Hoofdstuk 1

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes bij (de) woestijn Sinaï bij (de) tent ontmoeting bij één aan maand (de) tweede in het jaar de tweede uit te gaan (...) hen van land Egypte te spreken
2.
draagt! (tot) hoofd alle getuige van bouw! Israël aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal namen alle man aan schedel (...) hen
3.
van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger bij Israël (jullie) bevalen (met) hen aan legers (...) hen (met) haar en Aäron
4.
en (met) jullie (zij) waren man man aan stam man hoofd aan huis vaders (...) hem hij
5.
en deze namen de mensen die (zij) stondden vast (met) jullie aan Ruben ALIßWR zoon Sedeur
6.
aan Simeon SLMIAL zoon Zurisaddai
7.
aan Juda (zij) hebben vermoed (...) hen zoon Amminadab
8.
aan Issaschar Nataneël zoon Zoar
9.
aan Zebulon Eliab zoon Helon
10.
aan zonen van Jozef aan Efraïm Elisama zoon Ammihud aan Manasse CMLIAL zoon Pedazur
11.
aan Benjamin Abidan zoon CDONI
12.
aan Dan Ahiezer zoon Ammisaddai
13.
te bevestigen Pagiël zoon OKRN
14.
aan Gad Eljasaf zoon DOWAL
15.
aan Nafthali AHIRO zoon oog (...) hen
16.
deze QRIAI de getuige vorsten van buigen om vaders (...) hen hoofden van duizend(en) van Israël zij
17.
en (hij) nam Mozes en Aäron (tot) de mensen (de) deze die (zij) hebben vastgesteld bij (jij) hebt geplaatst
18.
en (tot) alle de getuige EQEILW bij één aan maand (de) tweede WITILDW op families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal namen van zoon twintig jaar en hoogte aan schedel (...) hen
19.
zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes en (hij) beval (...) hen bij (de) woestijn Sinaï
20.
en (zij) waren bouw! Ruben trek voor! Israël geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal namen aan schedel (...) hen alle man van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
21.
opnamen (...) hen aan stam Ruben zes en veertig duizend en vijf honderd
22.
aan zonen van Simeon geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen opnamen (...) hem bij (het) getal namen aan schedel (...) hen alle man van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
23.
opnamen (...) hen aan stam Simeon negen en vijftig duizend en drie honderd
24.
aan zonen van Gad geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal namen van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
25.
opnamen (...) hen aan stam Gad vijf en veertig duizend en zes honderd en vijftig
26.
aan zonen van Juda geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
27.
opnamen (...) hen aan stam Juda vier en zeventig duizend en zes honderd
28.
aan zonen van Issaschar geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
29.
opnamen (...) hen aan stam Issaschar vier en vijftig duizend en vier honderd
30.
aan zonen van Zebulon geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
31.
opnamen (...) hen aan stam Zebulon zeven en vijftig duizend en vier honderd
32.
aan zonen van Jozef aan zonen van Efraïm geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
33.
opnamen (...) hen aan stam Efraïm veertig duizend en vijf honderd
34.
aan zonen van Manasse geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal namen van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
35.
opnamen (...) hen aan stam Manasse twee en dertig duizend en honderd paar
36.
aan zonen van Benjamin geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
37.
opnamen (...) hen aan stam Benjamin vijf en dertig duizend en vier honderd
38.
aan zonen van Dan geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
39.
opnamen (...) hen aan stam Dan twee en zestig duizend en zeven honderd
40.
aan zonen van die geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
41.
opnamen (...) hen aan stam die één en veertig duizend en vijf honderd
42.
bouw! Nafthali geschiedenis (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger
43.
opnamen (...) hen aan stam Nafthali drie en vijftig duizend en vier honderd
44.
deze de opnamen die opname Mozes en Aäron en vorsten van Israël twee rijkdom man man één aan huis vaders (...) hem (zij) zijn geweest
45.
en (zij) waren alle opperbevel (...) mij bouw! Israël aan huis vader (...) hen van zoon twintig jaar en hoogte alle uitgaande leger bij Israël
46.
en (zij) waren alle de opnamen zes honderd duizend en drie van duizenden en vijf honderd en vijftig
47.
en de Levieten aan stam vader (...) hen niet (is het zo) dat (jullie) bevalen bij (het) midden (...) hen
48.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
49.
maar (tot) stam Levi niet (jij) beval en (tot) hoofd (...) hen niet (jij) droeg binnen bouw! Israël
50.
en (met) haar leg neer! (tot) de Levieten op residentie (jij) hebt getuigd en op alle gereedschappen (...) hem en op alle die als deze (mv) (zij) droegen (tot) de residentie en (tot) alle gereedschappen (...) hem en zij (zij) dienden (...) hem en rondom aan residentie (zij) legerden
51.
WBNXO de residentie IWRIDW (met) hem de Levieten WBHNT de residentie (zij) vestigden (met) hem de Levieten en de krans bied aan! (hij) zal worden laten sterven
52.
en (zij) zijn gelegerd bouw! Israël man op kamp (...) hem en man op vlag (...) hem aan legers (...) hen
53.
en de Levieten (zij) legerden rondom aan residentie (jij) hebt getuigd noch (hij) was woede op getuige van bouw! Israël en bewaart! de Levieten (tot) bewaring residentie het getuigenis
54.
en (zij) hebben gemaakt bouw! Israël zoals alle die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes zo Ezau

Hoofdstuk 2

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron te spreken
2.
man op vlag (...) hem BATT aan huis vader (...) hen (zij) legerden bouw! Israël op een afstand rondom aan tent ontmoeting (zij) legerden
3.
WEHNIM (zij) is voorgegaan naar Oosten vlag kamp Juda aan legers (...) hen en vorst aan zonen van Juda (zij) hebben vermoed (...) hen zoon Amminadab
4.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen vier en zeventig duizend en zes honderd
5.
WEHNIM op hem stam Issaschar en vorst aan zonen van Issaschar Nataneël zoon Zoar
6.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hem vier en vijftig duizend en vier honderd
7.
stam Zebulon en vorst aan zonen van Zebulon Eliab zoon Helon
8.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hem zeven en vijftig duizend en vier honderd
9.
alle de opnamen aan kamp Juda honderd duizend en tachtig duizend en zes duizenden en vier honderd aan legers (...) hen in de eerste plaats (zij) reisden
10.
vlag kamp Ruben naar Zuiden aan legers (...) hen en vorst aan zonen van Ruben ALIßWR zoon Sedeur
11.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hem zes en veertig duizend en vijf honderd
12.
WEHWNM op hem stam Simeon en vorst aan zonen van Simeon SLMIAL zoon Zurisaddai
13.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen negen en vijftig duizend en drie honderd
14.
en stam Gad en vorst aan zonen van Gad Eljasaf zoon Rehuël
15.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen vijf en veertig duizend en zes honderd en vijftig
16.
alle de opnamen aan kamp Ruben honderd duizend en één en vijftig duizend en vier honderd en vijftig aan legers (...) hen en twee (zij) reisden
17.
en (hij) heeft gereisd tent ontmoeting kamp de Levieten binnen EMHNT zoals (zij) legerden zo (zij) reisden man op (hij) bedankte aan vlaggen (...) hen
18.
vlag kamp Efraïm aan legers (...) hen naar dag en vorst aan zonen van Efraïm Elisama zoon Ammihud
19.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen veertig duizend en vijf honderd
20.
en op hem stam Manasse en vorst aan zonen van Manasse CMLIAL zoon Pedazur
21.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen twee en dertig duizend en honderd paar
22.
en stam Benjamin en vorst aan zonen van Benjamin Abidan zoon CDONI
23.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen vijf en dertig duizend en vier honderd
24.
alle de opnamen aan kamp Efraïm honderd duizend en acht duizenden en honderd aan legers (...) hen en dertig (zij) reisden
25.
vlag kamp Dan naar Noorden aan legers (...) hen en vorst aan zonen van Dan Ahiezer zoon Ammisaddai
26.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen twee en zestig duizend en zeven honderd
27.
WEHNIM op hem stam die en vorst aan zonen van die Pagiël zoon OKRN
28.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen één en veertig duizend en vijf honderd
29.
en stam Nafthali en vorst aan zonen van Nafthali AHIRO zoon oog (...) hen
30.
en (zij) hebben zich geschaard en opnamen (...) hen drie en vijftig duizend en vier honderd
31.
alle de opnamen aan kamp Dan honderd duizend en zeven en vijftig duizend en zes honderd aan laatste (zij) reisden aan vlaggen (...) hen
32.
deze opperbevel (...) mij bouw! Israël aan huis vader (...) hen alle opperbevel (...) mij EMHNT aan legers (...) hen zes honderd duizend en drie van duizenden en vijf honderd en vijftig
33.
en de Levieten niet (is het zo) dat (jullie) bevalen binnen bouw! Israël zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
34.
en (zij) hebben gemaakt bouw! Israël zoals alle die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes zo (zij) zijn gelegerd aan vlaggen (...) hen en zo (zij) hebben gereisd man aan families (...) hem op huis vaders (...) hem

Hoofdstuk 3

1.
en deze geschiedenis Aäron en Mozes bij (de) dag woord Jahweh (tot) Mozes bij (de) heuvel Sinaï
2.
en deze namen bouw! Aäron (is het zo) dat trek voor! (hij) heeft geschonken en Abihu Eleazar en Ithamar
3.
deze namen bouw! Aäron de priesters (is het zo) dat zalf! (...) hen die (hij) is vol geweest (hij) leek aan priester
4.
en (hij) stierf (hij) heeft geschonken en Abihu voor Jahweh bij bied aan! (...) hen vuur (hij) heeft uitgestrooid voor Jahweh bij (de) woestijn Sinaï en zonen niet (zij) zijn geweest aan hen en (hij) sloeg (...) hen Eleazar en Ithamar op aanzicht van Aäron vaders (...) hen
5.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
6.
bied aan! (tot) stam Levi en (jij) hebt opgesteld (met) hem voor Aäron de priester en (zij) hebben gediend (met) hem
7.
en bewaart! (tot) bewaring (...) hem en (tot) bewaring alle de getuige voor tent ontmoeting te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt de residentie
8.
en bewaart! (tot) alle gereedschap tent ontmoeting en (tot) bewaring bouw! Israël te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt de residentie
9.
en zet (tot) de Levieten aan Aäron en aan zonen (...) hem NTWNM NTWNM deze (mv) als honderd bouw! Israël
10.
en (tot) Aäron en (tot) zonen (...) hem (jij) beval en bewaart! (tot) KENTM en de krans bied aan! (hij) zal worden laten sterven
11.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
12.
en ik hier is (ik) heb genomen (tot) de Levieten van midden bouw! Israël in de plaats van alle eerstgeborene eerstgeborene baarmoeder van zonen van Israël en (zij) zijn geweest aan mij de Levieten
13.
dat aan mij alle eerstgeborene bij (de) dag EKTI alle eerstgeborene bij (het) land Egypte (ik) heb gewijd aan mij alle eerstgeborene bij Israël van mens tot vee aan mij (zij) waren ik Jahweh
14.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes bij (de) woestijn Sinaï te spreken
15.
opname (tot) bouw! Levi aan huis vader (...) hen aan families (...) hen alle man van zoon maand en hoogte (jij) beval (...) hen
16.
en (hij) beval (met) hen Mozes op mond van Jahweh zoals geef opdracht!
17.
en (zij) waren deze bouw! Levi bij (jullie) hebben geplaatst Gerson en Kahath en Merari
18.
en deze namen bouw! Gerson aan families (...) hen aan zonen van en hoor toe!
19.
en bouw! Kahath aan families (...) hen korenschoof (...) hen en zuivere olie Hebron en Uzziël
20.
en bouw! Merari aan families (...) hen van ziekte WMWSI deze zij familie van (is het zo) dat Levi aan huis vader (...) hen
21.
aan Gerson familie van ELBNI en familie van (is het zo) dat hoor toe! deze zij familie van de Gersoniet
22.
opnamen (...) hen bij (het) getal alle man van zoon maand en hoogte opnamen (...) hen zeven duizenden en vijf honderd
23.
familie van de Gersoniet na de residentie (zij) legerden naar dag
24.
en vorst huis vader aan Gersoniet Eljasaf zoon tot God
25.
en bewaring bouw! Gerson bij (de) tent ontmoeting de residentie en de tent bedek(t) (...) hem en scherm opening tent ontmoeting
26.
en gordijnen van het grondgebied en (tot) scherm opening het grondgebied die op de residentie en op het altaar rondom en (tot) van resten (...) hem aan alle feit (...) hem
27.
en aan Kahath familie van EOMRMI en familie van de zuivere olie (...) mij en familie van (is het zo) dat (hij) heeft zich aangesloten (...) mij en familie van de Uzzieliet deze zij familie van de Kahathiet
28.
bij (het) getal alle man van zoon maand en hoogte acht duizenden en zes honderd bewaar! bewaring wijd!
29.
familie van bouw! Kahath (zij) legerden op heup de residentie naar Zuiden
30.
en vorst huis vader aan familie van de Kahathiet ALIßPN zoon Uzziël
31.
en bewaring (...) hen de ark en de tafel en de armatuur en de altaar van en gereedschap wijd! die (zij) dienden bij hen en het scherm en alle feit (...) hem
32.
en vorst vorsten van (is het zo) dat Levi Eleazar zoon Aäron de priester (jij) hebt bekeken bewaar! bewaring wijd!
33.
aan Merari familie van (is het zo) dat begin(t) te (...) mij en familie van EMWSI deze zij familie van Merari
34.
en opnamen (...) hen bij (het) getal alle man van zoon maand en hoogte zes duizenden en honderd paar
35.
en vorst huis vader aan familie van Merari ßWRIAL zoon ABIHIL op heup de residentie (zij) legerden naar Noorden
36.
en (jij) hebt bekeken bewaring bouw! Merari stol! de residentie en grendels (...) hem en sta vast! (...) hem en liggers (...) hem en alle gereedschappen (...) hem en alle feit (...) hem
37.
en met mij het grondgebied rondom en liggers (...) hen en pinnen (...) hen en van resten (...) hen
38.
WEHNIM voor de residentie (zij) is voorgegaan voor tent ontmoeting naar Oosten Mozes en Aäron en zonen (...) hem dat til(t) op bewaring (is het zo) dat heilig(t) aan bewaring bouw! Israël en de krans bied aan! (hij) zal worden laten sterven
39.
alle opperbevel (...) mij de Levieten die opname Mozes en Aäron op mond van Jahweh aan families (...) hen alle man van zoon maand en hoogte twee en twintig duizend
40.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes opname alle trek voor! man aan zonen van Israël van zoon maand en hoogte en draag! (tot) getal (jullie) hebben geplaatst
41.
en (jij) hebt genomen (tot) de Levieten aan mij ik Jahweh in de plaats van alle trek voor! bij bouw! Israël en (tot) bij dood! de Levieten in de plaats van alle eerstgeborene bij (de) vee van bouw! Israël
42.
en (hij) beval Mozes zoals geef opdracht! Jahweh (met) hem (tot) alle eerstgeborene bij bouw! Israël
43.
en wees alle eerstgeborene man bij (het) getal (jij) hebt geplaatst van zoon maand en hoogte aan opnamen (...) hen twee en twintig duizend drie en zeventig en honderd paar
44.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
45.
neem! (tot) de Levieten in de plaats van alle eerstgeborene bij bouw! Israël en (tot) bij dood! de Levieten in de plaats van beesten (...) hen en (zij) zijn geweest aan mij de Levieten ik Jahweh
46.
en (tot) PDWII de drie WESBOIM en (de) honderd paar EODPIM op de Levieten van eerstgeborene bouw! Israël
47.
en (jij) hebt genomen vijf vijf munten aan schedel bij (de) munt wijd! (jij) nam twintig (zij) heeft gewoond de munt
48.
en zet het zilver aan Aäron en aan zonen (...) hem PDWII EODPIM bij hen
49.
en (hij) nam Mozes (tot) zilver EPDIWM honderd EODPIM op PDWII de Levieten
50.
honderd eerstgeborene bouw! Israël lering (tot) het zilver vijf en zestig en drie honderd en duizend bij (de) munt wijd!
51.
en (hij) gaf Mozes (tot) zilver (is het zo) dat bevrijd! (...) hen aan Aäron en aan zonen (...) hem op mond van Jahweh zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes

Hoofdstuk 4

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron te spreken
2.
verheven (tot) hoofd bouw! Kahath van midden bouw! Levi aan families (...) hen aan huis vader (...) hen
3.
van zoon dertig jaar en hoogte en tot zoon vijftig jaar alle (hij) is gekomen zich te scharen te doen handwerk bij (de) tent ontmoeting
4.
deze (jij) hebt gewerkt bouw! Kahath bij (de) tent ontmoeting heiligheid de heiligheden
5.
en (hij) is gekomen Aäron en zonen (...) hem bij (hij) heeft gereisd het kamp en (zij) zijn naar beneden gehaald (tot) voorhangsel het scherm en (zij) hebben bedekt bij haar (tot) ark (jij) hebt getuigd
6.
en (zij) hebben gegeven op hem (zij) hebben bedekt (...) mij huid (zij) haastte zich en (zij) hebben uitgespreid kleed zoals nacht lichtblauwe kleur weg van hoogte en zijn naam takken (...) hem
7.
en op tafel het aanzicht (zij) spreidden uit kleed lichtblauwe kleur en (zij) hebben gegeven op hem (tot) de schaal van en (tot) EKPT en (tot) EMNQIT en (tot) harde (mv) de uitgieting en brood (hij) heeft voortgeduurd op hem (hij) was
8.
en (zij) hebben uitgespreid op hen kleed worm van tweede en (zij) hebben bedekt (met) hem bij bedek(t) huid (zij) haastte zich en zijn naam (tot) takken (...) hem
9.
en (zij) hebben genomen kleed lichtblauwe kleur en (zij) hebben bedekt (tot) armatuur van het licht en (tot) naar lichten en (tot) naar van leringen en (tot) MHTTIE en (tot) alle gereedschap acht die (zij) dienden aan haar bij hen
10.
en (zij) hebben gegeven (met) haar en (tot) alle nier naar bedek(t) huid (zij) haastte zich en (zij) hebben gegeven op (is het zo) dat wankel!
11.
en op altaar het goud (zij) spreidden uit kleed lichtblauwe kleur en (zij) hebben bedekt (met) hem bij bedek(t) huid (zij) haastte zich en zijn naam (tot) takken (...) hem
12.
en (zij) hebben genomen (tot) alle gereedschap de dienst die (zij) dienden in hen bij (de) heiligheid en (zij) hebben gegeven naar kleed lichtblauwe kleur en (zij) hebben bedekt hen bij bedek(t) huid (zij) haastte zich en (zij) hebben gegeven op (is het zo) dat wankel!
13.
en bemest! (tot) het altaar en (zij) hebben uitgespreid op hem kleed purper
14.
en (zij) hebben gegeven op hem (tot) alle gereedschappen (...) hem die (zij) dienden op hem bij hen (tot) EMHTT (tot) EMZLCT en (tot) de schoffels en (tot) de offerschaal van alle gereedschap het altaar en (zij) hebben uitgespreid op hem (zij) hebben bedekt (...) mij huid (zij) haastte zich en zijn naam takken (...) hem
15.
en schoondochter Aäron en zonen (...) hem LKXT (tot) wijd! en (tot) alle gereedschap wijd! bij (hij) heeft gereisd het kamp en na zo voert in! bouw! Kahath te dragen noch (zij) hebben moeite gedaan naar wijd! en (zij) zijn gestorven deze last bouw! Kahath bij (de) tent ontmoeting
16.
en (jij) hebt bekeken Eleazar zoon Aäron de priester olie het licht en wierook de medicinale kruiden en geschenk van (hij) heeft voortgeduurd en olie de zalf (jij) hebt bekeken alle de residentie en alle die bij hem bij (de) heiligheid en bij (de) gereedschappen (...) hem
17.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron te spreken
18.
naar (jullie) vernietigden (tot) stam familie van de Kahathiet van midden de Levieten
19.
en deze Ezau aan hen en (zij) hebben geleefd noch (hij) stierf (...) hem BCSTM (tot) heiligheid de heiligheden Aäron en zonen (...) hem voert in! en zijn naam hen man man op feit (...) hem en naar last (...) hem
20.
noch voert in! te zien zoals slechtheid (tot) wijd! en (zij) zijn gestorven
21.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
22.
verheven (tot) hoofd bouw! Gerson ook zij aan huis vader (...) hen aan families (...) hen
23.
van zoon dertig jaar en hoogte tot zoon vijftig jaar (jij) beval hen alle wat kwam zich te scharen leger te bewerken feit bij (de) tent ontmoeting
24.
deze (jij) hebt gewerkt familie van de Gersoniet te bewerken en aan last
25.
en (zij) hebben gedragen (tot) gordijnen de residentie en (tot) tent ontmoeting bedek(t) (...) hem en bedek(t) (is het zo) dat (zij) haastte zich die op hem weg van hoogte en (tot) scherm opening tent ontmoeting
26.
en (tot) gordijnen van het grondgebied en (tot) scherm opening poort het grondgebied die op de residentie en op het altaar rondom en (tot) van resten (...) hen en (tot) alle gereedschap (jullie) hebben gewerkt en (tot) alle die (zij) heeft gemaakt aan hen en (zij) hebben gewerkt
27.
op mond van Aäron en zonen (...) hem (jij) was alle (jij) hebt gewerkt bouw! de Gersoniet aan alle last (...) hen en aan alle (jullie) hebben gewerkt en (jullie) hebben bekeken hoogtes (...) hen bij (de) bewaring (tot) alle last (...) hen
28.
deze (jij) hebt gewerkt familie van bouw! de Gersoniet bij (de) tent ontmoeting en bewaring (...) hen bij (de) hand Ithamar zoon Aäron de priester
29.
bouw! Merari aan families (...) hen aan huis vader (...) hen (jij) beval (met) hen
30.
van zoon dertig jaar en hoogte en tot zoon vijftig jaar (jij) beval (...) hen alle wat kwam zich te scharen te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt tent ontmoeting
31.
en deze bewaring last (...) hen aan alle (jullie) hebben gewerkt bij (de) tent ontmoeting stol! de residentie en grendels (...) hem en staanders (...) hem en liggers (...) hem
32.
en staanders van het grondgebied rondom en liggers (...) hen en pinnen (...) hen en van resten (...) hen aan alle gereedschappen (...) hen en aan alle (jullie) hebben gewerkt en bij (de) haar naam van (jullie) bevalen (tot) gereedschap bewaring last (...) hen
33.
deze (jij) hebt gewerkt familie van bouw! Merari aan alle (jullie) hebben gewerkt bij (de) tent ontmoeting bij (de) hand Ithamar zoon Aäron de priester
34.
en (hij) beval Mozes en Aäron en vorsten van de getuige (tot) bouw! de Kahathiet aan families (...) hen en aan huis vader (...) hen
35.
van zoon dertig jaar en hoogte en tot zoon vijftig jaar alle wat kwam zich te scharen aan feit bij (de) tent ontmoeting
36.
en (zij) waren opnamen (...) hen aan families (...) hen duizenden zeven honderd en vijftig
37.
deze opperbevel (...) mij familie van de Kahathiet alle de slaaf bij (de) tent ontmoeting die opname Mozes en Aäron op mond van Jahweh bij (de) hand Mozes
38.
en opperbevel (...) mij bouw! Gerson aan families (...) hen en aan huis vader (...) hen
39.
van zoon dertig jaar en hoogte en tot zoon vijftig jaar alle wat kwam zich te scharen aan feit bij (de) tent ontmoeting
40.
en (zij) waren opnamen (...) hen aan families (...) hen aan huis vader (...) hen duizenden en zes honderd en dertig
41.
deze opperbevel (...) mij familie van bouw! Gerson alle de slaaf bij (de) tent ontmoeting die opname Mozes en Aäron op mond van Jahweh
42.
en opperbevel (...) mij familie van bouw! Merari aan families (...) hen aan huis vader (...) hen
43.
van zoon dertig jaar en hoogte en tot zoon vijftig jaar alle wat kwam zich te scharen aan feit bij (de) tent ontmoeting
44.
en (zij) waren opnamen (...) hen aan families (...) hen drie van duizenden en honderd paar
45.
deze opperbevel (...) mij familie van bouw! Merari die opname Mozes en Aäron op mond van Jahweh bij (de) hand Mozes
46.
alle de opnamen die opname Mozes en Aäron en vorsten van Israël (tot) de Levieten aan families (...) hen en aan huis vader (...) hen
47.
van zoon dertig jaar en hoogte en tot zoon vijftig jaar alle wat kwam te bewerken (jij) hebt gewerkt feit en (jij) hebt gewerkt last bij (de) tent ontmoeting
48.
en (zij) waren opnamen (...) hen acht duizenden en vijf honderd en tachtig
49.
op mond van Jahweh opname hen bij (de) hand Mozes man man op feit (...) hem en op last (...) hem en opnamen (...) hem die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes

Hoofdstuk 5

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
opdracht (tot) bouw! Israël en (zij) zondden weg vanuit het kamp alle ßRWO en alle vloeiende en alle onreine aan ziel
3.
van man tot vrouw (jullie) zondden weg naar buiten aan kamp (jullie) zondden weg (...) hen noch (zij) verklaarden onrein (tot) kampen (...) hen die ik buurman bij (het) midden (...) hen
4.
en (zij) hebben gemaakt zo bouw! Israël en (zij) zondden weg hen naar buiten aan kamp zoals woord Jahweh naar Mozes zo Ezau bouw! Israël
5.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
6.
woord naar bouw! Israël man of vrouw dat (zij) hebben gemaakt van alle zondoffer de mens tot van hoogte boven bij Jahweh en schuld de ziel dat
7.
WETWDW (tot) (jullie) hebben gezondigd die Ezau en (hij) heeft teruggegeven (tot) (zij) hebben zich schuldig gemaakt bij (het) hoofd (...) hem WHMISTW (hij) heeft toegevoegd op hem en (hij) heeft gegeven te bevestigen (hij) heeft zich schuldig gemaakt als
8.
en als (er is) niet aan man wreker terug te geven (is het zo) dat (hij) heeft zich schuldig gemaakt naar hem (is het zo) dat (hij) heeft zich schuldig gemaakt de zetel aan Jahweh aan priester weg van tak ram de dorpen die (hij) verzoende bij hem op hem
9.
en alle bijdrage aan alle heilig! bouw! Israël die (zij) boodden aan aan priester als (hij) was
10.
en man (tot) heiligheden (...) hem als (zij) waren man die (hij) gaf aan priester als (hij) was
11.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
12.
woord naar bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen man man dat TSÐE vuur (...) hem en hoogte bij hem boven
13.
en lig neer! man (met) haar (jij) hebt gelegen nakomelingen en schoen (...) hen bestudeer(t) (...) mij naar man WNXTRE en zij (wij) verklaarden onrein (er)naar en tot (er is) niet bij haar en hij niet NTPSE
14.
en kant op hem wind jaloezie en (hij) is jaloers geweest (tot) vuur (...) hem en hij (wij) verklaarden onrein (er)naar of kant op hem wind jaloezie en (hij) is jaloers geweest (tot) vuur (...) hem en zij niet (wij) verklaarden onrein (er)naar
15.
en (hij) heeft gebracht de man (tot) vuur (...) hem naar de priester en (hij) heeft gebracht (tot) naar offer op haar OSIRT (is het zo) dat (ik) was mooi meel dat worden wakker niet (hij) heeft uitgegoten op hem olie noch (hij) gaf op hem witte dat geschenk van (jij) bent jaloers geweest hij geschenk van herinnering MZKRT vijandige
16.
en (hij) heeft aangeboden (met) haar de priester en stel op! (er)naar voor Jahweh
17.
en lering de priester water heiligheden bij (het) gereedschap stille en vanuit het stof die (hij) was BQRQO de residentie (hij) nam de priester en (hij) heeft gegeven naar het water
18.
en (hij) heeft opgesteld de priester (tot) de vrouw voor Jahweh WPRO (tot) hoofd de vrouw en (hij) heeft gegeven op naar lepels (tot) geschenk van de herinnering geschenk van (jij) bent jaloers geweest hij en bij (de) hand de priester (zij) waren water van (is het zo) dat Mirjam EMARRIM
19.
WESBIO (met) haar de priester en woord naar de vrouw als niet lig neer! man (met) jou en als niet SÐIT onreinheid in de plaats van man (...) jou (de) schone van water van (is het zo) dat Mirjam EMARRIM (de) deze
20.
en (tot) dat SÐIT in de plaats van man (...) jou en dat NÐMAT en (hij) gaf man bij jou (tot) (jij) hebt gelegen (...) hem behalve man (...) jou
21.
WESBIO de priester (tot) de vrouw bij zeven (de) deze en woord de priester aan vrouw (hij) gaf Jahweh jou aan deze WLSBOE binnen met jou bij te geven Jahweh (tot) heup (...) jou (jij) bent gevallen en (tot) buik (...) jou ßBE
22.
en (zij) zijn gekomen het water EMARRIM (de) deze bij (de) ingewanden (...) jou LßBWT buik en neer te gaan heup en (zij) heeft gesproken de vrouw amen! amen!
23.
en (hand)schrift (tot) EALT (de) deze de priester bij (het) boek en (hij) heeft uitgewist naar water van (is het zo) dat Mirjam
24.
en (hij) heeft te drinken gegeven (tot) de vrouw (tot) water van (is het zo) dat Mirjam EMARRIM en (zij) zijn gekomen bij haar het water EMARRIM aan Mirjam
25.
en lering de priester van hand de vrouw (tot) geschenk van (is het zo) dat (jij) bent jaloers geweest en (hij) heeft gezwaaid (tot) het geschenk voor Jahweh en (hij) heeft aangeboden (met) haar naar het altaar
26.
WQMß de priester vanuit het geschenk (tot) herdenkingsplechtigheid (...) haar en (hij) heeft laten roken naar het altaar en andere (hij) gaf te drinken (tot) de vrouw (tot) het water
27.
en (hij) heeft te drinken gegeven (tot) het water en (zij) is geweest als (wij) verklaarden onrein (er)naar en (zij) ontvreemdde boven naar bij (de) man en (zij) zijn gekomen bij haar het water EMARRIM aan Mirjam WßBTE naar buik en (zij) is gevallen naar heup en (zij) is geweest de vrouw aan deze te midden van met haar
28.
en als niet (wij) verklaarden onrein (er)naar de vrouw en (zij) heeft gezuiverd hij WNQTE en (zij) is gezaaid nakomelingen
29.
deze Wetboek van (is het zo) dat (jij) bent jaloers geweest die TSÐE vrouw in de plaats van naar man en (wij) verklaarden onrein (er)naar
30.
of man die (zij) ging voorbij op hem wind jaloezie en (hij) is jaloers geweest (tot) vuur (...) hem en (hij) heeft opgesteld (tot) de vrouw voor Jahweh en (hij) heeft gedaan aan haar de priester (tot) alle het Wetboek (de) deze
31.
en maak schoon! de man van vijandige en de vrouw dat (jij) droeg (tot) antwoord(t)

Hoofdstuk 6

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
woord naar bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen man of vrouw dat (hij) was wonderlijk aan gelofte gelofte monnik LEZIR aan Jahweh
3.
van wijn en beloning IZIR zuurdesem wijn en zuurdesem beloning niet (hij) dronk en alle dien(t) druiven niet (hij) dronk en druiven frisse (mv) en perioden van droogte niet (hij) at
4.
alle dagen van (zij) zich vervreemd van alle die (zij) heeft gemaakt van wijnstok de wijn MHRßNIM en tot ZC niet (hij) at
5.
alle dagen van gelofte (zij) zich vervreemd (zij) legde bloot niet (hij) ging voorbij op hoofd (...) hem tot (jij) bent vol geweest de dag (...) hen die IZIR aan Jahweh heiligheid (hij) was grootheid PRO poort hoofd (...) hem
6.
alle dagen van EZIRW aan Jahweh op ziel dode niet (hij) kwam
7.
aan vader (...) hem en natie (...) hem aan broers (...) hem en aan eerste (...) hem niet (hij) verklaarde onrein aan hen verhogingen (...) hen dat kroon zijn God op hoofd (...) hem
8.
alle dagen van (zij) zich vervreemd heiligheid hij aan Jahweh
9.
en dat (hij) stierf dode op hem BPTO plotseling en onreine hoofd (zij) zich vervreemd WCLH hoofd (...) hem bij (de) dag (jij) hebt gezuiverd (...) hem bij (de) dag (de) zevende ICLHNW
10.
en bij (de) dag (de) achtste (hij) kwam schering (jij) tilde op of tweede bouw! duif naar de priester naar opening tent ontmoeting
11.
en (hij) heeft gedaan de priester één aan zondoffer en één te verheffen en dorp op hem bevestig(t) zondaar op de ziel en heiligheid (tot) hoofd (...) hem bij (de) dag dat
12.
WEZIR aan Jahweh (tot) dagen van (zij) zich vervreemd en (hij) heeft gebracht schaap zoon jaar (...) hem aan vuur (...) hen en de dagen de eersten (zij) vielen dat onreine (zij) zich vervreemd
13.
en deze Wetboek van de monnik bij (de) dag (jij) bent vol geweest dagen van (zij) zich vervreemd (hij) bracht (met) hem naar opening tent ontmoeting
14.
en (hij) heeft aangeboden (tot) (wij) hebben nader gebracht aan Jahweh schaap zoon jaar (...) hem volledige één te verheffen en ooi één dochter jaar (...) haar volledige aan zondoffer en ram één volledige aan vergoedingen
15.
WXL voorschrift van bloem(meel) HLT BLWLT bij (de) olie WRQIQI voorschrift van zalf! (...) hen bij (de) olie en geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen
16.
en (hij) heeft aangeboden de priester voor Jahweh en (hij) heeft gedaan (tot) zonde (...) hem en (tot) opgaan (...) hem
17.
en (tot) de ram (zij) heeft gemaakt slachting vergoedingen aan Jahweh op XL het voorschrift van en (hij) heeft gedaan de priester (tot) geschenk (...) hem en (tot) (zij) hebben uitgegoten
18.
WCLH de monnik opening tent ontmoeting (tot) hoofd (zij) zich vervreemd en lering (tot) poort hoofd (zij) zich vervreemd en (hij) heeft gegeven op het vuur die in de plaats van slachting de vergoedingen
19.
en lering de priester (tot) de nakomelingen bij Sela vanuit de ram WHLT matze één vanuit EXL WRQIQ matze één en (hij) heeft gegeven op zoals mond van de monnik andere ETCLHW (tot) (zij) zich vervreemd
20.
en (hij) heeft gezwaaid hen de priester opwaartse zwaai voor Jahweh heiligheid hij aan priester op borst de opwaartse zwaai en op onderbeen de bijdrage en andere (hij) dronk de monnik wijn
21.
deze Wetboek van de monnik die (hij) woonde (wij) hebben nader gebracht aan Jahweh op (zij) zich vervreemd weg van tak die (jij) bereikte (hij) bedankte zoals mond van (zij) hebben gelofte afgelegd die (hij) woonde zo (zij) heeft gemaakt op Wetboek van (zij) zich vervreemd
22.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
23.
woord naar Aäron en naar zonen (...) hem te spreken zo (jullie) zegenden (tot) bouw! Israël spreek! aan hen
24.
(hij) zegende (...) jou Jahweh en (hij) bewaarde (...) jou
25.
rivier Jahweh aanzichten (...) hem naar jou en (hij) legerde (...) jou
26.
(hij) droeg Jahweh aanzichten (...) hem naar jou en pas toe! aan jou vrede
27.
en zijn naam (tot) namen van op bouw! Israël en ik (ik) zegende (...) hen

Hoofdstuk 7

1.
en wees bij (de) dag alle (mv) Mozes te vestigen (tot) de residentie en (hij) zalfde (met) hem en (hij) heiligde (met) hem en (tot) alle gereedschappen (...) hem en (tot) het altaar en (tot) alle gereedschappen (...) hem en (hij) zalfde (...) hen en (hij) heiligde (met) hen
2.
en (zij) boodden aan vorsten van Israël hoofden van huis vader (...) hen zij vorsten van (is het zo) dat (jij) hebt gewankeld zij de staanders op de opnamen
3.
en (zij) brachten (tot) offer (...) hen voor Jahweh zes koekalf van ßB en tweede rijkdom rundvee koekalf op tweede de dragers en os aan één en (zij) boodden aan hen voor de residentie
4.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
5.
neem! van jullie en (zij) zijn geweest te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt tent ontmoeting en zet hen naar de Levieten man zoals mond van feit (...) hem
6.
en (hij) nam Mozes (tot) het koekalf van en (tot) het rundvee en (hij) gaf hen naar de Levieten
7.
(tot) schering de koekalveren en (tot) vier het rundvee (hij) heeft gegeven aan zonen van Gerson zoals mond van (jullie) hebben gewerkt
8.
en (tot) vier het koekalf van en (tot) acht het rundvee (hij) heeft gegeven aan zonen van Merari zoals mond van (jullie) hebben gewerkt bij (de) hand Ithamar zoon Aäron de priester
9.
en aan zonen van Kahath niet (hij) heeft gegeven dat (jij) hebt gewerkt wijd! hoogtes (...) hen bij (de) schouder (zij) droegen
10.
en (zij) boodden aan de dragers (tot) HNKT het altaar bij (de) dag (is het zo) dat (hij) heeft gezalfd (met) hem en (zij) boodden aan de vorst (...) hen (tot) offer (...) hen voor het altaar
11.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes vorst één aan dag vorst één aan dag (zij) boodden aan (tot) offer (...) hen LHNKT het altaar
12.
en wees (is het zo) dat bied(t) aan bij (de) dag (de) eerste (tot) (wij) hebben nader gebracht (zij) hebben vermoed (...) hen zoon Amminadab aan stam Juda
13.
en (wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
14.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
15.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
16.
bok geiten één aan zondoffer
17.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer (zij) hebben vermoed (...) hen zoon Amminadab
18.
bij (de) dag (de) tweede (hij) heeft aangeboden Nataneël zoon Zoar vorst Issaschar
19.
bied aan! (tot) (wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
20.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
21.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
22.
bok geiten één aan zondoffer
23.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer Nataneël zoon Zoar
24.
bij (de) dag (de) derde vorst aan zonen van Zebulon Eliab zoon Helon
25.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
26.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
27.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
28.
bok geiten één aan zondoffer
29.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer Eliab zoon Helon
30.
bij (de) dag (de) vierde vorst aan zonen van Ruben ALIßWR zoon Sedeur
31.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
32.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
33.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
34.
bok geiten één aan zondoffer
35.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer ALIßWR zoon Sedeur
36.
bij (de) dag (de) vijfde vorst aan zonen van Simeon SLMIAL zoon Zurisaddai
37.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
38.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
39.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
40.
bok geiten één aan zondoffer
41.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer SLMIAL zoon Zurisaddai
42.
bij (de) dag (de) zesde vorst aan zonen van Gad Eljasaf zoon DOWAL
43.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
44.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
45.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
46.
bok geiten één aan zondoffer
47.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer Eljasaf zoon DOWAL
48.
bij (de) dag (de) zevende vorst aan zonen van Efraïm Elisama zoon Ammihud
49.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
50.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
51.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
52.
bok geiten één aan zondoffer
53.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer Elisama zoon Ammihud
54.
bij (de) dag (de) achtste vorst aan zonen van Manasse CMLIAL zoon Pedazur
55.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
56.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
57.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
58.
bok geiten één aan zondoffer
59.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer CMLIAL zoon Pedazur
60.
bij (de) dag (de) negende vorst aan zonen van Benjamin Abidan zoon CDONI
61.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
62.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
63.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
64.
bok geiten één aan zondoffer
65.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer Abidan zoon CDONI
66.
bij (de) dag (de) tiende vorst aan zonen van Dan Ahiezer zoon Ammisaddai
67.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
68.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
69.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
70.
bok geiten één aan zondoffer
71.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer Ahiezer zoon Ammisaddai
72.
bij (de) dag opvolging van rijkdom dag vorst aan zonen van die Pagiël zoon OKRN
73.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
74.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
75.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
76.
bok geiten één aan zondoffer
77.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer Pagiël zoon OKRN
78.
bij (de) dag twee rijkdom dag vorst aan zonen van Nafthali AHIRO zoon oog (...) hen
79.
(wij) hebben nader gebracht schaal van zilver één dertig en honderd naar gewicht offerschaal één zilver zeventig munt bij (de) munt wijd! die twee ben vol! (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie aan geschenk
80.
lepel één tien goud (zij) is vol geweest wierook
81.
stier één zoon rundvee ram één schaap één zoon jaar (...) hem te verheffen
82.
bok geiten één aan zondoffer
83.
en aan slachting de vergoedingen rundvee twee ram (...) hen vijf bokken vijf als schamen zich bouw! jaar vijf dit offer AHIRO zoon oog (...) hen
84.
deze HNKT het altaar bij (de) dag (is het zo) dat (hij) heeft gezalfd (met) hem honderd vorsten van Israël schaal van zilver twee tien offerschaal (...) mij zilver twee rijkdom zoals monden goud twee tien
85.
dertig en honderd de schaal de één zilver en zeventig de offerschaal de één alle zilver (de) alle (mv) duizenden en vier honderd bij (de) munt wijd!
86.
zoals monden goud twee tien (jij) bent vol geweest wierook tien tien de lepel bij (de) munt wijd! alle goud EKPWT twintig en honderd
87.
alle het rundvee te verheffen twee rijkdom stieren ram (...) hen twee rijkdom als schamen zich bouw! jaar twee rijkdom en geschenken (...) hen en bokken van geiten twee rijkdom aan zondoffer
88.
en alle rundvee slachting de vergoedingen twintig en vier stieren ram (...) hen zestig bokken zestig als schamen zich bouw! jaar zestig deze HNKT het altaar na (is het zo) dat (hij) heeft gezalfd (met) hem
89.
en bij (het) komen Mozes naar tent ontmoeting te spreken (met) hem en (hij) hoorde toe (tot) de klank woestijn naar hem boven het verzoendeksel die op ark (jij) hebt getuigd van tussen tweede de beelden van meerderheid en (hij) sprak naar hem

Hoofdstuk 8

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
woord naar Aäron en (jij) hebt gesproken naar hem bij (de) dat wat opgaat (...) jou (tot) de lamp(en) naar tegenover aanzicht van EMNWRE (zij) verlichtten zeven de lichten
3.
en (hij) heeft gemaakt zo Aäron naar tegenover aanzicht van EMNWRE dat wat opgaat naar lichten zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
4.
en dit Mozes de armatuur gesmeed metaal goud tot naar heup tot (zij) heeft gebloeid gesmeed metaal hij zoals verschijning die (hij) heeft laten zien Jahweh (tot) Mozes zo (hij) heeft gedaan (tot) de armatuur
5.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
6.
neem! (tot) de Levieten van midden bouw! Israël en (jij) hebt gezuiverd (met) hen
7.
en zo (jij) deed aan hen te zuiveren (...) hen deze op hen water van zondoffer en (zij) hebben overgebracht (zij) legde bloot op alle vlees (...) hen en wast! kledingstukken (...) hen en (zij) hebben zich gezuiverd
8.
en (zij) hebben genomen stier zoon rundvee en geschenk (...) hem bloem(meel) vermengd bij (de) olie en stier tweede zoon rundvee (jij) nam aan zondoffer
9.
en (jij) hebt aangeboden (tot) de Levieten voor tent ontmoeting WEQELT (tot) alle getuige van bouw! Israël
10.
en (jij) hebt aangeboden (tot) de Levieten voor Jahweh en (zij) hebben gesteund bouw! Israël (tot) handen (...) hen op de Levieten
11.
en (hij) heeft gezwaaid Aäron (tot) de Levieten opwaartse zwaai voor Jahweh honderd bouw! Israël en (zij) zijn geweest te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt Jahweh
12.
en de Levieten (zij) steunden (tot) handen (...) hen op hoofd de stieren en (hij) heeft gedaan (tot) de één zondoffer en (tot) de één blad aan Jahweh te verzoenen op de Levieten
13.
en (jij) hebt opgesteld (tot) de Levieten voor Aäron en voor zonen (...) hem en (jij) hebt gezwaaid (met) hen opwaartse zwaai aan Jahweh
14.
WEBDLT (tot) de Levieten van midden bouw! Israël en (zij) zijn geweest aan mij de Levieten
15.
en na zo voert in! de Levieten te bewerken (tot) tent ontmoeting en (jij) hebt gezuiverd (met) hen en (jij) hebt gezwaaid (met) hen opwaartse zwaai
16.
dat worden gegeven worden gegeven deze (mv) aan mij van midden bouw! Israël in de plaats van (jij) hebt vrijgelaten alle baarmoeder eerstgeborene alle van zonen van Israël (ik) heb genomen (met) hen aan mij
17.
dat aan mij alle eerstgeborene bij bouw! Israël bij (de) mens en bij (de) vee bij (de) dag EKTI alle eerstgeborene bij (het) land Egypte (ik) heb gewijd (met) hen aan mij
18.
en (ik) nam (tot) de Levieten in de plaats van alle eerstgeborene bij bouw! Israël
19.
en (ik) gaf (tot) de Levieten worden gegeven aan Aäron en aan zonen (...) hem van midden bouw! Israël te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt bouw! Israël bij (de) tent ontmoeting en te verzoenen op bouw! Israël noch (hij) was bij bouw! Israël (hij) heeft geslagen BCST bouw! Israël naar wijd!
20.
en (hij) heeft gemaakt Mozes en Aäron en alle getuige van bouw! Israël aan Levieten zoals alle die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes aan Levieten zo Ezau aan hen bouw! Israël
21.
WITHÐAW de Levieten en (zij) wasten kledingstukken (...) hen WINP Aäron (met) hen opwaartse zwaai voor Jahweh en (hij) verzoende op hen Aäron te zuiveren (...) hen
22.
en na zo (zij) zijn gekomen de Levieten te bewerken (tot) (jullie) hebben gewerkt bij (de) tent ontmoeting voor Aäron en voor zonen (...) hem zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes op de Levieten zo Ezau aan hen
23.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
24.
deze die aan Levieten van zoon vijf en twintig jaar en hoogte invoer zich te scharen leger bij (jij) hebt gewerkt tent ontmoeting
25.
en van zoon vijftig jaar (hij) blies om zich te scharen het feit noch (hij) werkte nog (eens)
26.
en dienst (tot) broers (...) hem bij (de) tent ontmoeting te bewaren bewaring en feit niet (hij) werkte zodoende (jij) deed aan Levieten bij (de) bewaring (...) hen

Hoofdstuk 9

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes bij (de) woestijn Sinaï in het jaar de tweede uit te gaan (...) hen van land Egypte bij (de) maand (de) eerste te spreken
2.
en (zij) hebben gemaakt bouw! Israël (tot) het Pesach bij (de) ontmoeting (...) hem
3.
bij vier rijkdom dag bij (de) maand deze tussen (de) aangename (mv) (jullie) maakten (met) hem BMODW zoals alle grondwetten (...) hem en zoals alle rechtsregels (...) hem (jullie) maakten (met) hem
4.
en (hij) sprak Mozes naar bouw! Israël te maken het Pesach
5.
en (zij) hebben gemaakt (tot) het Pesach bij (de) eerste bij vier rijkdom dag aan maand tussen (de) aangename (mv) bij (de) woestijn Sinaï zoals alle die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes zo Ezau bouw! Israël
6.
en wees mensen die (zij) zijn geweest onreine (mv) aan ziel mens noch (zij) hebben gekund te maken het Pesach bij (de) dag dat en (zij) brachten nader voor Mozes en voor Aäron bij (de) dag dat
7.
en (zij) spraken de mensen (is het zo) dat deze (mv) naar hem wij onreine (mv) aan ziel mens waarom (wij) verminderden opdat niet (hij) heeft aangeboden (tot) offer Jahweh BMODW binnen bouw! Israël
8.
en (hij) sprak naar hen Mozes sta(a)t vast! en (ik) hoorde toe (er)naar wat? (hij) gaf opdracht Jahweh aan jullie
9.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
10.
woord naar bouw! Israël te spreken man man dat (hij) was onreine aan ziel of bij (de) weg (zij) is ver geweest aan jullie of aan generaties (...) jullie en (hij) heeft gedaan Pesach aan Jahweh
11.
bij (de) maand (de) tweede bij vier rijkdom dag tussen (de) aangename (mv) (zij) hebben gemaakt (met) hem op voorschrift van en verbitter! (...) hen (zij) aten (...) hem
12.
niet (zij) lieten achter (van)uit hem tot rundvee en bot niet (zij) braken bij hem zoals alle grondwet van het Pesach (zij) hebben gemaakt (met) hem
13.
en de man die hij zuivere en bij (de) weg niet (hij) is geweest en (hij) heeft opgehouden te doen het Pesach en (zij) is afgehakt de ziel dat naar van volkeren dat offer Jahweh niet (hij) heeft aangeboden BMODW (zij) hebben gezondigd (hij) droeg de man dat
14.
en dat (hij) woonde (met) jullie vreemdeling en (hij) heeft gedaan Pesach aan Jahweh zoals grondwet van het Pesach WKMSPÐW zo (zij) heeft gemaakt grondwet één (hij) was aan jullie en aan vreemdeling en aan burger het land
15.
en bij (de) dag (hij) heeft gevestigd (tot) de residentie bedek! de wolk (tot) de residentie aan tent (jij) hebt getuigd en bij (de) borg (hij) was op de residentie zoals verschijning vuur tot rundvee
16.
zo (hij) was altijd de wolk (hij) bedekte (...) ons en verschijning vuur nacht
17.
en aan mond van de beklimmingen de wolk boven de tent en na zo (zij) reisden bouw! Israël en bij (de) plaats die jullie zijn er daar de wolk daar (zij) legerden bouw! Israël
18.
op mond van Jahweh (zij) reisden bouw! Israël en op mond van Jahweh (zij) legerden alle dagen van die jullie zijn er de wolk op de residentie (zij) legerden
19.
WBEARIK de wolk op de residentie dagen twisten en bewaart! bouw! Israël (tot) bewaring Jahweh noch (zij) reisden
20.
en er is die (hij) was de wolk dagen getal op de residentie op mond van Jahweh (zij) legerden en op mond van Jahweh (zij) reisden
21.
en er is die (hij) was de wolk west tot rundvee en (wij) verhieven de wolk bij (het) rundvee en (zij) hebben gereisd of dag (...) hen en nacht en (wij) verhieven de wolk en (zij) hebben gereisd
22.
of dagen of maand of dagen bij (hij) heeft verlengd de wolk op de residentie te behuizen op hem (zij) legerden bouw! Israël noch (zij) reisden en bij (de) dat wat opgaat (...) hem (zij) reisden
23.
op mond van Jahweh (zij) legerden en op mond van Jahweh (zij) reisden (tot) bewaring Jahweh bewaart! op mond van Jahweh bij (de) hand Mozes

Hoofdstuk 10

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
(hij) heeft gedaan aan jou schering HßWßRT zilver gesmeed metaal (jij) deed (met) hen en (zij) zijn geweest aan jou aan lezen de getuige en aan tocht (tot) (is het zo) dat om te legeren
3.
en (zij) hebben geblazen bij hen WNWODW naar jou alle de getuige naar opening tent ontmoeting
4.
en als bij één (zij) bliezen WNWODW naar jou de vorsten hoofden van duizend(en) van Israël
5.
en (jullie) hebben geblazen gejubel en (zij) hebben gereisd (is het zo) dat om te legeren (is het zo) dat leger! (...) hen (zij) is voorgegaan
6.
en (jullie) hebben geblazen gejubel ten tweede en (zij) hebben gereisd (is het zo) dat om te legeren (is het zo) dat leger! (...) hen naar Zuiden gejubel (zij) bliezen aan tochten (...) hen
7.
WBEQEIL (tot) de menigte (jullie) bliezen noch (jullie) juichten
8.
en bouw! Aäron de priesters (zij) bliezen bij (de) trompetten en (zij) zijn geweest aan jullie aan grondwet van eeuwigheid aan generaties (...) jullie
9.
en dat (jij) kwam (...) hem strijd bij (het) land (...) jullie op (de) smalle (is het zo) dat (hij) heeft gebundeld (met) jullie en (jullie) hebben gejuicht bij (de) trompet van WNZKRTM voor Jahweh jullie God WNWSOTM van vijanden (...) jullie
10.
en bij (de) dag (jij) bent blij geweest (...) jullie en bij (de) ontmoetingen (...) jullie en bij (de) hoofden van maanden (...) jullie en (jullie) hebben geblazen bij (de) trompet van op OLTIKM en op slacht! betaal! (...) jullie en (zij) zijn geweest aan jullie aan herinnering voor jullie God ik Jahweh jullie God
11.
en wees in het jaar de tweede bij (de) maand (de) tweede bij twintig bij (de) maand (wij) verhieven de wolk boven residentie (jij) hebt getuigd
12.
en (zij) reisden bouw! Israël aan tochten (...) hen van woestijn Sinaï en jullie zijn er de wolk bij (de) woestijn Paran
13.
en (zij) reisden in het eerste op mond van Jahweh bij (de) hand Mozes
14.
en (hij) reisde vlag kamp bouw! Juda in het eerste aan legers (...) hen en op (zij) hebben zich geschaard (zij) hebben vermoed (...) hen zoon Amminadab
15.
en op leger stam bouw! Issaschar Nataneël zoon Zoar
16.
en op leger stam bouw! Zebulon Eliab zoon Helon
17.
en (hij) is naar beneden gehaald de residentie en (zij) hebben gereisd bouw! Gerson en bouw! Merari (hij) heeft gedragen (...) mij de residentie
18.
en (hij) heeft gereisd vlag kamp Ruben aan legers (...) hen en op (zij) hebben zich geschaard ALIßWR zoon Sedeur
19.
en op leger stam bouw! Simeon SLMIAL zoon Zurisaddai
20.
en op leger stam bouw! Gad Eljasaf zoon DOWAL
21.
en (zij) hebben gereisd de Kahathieten (hij) heeft gedragen (...) mij (is het zo) dat heilig(t) en (zij) hebben gevestigd (tot) de residentie tot bij (de) moeder
22.
en (hij) heeft gereisd vlag kamp bouw! Efraïm aan legers (...) hen en op (zij) hebben zich geschaard Elisama zoon Ammihud
23.
en op leger stam bouw! Manasse CMLIAL zoon Pedazur
24.
en op leger stam bouw! Benjamin Abidan zoon CDOWNI
25.
en (hij) heeft gereisd vlag kamp bouw! Dan van Asaf aan alle EMHNT aan legers (...) hen en op (zij) hebben zich geschaard Ahiezer zoon Ammisaddai
26.
en op leger stam bouw! die Pagiël zoon OKRN
27.
en op leger stam bouw! Nafthali AHIRO zoon oog (...) hen
28.
deze tochten van bouw! Israël aan legers (...) hen en (zij) reisden
29.
en (hij) sprak Mozes LHBB zoon Rehuël meet af! (...) mij bruidegom Mozes reis! (...) hen wij naar de plaats die woord Jahweh (met) hem (met) hen aan jullie ga! (er)naar (met) ons en (wij) hebben goed gedaan aan jou dat Jahweh woord goede op Israël
30.
en (hij) sprak naar hem niet (ik) ging dat als naar land (...) mij en naar vaderlanden van (ik) ging
31.
en (hij) sprak naar toch (jij) verliet (met) ons dat op zo (jij) hebt geweten HNTNW bij (de) woestijn en (jij) bent geweest aan ons aan ogen
32.
en (hij) is geweest dat (jij) ging met ons en (hij) is geweest (de) goede dat die (hij) deed goed Jahweh met ons en (wij) hebben goed gedaan aan jou
33.
en (zij) reisden vlugge Jahweh weg drie van dagen en kist verbond Jahweh (hij) heeft gereisd voor hen weg drie van dagen te verspieden aan hen om te rusten (er)naar
34.
en wolk Jahweh op hen dag (...) hen bij (hij) heeft gereisd (...) hen vanuit het kamp ]
35.
en wees bij (hij) heeft gereisd de ark en (hij) sprak Mozes hoogte Jahweh en (zij) verspreidden vijanden (...) jou en (zij) vluchtten MSNAIK van aanzichten (...) jou
36.
en naar met Noach (hij) sprak naar terugkeren Jahweh RBBWT duizend(en) van Israël ]

Hoofdstuk 11

1.
en wees het volk KMTANNIM kwaad bij (de) oren van Jahweh en (hij) hoorde toe Jahweh en (hij) ontbrandde neus (...) hem en (jij) roeide uit in hen vuur Jahweh en (jij) at bij (het) einde het kamp
2.
en (hij) schreeuwde het volk naar Mozes en (hij) bad Mozes naar Jahweh WTSQO het vuur
3.
en (hij) noemde daar de plaats dat (jij) roeide uit (er)naar dat brand in hen vuur Jahweh
4.
WEAXPXP die bij (zij) hebben nader gebracht (is het zo) dat (jullie) begeerden begeerte en (zij) hebben gewoond en (zij) weenden ook bouw! Israël en (zij) spraken water van (hij) at (...) ons vlees
5.
(wij) hebben ons herinnerd (tot) naar de vis die (wij) aten bij Egypte gratis (tot) EQSAIM en (tot) EABÐHIM en (tot) het hooi en (tot) EBßLIM en (tot) ESWMIM
6.
en nu ziel (...) ons vasteland (er is) niet alle niet naar het manna ogen (...) ons
7.
en het manna zoals nakomelingen Gad hij en bestudeert! zoals oog EBDLH
8.
zweep (...) hem het volk en verzamelt! WÐHNW vlucht! (...) hen of DKW BMDKE en bij (de) kwartel BPRWR en Ezau (met) hem trekken cirkel en (hij) is geweest (zij) hebben geproefd zoals smaak aan roof de olie
9.
WBRDT de dauw op het kamp nacht (hij) is gedaald het manna op hem
10.
en (hij) hoorde toe Mozes (tot) het volk (hij) heeft geweend aan families (...) hem man open te doen tent (...) hem en (hij) ontbrandde neus Jahweh zeer en bij (de) ogen van Mozes kwaad
11.
en (hij) sprak Mozes naar Jahweh waarom (jij) hebt gejuicht te bewerken (...) jou en waarom niet matze (...) mij gratie bij (de) ogen (...) jou te plaatsen (tot) last alle het volk deze op mij
12.
(is het zo) dat ik (ik) ben zwanger geworden (tot) alle het volk deze als ik ILDTIEW dat (jij) sprak naar mij draagt! (...) hem bij (de) boezem (...) jou zoals (hij) droeg geloof! (tot) (is het zo) dat (hij) maakte schoon op de aarde die (jij) hebt gezworen aan vaders (...) hem
13.
vanwaar? aan mij vlees te geven aan alle het volk deze dat (zij) weenden op mij te spreken geef! aan ons vlees en (wij) aten (er)naar
14.
niet eet ik alleen ik te dragen (tot) alle het volk deze dat lever (van)uit mij
15.
en als zodoende (tot) (hij) heeft gedaan aan mij (hij) heeft gedood (...) mij toch (hij) heeft gedood als (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou en naar (ik) liet zien bij (de) medemens (...) mij
16.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes (zij) heeft verzameld aan mij zeventig man van baarden van Israël die (jij) hebt geweten dat zij ben oud! het volk en politie (...) hem en (jij) hebt genomen (met) hen naar tent ontmoeting en (zij) hebben zich opgesteld daar met jou
17.
en (ik) ben gedaald en woord (...) mij met jou daar WAßLTI vanuit de wind die op jou en (ik) heb geplaatst op hen en (zij) hebben gedragen (met) jou bij (de) last het volk noch (jij) droeg (met) haar alleen jij
18.
en naar het volk (jij) sprak (is het zo) dat (jullie) heiligden LMHR en (jullie) hebben gegeten vlees dat (jullie) hebben geweend bij (de) oren van Jahweh te spreken water van (hij) at (...) ons vlees dat goede aan ons bij Egypte en (hij) heeft gegeven Jahweh aan jullie vlees en (jullie) hebben gegeten
19.
niet dag één (jullie) aten (...) hen noch dagen noch vijf dagen noch tien dagen noch twintig dag
20.
tot maand dagen tot die uitgaande van neus (...) jullie en (hij) is geweest aan jullie LZRA wegens dat (jullie) hebben verafschuwd (tot) Jahweh die bij (het) binnenste (...) jullie en (jullie) weenden voor hem te spreken waarom dit (wij) zijn uitgegaan van Egypte
21.
en (hij) sprak Mozes zes honderd duizend voeten van het volk die ik bij (zij) hebben nader gebracht en (met) haar (jij) hebt gesproken vlees (met) hen aan hen en (zij) hebben gegeten maand dagen
22.
het kleinvee en rundvee (hij) slachtte aan hen en (hij) heeft gevonden aan hen als (tot) alle vissen van de zee (hij) verzamelde aan hen en (hij) heeft gevonden aan hen
23.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes de hand Jahweh TQßR nu (jij) liet zien de waarde (...) jou spreek! als niet
24.
en uitgaande Mozes en (hij) sprak naar het volk (tot) spreek! Jahweh en (hij) verzamelde zeventig man van baarden van het volk en (hij) stond vast (met) hen omgeving van de tent
25.
en (hij) is gedaald Jahweh bij (de) wolk en (hij) sprak naar hem WIAßL vanuit de wind die op hem en (hij) gaf op zeventig man de baarden en wees als rust! op hen de wind en (zij) raakten in vervoering noch (zij) hebben toegevoegd
26.
WISARW tweede mensen bij (het) kamp daar de één ALDD en naam [van] (de) tweede MIDD en (zij) rustte hoogtes (...) hen de wind en deze (mv) bij (de) (hand)schrift-en noch voert uit! naar de tent en (zij) raakten in vervoering bij (het) kamp
27.
en (hij) rende de jeugd en (hij) werd verteld aan Mozes en (hij) sprak ALDD WMIDD raken in vervoering bij (het) kamp
28.
en wegens Jozua zoon Nun dien(t) Mozes keuzen (...) hem en (hij) sprak liggers van Mozes zoals natie
29.
en (hij) sprak als Mozes (is het zo) dat om jaloers te zijn (met) haar aan mij en water van (hij) gaf alle met Jahweh profeten dat (hij) gaf Jahweh (tot) wind (...) hem op hen
30.
en (hij) verzamelde Mozes naar het kamp hij en ben oud! Israël
31.
en wind (hij) heeft gereisd honderd Jahweh WICZ kwartels vanuit de zee en (hij) gaf op op het kamp zoals weg dag zo WKDRK dag zo omgevingen het kamp WKAMTIM op aanzicht van het land
32.
en (hij) stond op het volk alle vandaag dat en alle de nacht en alle dag EMHRT en (zij) verzamelden (tot) de kwartel EMMOIÐ Asaf tien ezeldrijvers WISÐHW aan hen SÐWH omgevingen het kamp
33.
het vlees hij (...) nog tussen die twee voordat (hij) hakte af en neus Jahweh (hij) is ontbrand bij (het) volk en (hij) sloeg Jahweh bij (het) volk geslagen veelheid zeer
34.
en (hij) noemde (tot) daar de plaats dat QBRWT de begeerte dat daar (zij) hebben begraven (tot) het volk EMTAWIM
35.
MQBRWT de begeerte (zij) hebben gereisd het volk grondgebieden en (zij) waren bij (de) grondgebieden

Hoofdstuk 12

1.
en (jij) sprak Mirjam en Aäron bij Mozes op ADWT de vrouw EKSIT die lering dat vrouw zoals doorn lering
2.
en (zij) spraken (de) lege maar bij Mozes woord Jahweh toch? ook bij ons woord en (hij) hoorde toe Jahweh
3.
en de man Mozes nederige zeer van alle de mens die op aanzicht van de aarde
4.
en (hij) sprak Jahweh plotseling naar Mozes en naar Aäron en naar Mirjam ga(a)t uit! SLSTKM naar tent ontmoeting en voert uit! SLSTM
5.
en (hij) is gedaald Jahweh bij (de) staander wolk en (hij) stond vast opening de tent en (hij) noemde Aäron en Mirjam en voert uit! die twee
6.
en (hij) sprak (zij) hebben toegehoord toch spreek! als (hij) was profeet (...) jullie Jahweh bij (de) verschijning naar hem ATWDO bij (de) droom (ik) sprak bij hem
7.
niet zo werk! Mozes in alle huis-en van loyale hij
8.
mond naar mond (ik) sprak bij hem en verschijning noch BHIDT WTMNT Jahweh (hij) keek en waarom? niet (jullie) hebben gevreesd te spreken bij werk! bij Mozes
9.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh in hen en (hij) ging
10.
en de wolk (hij) is afgeweken boven de tent en hier is Mirjam van melaatsheid zoals sneeuw en (hij) wendde zich Aäron naar Mirjam en hier is van melaatsheid
11.
en (hij) sprak Aäron naar Mozes bij mij liggers van naar toch (zij) legde op ons zondoffer die NWALNW en die (wij) hebben gezondigd
12.
naar toch (zij) was (jij) bent opgestaan die bij uit te gaan (...) hem heb(t) medelijden moeder (...) hem en (hij) at halve kondigt aan!
13.
en (hij) schreeuwde Mozes naar Jahweh te spreken naar toch genees! toch aan haar
14.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar vader groene groene naar bij (het) aanzicht van toch? (jij) kon (...) hen zeven dagen (zij) sloot zeven dagen buiten aan kamp en andere (jij) verzamelde
15.
en (zij) sloot Mirjam buiten aan kamp zeven dagen en het volk niet (hij) heeft gereisd tot (is het zo) dat Asaf Mirjam
16.
en andere (zij) hebben gereisd het volk van grondgebieden en (zij) legerden bij (de) woestijn Paran

Hoofdstuk 13

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
wapen aan jou mensen en Jethro (tot) land Kanaän die ik (hij) heeft gegeven aan zonen van Israël man één man één aan stam vaders (...) hem (jullie) zondden weg alle vorst bij hen
3.
en (hij) zond weg (met) hen Mozes van woestijn Paran op mond van Jahweh allemaal mensen hoofden van bouw! Israël deze (mv)
4.
en deze namen (...) hen aan stam Ruben hoor toe! zoon Zakkur
5.
aan stam Simeon rechter zoon word bleek!
6.
aan stam Juda hond zoon Jefunne
7.
aan stam Issaschar (hij) verloste zoon Jozef
8.
aan stam Efraïm Hosea zoon Nun
9.
aan stam Benjamin PLÐI zoon RPWA
10.
aan stam Zebulon CDIAL zoon geheimen van
11.
aan stam Jozef aan stam Manasse bokje zoon paarden van
12.
aan stam Dan Ammiël zoon laat ontwennen!
13.
aan stam die bestrijd! zoon Michaël
14.
aan stam Nafthali NHBI zoon en strepen van
15.
aan stam Gad CAWAL zoon sla(a)(t) (...) mij
16.
deze namen de mensen die wapen Mozes te verspieden (tot) het land en (hij) noemde Mozes aan Hosea zoon Nun Jozua
17.
en (hij) zond weg (met) hen Mozes te verspieden (tot) land Kanaän en (hij) sprak naar hen (zij) zijn opgegaan dit bij (het) Zuiden en (jullie) zijn opgegaan (tot) de heuvel
18.
en (jullie) hebben gezien (tot) het land wat? hij en (tot) het volk de inwoner op haar houd! hij (hij) heeft losgelaten het een beetje hij als meerderheid
19.
en wat? het land die hij inwoner bij haar het goeds hij als herder en wat? de steden die hij bewoner bij zij EBMHNIM als bij (de) versterkte (mv)
20.
en wat? het land de acht hij als magere is er? bij haar boom als (er is) niet en (jullie) zijn sterker geworden en (jullie) hebben genomen van vrucht het land en de dagen dagen van eerstgeborenen van druiven
21.
en (zij) verhieven en Jethro (tot) het land van woestijn Zin tot breedte te komen leren zak
22.
en (zij) verhieven bij (het) Zuiden en (hij) kwam tot Hebron en naam [van] AHIMN zesde en Thalmai ingeborenen van de reus en Hebron zeven twee (zij) is gebouwd voor Zoan Egypte
23.
en voert in! tot wadi Eskol en (zij) hakten af van daar ZMWRE WASKWL druiven één en (zij) droegen (...) hem bij wankel! bij twee en vanuit de granaatappels en vanuit de vijgen
24.
aan plaats dat (hij) heeft genoemd wadi ASKWL op ADWT EASKWL die (zij) hebben afgehakt van daar bouw! Israël
25.
en (zij) hebben gewoond om te verspieden het land van eind veertig dag
26.
en (zij) gingen en voert in! naar Mozes en naar Aäron en naar alle getuige van bouw! Israël naar woestijn Paran tempel-prostituee en (zij) gaven terug (met) hen woord en (tot) alle de getuige en (zij) lieten zien (...) hen (tot) vrucht het land
27.
en (zij) vertelden als en (zij) spraken (wij) zijn gekomen naar het land die (jij) hebt gezonden (...) ons en ook (jij) hebt gevloeid melk en honing hij en dit naar vrucht
28.
niets dat kracht het volk de inwoner bij (het) land en de steden versterkte (mv) (jij) bent gegroeid zeer en ook help bij de geboorte! de reus (wij) hebben gezien daar
29.
Amelek bewoner bij (het) land het Zuiden en de angsten van en de Jebusiet en de Amoriet bewoner bij (de) heuvel en (de) Kanaänitische bewoner op de zee en op hand de Jordaan
30.
WIEX hond (tot) het volk naar Mozes en (hij) sprak blad (wij) verhieven en (wij) hebben veroverd (met) haar dat (hij) heeft gekund (wij) zullen kunnen aan haar
31.
en de mensen die (zij) zijn opgegaan met hem (zij) hebben gesproken niet (wij) zullen kunnen op te gaan naar het volk dat kracht hij (van)uit hem
32.
en (zij) haalden tevoorschijn lasterpraat van het land die (zij) dronk genoeg (met) haar naar bouw! Israël te spreken het land die (wij) zijn voorbijgegaan bij haar te verspieden (met) haar land (jij) hebt gegeten naar bewoners hij en alle het volk die (wij) hebben gezien naar bij (het) midden mens (...) mij maten
33.
en naam [van] (wij) hebben gezien (tot) ENPILIM bouw! reus vanuit (is het zo) dat ga neer! (...) hen en (wij) waren er bij (de) ogen (...) ons KHCBIM en zo (wij) zijn geweest bij (de) ogen (...) hen

Hoofdstuk 14

1.
en (jij) droeg alle de getuige en (zij) gaven (tot) klank (...) hen en (zij) weenden het volk bij (de) nacht dat
2.
en (hij) overnachtte (...) hem op Mozes en op Aäron alle bouw! Israël en (zij) spraken naar hen alle de getuige als verzacht! bij (het) land Egypte of bij (de) woestijn deze als verzacht!
3.
en waarom Jahweh breng(t) (met) ons naar het land (de) deze neer te gaan bij (het) zwaard vrouwen (...) ons en kleine kinderen (...) ons (zij) waren aan minachting immers goede aan ons terugkeren naar Egypte
4.
en (zij) spraken man naar broers (...) hem (zij) heeft gegeven hoofd en (wij) bliezen (er)naar naar Egypte
5.
en (hij) liet vallen Mozes en Aäron op aanzichten (...) hen voor alle menigte getuige van bouw! Israël
6.
en Jozua zoon Nun en hond zoon Jefunne vanuit (is het zo) dat (jij) tilde op (tot) het land (zij) hebben gescheurd kledingstukken (...) hen
7.
en (zij) spraken naar alle getuige van bouw! Israël te spreken het land die (wij) zijn voorbijgegaan bij haar te verspieden (met) haar goeds het land zeer zeer
8.
als wens bij ons Jahweh en (hij) heeft gebracht (met) ons naar het land (de) deze en (zij) heeft gegeven aan ons land die hij (jij) hebt gevloeid melk en honing
9.
maar bij Jahweh naar (jullie) kwamen in opstand en (met) hen naar (jullie) vreesden (tot) met het land dat (wij) hebben gestreden zij (hij) is afgeweken beeld van hoogtes (...) hen en Jahweh (met) ons naar (je) zult vrezen (...) hen
10.
en (zij) spraken alle de getuige LRCWM (met) hen bij (de) stenen en eer Jahweh (wij) lieten zien bij (de) tent ontmoeting naar alle bouw! Israël
11.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes tot waarheen? (hij) smaadde (...) mij het volk deze en tot waarheen? niet (zij) geloofden bij mij in alle de tekens die (ik) heb gedaan bij (zij) hebben nader gebracht
12.
(ik) bereidde (...) hem bij (het) woord WAWRSNW en (ik) werd gedaan (met) jou aan volk grote en word machtig! (van)uit hem
13.
en (hij) sprak Mozes naar Jahweh en (zij) hebben toegehoord Egypte dat (is het zo) dat (jij) bent opgegaan bij (de) kracht (...) jou (tot) het volk deze nastaande (...) hem
14.
en (zij) hebben gesproken naar bewoner het land (de) deze (zij) hebben toegehoord dat (met) haar Jahweh te midden van het volk deze die oog bij (de) oog (wij) lieten zien (met) haar Jahweh en wolk (...) jou sta vast! hoogtes (...) hen WBOMD wolk (met) haar beweging voor hen dag (...) hen en bij (de) staander vuur nacht
15.
en (zij) heeft geruist (tot) het volk deze zoals man één en (zij) hebben gesproken de volken die (zij) hebben toegehoord (tot) dat (hij) heeft samengedrukt te spreken
16.
MBLTI (jij) hebt gekund Jahweh te brengen (tot) het volk deze naar het land die (hij) heeft gezworen aan hen en (hij) slachtte (...) hen bij (de) woestijn
17.
en nu (hij) groeide toch kracht liggers van zoals woord van te spreken
18.
Jahweh lange neuzen en meerderheid genade verheven vijandige en misdaad en maak schoon! niet (hij) maakte schoon opname vijandige vaders op zonen op dertig en op kwart (mv)
19.
(hij) heeft vergeven toch aan vijandige het volk deze zoals grootheid genade (...) jou en zoals (jij) hebt gedragen (er)naar aan volk deze van Egypte en tot hier is
20.
en (hij) sprak Jahweh (ik) heb vergeven zoals woord (...) jou
21.
daarentegen levende ik en (hij) was vol eer Jahweh (tot) alle het land
22.
dat alle de mensen laat zien! (...) hen (tot) ben zwaar! en (tot) ATTI die (ik) heb gedaan bij Egypte en bij (de) woestijn en (zij) vluchtten (met) mij dit rijkdom twee keer noch (zij) hebben toegehoord bij (de) klanken van
23.
als (zij) lieten zien (tot) het land die (ik) heb gezworen aan vader (...) hen en alle smaad(t) (...) mij niet (zij) lieten zien (er)naar
24.
en werk! hond voetstap (zij) is geweest wind andere met hem en (hij) was vol na WEBIATIW naar het land die (hij) is gekomen daarnaar (-s) en (zij) hebben gezaaid verover(t) (...) haar
25.
en de Amelekiet en (de) Kanaänitische bewoner bij (de) diepte morgen (zij) hebben zich gewend WXOW aan jullie de woestijn weg zee riet
26.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron te spreken
27.
tot wanneer? aan getuige de herder (de) deze die deze (mv) laten overnachten op mij (tot) TLNWT bouw! Israël die deze (mv) laten overnachten op mij (ik) heb toegehoord
28.
woord naar hen levende ik (hij) heeft redevoering gehouden Jahweh als niet zoals woorden (...) hen bij (de) oren van zo (ik) werd gedaan aan jullie
29.
bij (de) woestijn deze (zij) vielen kadavers (...) jullie en alle opnamen (...) jullie aan alle getal (...) jullie van zoon twintig jaar en hoogte die ELINTM op mij
30.
als (met) hen (jij) kwam (...) hem naar het land die (ik) heb gedragen (tot) handen van te behuizen (met) jullie bij haar dat als hond zoon Jefunne en Jozua zoon Nun
31.
en kleine kinderen (...) jullie die (jullie) hebben gesproken aan minachting (hij) was WEBIATI (met) hen en (zij) hebben geweten (tot) het land die (jullie) hebben verafschuwd bij haar
32.
en kadavers (...) jullie (met) hen (zij) vielen bij (de) woestijn deze
33.
en zonen (...) jullie (zij) waren kwaden bij (de) woestijn veertig jaar en (zij) hebben gedragen (tot) ZNWTIKM tot onschuldige kadavers (...) jullie bij (de) woestijn
34.
bij (het) getal de dagen die (jullie) hebben verspied (tot) het land veertig dag dag aan jaar dag aan jaar (jullie) droegen (tot) misdaden (...) jullie veertig jaar en (jullie) hebben geweten (tot) TNWATI
35.
ik Jahweh woord (...) mij als niet deze (ik) werd gedaan aan alle de getuige de herder (de) deze ENWODIM op mij bij (de) woestijn deze (zij) verbaasden zich en naam [van] (hij) stierf (...) hem
36.
en de mensen die wapen Mozes te verspieden (tot) het land en (zij) hebben gewoond en (zij) overnachtten op hem (tot) alle de getuige tevoorschijn te halen lasterpraat op het land
37.
en (zij) stierven de mensen word(t) tevoorschijn gehaald (...) mij lasterpraat van het land herder bij (de) epidemie voor Jahweh
38.
en Jozua zoon Nun en hond zoon Jefunne (zij) hebben geleefd vanuit de mensen die de voorbijgangers te verspieden (tot) het land
39.
en (hij) sprak Mozes (tot) de woorden (de) deze naar alle bouw! Israël en (zij) rouwden het volk zeer
40.
en jullie zijn er (...) hem bij (het) rundvee en (zij) verhieven naar hoofd de heuvel te spreken hier zijn wij en op ons naar de plaats die woord Jahweh dat (wij) hebben gezondigd
41.
en (hij) sprak Mozes waarom dit (met) hen voorbijgaan (tot) mond van Jahweh en hij niet (jij) bereikte
42.
naar (jullie) verhieven dat (er is) niet Jahweh bij (het) binnenste (...) jullie noch TNCPW voor vijanden (...) jullie
43.
dat de Amelekiet en (de) Kanaänitische daar voor jullie en (jullie) zijn gevallen bij (het) zwaard dat op zo (jullie) zijn teruggekeerd van achter Jahweh noch (hij) was Jahweh met jullie
44.
WIOPLW op te gaan naar hoofd de heuvel en kist verbond Jahweh en Mozes niet MSW nastaande het kamp
45.
en (hij) is gedaald de Amelekiet en (de) Kanaänitische de inwoner bij (de) heuvel dat en (hij) stond op WIKTWM tot naar de boycot

Hoofdstuk 15

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
woord naar bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen dat (jij) kwam (...) hem naar land nederzettingen (...) jullie die ik (hij) heeft gegeven aan jullie
3.
en (jullie) hebben gedaan vrouw aan Jahweh blad of slachting wonderlijk te zijn gelofte of bij (zij) heeft geschonken of BMODIKM te doen geur aangename aan Jahweh vanuit het rundvee of vanuit het kleinvee
4.
en (hij) heeft aangeboden (is het zo) dat bied(t) aan (wij) hebben nader gebracht aan Jahweh geschenk bloem(meel) (zij) hebben een tiende genomen (...) hen vermengde bij (het) vierde (is het zo) dat ben er! (...) hen olie
5.
en wijn aan uitgieting RBIOIT (is het zo) dat ben er! (...) hen (jij) deed op dat wat opgaat of aan slachting aan schaap de één
6.
of aan ram (jij) deed geschenk bloem(meel) tweede tienden vermengd bij (de) olie derde (is het zo) dat ben er! (...) hen
7.
en wijn aan uitgieting derde (is het zo) dat ben er! (...) hen (jij) bood aan geur aangename aan Jahweh
8.
en dat (jij) deed zoon rundvee blad of slachting wonderlijk te zijn gelofte of vergoedingen aan Jahweh
9.
en (hij) heeft aangeboden op zoon het rundvee geschenk bloem(meel) drie tienden vermengde bij (de) olie halve (is het zo) dat ben er! (...) hen
10.
en wijn (jij) bood aan aan uitgieting halve (is het zo) dat ben er! (...) hen vrouw geur aangename aan Jahweh
11.
zodoende (zij) heeft gemaakt aan os de één of aan ram de één of aan lammetje bij (de) schapen of bij (de) geiten
12.
zoals getal die (jullie) maakten zodoende (jullie) maakten aan één zoals getal (...) hen
13.
alle de burger (zij) heeft gemaakt zodoende (tot) deze aan te bieden vrouw geur aangename aan Jahweh
14.
en dat (hij) woonde (met) jullie vreemdeling of die bij (het) midden (...) jullie aan generaties (...) jullie en (hij) heeft gedaan vrouw geur aangename aan Jahweh zoals (jullie) maakten zo (zij) heeft gemaakt
15.
de menigte grondwet één aan jullie en aan vreemdeling Hagar grondwet van eeuwigheid aan generaties (...) jullie zoals jullie zoals vreemdeling (hij) was voor Jahweh
16.
Wetboek één en rechtsregel één (hij) was aan jullie en aan vreemdeling Hagar (met) jullie
17.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
18.
woord naar bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen bij (hij) is gekomen (...) jullie naar het land die ik breng(t) (met) jullie daarnaar (-s)
19.
en (hij) is geweest bij (het) eten (...) jullie van brood het land (jullie) tilden op bijdrage aan Jahweh
20.
begin ORXTKM (hij) is ziek geworden (jullie) tilden op bijdrage zoals bijdrage van vreemdeling (...) hen zo (jullie) tilden op (met) haar
21.
van begin ORXTIKM (jullie) gaven aan Jahweh bijdrage aan generaties (...) jullie
22.
en dat TSCW noch (jullie) maakten (tot) alle het voorschrift van (de) deze die woord Jahweh naar Mozes
23.
(tot) alle die geef opdracht! Jahweh naar jullie bij (de) hand Mozes vanuit vandaag die geef opdracht! Jahweh en de Lea aan generaties (...) jullie
24.
en (hij) is geweest als bestudeer(t) (...) mij de getuige (zij) is gedaan aan vergissing en Ezau alle de getuige stier zoon rundvee één te verheffen aan geur aangename aan Jahweh en geschenk (...) hem en (zij) hebben uitgegoten zoals rechtsregel en bok geiten één aan tarwe van
25.
en dorp de priester op alle getuige van bouw! Israël en (hij) is vergeven aan hen dat vergissing hij en zij (zij) hebben gebracht (tot) offer (...) hen vrouw aan Jahweh en (jullie) hebben gezondigd voor Jahweh op vergissingen (...) hen
26.
en (hij) is vergeven aan alle getuige van bouw! Israël en aan vreemdeling Hagar bij (het) midden (...) hen dat aan alle het volk bij (de) vergissing
27.
en als ziel één (jij) zondigde bij (de) vergissing en (zij) heeft aangeboden kracht dochter jaar (...) haar aan zondoffer
28.
en dorp de priester op de ziel de vergissing van bij (zij) heeft gezondigd bij (de) vergissing voor Jahweh te verzoenen op hem en (hij) is vergeven als
29.
de burger bij bouw! Israël en aan vreemdeling Hagar bij (het) midden (...) hen Wetboek één (hij) was aan jullie LOSE bij (de) vergissing
30.
en de ziel die (jij) deed bij (de) hand wormen vanuit de burger en vanuit Hagar (tot) Jahweh hij MCDP en (zij) is afgehakt de ziel dat nastaande met haar
31.
dat woord Jahweh hier en (tot) voorschrift (...) hem de stier (jij) hebt herkend (jij) zult uitgeroeid worden de ziel dat antwoord(t) bij haar
32.
en (zij) waren bouw! Israël bij (de) woestijn en (zij) vondden man MQSS bomen bij (de) dag zet stop!
33.
en (zij) boodden aan (met) hem (is het zo) dat vind! (...) hen (met) hem MQSS bomen naar Mozes en naar Aäron en naar alle de getuige
34.
en (zij) gaven rust (met) hem bij bewaar(t) dat niet ruiter wat? (zij) heeft gemaakt als
35.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes dood (hij) zal worden laten sterven de man RCWM (met) hem bij (de) stenen alle de getuige buiten aan kamp
36.
en (zij) haalden tevoorschijn (met) hem alle de getuige naar buiten aan kamp WIRCMW (met) hem bij (de) stenen en (hij) stierf zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
37.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
38.
woord naar bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen en Ezau aan hen ßIßT op vleugels van kledingstukken (...) hen aan generaties (...) hen en (zij) hebben gegeven op ßIßT de vleugel snoer lichtblauwe kleur
39.
en (hij) is geweest aan jullie LßIßT en (jullie) hebben gezien (met) hem en (jullie) hebben je herinnerd (tot) alle voorschrift van Jahweh en (jullie) hebben gedaan (met) hen noch (jullie) verspiedden na hart (...) jullie en na ogen (...) jullie die (met) hen onderhouden na hen
40.
opdat (jullie) herinnerden je en (jullie) hebben gedaan (tot) alle voorschrift (...) mij en (jullie) zijn geweest heiligheden aan jullie God
41.
ik Jahweh jullie God die (ik) ben tevoorschijn gehaald (met) jullie van land Egypte te zijn aan jullie aan God ik Jahweh jullie God

Hoofdstuk 16

1.
en (hij) nam ijs zoon zuivere olie zoon Kahath zoon Levi en wet (...) hen en Abiram bouw! Eliab en kracht zoon PLT bouw! Ruben
2.
en (zij) wraakten voor Mozes en mensen van zonen van Israël vijftig en honderd paar vorsten van getuige noem! ontmoeting mens (...) mij daar
3.
en (zij) verzamelden op Mozes en op Aäron en (zij) spraken naar hen meerderheid aan jullie dat alle de getuige allemaal heiligheden en bij (het) midden (...) hen Jahweh en waarom? TTNSAW op menigte Jahweh
4.
en (hij) hoorde toe Mozes en (hij) liet vallen op aanzichten (...) hem
5.
en (hij) sprak naar ijs en naar alle getuige (...) hem te spreken rundvee en (hij) heeft geweten Jahweh (tot) die als en (tot) (de) heilige en (hij) heeft aangeboden naar hem en (tot) die (hij) koos bij hem (hij) bood aan naar hem
6.
deze Ezau neemt! aan jullie MHTWT ijs en alle getuige (...) hem
7.
en geeft! bij hen vuur en plaatst! op hen wierook voor Jahweh morgen en (hij) is geweest de man die (hij) koos Jahweh hij (de) heilige meerderheid aan jullie bouw! Levi
8.
en (hij) sprak Mozes naar ijs (zij) hebben toegehoord toch bouw! Levi
9.
het een beetje (van)uit jullie dat EBDIL mijn God Israël (met) jullie van getuige van Israël aan te bieden (met) jullie naar hem te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt residentie Jahweh en vast te staan voor de getuige te dienen (...) hen
10.
en (hij) bracht nader (met) jou en (tot) alle broers (...) jou bouw! Levi (met) jou en bij (de) boog (...) hen ook zoals zij
11.
daarom (met) haar en alle getuige (...) jou ENODIM op Jahweh en Aäron wat? hij dat (jullie) overnachtten op hem
12.
en (hij) zond weg Mozes te noemen aan wet (...) hen en aan Abiram bouw! Eliab en (zij) spraken niet (wij) verhieven
13.
het een beetje dat (is het zo) dat (jij) bent opgegaan (...) ons van land (jij) hebt gevloeid melk en honing te doden (...) ons bij (de) woestijn dat TSTRR op ons ook ESTRR
14.
neus niet naar land (jij) hebt gevloeid melk en honing EBIATNW en te geven (...) hen aan ons (jij) hebt verworven veld en wijngaard (is het zo) dat bestudeer! de mensen die TNQR niet (wij) verhieven
15.
en (hij) ontbrandde aan Mozes zeer en (hij) sprak naar Jahweh naar (zij) wendde zich naar geschenken (...) hen niet ernstige één (van)uit hen (ik) heb gedragen noch (ik) heb gejuicht (tot) één (van)uit hen
16.
en (hij) sprak Mozes naar ijs (met) haar en alle getuige (...) jou (zij) zijn geweest voor Jahweh (met) haar en zij en Aäron morgen
17.
en neemt! man MHTTW en (jij) hebt gegeven (...) hen op hen wierook en (jullie) hebben aangeboden voor Jahweh man MHTTW vijftig en honderd paar MHTT en (met) haar en Aäron man MHTTW
18.
en (zij) namen man MHTTW en (zij) gaven op hen vuur en (zij) plaatsten op hen wierook en (zij) stondden vast opening tent ontmoeting en Mozes en Aäron
19.
en (hij) verzamelde op hen ijs (tot) alle de getuige naar opening tent ontmoeting en gezien eer Jahweh naar alle de getuige
20.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron te spreken
21.
(is het zo) dat (zij) zijn gescheiden van midden de getuige (de) deze en (zij) heeft gegeten (met) hen zoals ogenblik
22.
en (zij) vielen op aanzichten (...) hen en (zij) spraken naar mijn God de wind van aan alle vlees de man één (hij) zondigde en op alle de getuige (jij) maakte je kwaad
23.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
24.
woord naar de getuige te spreken (is het zo) dat (zij) zijn opgegaan van rondom aan residentie ijs wet (...) hen en Abiram
25.
en (hij) stond op Mozes en (hij) ging naar wet (...) hen en Abiram en (zij) gingen na hem ben oud! Israël
26.
en (hij) sprak naar de getuige te spreken verblindt! toch boven tenten van de mensen (de) slechte (mv) (de) deze en naar (jullie) deedden moeite in alle die aan hen opdat niet (jullie) voegden toe in alle (jullie) hebben gezondigd
27.
en (zij) verhieven boven residentie ijs wet (...) hen en Abiram van rondom en wet (...) hen en Abiram voert uit! heft-en opening tenten (...) hen en vrouwen (...) hen en zonen (...) hen en kleine kinderen (...) hen
28.
en (hij) sprak Mozes bij deze (jullie) wisten (...) hen dat Jahweh (hij) mij gezonden te doen (tot) alle de daden (de) deze dat niet van hart (...) mij
29.
als staan op alle de mens IMTWN deze en (jij) hebt bekeken alle de mens (hij) beval op hen niet Jahweh (hij) mij gezonden
30.
en als BRIAE (hij) schiep Jahweh en (zij) heeft geopend de aarde (tot) naar mond van en (zij) heeft geslikt (met) hen en (tot) alle die aan hen en (zij) zijn gedaald leven vraag en (jullie) hebben geweten dat (zij) hebben gesmaad de mensen (de) deze (tot) Jahweh
31.
en wees zoals schoondochter (...) hem te spreken (tot) alle de woorden (de) deze WTBQO de aarde die in de plaats van hen
32.
en (jij) deed open het land (tot) naar mond van en (jij) slikte (met) hen en (tot) huizen (...) hen en (tot) alle de mens die aan ijs en (tot) alle ERKWS
33.
en (zij) zijn gedaald zij en alle die aan hen leven vraag en (zij) bedekte op hen het land en (zij) gingen verloren van midden de menigte
34.
en alle Israël die XBIBTIEM (zij) zijn gevlucht aan klank (...) hen dat (zij) hebben gesproken opdat niet (jij) slikte (...) ons het land
35.
en vuur (zij) is uitgegaan honderd Jahweh en (jij) at (tot) de vijftig en honderd paar man bied(t) aan (...) mij (jij) hebt laten roken

Hoofdstuk 17

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
woord naar Eleazar zoon Aäron de priester en (hij) was hoog (tot) EMHTT van tussen (is het zo) dat (zij) heeft verbrand en (tot) het vuur (hij) heeft uitgestrooid (is het zo) dat Lea dat (zij) hebben geheiligd
3.
(tot) MHTWT de zondaars (de) deze bij (de) zielen (...) hen en Ezau (met) hen RQOI valstrikken (zij) hebben uitgekeken (...) mij aan altaar dat (hij) heeft aangeboden (...) hen voor Jahweh en (zij) heiligden en (zij) waren aan letter aan zonen van Israël
4.
en (hij) nam Eleazar de priester (tot) MHTWT het koper die (zij) hebben aangeboden de engelen WIRQOWM (zij) hebben uitgekeken (...) mij aan altaar
5.
herinnering aan zonen van Israël opdat die niet (hij) bracht nader man krans die niet van nakomelingen Aäron hij roken te laten wierook voor Jahweh noch (hij) was zoals ijs WKODTW zoals woord Jahweh bij (de) hand Mozes als
6.
en (hij) overnachtte (...) hem alle getuige van bouw! Israël de volgende dag op Mozes en op Aäron te spreken (met) hen dood! (...) hen (tot) met Jahweh
7.
en wees BEQEL de getuige op Mozes en op Aäron en (zij) wendden zich naar tent ontmoeting en hier is bedekt! de wolk en gezien eer Jahweh
8.
en (hij) kwam Mozes en Aäron naar aanzicht van tent ontmoeting
9.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
10.
(is het zo) dat (zij) zijn hoog geweest van midden de getuige (de) deze en (zij) heeft gegeten (met) hen zoals ogenblik en (zij) vielen op aanzichten (...) hen
11.
en (hij) sprak Mozes naar Aäron neem! (tot) (is het zo) dat (zij) heeft uitgewist en geef! op haar vuur boven het altaar en plaats! wierook en ga(a)(t) (zij) heeft zich gehaast naar de getuige en dorp op hen dat uitgaande de woede weg van aanzicht van Jahweh (hij) is begonnen te (is het zo) dat (hij) heeft geslagen
12.
en (hij) nam Aäron zoals woord Mozes en (hij) rende naar midden de menigte en hier is (hij) is begonnen te (is het zo) dat (hij) heeft geslagen bij (het) volk en (hij) gaf (tot) (jij) hebt laten roken en (hij) verzoende op het volk
13.
en (hij) stond vast tussen (is het zo) dat sterven en tussen de leven en (zij) hield vast de epidemie
14.
en (zij) waren (is het zo) dat sterven bij (de) epidemie vier rijkdom duizend en zeven honderd weg van tak (is het zo) dat sterven op woord ijs
15.
en inwoner Aäron naar Mozes naar opening tent ontmoeting en de epidemie NOßRE
16.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
17.
woord naar bouw! Israël en neem! van jullie stam stam aan huis vader honderd alle vorsten (...) hen aan huis vader (...) hen twee rijkdom buigen om man (tot) zijn naam (zij) schreef op stam (...) hem
18.
en (tot) daar Aäron (zij) schreef op stam Levi dat stam één aan hoofd huis vaders (...) hen
19.
en (jullie) hebben rust gegeven bij (de) tent ontmoeting voor het getuigenis die AWOD aan jullie daarnaar (-s)
20.
en (hij) is geweest de man die ABHR bij hem stam (...) hem (hij) bloeide WESKTI ontvreemd! (tot) TLNWT bouw! Israël die zij laat overnachten (...) hen op jullie
21.
en (hij) sprak Mozes naar bouw! Israël en (zij) gaven naar hem alle vorsten (...) hen stam aan vorst één stam aan vorst één aan huis vader (...) hen twee rijkdom buigen om en stam Aäron binnen buigen om (...) hen
22.
en (hij) rustte Mozes (tot) (is het zo) dat (jij) hebt gewankeld voor Jahweh bij (de) tent (jij) hebt getuigd
23.
en wees de volgende dag en (hij) kwam Mozes naar tent het getuigenis en hier is bloem stam Aäron aan huis Levi en uitgaande bloem WIßß bloesem en (hij) liet ontwennen amandelen
24.
en uitgaande Mozes (tot) alle (is het zo) dat (jij) hebt gewankeld weg van aanzicht van Jahweh naar alle bouw! Israël en (zij) lieten zien en (zij) namen man stam (...) hem
25.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes geef terug! (tot) stam Aäron voor het getuigenis aan bewaring aan letter aan zonen van verzet en (jij) kon TLWNTM ontvreemd! noch (hij) stierf (...) hem
26.
en (hij) heeft gemaakt Mozes zoals geef opdracht! Jahweh (met) hem zo (hij) heeft gedaan
27.
en (zij) spraken bouw! Israël naar Mozes te spreken èn sterf! (...) ons (wij) zijn verloren gegaan als (zij) hebben overnacht (wij) zijn verloren gegaan
28.
alle bied aan! bied aan! naar residentie Jahweh (hij) stierf (is het zo) dat als (jullie) benoemden te sterven

Hoofdstuk 18

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Aäron (met) haar en zonen (...) jou en huis vader (...) jou (met) jou (jullie) droegen (tot) vijandige (is het zo) dat heilig(t) en (met) haar en zonen (...) jou (met) jou (jullie) droegen (tot) vijandige KENTKM
2.
en ook (tot) broers (...) jou stam Levi stam vader (...) jou bied aan! (met) jou WILWW op jou en (zij) dienden (...) jou en (met) haar en zonen (...) jou (met) jou voor tent (jij) hebt getuigd
3.
en bewaart! bewaring (...) jou en bewaring alle de tent maar naar gereedschap wijd! en naar het altaar niet (zij) brachten nader noch (hij) stierf (...) hem ook zij ook (met) hen
4.
en (zij) hebben zich bijgevoegd op jou en bewaart! (tot) bewaring tent ontmoeting aan alle (jij) hebt gewerkt de tent en krans niet (hij) bracht nader naar jullie
5.
en (jullie) hebben gehouden (tot) bewaring wijd! en (tot) bewaring het altaar noch (hij) was nog (eens) woede op bouw! Israël
6.
en ik hier is (ik) heb genomen (tot) broers (...) jullie de Levieten van midden bouw! Israël aan jullie geschenk worden gegeven aan Jahweh te bewerken (tot) (jij) hebt gewerkt tent ontmoeting
7.
en (met) haar en zonen (...) jou (met) jou (jullie) bewaarden (tot) KENTKM aan alle woord het altaar WLMBIT aan voorhangsel en (jullie) hebben gewerkt (jij) hebt gewerkt geschenk (met) hen (tot) KENTKM en de krans bied aan! (hij) zal worden laten sterven
8.
en (hij) sprak Jahweh naar Aäron en ik hier is (ik) heb gegeven aan jou (tot) bewaring bijdrage (...) mij aan alle heilig! bouw! Israël aan jou (ik) heb gegeven (...) hen aan zalf en aan zonen (...) jou aan wet eeuwigheid
9.
dit (hij) was aan jou heilig(t) de heiligheden vanuit het vuur alle offer (...) hen aan alle geschenken (...) hen en aan alle (jullie) hebben gezondigd en aan alle (hij) heeft zich schuldig gemaakt (...) hen die (zij) gaven terug aan mij heiligheid heiligheden aan jou hij en aan zonen (...) jou
10.
bij (de) heiligheid de heiligheden (jij) at (...) ons alle man (hij) at (met) hem heiligheid (hij) was aan jou
11.
en dit aan jou bijdrage van lenden (...) hen aan alle opwaartse zwaai van bouw! Israël aan jou (ik) heb gegeven (...) hen en aan zonen (...) jou en aan dochters (...) jou (met) jou aan wet eeuwigheid alle zuivere bij (het) huis (...) jou (hij) at (met) hem
12.
alle melk zuivere olie en alle melk most en graan begin (...) hen die (zij) gaven aan Jahweh aan jou (ik) heb gegeven (...) hen
13.
eerstgeborenen van alle die bij (het) land (...) hen die (zij) brachten aan Jahweh aan jou (hij) was alle zuivere bij (het) huis (...) jou (hij) at (...) ons
14.
alle boycot bij Israël aan jou (hij) was
15.
alle eerstgeborene baarmoeder aan alle vlees die (zij) boodden aan aan Jahweh bij (de) mens en bij (de) vee (hij) was aan jou maar (hij) heeft bevrijd (jij) bevrijdde (tot) eerstgeborene de mens en (tot) eerstgeborene de vee de onreinheid (jij) bevrijdde
16.
WPDWIW van zoon maand (jij) bevrijdde bij (de) waarde (...) jou zilver vijf munten bij (de) munt wijd! twintig (zij) heeft gewoond hij
17.
maar eerstgeborene os of eerstgeborene schaap of eerstgeborene kracht niet (jij) bevrijdde heiligheid zij (tot) bloed (...) hen TZRQ op het altaar en (tot) melk (...) hen (jij) liet roken vrouw aan geur aangename aan Jahweh
18.
en vlees (...) hen (hij) was aan jou zoals borst de opwaartse zwaai WKSWQ de rechterhand aan jou (hij) was
19.
alle bijdrage van de heiligheden die (zij) tilden op bouw! Israël aan Jahweh (ik) heb gegeven aan jou en aan zonen (...) jou en aan dochters (...) jou (met) jou aan wet eeuwigheid verbond zout eeuwigheid hij voor Jahweh aan jou en aan nakomelingen (...) jou (met) jou
20.
en (hij) sprak Jahweh naar Aäron bij (het) land (...) hen niet TNHL en deel niet (hij) was aan jou bij (het) midden (...) hen ik deel (...) jou en (jij) hebt verworven (...) jou binnen bouw! Israël
21.
en aan zonen van Levi hier is (ik) heb gegeven alle tiende bij Israël aan erfgoed HLP (jullie) hebben gewerkt die zij slaven (tot) (jij) hebt gewerkt tent ontmoeting
22.
noch (zij) brachten nader nog (eens) bouw! Israël naar tent ontmoeting te dragen zondaar te sterven
23.
en slaaf (is het zo) dat Levi hij (tot) (jij) hebt gewerkt tent ontmoeting en zij (zij) droegen misdaad (...) hen grondwet van eeuwigheid aan generaties (...) jullie en binnen bouw! Israël niet (zij) zullen verwerven erfgoed
24.
dat (tot) tiende bouw! Israël die (zij) tilden op aan Jahweh bijdrage (ik) heb gegeven aan Levieten aan erfgoed op zo (ik) heb gesproken aan hen binnen bouw! Israël niet (zij) zullen verwerven erfgoed
25.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
26.
en naar de Levieten (jij) sprak en (jij) hebt gesproken naar hen dat (jullie) namen honderd bouw! Israël (tot) de tiende die (ik) heb gegeven aan jullie van jullie bij (jij) hebt verworven (...) jullie en (jullie) hebben opgetild (van)uit hem bijdrage van Jahweh tiende vanuit de tiende
27.
en (wij) berekenden aan jullie TRWMTKM zoals graan vanuit de vreemdeling (...) hen WKMLAE vanuit EIQB
28.
zo (jullie) tilden op ook (met) hen bijdrage van Jahweh van alle MOSRTIKM die (jullie) namen honderd bouw! Israël en (jij) hebt gegeven (...) hen (van)uit hem (tot) bijdrage van Jahweh aan Aäron de priester
29.
van alle (ik) heb verzacht (...) jullie (jullie) tilden op (tot) alle bijdrage van Jahweh van alle melk (...) hem (tot) heilig(t) (...) hem (van)uit hem
30.
en (jij) hebt gesproken naar hen bij (hij) heeft opgetild (...) jullie (tot) melk (...) hem (van)uit hem en (wij) berekenden aan Levieten zoals opbrengst van vreemdeling (...) hen WKTBWAT IQB
31.
en (jullie) hebben gegeten (met) hem in alle plaats (met) hen en huis (...) jullie dat beloning hij aan jullie HLP (jij) hebt gewerkt (...) jullie bij (de) tent ontmoeting
32.
noch (jullie) droegen op hem zondaar bij (hij) heeft opgetild (...) jullie (tot) melk (...) hem (van)uit hem en (tot) heilig! bouw! Israël niet (jullie) ontheiligden noch (jullie) stierven

Hoofdstuk 19

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron te spreken
2.
deze grondwet van het Wetboek die geef opdracht! Jahweh te spreken woord naar bouw! Israël en (zij) namen naar jou koe aarde volledige die (er is) niet bij haar gebrek die niet blad op haar op
3.
en (jij) hebt gegeven (...) hen (met) haar naar Eleazar de priester en (hij) heeft tevoorschijn gehaald (met) haar naar buiten aan kamp en (hij) heeft geslacht (met) haar voor hem
4.
en lering Eleazar de priester naar van bloed bij (de) vinger (...) hem en deze naar tegenover aanzicht van tent ontmoeting naar van bloed zeven twee keer
5.
en engel (tot) de koe aan ogen (...) hem (tot) leg bloot! en (tot) bij Sara en (tot) (hij) heeft geleken op (zij) heeft uitgespreid (hij) verbrandde
6.
en lering de priester boom ceder en (ik) vloeide en tweede worm van en (hij) heeft afgeworpen naar midden (jij) hebt verbrand de koe
7.
en was! kledingstukken (...) hem de priester en (hij) heeft gewassen kondigt aan! bij (het) water en andere (hij) kwam naar het kamp en onreine de priester tot (de) aangename
8.
en de engel (met) haar (hij) waste kledingstukken (...) hem bij (het) water en (hij) heeft gewassen kondigt aan! bij (het) water en onreine tot (de) aangename
9.
en Asaf man zuivere (tot) as de koe en (hij) heeft rust gegeven buiten aan kamp bij (de) plaats zuivere en (zij) is geweest aan getuige van bouw! Israël aan bewaring aan water van afzondering zondoffer hij
10.
en was! (is het zo) dat Asaf (tot) as de koe (tot) kledingstukken (...) hem en onreine tot (de) aangename en (zij) is geweest aan zonen van Israël en aan vreemdeling Hagar bij (het) midden (...) hen aan grondwet van eeuwigheid
11.
de plaag bij (de) dode aan alle ziel mens en onreine zeven dagen
12.
hij ITHÐA bij hem bij (de) dag (de) derde en bij (de) dag (de) zevende (hij) zuiverde zich en als niet ITHÐA bij (de) dag (de) derde en bij (de) dag (de) zevende niet (hij) zuiverde zich
13.
alle de plaag bij (de) dode bij (de) ziel de mens die (hij) stierf noch ITHÐA (tot) residentie Jahweh onreine en (zij) is afgehakt de ziel dat van Israël dat water van afzondering niet (hij) heeft gegooid op hem onreine (hij) was nog (eens) onreinheid (...) hem bij hem
14.
deze het Wetboek mens dat (hij) stierf bij (de) tent alle wat kwam naar de tent en alle die bij (de) tent (hij) verklaarde onrein zeven dagen
15.
en alle gereedschap geopende die (er is) niet ßMID snoer op hem onreine hij
16.
en alle die vermoeide op aanzicht van het veld bij (de) dode zwaard of bij (de) dode of bij (het) bot mens of bij (het) graf (hij) verklaarde onrein zeven dagen
17.
en (zij) hebben genomen onrein te verklaren van stof (jij) hebt verbrand (jij) hebt laten zondigen en (hij) heeft gegeven op hem water leven naar gereedschap
18.
en lering (ik) vloeide en (hij) heeft gedoopt bij (het) water man zuivere en deze op de tent en op alle (de) alle (mv) en op de zielen die (zij) zijn geweest daar en op de plaag bij (het) bot of bij (de) dode of bij (de) dode of bij (het) graf
19.
en deze (hij) heeft zich gezuiverd op (de) onreine bij (de) dag (de) derde en bij (de) dag (de) zevende en (zij) hebben gezondigd bij (de) dag (de) zevende en was! kledingstukken (...) hem en (hij) heeft gewassen bij (het) water en zuiverheid bij (de) aangename
20.
en man die (hij) verklaarde onrein noch ITHÐA en (zij) is afgehakt de ziel dat van midden de menigte dat (tot) heilig(t) Jahweh onreine water van afzondering niet (hij) heeft gegooid op hem onreine hij
21.
en (zij) is geweest aan hen aan grondwet van eeuwigheid en hiervandaan water van de afzondering (hij) waste kledingstukken (...) hem en de plaag bij (het) water van de afzondering (hij) verklaarde onrein tot (de) aangename
22.
en alle die vermoeide bij hem (de) onreine (hij) verklaarde onrein en de ziel (is het zo) dat (jij) hebt aangeraakt (jij) verklaarde onrein tot (de) aangename

Hoofdstuk 20

1.
en voert in! bouw! Israël alle de getuige woestijn Zin bij (de) maand (de) eerste en inwoner het volk bij (de) heiligheid en (zij) stierf daar Mirjam en (zij) begroef daar
2.
noch (hij) is geweest water aan getuige en (zij) verzamelden op Mozes en op Aäron
3.
en (hij) vermeerderde het volk met Mozes en (zij) spraken te spreken en als sterf! (...) ons bij sterf! broers (...) ons voor Jahweh
4.
en waarom (jullie) hebben gebracht (tot) menigte Jahweh naar de woestijn deze te sterven daar wij en bij (de) stad (...) ons
5.
en waarom (is het zo) dat (jij) bent opgegaan (...) ons van Egypte te brengen (met) ons naar de plaats juich! deze niet plaats nakomelingen en vijg en wijnstok en granaatappel en water (er is) niet te drinken
6.
en (hij) kwam Mozes en Aäron van aanzicht van de menigte naar opening tent ontmoeting en (zij) vielen op aanzichten (...) hen en gezien eer Jahweh naar hen
7.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
8.
neem! (tot) de stam en de menigte (tot) de getuige (met) haar en Aäron broers (...) jou en woorden (...) hen naar de rots aan ogen (...) hen en (hij) heeft gegeven wateren (...) hem en (jij) bent tevoorschijn gehaald aan hen water vanuit de rots en (jij) hebt te drinken gegeven (tot) de getuige en (tot) bij (de) stad (...) hen
9.
en (hij) nam Mozes (tot) de stam weg van aanzicht van Jahweh zoals geeft opdracht!
10.
en (zij) verzamelden Mozes en Aäron (tot) de menigte naar aanzicht van de rots en (hij) sprak aan hen (zij) hebben toegehoord toch (is het zo) dat Mirjam het manna de rots deze (wij) haalden tevoorschijn aan jullie water
11.
en (hij) was hoog Mozes (tot) (hij) bedankte en (hij) sloeg (tot) de rots bij (de) stam (...) hem twee keer en voert uit! water twisten en (zij) legde de getuige en bij (de) stad (...) hen
12.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron wegens niet (jullie) hebben geloofd bij mij te wijden (...) mij te bestuderen (...) mij bouw! Israël daarom niet (jullie) brachten (tot) de menigte deze naar het land die (ik) heb gegeven aan hen
13.
deze (mv) water van om te twisten (er)naar die tienduizend bouw! Israël (tot) Jahweh en (hij) heiligde in hen
14.
en (hij) zond weg Mozes boodschappers heilig(t) naar koning Edom zo woord broers (...) jou Israël (met) haar (jij) hebt geweten (tot) alle ETLAE die om uit te gaan (...) ons
15.
en (zij) zijn gedaald vaders (...) ons naar Egypte en (wij) woonden bij Egypte dagen twisten en (zij) achtervolgden aan ons Egypte en aan vaders (...) ons
16.
WNßOQ naar Jahweh en (hij) hoorde toe klank (...) ons en (hij) zond weg boodschapper en (wij) zijn uitgegaan van Egypte en hier is wij bij (de) heiligheid stad einde grens (...) jou
17.
(wij) troken door (er)naar toch bij (het) land (...) jou niet (wij) troken door bij (het) veld en bij (de) wijngaard noch (wij) dronken water van put weg kroon! (wij) gingen niet (wij) bogen om rechterhand en linkerhand tot die (wij) troken door grens (...) jou
18.
en (hij) sprak naar hem Edom niet (zij) ging voorbij bij mij opdat niet bij (het) zwaard (ik) ging uit jou tegemoet
19.
en (zij) spraken naar hem bouw! Israël BMXLE (wij) verhieven en als wateren (...) jou (wij) dronken ik en van nesten van en (ik) heb gegeven van wijngaard lege (er is) niet woord bij (de) voeten van (ik) trok door (er)naar
20.
en (hij) sprak niet (zij) ging voorbij en uitgaande Edom hem tegemoet bij (het) volk lever en bij (de) hand (zij) is sterk geworden
21.
en (hij) weigerde Edom (hij) heeft gegeven (tot) Israël kant bij (de) grens (...) hem en (hij) neeg Israël ontvreemd! (...) hem
22.
en (zij) reisden heilig(t) en voert in! bouw! Israël alle de getuige heuvel de heuvel
23.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Aäron bij (de) heuvel de heuvel op grens land Edom te spreken
24.
(hij) verzamelde Aäron naar volkeren (...) hem dat niet (hij) kwam naar het land die (ik) heb gegeven aan zonen van Israël op die MRITM (tot) mond van aan water van om te twisten (er)naar
25.
neem! (tot) Aäron en (tot) Eleazar bij ons en de hoogte (met) hen heuvel de heuvel
26.
WEPSÐ (tot) Aäron (tot) kledingstukken (...) hem WELBSTM (tot) Eleazar bij ons en Aäron (hij) verzamelde en dode daar
27.
en (hij) heeft gemaakt Mozes zoals geef opdracht! Jahweh en (zij) verhieven naar heuvel de heuvel te bestuderen (...) mij alle de getuige
28.
en (hij) kleedde uit Mozes (tot) Aäron (tot) kledingstukken (...) hem en (hij) bekleedde zich (met) hen (tot) Eleazar bij ons en (hij) stierf Aäron daar bij (het) hoofd de heuvel en (hij) is gedaald Mozes en Eleazar vanuit de heuvel
29.
en (zij) lieten zien alle de getuige dat sterf! Aäron en (zij) weenden (tot) Aäron dertig dag alle huis Israël

Hoofdstuk 21

1.
en (hij) hoorde toe (de) Kanaänitische koning Harad inwoner het Zuiden dat (hij) is gekomen Israël weg EATRIM en (hij) streed bij Israël en inwoner (van)uit hem gevangenschap
2.
en (hij) woonde Israël gelofte aan Jahweh en (hij) sprak als (hij) heeft gegeven te geven (...) hen (tot) het volk deze bij (de) handen van WEHRMTI (tot) steden (...) hen
3.
en (hij) hoorde toe Jahweh bij (de) klank Israël en (hij) gaf (tot) (de) Kanaänitische en (hij) ontbrandde (...) hen ATEM en (tot) steden (...) hen en (hij) noemde daar de plaats naar boycot
4.
en (zij) reisden vlugge de heuvel weg zee riet rond te gaan (tot) land Edom WTQßR ziel het volk bij (de) weg
5.
en (hij) sprak het volk bij God en met Mozes waarom (is het zo) dat (jij) bent opgegaan (...) ons van Egypte te sterven bij (de) woestijn dat (er is) niet brood en (er is) niet water en ziel (...) ons einde bij (het) brood EQLQL
6.
en (hij) zond weg Jahweh bij (het) volk (tot) de slangen de engelen WINSKW (tot) het volk en (hij) stierf met meerderheid van Israël
7.
en (hij) kwam het volk naar Mozes en (zij) spraken (wij) hebben gezondigd dat woord (...) ons bij Jahweh en bij jou (hij) heeft gebeden naar Jahweh en (hij) week af ontvreemd! (...) ons (tot) de slang en (hij) bad Mozes door het volk
8.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes (hij) heeft gedaan aan jou engel en plaats! (met) hem op teken en (hij) is geweest alle (is het zo) dat (wij) beten en (hij) heeft gezien (met) hem en levende
9.
en (hij) heeft gemaakt Mozes slang koper en past toe! (...) hem op het teken en (hij) is geweest als woekerrente de slang (tot) man en (hij) heeft gekeken naar slang het koper en levende
10.
en (zij) reisden bouw! Israël en (zij) legerden bij (de) vader van
11.
en (zij) reisden van vader van en (zij) legerden BOII (is het zo) dat voorbijgaan bij (de) woestijn die op aanzicht van Moab van Oosten de zon
12.
van daar (zij) hebben gereisd en (zij) legerden bij (de) wadi ZRD
13.
van daar (zij) hebben gereisd en (zij) legerden trek(t) door Arnon die bij (de) woestijn de uitgaande van grens de Amoriet dat Arnon grens Moab tussen Moab en tussen de Amoriet
14.
op zo (hij) sprak bij (het) boek weg van leren zak Jahweh (tot) en vooruit! naar bij (het) riet en (tot) de wadi's Arnon
15.
WASD de wadi's die (wij) bogen om te wonen wakkere en (hij) heeft gesteund aan grens Moab
16.
en van daar naar put hij de put die woord Jahweh aan Mozes Asaf (tot) het volk en (ik) gaf aan hen water
17.
destijds (hij) zong Israël (tot) naar het lied (de) deze op mij put nederige aan haar
18.
put (zij) hebben gegraven (er)naar zingen als (hij) heeft genoeg gedronken weldoeners van het volk BMHQQ BMSONTM en van woestijn geschenk
19.
en van geschenk NHLIAL WMNHLIAL bij (de) dood
20.
en van verhogingen het dal die bij (het) veld Moab hoofd de top WNSQPE op aanzicht van (is het zo) dat (hij) plaatste (...) hen
21.
en (hij) zond weg Israël boodschappers naar Sihon koning de Amoriet te spreken
22.
(ik) trok door (er)naar bij (het) land (...) jou niet (wij) bogen om bij (het) veld en bij (de) wijngaard niet (wij) dronken water van put bij (de) weg kroon! (wij) gingen tot die (wij) troken door grens (...) jou
23.
noch (hij) heeft gegeven Sihon (tot) Israël kant bij (de) grens (...) hem en (hij) verzamelde Sihon (tot) alle met hem en uitgaande tegemoet Israël naar de woestijn en (hij) kwam IEßE en (hij) streed bij Israël
24.
en (zij) werden donker Israël aan mond van zwaard en (hij) veroverde (tot) land (...) hem van ark (...) hen tot IBQ tot bouw! Ammon dat kracht grens bouw! Ammon
25.
en (hij) nam Israël (tot) alle de steden (de) deze en inwoner Israël in alle steden van de Amoriet bij Hesbon en in alle naar dochters
26.
dat Hesbon stad Sihon koning de Amoriet hij en hij (hij) heeft gestreden bij (de) koning Moab (de) eerste en (hij) nam (tot) alle land (...) hem van hand (...) hem tot (ik) roddelde
27.
op zo (zij) spraken (is het zo) dat voltooie(t) (zij) zijn gekomen Hesbon (jij) bouwde en (jij) zette op stad Sihon
28.
dat vuur (zij) is uitgegaan van Hesbon vlam van Stad van Sihon (zij) heeft gegeten wakkere Moab bij (de) hoge bij (de) dood (ik) roddelde
29.
o wee! aan jou Moab (jij) bent verloren gegaan met KMWS (hij) heeft gegeven zonen (...) hem vluchteling (...) hen en dochters (...) hem bij (de) gevangenschap van aan koning Amoriet Sihon
30.
en licht (...) hen (hij) is verloren gegaan Hesbon tot DIBN en worden verlaten tot blaas op! die tot MIDBA
31.
en inwoner Israël bij (het) land de Amoriet
32.
en (hij) zond weg Mozes aan voet (tot) Jaezer en (zij) voegden samen naar dochters en (hij) veroverde (tot) de Amoriet die daar
33.
en (zij) wendden zich en (zij) verhieven weg de Basan en uitgaande Og koning de Basan hen tegemoet hij en alle met hem aan strijd ADROI
34.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes naar (je) zult vrezen (met) hem dat bij (de) hand (...) jou (ik) heb gegeven (met) hem en (tot) alle met hem en (tot) land (...) hem en (jij) hebt gedaan als zoals (jij) hebt gedaan aan Sihon koning de Amoriet die bewoner bij Hesbon
35.
en (zij) sloegen (met) hem en (tot) zonen (...) hem en (tot) alle met hem tot niet (hij) heeft achtergelaten als overlevende en (zij) veroverden (tot) land (...) hem

Hoofdstuk 22

1.
en (zij) reisden bouw! Israël en (zij) legerden bij (de) aangename (mv) Moab trek(t) door aan Jordaan maan (...) hem
2.
en gezien Balak zoon Zippor (tot) alle die (hij) heeft gedaan Israël aan Amoriet
3.
en (hij) woonde Moab van aanzicht van het volk zeer dat meerderheid hij en (hij) is wakker geworden Moab van aanzicht van bouw! Israël
4.
en (hij) sprak Moab naar ben oud! Midian nu ILHKW de menigte (tot) alle omgevingen (...) ons zoals frisheid (...) jou de os (tot) groene het veld en Balak zoon Zippor koning aan Moab bij (de) tijd dat
5.
en (hij) zond weg boodschappers naar Bileam zoon onwetende PTWRE die op de rivier land bouw! met hem te noemen als te spreken hier is met uitgaande van Egypte hier is bedek! (tot) oog het land en hij inwoner MMLI
6.
en nu ga! (er)naar toch ARE aan mij (tot) het volk deze dat word machtig! hij (van)uit mij misschien eet (wij) sloegen bij hem en (ik) verjoeg (...) ons vanuit het land dat (ik) heb geweten (tot) die (jij) zegende zegen(t) en die (hij) heeft beschreven IWAR
7.
en (zij) gingen ben oud! Moab en ben oud! Midian en tovenarijen bij (hij) leek en voert in! naar Bileam en (zij) spraken naar hem spreek! Balak
8.
en (hij) sprak naar hen aan doffer (...) hem mond de nacht en (ik) heb teruggegeven (met) jullie woord zoals (hij) sprak Jahweh naar mij en (zij) hebben gewoond Sarai Moab met Bileam
9.
en (hij) kwam God naar Bileam en (hij) sprak water van de mensen (de) deze met jou
10.
en (hij) sprak Bileam naar naar God Balak zoon vogel koning Moab wapen naar mij
11.
hier is het volk de uitgaande van Egypte en (hij) bedekte (tot) oog het land nu ga! (er)naar QBE aan mij (met) hem misschien eet aan het brood bij hem en (ik) heb verjaagd (...) hem
12.
en (hij) sprak God naar Bileam niet (jij) ging met hen niet (hij) heeft beschreven (tot) het volk dat gezegende hij
13.
en (hij) stond op Bileam bij (het) rundvee en (hij) sprak naar Sarai Balak ga(a)t! naar land (...) jullie dat (hij) heeft geweigerd Jahweh te geven (...) mij te gaan met jullie
14.
en (zij) stondden op Sarai Moab en voert in! naar Balak en (zij) spraken (hij) heeft geweigerd Bileam beweging met ons
15.
en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) Balak wapen zingen twisten en belangrijke (mv) van deze
16.
en voert in! naar Bileam en (zij) spraken als zo woord Balak zoon Zippor naar toch (jij) hield terug ga(a)(t) naar mij
17.
dat lever (ik) eerde (...) jou zeer en alle die (jij) sprak naar mij (ik) werd gedaan en ga! (er)naar toch QBE aan mij (tot) het volk deze
18.
en wegens Bileam en (hij) sprak naar werk! Balak als (hij) gaf aan mij Balak (hij) is vol geweest huis (...) hem zilver en goud niet eet door te trekken (tot) mond van Jahweh mijn God te doen kleine of grootheid
19.
en nu woont! toch hier ook (met) hen de nacht en (ik) wist (er)naar wat? (hij) heeft toegevoegd Jahweh woord met mij
20.
en (hij) kwam God naar Bileam nacht en (hij) sprak als als te noemen aan jou (zij) zijn gekomen de mensen sta op! aan jou (met) hen en maar (tot) het woord die (ik) sprak naar jou (met) hem (jij) deed
21.
en (hij) stond op Bileam bij (het) rundvee en (hij) verbond (tot) (met) ons en (hij) ging met Sarai Moab
22.
en (hij) ontbrandde neus God dat ga(a)(t) hij en (hij) stelde zich op boodschapper Jahweh bij (de) weg aan satan als en hij wagen op (met) ons en tweede jeugd (...) hem met hem
23.
en (zij) liet zien de ezelin (tot) boodschapper Jahweh opgesteld bij (de) weg en (zij) zijn vernield trek uit! (er)naar bij (hij) bedankte en (zij) boog om de ezelin vanuit de weg en (jij) ging bij (het) veld en (hij) sloeg Bileam (tot) de ezelin LEÐTE de weg
24.
en (hij) stond vast boodschapper Jahweh BMSOWL de wijngaarden omheining hiervandaan en omheining hiervandaan
25.
en (zij) liet zien de ezelin (tot) boodschapper Jahweh en (zij) drukte naar de muur en (zij) drukte (tot) voet Bileam naar de muur en (hij) heeft toegevoegd LEKTE
26.
en Jozef boodschapper Jahweh ga voorbij! en (hij) stond vast bij (de) plaats smalle die (er is) niet weg te neigen rechterhand en linkerhand
27.
en (zij) liet zien de ezelin (tot) boodschapper Jahweh WTRBß in de plaats van Bileam en (hij) ontbrandde neus Bileam en (hij) sloeg (tot) de ezelin bij verlicht
28.
en (hij) deed open Jahweh (tot) mond van de ezelin en (jij) sprak aan Bileam wat? (ik) heb gedaan aan jou dat (jullie) hebben geslagen (...) mij dit drie voeten
29.
en (hij) sprak Bileam aan ezelin dat ETOLLT bij mij als er is zwaard bij (de) handen van dat nu (ik) heb gedood (...) jou
30.
en (jij) sprak de ezelin naar Bileam immers ik (ik) zal geven (...) jou die (jij) hebt gereden op mij MOWDK tot vandaag deze (is het zo) dat (hij) heeft uitgegoten (...) hen EXKNTI te doen aan jou zo en (hij) sprak niet
31.
en (hij) verheugde zich Jahweh (tot) bestudeer! Bileam en gezien (tot) boodschapper Jahweh opgesteld bij (de) weg en (zij) zijn vernield (zij) heeft uitgetrokken bij (hij) bedankte en (hij) heeft gebrand en (hij) boog zich diep aan neuzen (...) hem
32.
en (hij) sprak naar hem boodschapper Jahweh op wat? (jij) hebt geslagen (tot) (ik) zal geven (...) jou dit drie voeten hier is ik (ik) ben uitgegaan aan satan dat IRÐ de weg tegen mij
33.
en (jij) liet zien (...) mij de ezelin en (zij) boog om voor dit drie voeten misschien (zij) is genegen van aanzicht van dat nu ook ATKE (ik) heb gedood en haar (is het zo) dat (ik) heb geleefd
34.
en (hij) sprak Bileam naar boodschapper Jahweh (ik) heb gezondigd dat niet (ik) heb geweten dat (met) haar opgesteld mij tegemoet bij (de) weg en nu als kwaad bij (de) ogen (...) jou (ik) ging rond aan mij
35.
en (hij) sprak boodschapper Jahweh naar Bileam aan jou met de mensen en niets (tot) het woord die (ik) sprak naar jou (met) hem (jij) sprak en (hij) ging Bileam met Sarai Balak
36.
en (hij) hoorde toe Balak dat (hij) is gekomen Bileam en uitgaande hem tegemoet naar stad Moab die op grens (ik) roddelde die bij (het) einde de grens
37.
en (hij) sprak Balak naar Bileam toch? wapen (ik) heb gezonden naar jou te noemen aan jou waarom niet (jij) bent gegaan naar mij (is het zo) dat echt niet eet lever (...) jou
38.
en (hij) sprak Bileam naar Balak hier is (ik) ben gekomen naar jou nu paleis eet woord iets het woord die (hij) plaatste God bij (de) mond van (met) hem (ik) sprak
39.
en (hij) ging Bileam met Balak en voert in! Stad van straten
40.
en (hij) slachtte Balak rundvee en kleinvee en (hij) zond weg aan Bileam en aan aanvoerders die (met) hem
41.
en wees bij (het) rundvee en (hij) nam Balak (tot) Bileam en (hij) verhief (...) hem bij (de) dood echtgenoot en gezien van daar einde het volk

Hoofdstuk 23

1.
en (hij) sprak Bileam naar Balak (hij) heeft gebouwd aan mij hier zeven altaar van en bereid voor! aan mij hier zeven stieren en zeven rammen
2.
en (hij) heeft gemaakt Balak zoals woord Bileam en (hij) verhief Balak en Bileam stier en ram bij (het) altaar
3.
en (hij) sprak Bileam aan Balak (hij) heeft zich opgesteld op opgaan (...) jou en (ik) ging (er)naar misschien (hij) gebeurde Jahweh mij tegemoet en woord wat? gezien (...) mij en (ik) heb verteld aan jou en (hij) ging kale heuvel
4.
en waarde God naar Bileam en (hij) sprak naar hem (tot) zeven de altaar van (ik) heb geordend WAOL stier en ram bij (het) altaar
5.
en pas toe! Jahweh woord bij (de) mond van Bileam en (hij) sprak terugkeren naar Balak en zo (jij) sprak
6.
en inwoner naar hem en hier is opgesteld op opgaan (...) hem hij en alle Sarai Moab
7.
en (hij) droeg (zij) hebben geheerst en (hij) sprak vanuit Syrië (hij) rustte (...) mij Balak koning Moab MERRI voorkant ga! (er)naar ARE aan mij Jakob en ga! (er)naar (zij) is woedend geweest Israël
8.
wat? AQB niet QBE naar en wat? AZOM niet woede Jahweh
9.
dat van hoofd smalle (mv) (ik) liet zien (...) ons en van heuvels bevestiging (...) ons èn met aan eenzame jullie zijn er en bij (de) volken niet ITHSB
10.
water van rantsoen stof Jakob en getal (tot) kwart Israël (zij) stierf ziel (...) mij dood rechte (mv) en (zij) was AHRITI zoiets (...) hem
11.
en (hij) sprak Balak naar Bileam wat? (jij) hebt gedaan aan mij LQB vijanden van (ik) heb genomen (...) jou en hier is (jij) hebt gezegend zegen!
12.
en wegens en (hij) sprak toch? (tot) die (hij) plaatste Jahweh bij (de) mond van (met) hem (ik) bewaarde te spreken
13.
en (hij) sprak naar hem Balak aan jou toch (met) mij naar plaats andere die (jij) liet zien (...) ons van daar niets einde (...) hem (jij) liet zien en kunt! niet (jij) liet zien WQBNW aan mij van daar
14.
en (zij) namen (...) hem veld wachters naar hoofd de top en (hij) bouwde zeven altaar van en (hij) verhief stier en ram bij (het) altaar
15.
en (hij) sprak naar Balak (hij) heeft zich opgesteld zo op opgaan (...) jou en ik (ik) gebeurde zo
16.
en waarde Jahweh naar Bileam en pas toe! woord bij (de) monden (...) hem en (hij) sprak terugkeren naar Balak en zo (jij) sprak
17.
en (hij) kwam naar hem en hier is hij opgesteld op opgaan (...) hem en Sarai Moab (met) hem en (hij) sprak als Balak wat? woord Jahweh
18.
en (hij) droeg (zij) hebben geheerst en (hij) sprak sta op! Balak en nieuws (zij) heeft geluisterd tot aan bij ons vogel
19.
niet man naar en (hij) loog en zoon mens WITNHM dat woord noch (zij) heeft gemaakt en woord noch (hij) vestigde (...) haar
20.
hier is zegen! (ik) heb genomen en zegen! noch (ik) gaf terug (...) haar
21.
niet (hij) heeft gekeken kracht bij Jakob noch (hij) heeft gezien werkzame bij Israël Jahweh zijn God met hem en gejubel van koning bij hem
22.
naar haal(t) tevoorschijn (...) hen van Egypte KTWOPT (hij) heeft gezien (...) hen als
23.
dat niet slang bij Jakob noch tovenarij bij Israël zoals tijd (hij) sprak aan Jakob en aan Israël wat? daad naar
24.
èn met zoals leeuw (hij) wraakte WKARI ITNSA niet (hij) lag neer tot (hij) at prooi en bloed doden (hij) dronk
25.
en (hij) sprak Balak naar Bileam ook QB niet TQBNW ook zegen! niet (jij) zegende (...) ons
26.
en wegens Bileam en (hij) sprak naar Balak toch? woord (...) mij naar jou te spreken alle die (hij) sprak Jahweh (met) hem (ik) werd gedaan
27.
en (hij) sprak Balak naar Bileam ga! (er)naar toch (ik) nam (...) jou naar plaats andere misschien (hij) heeft geeffend bij bestudeer! naar God WQBTW aan mij van daar
28.
en (hij) nam Balak (tot) Bileam hoofd (is het zo) dat Peor ENSQP op aanzicht van (is het zo) dat (hij) plaatste (...) hen
29.
en (hij) sprak Bileam naar Balak (hij) heeft gebouwd aan mij hier zeven altaar van en bereid voor! aan mij hier zeven stieren en zeven ram (...) hen
30.
en (hij) heeft gemaakt Balak zoals woord Bileam en (hij) verhief stier en ram bij (het) altaar

Hoofdstuk 24

1.
en gezien Bileam dat goede bij bestudeer! Jahweh te zegenen (tot) Israël noch beweging zoals keer bij (de) keer tegemoet slangen en (hij) legde naar de woestijn aanzichten (...) hem
2.
en (hij) droeg Bileam (tot) ogen (...) hem en gezien (tot) Israël buurman aan stammen (...) hem en (zij) was op hem wind God
3.
en (hij) droeg (zij) hebben geheerst en (hij) sprak (hij) heeft redevoering gehouden Bileam bij ons onwetende en (hij) heeft redevoering gehouden de man dat onschuldige de oog
4.
(hij) heeft redevoering gehouden nieuws Amoriet naar die van borst Sjadai (hij) voorspelde ga neer! en (zij) hebben zich verheugd (...) mij ogen
5.
wat? bent goed! tenten (...) jou Jakob van buurvrouwen (...) jou Israël
6.
zoals wadi's NÐIW KCNT op mij rivier zoals tenten (hij) heeft geplant Jahweh zoals ceders op mij water
7.
IZL water MDLIW en (zij) hebben gezaaid bij (het) water twisten en (hij) was hoog van Agag (zij) hebben geheerst WTNSA koningin (...) hem
8.
naar haal(t) tevoorschijn (...) hem van Egypte KTWOPT (hij) heeft gezien (...) hen als (hij) at volken vijanden (...) hem WOßMTIEM (hij) woonde (...) hen en pijlen (...) hem (hij) vermorzelde
9.
zoals kwaad lig neer! zoals leeuw WKLBIA water van (hij) vestigde (...) ons zegenen (...) jou gezegende WARRIK vervloekte
10.
en (hij) ontbrandde neus Balak naar Bileam WIXPQ (tot) lepels (...) hem en (hij) sprak Balak naar Bileam LQB vijanden van (ik) heb genoemd (...) jou en hier is (jij) hebt gezegend zegen! dit drie twee keer
11.
en nu vlucht aan jou naar plaats (...) jou (ik) heb gesproken lever (ik) eerde (...) jou en hier is (hij) heeft teruggehouden (...) jou Jahweh om zwaar te zijn
12.
en (hij) sprak Bileam naar Balak toch? ook naar boodschappers (...) jou die (jij) hebt gezonden naar mij woord (...) mij te spreken
13.
als (hij) gaf aan mij Balak (hij) is vol geweest huis (...) hem zilver en goud niet eet door te trekken (tot) mond van Jahweh te doen goeds of herder van hart (...) mij die (hij) sprak Jahweh (met) hem (ik) sprak
14.
en nu hier ben ik ga(a)(t) aan volkeren van ga! (er)naar (ik) adviseerde (...) jou die (zij) heeft gemaakt het volk deze aan volk (...) jou aan het einde van de dagen
15.
en (hij) droeg (zij) hebben geheerst en (hij) sprak (hij) heeft redevoering gehouden Bileam bij ons onwetende en (hij) heeft redevoering gehouden de man dat onschuldige de oog
16.
(hij) heeft redevoering gehouden nieuws Amoriet naar en (hij) heeft geweten kennis hoogste van borst Sjadai (hij) voorspelde ga neer! en (zij) hebben zich verheugd (...) mij ogen
17.
(ik) liet zien (...) ons noch nu bevestiging (...) ons noch verwant weg ster van Jakob en (hij) is opgestaan stam van Israël en (hij) heeft vermorzeld hoek (...) mij Moab WQRQR alle bouw! Set
18.
en (hij) is geweest Edom erfenis en (hij) is geweest erfenis bok vijanden (...) hem en Israël (hij) heeft gedaan macht
19.
en (hij) is gedaald van Jakob en (hij) heeft verloren laten gaan overlevende merk(t) op
20.
en gezien (tot) Amelek en (hij) droeg (zij) hebben geheerst en (hij) sprak begin volken Amelek WAHRITW tot aan (hij) is verloren gegaan
21.
en gezien (tot) de Keniet en (hij) droeg (zij) hebben geheerst en (hij) sprak sterke zetel (...) jou en plaats! bij (de) rots nest (...) jou
22.
dat als (hij) was uit te roeien Kain tot wat? bevestiging (jij) woonde (...) jou
23.
en (hij) droeg (zij) hebben geheerst en (hij) sprak o wee! water van (hij) leefde van zijn naam naar
24.
en vloten van hand KTIM en nederige bevestiging en nederige kant en ook hij tot aan (hij) is verloren gegaan
25.
en (hij) stond op Bileam en (hij) ging en inwoner aan plaats (...) hem en ook Balak beweging aan weg (...) hem

Hoofdstuk 25

1.
en inwoner Israël bij (de) acacia's en (hij) begon te het volk te hoereren naar dochters Moab
2.
en (jij) noemde (...) hen aan volk aan slachtingen van hun God en (hij) at het volk en (zij) bogen zich diep aan hun God
3.
en (hij) koppelde Israël aan echtgenoot Peor en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij Israël
4.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes neem! (tot) alle hoofden van het volk WEWQO hen aan Jahweh tegenover de zon en inwoner woede neus Jahweh van Israël
5.
en (hij) sprak Mozes naar berecht! Israël (zij) hebben gedood man mensen (...) hem ENßMDIM aan echtgenoot Peor
6.
en hier is man van zonen van Israël (hij) is gekomen en (hij) bracht nader naar broers (...) hem (tot) EMDINIT te bestuderen (...) mij Mozes en te bestuderen (...) mij alle getuige van bouw! Israël en deze (mv) geween (...) hen opening tent ontmoeting
7.
en gezien Pinehas zoon Eleazar zoon Aäron de priester en (hij) stond op van midden de getuige en (hij) nam RMH bij (hij) bedankte
8.
en (hij) kwam andere man Israël naar EQBE WIDQR (tot) die twee (tot) man Israël en (tot) de vrouw naar QBTE en (zij) hield vast de epidemie boven bouw! Israël
9.
en (zij) waren (is het zo) dat sterven bij (de) epidemie vier en twintig duizend
10.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
11.
Pinehas zoon Eleazar zoon Aäron de priester (hij) heeft teruggegeven (tot) leren zak-en van boven bouw! Israël bij (zij) zijn jaloers geweest (tot) (ik) ben jaloers geweest bij (het) midden (...) hen noch (ik) ben geëindigd (tot) bouw! Israël bij (ik) ben jaloers geweest
12.
daarom woord hier ben ik (hij) heeft gegeven als (tot) verbonden van vrede
13.
en (zij) is geweest als en te zaaien (...) hem na hem verbond KENT eeuwigheid in de plaats van die (hij) is jaloers geweest aan zijn God en (hij) verzoende op bouw! Israël
14.
en naam [van] man Israël (de) geslagen die (hij) heeft geslagen (tot) EMDINIT zing! zoon XLWA vorst huis vader LSMONI
15.
en naam [van] de vrouw (de) geslagen EMDINIT lieg! dochter rots hoofd (ik) stierf huis vader bij Midian hij
16.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
17.
bundel (tot) EMDINIM en (jullie) hebben geslagen hen
18.
dat bundel! (...) hen zij aan jullie BNKLIEM die (wij) konen (...) hem aan jullie op woord Peor en op woord lieg! dochter vorst Midian één (...) hen (de) geslagen bij (de) dag de epidemie op woord Peor

Hoofdstuk 26

1.
en wees na de epidemie en (hij) sprak Jahweh naar Mozes en naar Eleazar zoon Aäron de priester te spreken
2.
draagt! (tot) hoofd alle getuige van bouw! Israël van zoon twintig jaar en hoogte aan huis vader (...) hen alle uitgaande leger bij Israël
3.
en (hij) sprak Mozes en Eleazar de priester (met) hen bij (jij) bent aangenaam geweest Moab op Jordaan maan (...) hem te spreken
4.
van zoon twintig jaar en hoogte zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes en bouw! Israël de uitgaanden van land Egypte
5.
Ruben eerstgeborene Israël bouw! Ruben (zij) zijn gelegerd (...) jou familie van EHNKI wonderlijk te zijn familie van (de) wonderlijke
6.
aan grondgebied (...) hen familie van EHßRWNI aan wijngaarden van familie van de wijngaarden van
7.
deze familie van de Rubeniet en (zij) waren opnamen (...) hen drie en veertig duizend en zeven honderd en dertig
8.
en bouw! PLWA Eliab
9.
en bouw! Eliab NMWAL en wet (...) hen en Abiram hij wet (...) hen en Abiram QRWAI de getuige die de opdracht op Mozes en op Aäron bij (de) getuige van ijs bij steek aan! (...) hen op Jahweh
10.
en (jij) deed open het land (tot) naar mond van en (jij) slikte (met) hen en (tot) ijs bij (de) dood de getuige bij (het) eten het vuur (tot) vijftig en honderd paar man en (zij) waren aan teken
11.
en bouw! ijs niet (zij) zijn gestorven
12.
bouw! Simeon aan families (...) hen LNMWAL familie van ENMWALI aan rechterhand familie van de rechterhanden van LIKIN familie van sla! (...) mij
13.
aan glans familie van (is het zo) dat rijs! te vragen familie van de dodenrijken van
14.
deze familie van laat horen! (...) mij twee en twintig duizend en honderd paar
15.
bouw! Gad aan families (...) hen aan Noorden familie van het Noorden (...) mij aan feesten van familie van de feesten van tong (...) mij familie van ESWNI
16.
aan oren van familie van luister! (...) mij aan steden van familie van merk op! (...) mij
17.
LARWD familie van EARWDI LARALI familie van EARALI
18.
deze familie van bouw! Gad aan opnamen (...) hen veertig duizend en vijf honderd
19.
bouw! Juda wakkere en kracht (...) hen en (hij) stierf wakkere en kracht (...) hen bij (het) land Kanaän
20.
en (zij) waren bouw! Juda aan families (...) hen aan Sela familie van ESLNI aan doorbraak familie van (is het zo) dat breek door! aan glans familie van (is het zo) dat rijs!
21.
en (zij) waren bouw! doorbraak aan grondgebied (...) hen familie van EHßRNI medelijden te hebben familie van (is het zo) dat heb medelijden! (...) mij
22.
deze familie van Juda aan opnamen (...) hen zes en zeventig duizend en vijf honderd
23.
bouw! Issaschar aan families (...) hen worm familie van de wormen van LPWE familie van EPWNI
24.
LISWB familie van de inwoners van te bewaren (...) hen familie van (is het zo) dat bewaar! (...) mij
25.
deze familie van Issaschar aan opnamen (...) hen vier en zestig duizend en drie honderd
26.
bouw! Zebulon aan families (...) hen LXRD familie van EXRDI aan eik familie van EALNI LIHLAL familie van EIHLALI
27.
deze familie van EZBWLNI aan opnamen (...) hen zestig duizend en vijf honderd
28.
bouw! Jozef aan families (...) hen Manasse en Efraïm
29.
bouw! Manasse aan Machir familie van (is het zo) dat herken(t) (...) mij en Machir (hij) heeft voortgebracht (tot) gedenkteken aan gedenkteken familie van de gedenktekens van
30.
deze bouw! gedenkteken AIOZR familie van EAIOZRI te verdelen familie van (is het zo) dat verdeel!
31.
WASRIAL familie van EASRALI en schouder familie van sta vroeg op! (...) mij
32.
WSMIDO familie van ESMIDOI en Hefer familie van (is het zo) dat graaf!
33.
en Zelafead zoon Hefer niet (zij) zijn geweest als zonen dat als dochters en naam [van] dochters Zelafead begin(t) te (er)naar en (zij) heeft gezworven HCLE koningin en Thirza
34.
deze familie van Manasse en opnamen (...) hen twee en vijftig duizend en zeven honderd
35.
deze bouw! Efraïm aan families (...) hen LSWTLH familie van ESTLHI voor te trekken familie van (is het zo) dat trek voor! LTHN familie van (is het zo) dat (jij) legerde
36.
en deze bouw! SWTLH aan stad (...) hen familie van merk op! (...) mij
37.
deze familie van bouw! Efraïm aan opnamen (...) hen twee en dertig duizend en vijf honderd deze bouw! Jozef aan families (...) hen
38.
bouw! Benjamin aan families (...) hen aan slechtheid familie van (is het zo) dat slik! LASBL familie van EASBLI LAHIRM familie van EAHIRMI
39.
LSPWPM familie van ESWPMI LHWPM familie van EHWPMI
40.
en (zij) waren bouw! slechtheid (ik) daalde en Naaman familie van (is het zo) dat (ik) daalde (...) mij aan Naaman familie van (is het zo) dat Naomi
41.
deze bouw! Benjamin aan families (...) hen en opnamen (...) hen vijf en veertig duizend en zes honderd
42.
deze bouw! Dan aan families (...) hen LSWHM familie van ESWHMI deze familie van Dan aan families (...) hen
43.
alle familie van ESWHMI aan opnamen (...) hen vier en zestig duizend en vier honderd
44.
bouw! die aan families (...) hen LIMNE familie van (is het zo) dat (hij) benoemde LISWI familie van (is het zo) dat (hij) was gelijk (...) mij LBRIOE familie van EBRIOI
45.
aan zonen van BRIOE samen te binden familie van (is het zo) dat sluit je aan! LMLKIAL familie van EMLKIALI
46.
en naam [van] dochter die SRH
47.
deze familie van bouw! die aan opnamen (...) hen drie en vijftig duizend en vier honderd
48.
bouw! Nafthali aan families (...) hen LIHßAL familie van EIHßALI LCWNI familie van (zij) hebben uitgesproken (...) mij
49.
te fabriceren familie van (is het zo) dat fabriceer! te betalen familie van (is het zo) dat betaal!
50.
deze familie van Nafthali aan families (...) hen en opnamen (...) hen vijf en veertig duizend en vier honderd
51.
deze opperbevel (...) mij bouw! Israël zes honderd duizend en duizend zeven honderd en dertig
52.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
53.
aan deze (jij) verdeelde het land bij (het) erfgoed bij (het) getal namen
54.
aan meerderheid (jij) vermeerderde erfgoed (...) hem en aan een beetje TMOIÐ erfgoed (...) hem man aan mond van opnamen (...) hem (hij) gaf erfgoed (...) hem
55.
maar bij (het) lot (hij) verdeelde (tot) het land aan namen buigen om vader (...) hen (zij) zullen verwerven
56.
op mond van het lot (jij) verdeelde erfgoed (...) hem tussen meerderheid aan een beetje
57.
en deze opperbevel (...) mij (is het zo) dat Levi aan families (...) hen aan Gerson familie van de Gersoniet aan Kahath familie van de Kahathiet aan Merari familie van (is het zo) dat Merari
58.
deze familie van Levi familie van ELBNI familie van (is het zo) dat (hij) heeft zich aangesloten (...) mij familie van (is het zo) dat begin(t) te (...) mij familie van EMWSI familie van het ijs (...) mij en Kahath EWLD (tot) korenschoof (...) hen
59.
en naam [van] vuur van korenschoof (...) hen IWKBD dochter Levi die (zij) heeft gebaard (met) haar aan Levi bij Egypte en (jij) baarde aan korenschoof (...) hen (tot) Aäron en (tot) Mozes en (tot) Mirjam één (...) hen
60.
en baar(t) aan Aäron (tot) (hij) heeft geschonken en (tot) Abihu (tot) Eleazar en (tot) Ithamar
61.
en (hij) stierf (hij) heeft geschonken en Abihu bij (hij) heeft aangeboden (...) hen vuur (hij) heeft uitgestrooid voor Jahweh
62.
en (zij) waren opnamen (...) hen drie en twintig duizend alle man van zoon maand en hoogte dat niet (is het zo) dat (jullie) bevalen binnen bouw! Israël dat niet (hij) heeft gegeven aan hen erfgoed binnen bouw! Israël
63.
deze opperbevel (...) mij Mozes en Eleazar de priester die beveelt! (tot) bouw! Israël bij (jij) bent aangenaam geweest Moab op Jordaan maan (...) hem
64.
en naar bij (de) macht niet (hij) is geweest man om te bekijken (...) mij Mozes en Aäron de priester die beveelt! (tot) bouw! Israël bij (de) woestijn Sinaï
65.
dat woord Jahweh aan hen dood (hij) stierf (...) hem bij (de) woestijn noch overgebleven (van)uit hen man dat als hond zoon Jefunne en Jozua zoon Nun

Hoofdstuk 27

1.
en (jullie) brachten nader dochters Zelafead zoon Hefer zoon gedenkteken zoon Machir zoon Manasse aan familie van Manasse zoon Jozef en deze namen dochters (...) hem begin(t) te (er)naar (zij) heeft gezworven WHCLE en koningin en Thirza
2.
en (jullie) stondden vast voor Mozes en voor Eleazar de priester en voor de vorst (...) hen en alle de getuige opening tent ontmoeting te spreken
3.
(wij) hebben gewenst dode bij (de) woestijn en hij niet (hij) is geweest binnen de getuige ENWODIM op Jahweh bij (de) getuige van ijs dat bij (zij) hebben gezondigd dode en zonen niet (zij) zijn geweest als
4.
waarom (hij) verminderde daar (wij) hebben gewenst van midden familie (...) hem dat (er is) niet als zoon geef! aan ons (zij) heeft gegrepen binnen broer (wij) hebben gewenst
5.
en (hij) bracht nader Mozes (tot) rechtsregel (...) hen voor Jahweh
6.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
7.
zo dochters Zelafead woord van (hij) heeft gegeven te geven (...) hen aan hen (jij) hebt gegrepen erfgoed binnen broer vaders (...) hen en (jij) hebt overgebracht (tot) (jij) hebt verworven vaders (...) hen aan hen
8.
en naar bouw! Israël (jij) sprak te spreken man dat (hij) stierf en zoon (er is) niet als en (jullie) hebben overgebracht (tot) erfgoed (...) hem hart (...) hem
9.
en als (er is) niet als dochter en (jij) hebt gegeven (...) hen (tot) erfgoed (...) hem aan broers (...) hem
10.
en als (er is) niet als broers en (jij) hebt gegeven (...) hen (tot) erfgoed (...) hem aan broer vader (...) hem
11.
en als (er is) niet broers aan vader (...) hem en (jij) hebt gegeven (...) hen (tot) erfgoed (...) hem aan rest (...) hem bied aan! naar hem van familie (...) hem en (hij) heeft veroverd (met) haar en (zij) is geweest aan zonen van Israël aan grondwet van rechtsregel zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
12.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes blad naar heuvel (is het zo) dat voorbijgaan deze en (hij) heeft gezien (tot) het land die (ik) heb gegeven aan zonen van Israël
13.
en (jij) hebt gezien (er)naar (met) haar WNAXPT naar volkeren (...) jou ook (met) haar zoals (wij) verzamelden Aäron broers (...) jou
14.
zoals MRITM mond van bij (de) woestijn Zin BMRIBT de getuige te wijden (...) mij bij (het) water aan ogen (...) hen zij water van MRIBT heiligheid woestijn Zin
15.
en (hij) sprak Mozes naar Jahweh te spreken
16.
(hij) beval Jahweh mijn God de wind van aan alle vlees man op de getuige
17.
die uitgaande voor hen en die (hij) kwam voor hen en die (hij) haalde tevoorschijn (...) hen en die (hij) bracht (...) hen noch (jij) was getuige van Jahweh zoals kleinvee die (er is) niet aan hen herder
18.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes neem! aan jou (tot) Jozua zoon Nun man die wind bij hem en (jij) hebt gesteund (tot) hand (...) jou op hem
19.
en (jij) hebt opgesteld (met) hem voor Eleazar de priester en voor alle de getuige en (jij) hebt opdracht gegeven (er)naar (met) hem aan ogen (...) hen
20.
en zet van luister (...) jou op hem opdat (zij) hoorden toe alle getuige van bouw! Israël
21.
en voor Eleazar de priester (hij) stond vast en (hij) heeft gevraagd als bij (de) rechtsregel de lichten voor Jahweh op monden (...) hem voert uit! en op monden (...) hem voert in! hij en alle bouw! Israël (met) hem en alle de getuige
22.
en (hij) heeft gemaakt Mozes zoals geef opdracht! Jahweh (met) hem en (hij) nam (tot) Jozua en (zij) stondden vast (...) hem voor Eleazar de priester en voor alle de getuige
23.
en (hij) steunde (tot) handen (...) hem op hem en (hij) gaf opdracht (...) hem zoals woord Jahweh bij (de) hand Mozes

Hoofdstuk 28

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
opdracht (tot) bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen (tot) offers van strijd! aan vuur (...) mij geur NIHHI (jullie) bewaarden aan te bieden aan mij bij (de) ontmoeting (...) hem
3.
en (jij) hebt gesproken aan hen dit de vrouw die (jullie) boodden aan aan Jahweh als schamen zich bouw! jaar volledige (mv) twee aan dag blad altijd
4.
(tot) het schaap één (jij) deed bij (het) rundvee en (tot) het schaap (de) tweede (jij) deed tussen (de) aangename (mv)
5.
WOSIRIT (is het zo) dat (ik) was mooi bloem(meel) aan geschenk vermengd bij (de) olie fijngestampte RBIOT (is het zo) dat ben er! (...) hen
6.
opgaan altijd (is het zo) dat maak! (er)naar bij (de) heuvel Sinaï aan geur aangename vrouw aan Jahweh
7.
en (zij) hebben uitgegoten RBIOT (is het zo) dat ben er! (...) hen aan schaap de één bij (de) heiligheid (hij) heeft uitgegoten uitgieting beloning aan Jahweh
8.
en (tot) het schaap (de) tweede (jij) deed tussen (de) aangename (mv) zoals geschenk van het rundvee WKNXKW (jij) deed vrouw geur aangename aan Jahweh
9.
en bij (de) dag zet stop! tweede als schamen zich bouw! jaar volledige (mv) en tweede tienden bloem(meel) geschenk vermengd bij (de) olie en (zij) hebben uitgegoten
10.
opgaan sabbat bij (zij) hebben gerust op opgaan (hij) heeft voortgeduurd en (zij) heeft uitgegoten
11.
en bij (de) hoofden van maanden (...) jullie (jullie) boodden aan blad aan Jahweh stieren bouw! rundvee twee en ram één als schamen zich bouw! jaar zeven volledige (mv)
12.
en drie tienden bloem(meel) geschenk vermengd bij (de) olie aan stier de één en tweede tienden bloem(meel) geschenk vermengd bij (de) olie aan ram de één
13.
en rijkdom (...) hen (zij) hebben een tiende genomen (...) hen bloem(meel) geschenk vermengd bij (de) olie aan schaap de één blad geur aangename vrouw aan Jahweh
14.
en uitgietingen (...) hen halve (is het zo) dat ben er! (...) hen (hij) was aan stier WSLIST (is het zo) dat ben er! (...) hen aan ram WRBIOT (is het zo) dat ben er! (...) hen aan schaap wijn deze opgaan maand bij (de) maand (...) hem aan maanden van het jaar
15.
en bok geiten één aan zondoffer aan Jahweh op opgaan (hij) heeft voortgeduurd (zij) heeft gemaakt en (zij) hebben uitgegoten
16.
en bij (de) maand (de) eerste bij vier rijkdom dag aan maand Pesach aan Jahweh
17.
WBHMSE rijkdom dag aan maand deze feest zeven dagen voorschrift van (hij) at
18.
bij (de) dag (de) eerste lezen heiligheid alle handwerk van feit niet (jullie) maakten
19.
en (jullie) hebben aangeboden vrouw blad aan Jahweh stieren bouw! rundvee twee en ram één en zeven als schamen zich bouw! jaar volledige (mv) (zij) waren aan jullie
20.
en geschenken (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie drie tienden aan stier en tweede tienden aan ram (jullie) maakten
21.
(zij) hebben een tiende genomen (...) hen (zij) hebben een tiende genomen (...) hen (jij) deed aan schaap de één aan zeven de schapen
22.
en bok zondoffer één te verzoenen op jullie
23.
weg van tak opgaan het rundvee die LOLT (hij) heeft voortgeduurd (jullie) maakten (tot) deze
24.
zoals deze (jullie) maakten aan dag zeven dagen brood vrouw geur aangename aan Jahweh op OWLT (hij) heeft voortgeduurd (zij) heeft gemaakt en (zij) hebben uitgegoten
25.
en bij (de) dag (de) zevende lezen heiligheid (hij) was aan jullie alle handwerk van feit niet (jullie) maakten
26.
en bij (de) dag de eerstgeborenen bij (hij) heeft aangeboden (...) jullie geschenk naar maand aan Jahweh bij (ik) ben verzadigd geweest (...) jullie lezen heiligheid (hij) was aan jullie alle handwerk van feit niet (jullie) maakten
27.
en (jullie) hebben aangeboden ga(a)(t) op aan geur aangename aan Jahweh stieren bouw! rundvee twee ram één zeven als schamen zich bouw! jaar
28.
en geschenken (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie drie tienden aan stier de één tweede tienden aan ram de één
29.
(zij) hebben een tiende genomen (...) hen (zij) hebben een tiende genomen (...) hen aan schaap de één aan zeven de schapen
30.
bok geiten één te verzoenen op jullie
31.
weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd en geschenk (...) hem (jullie) maakten volledige (mv) (zij) waren aan jullie en uitgietingen (...) hen

Hoofdstuk 29

1.
en bij (de) maand (de) zevende bij één aan maand lezen heiligheid (hij) was aan jullie alle handwerk van feit niet (jullie) maakten dag gejubel (hij) was aan jullie
2.
en (jullie) hebben gedaan blad aan geur aangename aan Jahweh stier zoon rundvee één ram één als schamen zich bouw! jaar zeven volledige (mv)
3.
en geschenken (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie drie tienden aan stier tweede tienden aan ram
4.
en (zij) hebben een tiende genomen (...) hen één aan schaap de één aan zeven de schapen
5.
en bok geiten één zondoffer te verzoenen op jullie
6.
weg van tak opgaan de maand en geschenk (...) haar en opgaan (hij) heeft voortgeduurd en geschenk (...) haar en uitgietingen (...) hen zoals rechtsregel (...) hen aan geur aangename vrouw aan Jahweh
7.
en bij (het) decennium aan maand (de) zevende deze lezen heiligheid (hij) was aan jullie en (jullie) hebben geantwoord (tot) zielen (...) jullie alle handwerk niet (jullie) maakten
8.
en (jullie) hebben aangeboden blad aan Jahweh geur aangename stier zoon rundvee één ram één als schamen zich bouw! jaar zeven volledige (mv) (zij) waren aan jullie
9.
en geschenken (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie drie tienden aan stier tweede tienden aan ram de één
10.
(zij) hebben een tiende genomen (...) hen (zij) hebben een tiende genomen (...) hen aan schaap de één aan zeven de schapen
11.
bok geiten één zondoffer weg van tak zondoffer de dorpen en opgaan (hij) heeft voortgeduurd en geschenk (...) haar en uitgietingen (...) hen
12.
WBHMSE rijkdom dag aan maand (de) zevende lezen heiligheid (hij) was aan jullie alle handwerk van feit niet (jullie) maakten en (jullie) hebben een cirkel getrokken feest aan Jahweh zeven dagen
13.
en (jullie) hebben aangeboden blad vrouw geur aangename aan Jahweh stieren bouw! rundvee drie rijkdom ram (...) hen twee als schamen zich bouw! jaar vier rijkdom volledige (mv) (zij) waren
14.
en geschenken (...) hen bloem(meel) vermengd bij (de) olie drie tienden aan stier de één aan drie rijkdom stieren tweede tienden aan ram de één aan tweede de ram (...) hen
15.
en (zij) hebben een tiende genomen (...) hen (zij) hebben een tiende genomen (...) hen aan schaap de één aan vier rijkdom als schamen zich
16.
en bok geiten één zondoffer weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd geschenk (...) haar en (zij) heeft uitgegoten
17.
en bij (de) dag (de) tweede stieren bouw! rundvee twee rijkdom ram (...) hen twee als schamen zich bouw! jaar vier rijkdom volledige (mv)
18.
en geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen aan stieren aan ram (...) hen en aan schapen bij (het) getal (...) hen zoals rechtsregel
19.
en bok geiten één zondoffer weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd en geschenk (...) haar en uitgietingen (...) hen
20.
en bij (de) dag (de) derde stieren opvolging van rijkdom ram (...) hen twee als schamen zich bouw! jaar vier rijkdom volledige (mv)
21.
en geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen aan stieren aan ram (...) hen en aan schapen bij (het) getal (...) hen zoals rechtsregel
22.
en bok zondoffer één weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd en geschenk (...) haar en (zij) heeft uitgegoten
23.
en bij (de) dag (de) vierde stieren tien ram (...) hen twee als schamen zich bouw! jaar vier rijkdom volledige (mv)
24.
geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen aan stieren aan ram (...) hen en aan schapen bij (het) getal (...) hen zoals rechtsregel
25.
en bok geiten één zondoffer weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd geschenk (...) haar en (zij) heeft uitgegoten
26.
en bij (de) dag (de) vijfde stieren negen ram (...) hen twee als schamen zich bouw! jaar vier rijkdom volledige (mv)
27.
en geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen aan stieren aan ram (...) hen en aan schapen bij (het) getal (...) hen zoals rechtsregel
28.
en bok zondoffer één weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd en geschenk (...) haar en (zij) heeft uitgegoten
29.
en bij (de) dag (de) zesde stieren acht ram (...) hen twee als schamen zich bouw! jaar vier rijkdom volledige (mv)
30.
en geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen aan stieren aan ram (...) hen en aan schapen bij (het) getal (...) hen zoals rechtsregel
31.
en bok zondoffer één weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd geschenk (...) haar en giet uit! (er)naar
32.
en bij (de) dag (de) zevende stieren zeven ram (...) hen twee als schamen zich bouw! jaar vier rijkdom volledige (mv)
33.
en geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen aan stieren aan ram (...) hen en aan schapen bij (het) getal (...) hen zoals rechtsregel (...) hen
34.
en bok zondoffer één weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd geschenk (...) haar en (zij) heeft uitgegoten
35.
bij (de) dag (de) achtste (jij) hebt vastgehouden (jij) was aan jullie alle handwerk van feit niet (jullie) maakten
36.
en (jullie) hebben aangeboden blad vrouw geur aangename aan Jahweh stier één ram één als schamen zich bouw! jaar zeven volledige (mv)
37.
geschenken (...) hen en uitgietingen (...) hen aan stier aan ram en aan schapen bij (het) getal (...) hen zoals rechtsregel
38.
en bok zondoffer één weg van tak opgaan (hij) heeft voortgeduurd en geschenk (...) haar en (zij) heeft uitgegoten
39.
deze (jullie) maakten aan Jahweh bij (de) ontmoetingen (...) jullie alleen van geloften (...) jullie en (ik) heb geschonken (...) jullie LOLTIKM en aan geschenken (...) jullie en aan uitgietingen (...) jullie WLSLMIKM

Hoofdstuk 30

1.
en (hij) sprak Mozes naar bouw! Israël zoals alle die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
2.
en (hij) sprak Mozes naar hoofden van (is het zo) dat buigen om aan zonen van Israël te spreken dit het woord die geef opdracht! Jahweh
3.
man dat (hij) woonde gelofte aan Jahweh of de zeven zeven LAXR (hij) heeft gevangen genomen op ziel (...) hem niet (hij) begon te spreekt! zoals alle de uitgaande van monden (...) hem (zij) heeft gemaakt
4.
en vrouw dat (zij) woonde gelofte aan Jahweh en (zij) heeft gevangen genomen (hij) heeft gevangen genomen bij (het) huis naar vader bij schud! (er)naar
5.
en nieuws naar vader (tot) (zij) heeft gelofte afgelegd en (zij) heeft gevangen genomen die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons WEHRIS aan haar naar vader en (zij) zijn opgestaan alle leg gelofte af! (er)naar en alle (hij) heeft gevangen genomen die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons (hij) wraakte
6.
en als ENIA naar vader (met) haar bij (de) dag (zij) hebben toegehoord alle leg gelofte af! (er)naar en neem gevangen! (er)naar die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons niet (hij) wraakte en Jahweh IXLH aan haar dat ENIA naar vader (met) haar
7.
en als (zij) zijn geweest (jij) was aan man en leg gelofte af! (er)naar op haar of spreek(t) uit naar lippen die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons
8.
en nieuws naar man bij (de) dag (zij) hebben toegehoord WEHRIS aan haar en (zij) zijn opgestaan leg gelofte af! (er)naar en (zij) heeft gevangen genomen die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons (zij) wraakten
9.
en als bij (de) dag nieuws naar man INIA haar en de stier (tot) (zij) heeft gelofte afgelegd die op haar en (tot) spreek(t) uit naar lippen die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons en Jahweh IXLH aan haar
10.
en gelofte weduwe en verjaagde vrouw alle die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons (hij) wraakte op haar
11.
en als huis naar man (zij) heeft gelofte afgelegd of (zij) heeft gevangen genomen (hij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons bij zeven
12.
en nieuws naar man en (de) stille aan haar niet ENIA (met) haar en (zij) zijn opgestaan alle leg gelofte af! (er)naar en alle (hij) heeft gevangen genomen die (zij) heeft gevangen genomen op (wij) verbreidden ons (hij) wraakte
13.
en als de stier (hij) was vruchtbaar (met) hen naar man bij (de) dag (zij) hebben toegehoord alle word(t) tevoorschijn gehaald naar lippen naar aan geloften WLAXR (wij) verbreidden ons niet (hij) wraakte naar man de stier (...) hen en Jahweh IXLH aan haar
14.
alle gelofte en alle zeven (hij) heeft gevangen genomen aan Anath ziel naar man (hij) vestigde (...) ons en naar man (hij) was vruchtbaar (...) ons
15.
en als (de) stille IHRIS aan haar naar man van dag naar dag en (hij) heeft gevestigd (tot) alle leg gelofte af! (er)naar of (tot) alle neem gevangen! (er)naar die op haar (hij) heeft gevestigd (met) hen dat (de) stille aan haar bij (de) dag (zij) hebben toegehoord
16.
en als de stier (hij) was vruchtbaar (met) hen na (zij) hebben toegehoord en verheven (tot) antwoord(t)
17.
deze de wetten die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes tussen man aan vuur (...) hem tussen vader hart (...) hem bij schud! (er)naar huis naar vader

Hoofdstuk 31

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
wraak (jij) hebt gewroken bouw! Israël honderd EMDINIM andere (jij) verzamelde naar volkeren (...) jou
3.
en (hij) sprak Mozes naar het volk te spreken (is het zo) dat (zij) hebben uitgetrokken MATKM mensen zich te scharen en (zij) waren op Midian te geven (jij) hebt gewroken Jahweh bij Midian
4.
duizend aan stam duizend aan stam aan alle buigen om Israël (jullie) zondden weg zich te scharen
5.
WIMXRW van duizend(en) van Israël duizend aan stam twee rijkdom duizend trek uit! (...) mij leger
6.
en (hij) zond weg (met) hen Mozes duizend aan stam zich te scharen (met) hen en (tot) Pinehas zoon Eleazar de priester zich te scharen en gereedschap wijd! en trompetten het gejubel bij (hij) bedankte
7.
en (zij) schaarden zich op Midian zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes en (zij) doodden alle man
8.
en (tot) heers! Midian (zij) hebben gedood op doden (...) hen (tot) o wee! en (tot) (hij) heeft geborduurd en (tot) rots en (tot) Hur en (tot) kwart vijf heers! Midian en (tot) Bileam zoon bij (de) huid (zij) hebben gedood bij (het) zwaard
9.
en (zij) hebben gewoond bouw! Israël (tot) vrouwen van Midian en (tot) kleine kinderen (...) hen en (tot) alle beesten (...) hen en (tot) alle bezit (...) hen en (tot) alle macht (...) hen (zij) hebben geplunderd
10.
en (tot) alle steden (...) hen bij (de) nederzettingen (...) hen en (tot) alle ÐIRTM verbrandt! (hij) is verrot
11.
en (zij) namen (tot) alle de buit en (tot) alle (is het zo) dat om te nemen bij (de) mens en bij (de) vee
12.
en voert in! naar Mozes en naar Eleazar de priester en naar getuige van bouw! Israël (tot) de gevangenschap en (tot) (is het zo) dat om te nemen en (tot) de buit naar het kamp naar (jij) bent aangenaam geweest Moab die op Jordaan maan (...) hem
13.
en voert uit! Mozes en Eleazar de priester en alle vorsten van de getuige hen tegemoet naar buiten aan kamp
14.
en (hij) maakte zich kwaad Mozes op opperbevel (...) mij de macht Sarai (de) duizenden en Sarai de honderd die gekomen om zich te scharen de strijd
15.
en (hij) sprak naar hen Mozes (is het zo) dat (jullie) hebben geleefd alle vrouw
16.
èn hier is (zij) zijn geweest aan zonen van Israël bij (het) woord Bileam LMXR boven bij Jahweh op woord Peor en (zij) was de epidemie bij (de) getuige van Jahweh
17.
en nu (zij) hebben gedood alle man bij (de) kleine kinderen en alle vrouw (jij) hebt geweten man aan bed man (zij) hebben gedood
18.
en alle de kleine kinderen bij worden verlaten die niet (zij) hebben geweten bed man (is het zo) dat (zij) hebben geleefd aan jullie
19.
en (met) hen (zij) zijn gelegerd buiten aan kamp zeven dagen alle (hij) heeft gedood ziel en alle plaag bij (de) dode TTHÐAW bij (de) dag (de) derde en bij (de) dag (de) zevende (met) hen en gevangenschap (...) jullie
20.
en alle kleed en alle gereedschap huid en alle Mozes geiten en alle gereedschap boom TTHÐAW
21.
en (hij) sprak Eleazar de priester naar mens (...) mij de leger die gekomen aan strijd deze grondwet van het Wetboek die geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
22.
maar (tot) het goud en (tot) het zilver (tot) het koper (tot) het ijzer (tot) EBDIL en (tot) de jonge ree van
23.
alle woord die (hij) kwam (hij) is verrot (jullie) brachten over (hij) is verrot en zuiverheid maar bij (het) water van afzondering ITHÐA en alle die niet (hij) kwam (hij) is verrot (jullie) brachten over bij (het) water
24.
WKBXTM kledingstukken (...) jullie bij (de) dag (de) zevende en (jullie) hebben gezuiverd en andere (jij) kwam (...) hem naar het kamp
25.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
26.
draag! (tot) hoofd om te nemen de gevangenschap bij (de) mens en bij (de) vee (met) haar en Eleazar de priester en hoofden van vaders de getuige
27.
WHßIT (tot) (is het zo) dat om te nemen tussen (jij) verbreidde je de strijd de uitgaanden zich te scharen en tussen alle de getuige
28.
en (jij) hebt opgetild MKX aan Jahweh honderd mens (...) mij de strijd de uitgaanden zich te scharen één ziel MHMS de honderd vanuit de mens en vanuit het rundvee en vanuit de ezeldrijvers en vanuit het kleinvee
29.
MMHßITM (jullie) namen en zet aan Eleazar de priester bijdrage van Jahweh
30.
en van helft van bouw! Israël (jij) nam één Achaz vanuit de vijftig vanuit de mens vanuit het rundvee vanuit de ezeldrijvers en vanuit het kleinvee van alle de vee en zet (met) hen aan Levieten bewaar! bewaring residentie Jahweh
31.
en (hij) heeft gemaakt Mozes en Eleazar de priester zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
32.
en wees (is het zo) dat om te nemen rest de minachting die (zij) hebben geplunderd met de leger kleinvee zes honderd duizend en zeventig duizend en vijf duizenden
33.
en rundvee twee en zeventig duizend
34.
en ezeldrijvers één en zestig duizend
35.
en ziel mens vanuit (is het zo) dat worden verlaten die niet (zij) hebben geweten bed man alle ziel twee en dertig duizend
36.
en (zij) was de helft deel de uitgaanden bij (de) leger getal het kleinvee drie honderd duizend en dertig duizend en zeven duizenden en vijf honderd
37.
en wees EMKX aan Jahweh vanuit het kleinvee zes honderd vijf en zeventig
38.
en het rundvee zes en dertig duizend WMKXM aan Jahweh twee en zeventig
39.
en ezeldrijvers dertig duizend en vijf honderd WMKXM aan Jahweh één en zestig
40.
en ziel mens zes rijkdom duizend WMKXM aan Jahweh twee en dertig ziel
41.
en (hij) gaf Mozes (tot) MKX bijdrage van Jahweh aan Eleazar de priester zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
42.
WMMHßIT bouw! Israël die naar pijl Mozes vanuit de mensen (is het zo) dat schaar je! (...) hen
43.
en (zij) was (jij) hebt vermorzeld de getuige vanuit het kleinvee drie honderd duizend en dertig duizend zeven duizenden en vijf honderd
44.
en rundvee zes en dertig duizend
45.
en ezeldrijvers dertig duizend en vijf honderd
46.
en ziel mens zes rijkdom duizend
47.
en (hij) nam Mozes van helft van bouw! Israël (tot) (is het zo) dat Achaz één vanuit de vijftig vanuit de mens en vanuit de vee en (hij) gaf (met) hen aan Levieten bewaar! bewaring residentie Jahweh zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes
48.
en (zij) brachten nader naar Mozes de opnamen die aan duizend(en) van de leger Sarai (de) duizenden en Sarai de honderd
49.
en (zij) spraken naar Mozes slaven (...) jou (zij) hebben gedragen (tot) hoofd mens (...) mij de strijd die bij (de) hand (...) ons noch (hij) is geteld (van)uit hem man
50.
en (wij) brachten nader (tot) offer Jahweh man die (hij) heeft gevonden gereedschap goud AßODE WßMID ring oorring WKWMZ te verzoenen op zielen (...) ons voor Jahweh
51.
en (hij) nam Mozes en Eleazar de priester (tot) het goud van jullie alle gereedschap Mozes
52.
en wees alle goud de bijdrage die (zij) hebben opgetild aan Jahweh zes rijkdom duizend zeven honderd en vijftig munt honderd Sarai (de) duizenden en honderd Sarai de honderd
53.
mens (...) mij de leger (zij) hebben geplunderd man als
54.
en (hij) nam Mozes en Eleazar de priester (tot) het goud honderd Sarai (de) duizenden en de honderden en voert in! (met) hem naar tent ontmoeting herinnering aan zonen van Israël voor Jahweh

Hoofdstuk 32

1.
en bezit meerderheid (hij) is geweest aan zonen van Ruben en aan zonen van Gad word machtig! zeer en (zij) lieten zien (tot) land Jaezer en (tot) land gedenkteken en hier is de plaats plaats bezit
2.
en voert in! bouw! Gad en bouw! Ruben en (zij) spraken naar Mozes en naar Eleazar de priester en naar vorsten van de getuige te spreken
3.
kronen WDIBN en Jaezer en (wij) verbitterden (er)naar en Hesbon WALOLE en woon! (...) hen en Nebo WBON
4.
het land die (hij) heeft geslagen Jahweh voor getuige van Israël land bezit hij en aan slaven (...) jou bezit
5.
en (zij) spraken als (wij) hebben gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou (hij) gaf (tot) het land (de) deze aan slaven (...) jou naar aan Achaz naar (zij) ging voorbij (...) ons (tot) de Jordaan
6.
en (hij) sprak Mozes aan zonen van Gad en aan zonen van Ruben de broers (...) jullie voert in! aan strijd en (met) hen (jullie) woonden mond
7.
en waarom TNWAWN (tot) hart bouw! Israël trek(t) door naar het land die (hij) heeft gegeven aan hen Jahweh
8.
zo Ezau vaders (...) jullie bij zend weg! (met) hen heilig(t) Barnea te zien (tot) het land
9.
en (zij) verhieven tot wadi ASKWL en (zij) lieten zien (tot) het land WINIAW (tot) hart bouw! Israël opdat niet (hij) is gekomen naar het land die (hij) heeft gegeven aan hen Jahweh
10.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij (de) dag dat en (hij) was verzadigd te spreken
11.
als (zij) lieten zien de mensen de hoogtes van Egypte van zoon twintig jaar en hoogte (tot) de aarde die (ik) heb gezworen aan Abraham aan Izak en aan Jakob dat niet (zij) zijn vol geweest na
12.
niet hond zoon Jefunne EQNZI en Jozua zoon Nun dat (zij) zijn vol geweest na Jahweh
13.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij Israël en (hij) zwierf (...) hen bij (de) woestijn veertig jaar tot onschuldige alle de generatie (is het zo) dat (hij) heeft gedaan juich! bij bestudeer! Jahweh
14.
en hier is (jullie) zijn opgestaan in de plaats van vaders (...) jullie TRBWT mensen zondaars LXPWT nog (eens) op woede neus Jahweh naar Israël
15.
dat (jij) blies (...) hen van na hem en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) rust te geven (...) hem bij (de) woestijn en (jullie) hebben gesproken aan alle het volk deze
16.
en (zij) zijn genaderd naar hem en (zij) spraken (jij) hebt een omheining opgericht kleinvee (wij) bouwden tot van nest (...) ons mond en steden aan kleine kinderen (...) ons
17.
en wij NHLß haasten zich voor bouw! Israël tot die als EBIANM naar plaats (...) hen en inwoner kleine kinderen (...) ons roeie uit! (de) versterkte van aanzicht van inwoners van het land
18.
niet (wij) bliezen naar huizen (...) ons tot ETNHL bouw! Israël man erfgoed (...) hem
19.
dat niet NNHL (met) hen trek(t) door aan Jordaan en de Lea dat kom(t) (jij) hebt verworven (...) ons naar ons trek(t) door de Jordaan naar Oosten
20.
en (hij) sprak naar hen Mozes als (jullie) maakten (...) hen (tot) het woord deze als (jullie) troken uit voor Jahweh aan strijd
21.
en kant aan jullie alle trek uit! (tot) de Jordaan voor Jahweh tot (zij) hebben verdreven (tot) vijanden (...) hem van aanzichten (...) hem
22.
WNKBSE het land voor Jahweh en andere (jullie) woonden en (jullie) zijn geweest (wij) vestigden van Jahweh en van Israël en (zij) is geweest het land (de) deze aan jullie naar aan Achaz voor Jahweh
23.
en als niet (jullie) maakten (...) hen zo hier is (jullie) hebben gezondigd aan Jahweh en weet! zondoffer (...) jullie die (jij) vond (met) jullie
24.
bij ons aan jullie steden aan kleine kinderen (...) jullie en (jij) hebt een omheining opgericht LßNAKM en de uitgaande van monden (...) jullie (jullie) maakten
25.
en (hij) sprak bouw! Gad en bouw! Ruben naar Mozes te spreken slaven (...) jou (zij) hebben gemaakt zoals liggers van voorschrift
26.
kleine kinderen (...) ons vrouwen (...) ons van nest (...) ons en alle bij (wij) hebben gedood (zij) waren daar roeie uit! het gedenkteken
27.
en slaven (...) jou (zij) gingen voorbij alle trek uit! leger voor Jahweh aan strijd zoals liggers van woord
28.
en (hij) gaf opdracht aan hen Mozes (tot) Eleazar de priester en (tot) Jozua zoon Nun en (tot) hoofden van vaders (is het zo) dat buigen om aan zonen van Israël
29.
en (hij) sprak Mozes naar hen als (zij) gingen voorbij bouw! Gad en bouw! Ruben (met) jullie (tot) de Jordaan alle trek uit! aan strijd voor Jahweh WNKBSE het land voor jullie en (jij) hebt gegeven (...) hen aan hen (tot) land het gedenkteken naar aan Achaz
30.
en als niet (zij) gingen voorbij HLWßIM (met) jullie en (wij) grepen (...) hem temidden van jullie bij (het) land Kanaän
31.
en (zij) antwoordden bouw! Gad en bouw! Ruben te spreken (tot) die woord Jahweh naar slaven (...) jou zo (hij) is gedaan
32.
(wij) hebben gerust (wij) troken door HLWßIM voor Jahweh land Kanaän en (met) ons (jij) hebt gegrepen (jij) hebt verworven (...) ons trek(t) door aan Jordaan
33.
en (hij) gaf aan hen Mozes aan zonen van Gad en aan zonen van Ruben en druk! stam Manasse zoon Jozef (tot) rijk van Sihon koning de Amoriet en (tot) rijk van Og koning de Basan het land naar aan steden bij (de) grens van steden van het land rondom
34.
en (zij) bouwden bouw! Gad (tot) DIBN en (tot) (jij) hebt omgeven en (tot) OROR
35.
en (tot) (jij) hebt omgeven SWPN en (tot) Jaezer WICBEE
36.
en (tot) huis (wij) verbitterden (er)naar en (tot) huis Haran steden van versterkte en (jij) hebt een omheining opgericht kleinvee
37.
en bouw! Ruben bij ons (tot) Hesbon en (tot) ALOLA en (tot) (ik) ben gebeurd (...) hen
38.
en (tot) Nebo en (tot) echtgenoot van vijandige MWXBT daar en (tot) SBME en (zij) noemden bij (jij) hebt geplaatst (tot) namen de steden die bij ons
39.
en (zij) gingen bouw! Machir zoon Manasse naar gedenkteken en (hij) voegde samen (er)naar en verover(t) (tot) de Amoriet die bij haar
40.
en (hij) gaf Mozes (tot) het gedenkteken aan Machir zoon Manasse en inwoner bij haar
41.
en (hij) verlichtte zoon Manasse beweging en (hij) voegde samen (tot) Hevieten (...) hen en (hij) noemde (met) hen boerderij van (hij) verlichtte
42.
WNBH beweging en (hij) voegde samen (tot) QNT en (tot) naar dochters en (hij) noemde aan haar NBH bij (de) zijn naam

Hoofdstuk 33

1.
deze tochten van bouw! Israël die voert uit! van land Egypte aan legers (...) hen bij (de) hand Mozes en Aäron
2.
en (hij) schreef Mozes (tot) MWßAIEM aan tochten (...) hen op mond van Jahweh en deze tochten (...) hen LMWßAIEM
3.
en (zij) reisden van Rameses bij (de) maand (de) eerste bij vijf rijkdom dag aan maand (de) eerste de volgende dag het Pesach voert uit! bouw! Israël bij (de) hand wormen te bestuderen (...) mij alle Egypte
4.
en Egypte van graven (tot) die (hij) heeft geslagen Jahweh bij hen alle eerstgeborene en met hun God (hij) heeft gedaan Jahweh rechters
5.
en (zij) reisden bouw! Israël van Rameses en (zij) legerden bij (de) hut van
6.
en (zij) reisden van hut van en (zij) legerden (jullie) zijn gekomen die bij (het) einde de woestijn
7.
en (zij) reisden van jullie en inwoner op mond van EHIRT die op aanzicht van echtgenoot Noorden en (zij) legerden voor kweek(t)
8.
en (zij) reisden van aanzicht van EHIRT en (zij) gingen voorbij binnen de zee naar de woestijn en (zij) gingen weg drie van dagen bij (de) woestijn (met) hen en (zij) legerden bij (de) bittere
9.
en (zij) reisden verbitter(t) (er)naar en voert in! AILME en bij (de) ram (...) hen twee tien bron van water en zeventig dadels en (zij) legerden daar
10.
en (zij) reisden van ram (...) hen en (zij) legerden op zee riet
11.
en (zij) reisden water riet en (zij) legerden bij (de) woestijn Sin
12.
en (zij) reisden van woestijn Sin en (zij) legerden BDPQE
13.
en (zij) reisden MDPQE en (zij) legerden BALWS
14.
en (zij) reisden MALWS en (zij) legerden BRPIDM noch (hij) is geweest daar water aan volk te drinken
15.
en (zij) reisden MRPIDM en (zij) legerden bij (de) woestijn Sinaï
16.
en (zij) reisden van woestijn Sinaï en (zij) legerden bij (jij) hebt begraven de begeerte
17.
en (zij) reisden MQBRT de begeerte en (zij) legerden bij (het) grondgebied van
18.
en (zij) reisden van grondgebied van en (zij) legerden BRTME
19.
en (zij) reisden MRTME en (zij) legerden bij Rimmon doorbraak
20.
en (zij) reisden van Rimmon doorbraak en (zij) legerden bij (de) witte
21.
en (zij) reisden van witte en (zij) legerden BRXE
22.
en (zij) reisden MRXE en (zij) legerden bij (jij) hebt verzameld (er)naar
23.
en (zij) reisden MQELTE en (zij) legerden bij (de) heuvel schoonheid
24.
en (zij) reisden vlugge schoonheid en (zij) legerden bij (zij) is geschrokken
25.
en (zij) reisden van bezorgde en (zij) legerden BMQELT
26.
en (zij) reisden MMQELT en (zij) legerden BTHT
27.
en (zij) reisden onder vandaan en (zij) legerden bij Terach
28.
en (zij) reisden van Terach en (zij) legerden BMTQE
29.
en (zij) reisden MMTQE en (zij) legerden BHSMNE
30.
en (zij) reisden MHSMNE en (zij) legerden BMXRWT
31.
en (zij) reisden MMXRWT en (zij) legerden bij bouw! IOQN
32.
en (zij) reisden van zonen van IOQN en (zij) legerden (hij) heeft gekozen ECDCD
33.
en (zij) reisden morgen ECDCD en (zij) legerden bij (jij) bent goed geweest (er)naar
34.
en (zij) reisden MIÐBTE en (zij) legerden bij (hij) is voorbijgegaan (...) haar
35.
en (zij) reisden trek(t) door (...) haar en (zij) legerden BOßIN man
36.
en (zij) reisden MOßIN man en (zij) legerden bij (de) woestijn Zin hij heiligheid
37.
en (zij) reisden heilig(t) en (zij) legerden bij (de) heuvel de heuvel bij (het) einde land Edom
38.
en (hij) verhief Aäron de priester naar heuvel de heuvel op mond van Jahweh en (hij) stierf daar bij (het) jaar van de veertig uit te gaan bouw! Israël van land Egypte bij (de) maand (de) vijfde bij één aan maand
39.
en Aäron zoon drie en twintig en honderd jaar bij (zij) zijn gestorven bij (de) heuvel de heuvel
40.
en (hij) hoorde toe (de) Kanaänitische koning Harad en hij inwoner bij (het) Zuiden bij (het) land Kanaän bij (het) komen bouw! Israël
41.
en (zij) reisden vlugge de heuvel en (zij) legerden BßLMNE
42.
en (zij) reisden MßLMNE en (zij) legerden BPWNN
43.
en (zij) reisden MPWNN en (zij) legerden bij (de) vader van
44.
en (zij) reisden van vader van en (zij) legerden BOII (is het zo) dat voorbijgaan bij (de) grens Moab
45.
en (zij) reisden MOIIM en (zij) legerden BDIBN Gad
46.
en (zij) reisden MDIBN Gad en (zij) legerden bij (de) eeuwigheid (...) hen DBLTIME
47.
en (zij) reisden van eeuwigheid (...) hen DBLTIME en (zij) legerden bij word zwanger! (is het zo) dat voorbijgaan voor Nebo
48.
en (zij) reisden haast je! (is het zo) dat voorbijgaan en (zij) legerden bij (jij) bent aangenaam geweest Moab op Jordaan maan (...) hem
49.
en (zij) legerden op de Jordaan van huis EISMT tot rouw de acacia's bij (jij) bent aangenaam geweest Moab
50.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes bij (jij) bent aangenaam geweest Moab op Jordaan maan (...) hem te spreken
51.
woord naar bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen dat (met) hen voorbijgaan (tot) de Jordaan naar land Kanaän
52.
en (jullie) hebben verdreven (tot) alle inwoners van het land van aanzichten (...) jullie en (jullie) zijn verloren gegaan (tot) alle MSKITM en (tot) alle beelden van van hutten (...) hen (jullie) gingen verloren en (tot) alle verhogingen (...) hen (jullie) roeiden uit
53.
en (jullie) hebben verdreven (tot) het land en (jullie) hebben gewoond bij haar dat aan jullie (ik) heb gegeven (tot) het land te veroveren (met) haar
54.
WETNHLTM (tot) het land bij (het) lot aan families (...) jullie aan meerderheid (jullie) vermeerderden (tot) erfgoed (...) hem en aan een beetje TMOIÐ (tot) erfgoed (...) hem naar die uitgaande als daarnaar (-s) het lot als (hij) was aan stammen vaders (...) jullie TTNHLW
55.
en als niet (jullie) verdreven (tot) inwoners van het land van aanzichten (...) jullie en (hij) is geweest die TWTIRW (van)uit hen LSKIM bij (de) ogen (...) jullie WLßNINM bij (de) kanten (...) jullie en (zij) hebben gebundeld (met) jullie op het land die (met) hen inwoners bij haar
56.
en (hij) is geweest zoals (ik) heb geleken te doen aan hen (ik) werd gedaan aan jullie

Hoofdstuk 34

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
2.
opdracht (tot) bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen dat (met) hen komen naar het land Kanaän deze het land die zoutloze aan jullie bij (het) erfgoed land Kanaän naar aan genzen
3.
en (hij) is geweest aan jullie hoek van Zuiden van woestijn Zin op handen van Edom en (hij) is geweest aan jullie grens Zuiden van einde zee het zout (zij) is voorgegaan
4.
en (wij) legden opzij aan jullie de grens droog(t) af aan hoogte OQRBIM en kant schild en (hij) is geweest TWßATIW droog(t) af te heiligen Barnea en uitgaande grondgebied Adar en kant (hij) is machtig geworden (...) haar
5.
en (wij) legden opzij de grens MOßMWN erfgoed Egypte en (zij) zijn geweest TWßATIW naar de dag
6.
en grens zee en (hij) is geweest aan jullie de zee (de) grote en grens dit (hij) was aan jullie grens zee
7.
en dit (hij) was aan jullie grens Noorden vanuit de zee de grote (jullie) zullen begeren aan jullie heuvel de heuvel
8.
vlugge de heuvel (jullie) zullen begeren te komen leren zak en (zij) zijn geweest TWßAT beperk! ßDDE
9.
en uitgaande beperk! ZPRNE en (zij) zijn geweest TWßATIW grondgebied oog (...) hen dit (hij) was aan jullie grens Noorden
10.
WETAWITM aan jullie aan grens (zij) is voorgegaan van grondgebied oog (...) hen SPME
11.
en (hij) is gedaald beperk! MSPM ERBLE van voorkant te bestuderen en (hij) is gedaald beperk! en (hij) heeft uitgewist op schouder zee zoals licht van (zij) is voorgegaan
12.
en (hij) is gedaald de grens naar de Jordaan en (zij) zijn geweest TWßATIW zee het zout deze (jij) was aan jullie het land naar aan genzen rondom
13.
en (hij) gaf opdracht Mozes (tot) bouw! Israël te spreken deze het land die TTNHLW (met) haar bij (het) lot die geef opdracht! Jahweh te geven LTSOT (is het zo) dat buigen om en halve de stam
14.
dat (zij) hebben genomen stam bouw! de Rubeniet aan huis vader (...) hen en stam bouw! het bokje aan huis vader (...) hen en halve stam Manasse (zij) hebben genomen (jullie) hebben verworven
15.
tweede (is het zo) dat buigen om en halve de stam (zij) hebben genomen (jullie) hebben verworven trek(t) door aan Jordaan maan (...) hem (zij) is voorgegaan naar Oosten
16.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
17.
deze namen de mensen die (zij) zullen verwerven aan jullie (tot) het land Eleazar de priester en Jozua zoon Nun
18.
en vorst één vorst één van stam (jullie) namen aan wadi (tot) het land
19.
en deze namen de mensen aan stam Juda hond zoon Jefunne
20.
en aan stam bouw! Simeon Samuël zoon Ammihud
21.
aan stam Benjamin ALIDD zoon als baant! (...) hen
22.
en aan stam bouw! Dan vorst BQI zoon (hij) verheugde zich (...) mij
23.
aan zonen van Jozef aan stam bouw! Manasse vorst HNIAL zoon priesterkleed
24.
en aan stam bouw! Efraïm vorst QMWAL zoon rechter (...) hen
25.
en aan stam bouw! Zebulon vorst ALIßPN zoon PRNK
26.
en aan stam bouw! Issaschar vorst PLÐIAL zoon kracht (...) hen
27.
en aan stam bouw! die vorst AHIEWD zoon betaal!
28.
en aan stam bouw! Nafthali vorst PDEAL zoon Ammihud
29.
deze die geef opdracht! Jahweh aan wadi (tot) bouw! Israël bij (het) land Kanaän

Hoofdstuk 35

1.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes bij (jij) bent aangenaam geweest Moab op Jordaan maan (...) hem te spreken
2.
opdracht (tot) bouw! Israël en (zij) hebben gegeven aan Levieten van erfgoed van (jullie) hebben gegrepen steden te wonen en terrein aan steden XBIBTIEM (jullie) gaven aan Levieten
3.
en (zij) zijn geweest de steden aan hen te wonen en terreinen (...) hen (zij) waren aan beesten (...) hen WLRKSM en aan alle dieren (...) hen
4.
en terreinen van de steden die (jullie) gaven aan Levieten van muur (hij) heeft opgemerkt en naar straat duizend natie rondom
5.
en van wet (...) hen buiten aan stad (tot) hoek van (zij) is voorgegaan duizenden bij (de) natie en (tot) hoek van Zuiden duizenden bij (de) natie en (tot) hoek van zee duizenden bij (de) natie en (tot) hoek van Noorden duizenden bij (de) natie en (hij) heeft opgemerkt binnen dit (hij) was aan hen terreinen van de steden
6.
en (tot) de steden die (jullie) gaven aan Levieten (tot) zes steden van de schuilplaats die (jullie) gaven aan teken daarnaar (-s) de moord en op hen (jullie) gaven veertig en twee stad
7.
alle de steden die (jullie) gaven aan Levieten veertig en acht stad (met) hen en (tot) terreinen (...) hen
8.
en de steden die (jullie) gaven MAHZT bouw! Israël honderd de meerderheid (jullie) vermeerderden en honderd het een beetje TMOIÐW man zoals mond van erfgoed (...) hem die (zij) zullen verwerven (hij) gaf van steden (...) hem aan Levieten
9.
en (hij) sprak Jahweh naar Mozes te spreken
10.
woord naar bouw! Israël en (jij) hebt gesproken naar hen dat (met) hen voorbijgaan (tot) de Jordaan naar land Kanaän
11.
en de steden (...) hen aan jullie steden steden van schuilplaats (jullie) waren aan jullie en teken daarnaar (-s) moord geslagen ziel bij (de) vergissing
12.
en (zij) zijn geweest aan jullie de steden aan schuilplaats van wreker noch (hij) stierf de moord tot sta(a)t vast! voor de getuige aan rechtsregel
13.
en de steden die (jullie) gaven zes steden van schuilplaats (jullie) waren aan jullie
14.
(tot) drie de steden (jullie) gaven trek(t) door aan Jordaan en (tot) drie de steden (jullie) gaven bij (het) land Kanaän steden van schuilplaats (jullie) waren
15.
aan zonen van Israël en aan vreemdeling en aan inwoner bij (het) midden (...) hen (jullie) waren zes de steden (de) deze aan schuilplaats te vluchten daarnaar (-s) alle geslagen ziel bij (de) vergissing
16.
en als bij (het) gereedschap ijzer (is het zo) dat (zij) zijn donker geworden en (hij) stierf moord hij dood (hij) zal worden laten sterven de moord
17.
en als bij (de) steen hand die (hij) stierf bij haar (is het zo) dat (zij) zijn donker geworden en (hij) stierf moord hij dood (hij) zal worden laten sterven de moord
18.
of bij (het) gereedschap boom hand die (hij) stierf bij hem (is het zo) dat (zij) zijn donker geworden en (hij) stierf moord hij dood (hij) zal worden laten sterven de moord
19.
wreker het bloed hij (hij) doodde (tot) de moord bij (zij) hebben getroffen bij hem hij (zij) verzachtten
20.
en als bij (zij) heeft gehaat IEDPNW of (hij) heeft afgeworpen op hem naar bij (de) kanten en (hij) stierf
21.
of bij (de) vijandschap (is het zo) dat (zij) zijn donker geworden bij (hij) bedankte en (hij) stierf dood (hij) zal worden laten sterven (de) geslagen moord hij wreker het bloed (hij) doodde (tot) de moord bij (zij) hebben getroffen bij hem
22.
en als BPTO zonder vijandschap EDPW of (hij) heeft afgeworpen op hem alle gereedschap zonder naar kanten
23.
of in alle steen die (hij) stierf bij haar zonder zicht en (hij) liet vallen op hem en (hij) stierf en hij niet vijand als noch zoek(t) medemens (...) hem
24.
en (zij) hebben berecht de getuige tussen (de) geslagen en tussen wreker het bloed op de rechtsregels (de) deze
25.
en (zij) hebben gered de getuige (tot) de moord van hand wreker het bloed en (zij) hebben teruggegeven (met) hem de getuige naar stad schuilplaats (...) hem die teken daarnaar (-s) en inwoner bij haar tot dood de priester de grote die (hij) heeft gezalfd (met) hem bij (de) olie wijd!
26.
en als uitgaande uitgaande de moord (tot) grens stad schuilplaats (...) hem die (hij) vluchtte daarnaar (-s)
27.
en (hij) heeft gevonden (met) hem wreker het bloed buiten aan grens stad schuilplaats (...) hem en moord wreker het bloed (tot) de moord (er is) niet als bloed
28.
dat bij (de) stad schuilplaats (...) hem inwoner tot dood de priester de grote en na dood de priester de grote (hij) blies de moord naar land (jij) hebt gegrepen (...) hem
29.
en (zij) zijn geweest deze aan jullie aan grondwet van rechtsregel aan generaties (...) jullie in alle nederzettingen (...) jullie
30.
alle geslagen ziel aan mond van getuigen IRßH (tot) de moord en tot één niet (hij) antwoordde bij (de) ziel te sterven
31.
noch (jullie) namen dorp aan ziel moord die hij slechte te sterven dat dood (hij) zal worden laten sterven
32.
noch (jullie) namen dorp te vluchten naar stad schuilplaats (...) hem terug te keren te wonen bij (het) land tot dood de priester
33.
noch (jullie) vleiden (tot) het land die (met) hen bij haar dat het bloed hij (hij) vleide (tot) het land en aan land niet (hij) verzoende aan bloed die monding bij haar dat als bij (het) bloed (zij) hebben gestort
34.
noch (jij) verklaarde onrein (tot) het land die (met) hen inwoners bij haar die ik buurman naar bij (het) midden dat ik Jahweh buurman binnen bouw! Israël

Hoofdstuk 36

1.
en (zij) brachten nader hoofden van de vaders aan familie van bouw! gedenkteken zoon Machir zoon Manasse van familie van bouw! Jozef en (zij) spraken voor Mozes en voor de dragers hoofden van vaders aan zonen van Israël
2.
en (zij) spraken (tot) liggers van geef opdracht! Jahweh te geven (tot) het land bij (het) erfgoed bij (het) lot aan zonen van Israël en liggers van geef opdracht! bij Jahweh te geven (tot) (jij) hebt verworven Zelafead broers (...) ons aan dochters (...) hem
3.
en (zij) zijn geweest aan één van zonen van stammen van bouw! Israël aan vrouwen en (wij) verminderden (er)naar (jullie) hebben verworven van erfgoed van vaders (...) ons en (wij) lieten toevoegen op (jij) hebt verworven de stam die (jullie) waren aan hen WMCRL (jij) hebt verworven (...) ons (hij) verminderde
4.
en als (hij) was de 50e jaardag aan zonen van Israël en (wij) lieten toevoegen (er)naar (jullie) hebben verworven op (jij) hebt verworven de stam die (jullie) waren aan hen en van erfgoed van stam vaders (...) ons (hij) verminderde (jullie) hebben verworven
5.
en (hij) gaf opdracht Mozes (tot) bouw! Israël op mond van Jahweh te spreken zo stam bouw! Jozef woorden
6.
dit het woord die geef opdracht! Jahweh te bouwen Zelafead te spreken aan goede bij (de) ogen (...) hen (jullie) waren aan vrouwen maar aan familie van stam vaders (...) hen (jullie) waren aan vrouwen
7.
noch (jij) legde opzij erfgoed aan zonen van Israël van stam naar stam dat man bij (jij) hebt verworven stam vaders (...) hem (zij) plakten bouw! Israël
8.
en alle dochter (jij) hebt veroverd erfgoed van stammen bouw! Israël aan één van familie van stam naar vader (jij) was aan vrouw opdat (zij) veroverden bouw! Israël man (jij) hebt verworven vaders (...) hem
9.
noch (jij) legde opzij erfgoed van stam aan stam andere dat man bij (het) erfgoed (...) hem (zij) plakten buigen om bouw! Israël
10.
zoals geef opdracht! Jahweh (tot) Mozes zo Ezau dochters Zelafead
11.
en (jullie) waren begin(t) te (er)naar Thirza WHCLE en koningin en (zij) heeft gezworven dochters Zelafead aan zonen van tepels (...) hen aan vrouwen
12.
van familie van bouw! Manasse zoon Jozef (zij) zijn geweest aan vrouwen en (zij) was (jullie) hebben verworven op stam familie van vaders (...) hen
13.
deze het voorschrift van en de rechtsregels die geef opdracht! Jahweh bij (de) hand Mozes naar bouw! Israël bij (jij) bent aangenaam geweest Moab op Jordaan maan (...) hem