dorpen (...) hen
23.
deze (jij) hebt verworven stam bouw! Issaschar aan families (...) hen de steden en dorpen (...) hen
24.
en uitgaande het lot (de) vijfde aan stam bouw! die aan families (...) hen
25.
en wees grens (...) hen perceel van en ziekte en buik WAKSP
26.
WALMLK WOMOD WMSAL en (hij) heeft getroffen bij (de) Karmel naar de dag WBSIHWR aan dochter van
27.
en woon! Oosten de zon huis graan en (hij) heeft getroffen bij Zebulon en bij (het) dal (hij) deed open naar naar Noorden huis de diepte WNOIAL en uitgaande naar KBWL MSMAL
28.
en kant (...) hen en breedte en bent bronstig! (...) hen en buis tot Sidon veelheid
29.
en woon! de grens de wormen en tot stad versterkte smalle en woon! de grens (zij) heeft medelijden gehad en (zij) waren uitloper-en (...) hem naar de dag beschadigde AKZIBE
30.
en met haar WAPQ en breedte steden twintig en twee en dorpen (...) hen
31.
deze (jij) hebt verworven stam bouw! die aan families (...) hen de steden (de) deze en dorpen (...) hen
32.
aan zonen van Nafthali uitgaande het lot (de) zesde aan zonen van Nafthali aan families (...) hen
33.
en wees grens (...) hen MHLP van eik BßONNIM en mensen van (is het zo) dat (hij) heeft vastgesteld WIBNAL tot op te staan en wees uitloper-en (...) hem de Jordaan
34.
en woon! de grens naar dag AZNWT Thabor en uitgaande van daar HWQQE en (hij) heeft getroffen bij Zebulon droog(t) af en wat betreft (hij) heeft getroffen water en met Juda de Jordaan Oosten de zon
35.
en steden van versterkte (is het zo) dat vangen smalle en leren zak RQT WKNRT
36.
en aarde en de wormen en Hazor
37.
en heiligheid WADROI en oog Hazor
38.
en (zij) lieten zien (...) hen en kweek(t) naar boycot en huis Anath en huis zon steden negen tien en dorpen (...) hen
39.
deze (jij) hebt verworven stam bouw! Nafthali aan families (...) hen de steden en dorpen (...) hen
40.
aan stam bouw! Dan aan families (...) hen uitgaande het lot (de) zevende
41.
en wees grens (jullie) hebben verworven Zora WASTAWL en stad zon
42.
WSOLBIN en Elon en (hij) hing op
43.
en Elon en naar Timna en Ekron
44.
WALTQE WCBTWN en vrouw van
45.
WIED en bouw! flits en wijnpers granaatappel
46.
en water van EIRQWN WERQWN met de grens tegenover (zij) zijn mooi geweest
47.
en uitgaande grens bouw! Dan (van)uit hen en (zij) verhieven bouw! Dan en (zij) streedden met aan naam en (zij) voegden samen haar en (zij) sloegen haar aan mond van zwaard en (zij) hebben veroverd haar en (zij) hebben gewoond bij haar en (zij) noemden LLSM Dan zoals naam Dan vaders (...) hen
48.
deze (jij) hebt verworven stam bouw! Dan aan families (...) hen de steden (de) deze en dorpen (...) hen
49.
en (zij) hebben gekund aan wadi (tot) het land naar aan genzen en (zij) gaven bouw! Israël erfgoed aan Jozua zoon Nun bij (het) midden (...) hen
50.
op mond van Jahweh (zij) hebben gegeven als (tot) (hij) heeft opgemerkt die (hij) heeft gevraagd (tot) TMNT XRH bij (de) heuvel Efraïm en (hij) bouwde (tot) (hij) heeft opgemerkt en inwoner bij haar
51.
deze (is het zo) dat (jij) hebt verworven die (zij) hebben verworven Eleazar de priester en Jozua zoon Nun en hoofden van de vaders aan stammen bouw! Israël bij (het) lot bij Sela voor Jahweh opening tent ontmoeting en (zij) hebben gekund verdeel(t) (tot) het land

Hoofdstuk 20

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Jozua te spreken
2.
woord naar bouw! Israël te spreken geeft! aan jullie (tot) steden van de schuilplaats die woord (...) mij naar jullie bij (de) hand Mozes
3.
te vluchten daarnaar (-s) vermoord(t) geslagen ziel bij (de) vergissing bij (de) echtgenoten van kennis en (zij) zijn geweest aan jullie aan schuilplaats van wreker het bloed
4.
en teken naar één van de steden (de) deze en sta vast! opening poort (hij) heeft opgemerkt en woord bij (de) oren van ben oud! (hij) heeft opgemerkt die (tot) woorden (...) hem en (zij) hebben verzameld (met) hem (zij) heeft opgemerkt naar hen en (zij) hebben gegeven als plaats en inwoner volk (...) hen
5.
en dat (hij) achtervolgden wreker het bloed na hem noch (zij) sloten (tot) de moord bij (hij) bedankte dat bij (de) echtgenoten van kennis (hij) heeft geslagen (tot) zijn vriend noch (hij) heeft gehaat hij als MTMWL eergisteren
6.
en inwoner bij (de) stad die tot sta(a)t vast! voor de getuige aan rechtsregel tot dood de priester (de) grote die (hij) was bij (de) dagen die destijds (hij) blies (is het zo) dat vermoord(t) en (hij) is gekomen naar (zij) hebben blootgelegd en naar huis (...) hem naar (hij) heeft opgemerkt die teken van daar
7.
en (zij) heiligden (tot) heiligheid BCLIL bij (de) heuvel Nafthali en (tot) schouder bij (de) heuvel Efraïm en (tot) Stad van vier zij Hebron bij (de) heuvel Juda
8.
en trek(t) door aan Jordaan Jericho naar Oosten (zij) hebben gegeven (tot) versterkte bij (de) woestijn bij effen(t) van stam Ruben en (tot) RAMT bij (het) gedenkteken van stam Gad en (tot) (zij) hebben zich verheugd (...) hen bij (de) Basan van stam Manasse
9.
deze (zij) zijn geweest steden van naar de ontmoeting aan alle bouw! Israël en aan vreemdeling Hagar bij (het) midden (...) hen te vluchten daarnaar (-s) alle geslagen ziel bij (de) vergissing noch (hij) stierf bij (de) hand wreker het bloed tot sta(a)t vast! voor de getuige

Hoofdstuk 21

1.
en (zij) zijn genaderd hoofden van vaders de Levieten naar Eleazar de priester en naar Jozua zoon Nun en naar hoofden van vaders (is het zo) dat buigen om aan zonen van Israël
2.
en (zij) spraken naar hen bij Sela bij (het) land Kanaän te spreken Jahweh geef opdracht! bij (de) hand Mozes te geven aan ons steden te wonen en terreinen (...) hen LBEMTNW
3.
en (zij) gaven bouw! Israël aan Levieten van erfgoederen (...) hen naar mond van Jahweh (tot) de steden (de) deze en (tot) terreinen (...) hen
4.
en uitgaande het lot aan familie van de Kahathiet en wees aan zonen van Aäron de priester vanuit de Levieten van stam Juda en van stam laat horen! (...) mij en van stam Benjamin bij (het) lot steden drie tien
5.
en aan zonen van Kahath (is het zo) dat blijven over van familie van stam Efraïm en van stam Dan en vermorzel! stam Manasse bij (het) lot steden rijkdom
6.
en aan zonen van Gerson van families stam Issaschar en van stam die en van stam Nafthali en vermorzel! stam Manasse bij (de) Basan bij (het) lot steden drie tien
7.
aan zonen van Merari aan families (...) hen van stam Ruben en van stam Gad en van stam Zebulon steden twee tien
8.
en (zij) gaven bouw! Israël aan Levieten (tot) de steden (de) deze en (tot) terreinen (...) hen zoals geef opdracht! Jahweh bij (de) hand Mozes bij (het) lot
9.
en (zij) gaven van stam bouw! Juda en van stam bouw! Simeon (tot) de steden (de) deze die (hij) noemde (met) hen bij (de) naam
10.
en wees aan zonen van Aäron van families de Kahathiet van zonen van Levi dat aan hen (hij) is geweest het lot RAISNE
11.
en (zij) gaven aan hen (tot) Stad van vier vader EONWQ zij Hebron bij (de) heuvel Juda en (tot) naar terrein naar omgevingen
12.
en (tot) veld (hij) heeft opgemerkt en (tot) naar dorpen (zij) hebben gegeven aan hond zoon Jefunne bij (jij) hebt gegrepen (...) hem
13.
en aan zonen van Aäron de priester (zij) hebben gegeven (tot) stad schuilplaats de moord (tot) Hebron en (tot) naar terrein en (tot) witte en (tot) naar terrein
14.
en (tot) rest en (tot) naar terrein en (tot) ASTMO en (tot) naar terrein
15.
en (tot) Helon en (tot) naar terrein en (tot) woord en (tot) naar terrein
16.
en (tot) oog en (tot) naar terrein en (tot) (hij) boog om en (tot) naar terrein (tot) huis zon en (tot) naar terrein steden negen honderd tweede de stammen (de) deze
17.
en van stam Benjamin (tot) Gibeon en (tot) naar terrein (tot) heuvel en (tot) naar terrein
18.
(tot) Anathoth en (tot) naar terrein en (tot) OLMWN en (tot) naar terrein steden vier
19.
alle steden van bouw! Aäron de priesters drie tien steden en terreinen (...) hen
20.
en aan families bouw! Kahath de Levieten (is het zo) dat blijven over van zonen van Kahath en wees steden van lot (...) hen van stam Efraïm
21.
en (zij) gaven aan hen (tot) stad schuilplaats de moord (tot) schouder en (tot) naar terrein bij (de) heuvel Efraïm en (tot) wortel en (tot) naar terrein
22.
en (tot) verzamel! (...) hen en (tot) naar terrein en (tot) huis gat (...) hen en (tot) naar terrein steden vier
23.
en van stam Dan (tot) ALTQA en (tot) naar terrein (tot) CBTWN en (tot) naar terrein
24.
(tot) Elon en (tot) naar terrein (tot) wijnpers granaatappel en (tot) naar terrein steden vier
25.
WMMHßIT stam Manasse (tot) (zij) antwoordde (...) jou en (tot) naar terrein en (tot) wijnpers granaatappel en (tot) naar terrein steden twee
26.
alle steden rijkdom en terreinen (...) hen aan families bouw! Kahath (is het zo) dat blijven over
27.
en aan zonen van Gerson van familie van de Levieten vermorzel! stam Manasse (tot) stad schuilplaats de moord (tot) (zij) hebben zich verheugd (...) hen bij (de) Basan en (tot) naar terrein en (tot) BOSTRE en (tot) naar terrein steden twee
28.
en van stam Issaschar (tot) QSIWN en (tot) naar terrein (tot) woord van en (tot) naar terrein
29.
(tot) Jarmuth en (tot) naar terrein (tot) oog tuinen en (tot) naar terrein steden vier
30.
en van stam die (tot) MSAL en (tot) naar terrein (tot) (zij) hebben gewerkt (...) hen en (tot) naar terrein
31.
(tot) perceel van en (tot) naar terrein en (tot) breedte en (tot) naar terrein steden vier
32.
en van stam Nafthali (tot) stad schuilplaats de moord (tot) heiligheid BCLIL en (tot) naar terrein en (tot) leren zak DAR en (tot) naar terrein en (tot) stad (...) hen en (tot) naar terrein steden drie
33.
alle steden van de Gersoniet aan families (...) hen drie tien stad en terreinen (...) hen
34.
en aan families bouw! Merari de Levieten (is het zo) dat blijven over honderd stam Zebulon (tot) IQNOM en (tot) naar terrein (tot) (zij) is gebeurd en (tot) naar terrein
35.
(tot) DMNE en (tot) naar terrein (tot) (wij) loofden en (tot) naar terrein steden vier
36.
en van stam Gad (tot) stad schuilplaats de moord (tot) (jij) bent hoog geweest bij (het) gedenkteken en (tot) naar terrein en (tot) kampen en (tot) naar terrein
37.
(tot) Hesbon en (tot) naar terrein (tot) Jaezer en (tot) naar terrein alle steden vier
38.
alle de steden aan zonen van Merari aan families (...) hen (is het zo) dat blijven over van families de Levieten en wees lot (...) hen steden twee tien
39.
alle steden van de Levieten binnen (jij) hebt gegrepen bouw! Israël steden veertig en acht en terreinen (...) hen
40.
(jullie) waren de steden (de) deze stad stad en naar terreinen naar omgevingen zo aan alle de steden (de) deze
41.
en (hij) gaf Jahweh aan Israël (tot) alle het land die (hij) heeft gezworen te geven te wensen (...) hen en (zij) hebben veroverd (er)naar en (zij) hebben gewoond bij haar
42.
en (hij) rustte Jahweh aan hen van rondom zoals alle die (hij) heeft gezworen te wensen (...) hen noch sta vast! man bij (de) aanzichten (...) hen van alle vijanden (...) hen (tot) alle vijanden (...) hen (hij) heeft gegeven Jahweh bij (hij) leek
43.
niet ga neer! woord van alle het woord (de) goede die woord Jahweh naar huis Israël (de) alle (hij) is gekomen

Hoofdstuk 22

1.
destijds (hij) noemde Jozua aan Rubeniet en aan bokje en druk! stam Manasse
2.
en (hij) sprak naar hen (met) hen (jullie) hebben gehouden (tot) alle die geef opdracht! (met) jullie Mozes slaaf Jahweh en (jullie) hoorden toe bij (de) klanken van aan alle die (ik) heb opdracht gegeven (met) jullie
3.
niet (jullie) hebben verlaten (tot) broers (...) jullie dit dagen twisten tot vandaag deze en (jullie) hebben gehouden (tot) bewaring voorschrift van Jahweh jullie God
4.
en nu (hij) heeft rust gegeven Jahweh jullie God aan broers (...) jullie zoals woord aan hen en nu (zij) hebben zich gewend en ga(a)t! aan jullie aan tenten (...) jullie naar land (jij) hebt gegrepen (...) jullie die (hij) heeft gegeven aan jullie Mozes slaaf Jahweh bij (de) kant de Jordaan
5.
lege bewaart! zeer te doen (tot) het voorschrift en (tot) het Wetboek die geef opdracht! (met) jullie Mozes slaaf Jahweh aan liefde (tot) Jahweh jullie God en te gaan in alle wegen (...) hem en te bewaren voorschriften (...) hem WLDBQE bij hem en te werken (...) hem in alle hart (...) jullie en in alle ziel (...) jullie
6.
en (hij) zegende (...) hen Jozua en (hij) zond weg (...) hen en (zij) gingen naar tenten (...) hen
7.
en druk! stam die van Manasse (hij) heeft gegeven Mozes bij (de) Basan en aan pijlen (...) hem (hij) heeft gegeven Jozua met broers (...) hen trek(t) door de Jordaan naar dag en ook dat dat (hij) heeft gestreden Jozua naar tenten (...) hen en (hij) zegende (...) hen
8.
en (hij) sprak naar hen te spreken BNKXIM twisten keert terug! naar tenten (...) jullie en bij (het) bezit meerderheid zeer bij (het) zilver en bij (het) goud en bij (het) koper en bij (het) ijzer WBSLMWT veel zeer verdeelt! buit vijanden (...) jullie met broers (...) jullie
9.
en (zij) hebben gewoond en (zij) gingen bouw! Ruben en bouw! Gad en halve stam die van Manasse honderd bouw! Israël (zij) heeft geheerst die bij (het) land Kanaän te gaan naar land het gedenkteken naar land (jullie) hebben gegrepen die (wij) grepen (...) hem bij haar op mond van Jahweh bij (de) hand Mozes
10.
en voert in! naar CLILWT de Jordaan die bij (het) land Kanaän en (zij) bouwden bouw! Ruben en bouw! Gad en halve stam die van Manasse daar altaar op de Jordaan altaar grote aan verschijning
11.
en (zij) hoorden toe bouw! Israël te spreken hier is bij ons bouw! Ruben en bouw! Gad en halve stam die van Manasse (tot) het altaar naar tegenover land Kanaän naar CLILWT de Jordaan naar kant bouw! Israël
12.
en (zij) hoorden toe bouw! Israël en (zij) verzamelden alle getuige van bouw! Israël Sela op te gaan op hen zich te scharen
13.
en (zij) zondden weg bouw! Israël naar bouw! Ruben en naar bouw! Gad en naar halve stam Manasse naar land het gedenkteken (tot) Pinehas zoon Eleazar de priester
14.
en tien dragers met hem vorst één vorst één aan huis vader aan alle buigen om Israël en man hoofd huis vaders (...) hen deze (mv) aan duizend(en) van Israël
15.
en voert in! naar bouw! Ruben en naar bouw! Gad en naar halve stam Manasse naar land het gedenkteken en (zij) spraken (met) hen te spreken
16.
zo (zij) hebben gesproken alle getuige van Jahweh wat? (is het zo) dat (hij) heeft ontvreemd deze die (jullie) hebben ontvreemd bij mijn God Israël terug te keren vandaag van achter Jahweh BBNWTKM aan jullie altaar LMRDKM vandaag bij Jahweh
17.
het een beetje aan ons (tot) vijandige Peor die niet (wij) hebben ons gezuiverd (van)uit hem tot vandaag deze en wees (is het zo) dat (hij) heeft geslagen bij (de) getuige van Jahweh
18.
en (met) hen (jullie) woonden vandaag van achter Jahweh en (hij) is geweest (met) hen (jullie) kwamen in opstand vandaag bij Jahweh en morgen naar alle getuige van Israël (hij) maakte zich kwaad
19.
en maar als onreinheid land (jij) hebt gegrepen (...) jullie (zij) zijn voorbijgegaan aan jullie naar land (jij) hebt gegrepen Jahweh die buurman daar residentie Jahweh WEAHZW bij (het) midden (...) ons en met Jahweh naar (jullie) kwamen in opstand en (met) ons naar (jullie) kwamen in opstand BBNTKM aan jullie altaar behalve altaar Jahweh onze God
20.
immers Achan zoon glans boven boven bij (de) boycot en op alle getuige van Israël (hij) is geweest woede en hij man één niet sterf! bij (de) misdaad (...) hem
21.
en (zij) antwoordden bouw! Ruben en bouw! Gad en halve stam die van Manasse en (zij) spraken (tot) hoofden van duizend(en) van Israël
22.
naar God Jahweh naar God Jahweh hij (hij) heeft geweten en Israël hij (hij) heeft geweten als bij opstand (-en) en als bij (hij) heeft ontvreemd bij Jahweh naar (jij) redde (...) ons vandaag deze
23.
te bouwen aan ons altaar terug te keren van achter Jahweh en als aan de beklimmingen op hem ga(a)(t) op en geschenk en als te doen op hem slacht! vergoedingen Jahweh hij (hij) zocht
24.
en als niet MDACE woestijn (wij) hebben gedaan (tot) deze te spreken morgen (zij) spraken zonen (...) jullie aan zonen (...) ons te spreken wat? aan jullie en aan Jahweh mijn God Israël
25.
en grens (hij) heeft gegeven Jahweh BINNW en tussen jullie bouw! Ruben en bouw! Gad (tot) de Jordaan (er is) niet aan jullie deel bij Jahweh en (zij) hebben stopgezet zonen (...) jullie (tot) (wij) hebben gebouwd opdat niet gezien (tot) Jahweh
26.
en (wij) spraken (hij) is gedaan toch aan ons te bouwen (tot) het altaar niet naar aan onrecht noch aan slachting
27.
dat tot hij tussen ons en tussen jullie en tussen DRWTINW na ons te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt Jahweh voor hem BOLWTINW en bij (de) slachtingen (...) ons WBSLMINW noch (zij) spraken zonen (...) jullie morgen aan zonen (...) ons (er is) niet aan jullie deel bij Jahweh
28.
en (wij) spraken en (hij) is geweest dat (zij) spraken naar ons en naar (ik) heb gewoond (...) ons morgen en (wij) hebben gesproken (zij) hebben gezien (tot) model altaar Jahweh die Ezau vaders-en (...) ons niet naar aan onrecht noch aan slachting dat tot hij tussen ons en tussen jullie
29.
God beware aan ons (van)uit hem aan opstand (-en) bij Jahweh en terug te keren vandaag van achter Jahweh te bouwen altaar te verheffen aan geschenk en aan slachting weg van tak altaar Jahweh onze God die voor (wij) hebben getrokken
30.
en (hij) hoorde toe Pinehas de priester en vorsten van de getuige en hoofden van duizend(en) van Israël die (met) hem (tot) de woorden die spreekt! bouw! Ruben en bouw! Gad en bouw! Manasse en (hij) was goed bij (de) ogen (...) hen
31.
en (hij) sprak Pinehas zoon Eleazar de priester naar bouw! Ruben en naar bouw! Gad en naar bouw! Manasse vandaag (wij) hebben geweten dat bij (het) midden (...) ons Jahweh die niet (jullie) hebben ontvreemd bij Jahweh (is het zo) dat (hij) heeft ontvreemd deze destijds (jullie) hebben gered (tot) bouw! Israël van hand Jahweh
32.
en inwoner Pinehas zoon Eleazar de priester en de vorsten honderd bouw! Ruben en honderd bouw! Gad van land het gedenkteken naar land Kanaän naar bouw! Israël en (zij) hebben gewoond hen woord
33.
en (hij) was goed het woord bij bestudeer! bouw! Israël en (zij) zegenden God bouw! Israël noch (zij) hebben gesproken op te gaan op hen zich te scharen te bederven (tot) het land die bouw! Ruben en bouw! Gad inwoners bij haar
34.
en (zij) noemden bouw! Ruben en bouw! Gad aan altaar dat tot hij verstand-en (...) ons dat Jahweh naar God

Hoofdstuk 23

1.
en wees van dagen twisten na die (hij) heeft rust gegeven Jahweh aan Israël van alle vijanden (...) hen van rondom en Jozua baard (hij) is gekomen bij (de) dagen
2.
en (hij) noemde Jozua aan alle Israël aan baarden (...) hem en aan hoofden (...) hem en aan rechters (...) hem en aan politie (...) hem en (hij) sprak naar hen ik (ik) ben oud geweest (ik) ben gekomen bij (de) dagen
3.
en (met) hen (jullie) hebben gezien (tot) alle die (hij) heeft gedaan Jahweh jullie God aan alle de volken (de) deze van aanzichten (...) jullie dat Jahweh jullie God hij (is het zo) dat (hij) heeft gestreden aan jullie
4.
(zij) hebben gezien (ik) heb laten vallen aan jullie (tot) de volken (is het zo) dat blijven (de) deze bij (het) erfgoed aan stammen (...) jullie vanuit de Jordaan en alle de volken die (ik) heb herkend en de zee (de) grote om te komen de zon
5.
en Jahweh jullie God hij IEDPM van aanzichten (...) jullie en (hij) heeft verdreven (met) hen weg van aanzichten (...) jullie en (jullie) hebben veroverd (tot) land (...) hen zoals woord Jahweh jullie God aan jullie
6.
en (jullie) zijn sterk geworden zeer te bewaren en te doen (tot) alle het geschrevene bij (het) boek Wetboek van Mozes opdat niet verblind! (van)uit hem rechterhand en linkerhand
7.
opdat niet (hij) is gekomen bij (de) volken (de) deze (is het zo) dat blijven (de) deze (met) jullie en bij (de) naam hun God niet TZKIRW noch TSBIOW noch (jullie) werkten (...) hen noch (jullie) bogen je diep aan hen
8.
dat als bij Jahweh jullie God (jullie) plakten zoals (jullie) hebben gedaan tot vandaag deze
9.
en verover(t) Jahweh van aanzichten (...) jullie volken grootheden WOßWMIM en (met) hen niet sta vast! man bij (de) aanzichten (...) jullie tot vandaag deze
10.
man één (van)uit jullie (hij) achtervolgden duizend dat Jahweh jullie God hij (is het zo) dat (hij) heeft gestreden aan jullie zoals woord aan jullie
11.
WNSMRTM zeer aan zielen (...) jullie aan liefde (tot) Jahweh jullie God
12.
dat als terugkeren (jullie) keerden terug en (jullie) hebben geplakt bij (de) rest de volken (de) deze (is het zo) dat blijven (de) deze (met) jullie WETHTNTM bij hen en (jullie) zijn gekomen bij hen en zij bij jullie
13.
IDWO (jullie) wisten dat niet (hij) voegde toe Jahweh jullie God te verdrijven (tot) de volken (de) deze weg van aanzichten (...) jullie en (zij) zijn geweest aan jullie aan valstrik en aan valstrik en rond te trekken bij (de) kanten (...) jullie WLßNNIM bij (de) ogen (...) jullie tot (hij) is verloren gegaan (...) jullie boven de aarde het goeds (de) deze die (hij) heeft gegeven aan jullie Jahweh jullie God
14.
en hier is ik ga(a)(t) vandaag bij (de) weg alle het land en (jullie) hebben geweten in alle hart (...) jullie en in alle ziel (...) jullie dat niet ga neer! woord één van alle de woorden (de) goede (mv) die woord Jahweh jullie God op jullie (de) alle (zij) zijn gekomen aan jullie niet ga neer! (van)uit hem woord één
15.
en (hij) is geweest zoals (hij) is gekomen op jullie alle het woord (de) goede die woord Jahweh jullie God naar jullie zo (hij) bracht Jahweh op jullie (tot) alle het woord juich! tot (zij) hebben uitgeroeid letter (...) jullie boven de aarde het goeds (de) deze die (hij) heeft gegeven aan jullie Jahweh jullie God
16.
bij (de) kant (...) jullie (tot) verbond Jahweh jullie God die geef opdracht! (met) jullie en (jullie) zijn gegaan en (jullie) hebben gewerkt God anderen en (jullie) hebben je diep gebogen aan hen en (hij) is ontbrand neus Jahweh bij jullie en (jullie) zijn verloren gegaan (zij) heeft zich gehaast boven het land het goeds die (hij) heeft gegeven aan jullie

Hoofdstuk 24

1.
en (hij) verzamelde Jozua (tot) alle stammen van Israël dat (zij) is opgestaan en (hij) noemde aan baarden van Israël en aan hoofden (...) hem en aan rechters (...) hem en aan politie (...) hem en (zij) stelden zich op voor naar God
2.
en (hij) sprak Jozua naar alle het volk zo woord Jahweh mijn God Israël bij (de) kant de rivier (zij) hebben gewoond vaders-en (...) jullie van eeuwigheid Terach vader Abraham en vader Nahor en (zij) werkten God anderen
3.
en (ik) nam (tot) vader (...) jullie (tot) Abraham trek(t) door de rivier WAWLK (met) hem in alle land Kanaän en (hij) heeft in hinderlaag gelegen (tot) (zij) hebben gezaaid en (met) hen als (tot) Izak
4.
en (met) hen aan Izak (tot) Jakob en (tot) Ezau en (met) hen aan Ezau (tot) heuvel bok te veroveren hem en Jakob en zonen (...) hem (zij) zijn gedaald Egypte
5.
en (ik) zond weg (tot) Mozes en (tot) Aäron en (ik) werd verslagen (tot) Egypte zoals (ik) heb gedaan bij (zij) hebben nader gebracht en andere (ik) ben tevoorschijn gehaald (met) jullie
6.
en (ik) haalde tevoorschijn (tot) vaders-en (...) jullie van Egypte en (jij) kwam (...) hem naar de dag en (zij) achtervolgdenen Egypte na vaders-en (...) jullie bij (de) wagen en bij (de) ruiters zee riet
7.
en (zij) schreeuwden naar Jahweh en pas toe! van donkere tussen jullie en tussen (is het zo) dat Egypte en (hij) kwam op hem (tot) de zee en (hij) bedekte (...) hem en (jullie) lieten zien ogen (...) jullie (tot) die (ik) heb gedaan bij Egypte en (jullie) woonden bij (de) woestijn dagen twisten
8.
en (ik) profeteerde (er)naar (met) jullie naar land de Amoriet de bewoner bij (de) kant de Jordaan en (zij) streedden (met) jullie en (met) hen hen bij (de) hand (...) jullie en most (...) hem (tot) land (...) hen en (ik) roeide uit (...) hen van aanzichten (...) jullie
9.
en (hij) stond op Balak zoon Zippor koning Moab en (hij) streed bij Israël en (hij) zond weg en (hij) noemde aan Bileam zoon bij (de) huid te vervloeken (met) jullie
10.
noch (ik) heb gewenst aan nieuws aan Bileam en (hij) zegende gezegende (met) jullie en naast (met) jullie van hand (...) hem
11.
en (jullie) gingen voorbij (tot) de Jordaan en (jij) kwam (...) hem naar Jericho en (zij) streedden bij jullie bij (de) hoge Jericho de Amoriet en de Fereziet en (de) Kanaänitische en de angsten van WECRCSI de Heviet en de Jebusiet en (met) hen hen bij (de) hand (...) jullie
12.
en (ik) zond weg voor jullie (tot) (is het zo) dat Zora en (jij) verjoeg hen van aanzichten (...) jullie tweede heers! de Amoriet niet bij (het) zwaard (...) jou noch bij (de) boog (...) jou
13.
en (met) hen aan jullie land die niet (jij) hebt moeite gedaan bij haar en steden die niet (jullie) hebben gebouwd en (jullie) woonden bij hen als zijn hoog en olijven die niet (jullie) hebben geplant (met) hen eten-en
14.
en nu (zij) lieten zien (tot) Jahweh en (zij) hebben gewerkt (met) hem bij (de) volledige en bij (de) waarheid en (zij) hebben verwijderd (tot) God die (zij) hebben gewerkt vaders-en (...) jullie bij (de) kant de rivier en met Egypte en (zij) hebben gewerkt (tot) Jahweh
15.
en als kwaad bij (de) ogen (...) jullie te bewerken (tot) Jahweh (zij) hebben gekozen aan jullie vandaag (tot) water van (jullie) werkten (...) hen als (tot) God die (zij) hebben gewerkt vaders-en (...) jullie die bij (de) kant de rivier en als (tot) mijn God de Amoriet die (met) hen inwoners bij (het) land (...) hen en ik en huis-en van (wij) bewerkten (tot) Jahweh
16.
en wegens het volk en (hij) sprak God beware aan ons MOZB (tot) Jahweh te bewerken God anderen
17.
dat Jahweh onze God hij de hoogte (met) ons en (tot) vaders-en (...) ons van land Egypte van huis slaven en die (hij) heeft gedaan aan ogen (...) ons (tot) de tekens (de) groeiende (mv) (de) deze en (hij) bewaarde (...) ons in alle de weg die (wij) zijn gegaan bij haar en in alle de volkeren die (wij) zijn voorbijgegaan bij (het) binnenste (...) hen
18.
en (hij) verjoeg Jahweh (tot) alle de volkeren en (tot) de Amoriet inwoner het land van aanzichten (...) ons ook wij (wij) bewerkten (tot) Jahweh dat hij onze God
19.
en (hij) sprak Jozua naar het volk niet je zult kunnen (...) hem te bewerken (tot) Jahweh dat God heiligheden hij naar QNWA hij niet (hij) droeg aan misdaad (...) jullie en aan zondige daden (...) jullie
20.
dat (jullie) verlieten (tot) Jahweh en (jullie) hebben gewerkt mijn God vreemde land en woon! en juich! aan jullie en schoondochter (met) jullie na die (hij) heeft goed gedaan aan jullie
21.
en (hij) sprak het volk naar Jozua niet dat (tot) Jahweh (wij) bewerkten
22.
en (hij) sprak Jozua naar het volk getuigen (met) hen bij jullie dat (met) hen (jullie) hebben gekozen aan jullie (tot) Jahweh te bewerken hem en (zij) spraken getuigen
23.
en nu (zij) hebben verwijderd (tot) mijn God het vreemde land die bij (het) binnenste (...) jullie en (zij) zijn omgebogen (tot) hart (...) jullie naar Jahweh mijn God Israël
24.
en (zij) spraken het volk naar Jozua (tot) Jahweh onze God (wij) bewerkten en bij (de) klank (...) hem (wij) hoorden toe
25.
en (hij) hakte af Jozua verbond aan volk bij (de) dag dat en pas toe! als wet en rechtsregel bij (de) schouder
26.
en (hij) schreef Jozua (tot) de woorden (de) deze bij (het) boek Wetboek van God en (hij) nam steen grootheid en (hij) vestigde (er)naar daar in de plaats van (de) deze die bij heilig(t) Jahweh
27.
en (hij) sprak Jozua naar alle het volk hier is de steen (de) deze (jij) was bij ons aan getuige dat zij (zij) heeft toegehoord (tot) alle Amoriet Jahweh die woord met ons en (zij) is geweest bij jullie aan getuige opdat niet (jullie) logen (...) hen bij jullie God
28.
en (hij) zond weg Jozua (tot) het volk man aan erfgoed (...) hem
29.
en wees na de woorden (de) deze en (hij) stierf Jozua zoon Nun slaaf Jahweh zoon honderd en rijkdom twee
30.
en (zij) begroeven (met) hem bij (de) grens erfgoed (...) hem BTMNT XRH die bij (de) heuvel Efraïm van Noorden aan heuvel COS
31.
en (hij) werkte Israël (tot) Jahweh alle dagen van Jozua en alle dagen van de baarden die (zij) hebben verlengd dagen na Jozua en die (zij) hebben geweten (tot) alle Mozes Jahweh die (hij) heeft gedaan aan Israël
32.
en (tot) botten Jozef die (is het zo) dat (zij) zijn opgegaan bouw! Israël van Egypte (zij) hebben begraven bij (de) schouder bij (de) perceel van het veld die buis Jakob honderd bouw! ernstige vader schouder bij honderd QSIÐE en (zij) waren aan zonen van Jozef aan erfgoed
33.
en Eleazar zoon Aäron dode en (zij) begroeven (met) hem bij (de) heuvel van Pinehas bij ons die (hij) heeft gegeven als bij (de) heuvel Efraïm