Hoofdstuk 1

1.
en wees na dood Jozua en (hij) vroeg (...) hem bouw! Israël bij Jahweh te spreken water van (hij) verhief aan ons naar (de) Kanaänitische bij (het) begin aan het brood bij hem
2.
en (hij) sprak Jahweh Juda (hij) verhief hier is (ik) heb gegeven (tot) het land bij (hij) bedankte
3.
en (hij) sprak Juda aan Simeon broers (...) hem blad (met) mij BCRLI en (zij) heeft gestreden bij (de) Kanaänitische en (ik) ben gegaan ook ik (met) jou bij (het) lot (...) jou en (hij) ging (met) hem Simeon
4.
en (hij) verhief Juda en (hij) gaf Jahweh (tot) (de) Kanaänitische en de Fereziet bij (hij) leek en (hij) stond op BBZQ tiental duizenden man
5.
en (zij) vondden (tot) liggers van BZQ BBZQ en (zij) streedden bij hem en (zij) sloegen (tot) (de) Kanaänitische en (tot) de Fereziet
6.
en (hij) vluchtte liggers van BZQ en (zij) achtervolgdenen na hem en (zij) grepen hem WIQßßW (tot) BENWT handen (...) hem en voeten (...) hem
7.
en (hij) sprak liggers van BZQ zeventig koningen BENWT handen (...) hen en voeten (...) hen MQßßIM (zij) zijn geweest verzamelen in de plaats van (hij) mij gezonden zoals (ik) heb gedaan zo gehele aan mij God en (zij) brachten (...) hem Jeruzalem en (hij) stierf daar
8.
en (zij) streedden bouw! Juda bij Jeruzalem en (zij) voegden samen haar en (zij) sloegen (er)naar aan mond van zwaard en (tot) (hij) heeft opgemerkt zendt weg! (hij) is verrot
9.
en andere (zij) zijn gedaald bouw! Juda aan het brood bij (de) Kanaänitische bewoner de heuvel en het Zuiden en het laagland
10.
en (hij) ging Juda naar (de) Kanaänitische de bewoner bij Hebron en naam [van] Hebron vroeger Stad van vier en (zij) sloegen (tot) zesde en (tot) AHIMN en (tot) Thalmai
11.
en (hij) ging van daar naar bewoners van aanspraakplaats en naam [van] aanspraakplaats vroeger Stad van boek
12.
en (hij) sprak hond die (hij) sloeg (tot) Stad van boek en (zij) heeft gevangengenomen en (ik) heb gegeven als (tot) OKXE dochter (...) mij aan vrouw
13.
en (hij) voegde samen (er)naar Otniël zoon Kenaz broer hond de kleine (van)uit hem en (hij) gaf als (tot) OKXE dochter (...) hem aan vrouw
14.
en wees naar bij (de) komst WTXITEW te vragen honderd naar vader het veld WTßNH boven (de) ernstige en (hij) sprak aan haar hond wat? aan jou
15.
en (jij) sprak als vooruit! aan mij gelukwens dat land het Zuiden (jij) hebt gegeven (...) mij en zet aan mij (jij) hebt je verheugd water en (hij) gaf aan haar hond (tot) (jij) hebt je verheugd (jij) bent opgegaan en (tot) (jij) hebt je verheugd bodem
16.
en bouw! Keniet bruidegom Mozes (zij) zijn opgegaan merk(t) op de dadels (tot) bouw! Juda woestijn Juda die bij (het) Zuiden Harad en (hij) ging en inwoner (tot) het volk
17.
en (hij) ging Juda (tot) Simeon broers (...) hem en (zij) sloegen (tot) (de) Kanaänitische bewoner ßPT WIHRIMW haar en (hij) noemde (tot) daar (hij) heeft opgemerkt naar boycot
18.
en (hij) voegde samen Juda (tot) naar kracht en (tot) naar grens en (tot) Askelon en (tot) naar grens en (tot) Ekron en (tot) naar grens
19.
en wees Jahweh (tot) Juda en (hij) heeft veroverd (tot) de heuvel dat niet te verdrijven (tot) inwoners van de diepte dat wagen ijzer aan hen
20.
en (zij) gaven aan hond (tot) Hebron zoals woord Mozes en verover(t) van daar (tot) drie bouw! de reus
21.
en (tot) de Jebusiet inwoner Jeruzalem niet (zij) hebben verdreven bouw! Benjamin en inwoner de Jebusiet (tot) bouw! Benjamin bij Jeruzalem tot vandaag deze
22.
en (zij) verhieven huis Jozef ook zij huis naar en Jahweh volk (...) hen
23.
WITIRW huis Jozef bij (het) huis naar en naam [van] (hij) heeft opgemerkt vroeger LWZ
24.
en (zij) lieten zien (is het zo) dat bewaar! (...) hen man (hij) werd tevoorschijn gehaald vanuit (hij) heeft opgemerkt en (zij) spraken als (hij) heeft laten zien (...) ons toch (tot) om te komen (hij) heeft opgemerkt en (wij) hebben gedaan met jou genade
25.
en gezien (...) hen (tot) om te komen (hij) heeft opgemerkt en (zij) sloegen (tot) (hij) heeft opgemerkt aan mond van zwaard en (tot) de man en (tot) alle familie (...) hem zendt weg!
26.
en (hij) ging de man land de angsten en (hij) bouwde stad en (hij) noemde daarnaar (-s) LWZ hij daarnaar (-s) tot vandaag deze
27.
noch (hij) heeft verdreven Manasse (tot) huis draag! (...) hen en (tot) naar bebouwingen en (tot) (zij) antwoordde (...) jou en (tot) naar dochters en (tot) bewoner generatie en (tot) naar bebouwingen en (tot) bewoners van Jibleam en (tot) naar dochters en (tot) bewoners van Megiddo en (tot) naar bebouwingen en Joël (de) Kanaänitische te wonen bij (het) land (de) deze
28.
en wees dat kracht Israël en pas toe! (tot) (de) Kanaänitische aan belasting en (hij) heeft verdreven niet (zij) hebben verdreven
29.
en Efraïm niet (hij) heeft verdreven (tot) (de) Kanaänitische de bewoner bij (de) wortel en inwoner (de) Kanaänitische bij (zij) hebben nader gebracht bij (de) wortel
30.
Zebulon niet (hij) heeft verdreven (tot) bewoners van rookt! (...) hen en (tot) bewoners van (wij) loofden en inwoner (de) Kanaänitische bij (zij) hebben nader gebracht en (zij) waren aan belasting
31.
die niet (hij) heeft verdreven (tot) inwoners van OKW en (tot) bewoners van Sidon en (tot) AHLB en (tot) AKZIB en (tot) naar melk en (tot) bedding en (tot) breedte
32.
en inwoner de heil te midden van (de) Kanaänitische inwoners van het land dat niet (zij) hebben verdreven
33.
Nafthali niet (hij) heeft verdreven (tot) inwoners van huis zon en (tot) inwoners van huis Anath en inwoner te midden van (de) Kanaänitische inwoners van het land en inwoners van huis zon en huis Anath (zij) zijn geweest aan hen aan belasting
34.
en (zij) drukten de Amoriet (tot) bouw! Dan naar de heuvel dat niet (zij) hebben gegeven te dalen aan diepte
35.
en Joël de Amoriet te wonen bij (de) heuvel HRX bij Elon WBSOLBIM en (zij) was zwaar hand huis Jozef en (zij) waren aan belasting
36.
en grens de Amoriet van hoogte OQRBIM van de rots en hoogte

Hoofdstuk 2

1.
en (hij) verhief boodschapper Jahweh vanuit de Gilgal naar het geween (...) hen en (hij) sprak (ik) verhief (met) jullie van Egypte en Abia (met) jullie naar het land die (ik) heb gezworen aan vaders (...) jullie en woord niet as verbonden van (met) jullie aan eeuwigheid
2.
en (met) hen niet (jullie) hakten af verbond aan bewoners van het land (de) deze MZBHWTIEM (jullie) sloopten (...) hen noch (jullie) hebben toegehoord bij (de) klanken van wat? deze (jullie) hebben gedaan
3.
en ook (ik) heb gesproken niet (ik) verjoeg hen van aanzichten (...) jullie en (zij) zijn geweest aan jullie aan kanten en hun God (zij) waren aan jullie aan valstrik
4.
en wees zoals woord boodschapper Jahweh (tot) de woorden (de) deze naar alle bouw! Israël en (zij) droegen het volk (tot) klank (...) hen en (zij) weenden
5.
en (zij) noemden daar de plaats dat geween (...) hen en (zij) slachtten daar aan Jahweh
6.
en (hij) zond weg Jozua (tot) het volk en (zij) gingen bouw! Israël man aan erfgoed (...) hem te veroveren (tot) het land
7.
en (zij) werkten het volk (tot) Jahweh alle dagen van Jozua en alle dagen van de baarden die (zij) hebben verlengd dagen na IEWSWO die (zij) hebben gezien (tot) alle Mozes Jahweh (de) grote die (hij) heeft gedaan aan Israël
8.
en (hij) stierf Jozua zoon Nun slaaf Jahweh zoon honderd en rijkdom twee
9.
en (zij) begroeven hem bij (de) grens erfgoed (...) hem BTMNT HRX bij (de) heuvel Efraïm van Noorden aan heuvel COS
10.
en ook alle de generatie dat (wij) verzamelden (...) hem naar vaders-en (...) hem en (hij) stond op generatie andere na hen die niet (zij) hebben geweten (tot) Jahweh en ook (tot) (is het zo) dat Mozes die (hij) heeft gedaan aan Israël
11.
en (zij) hebben gemaakt bouw! Israël (tot) juich! bij bestudeer! Jahweh en (zij) werkten (tot) de echtgenoten
12.
en (zij) verlieten (tot) Jahweh mijn God vaders (...) hen (is het zo) dat haal(t) tevoorschijn hen van land Egypte en (zij) gingen na God anderen van mijn God de volkeren die XBIBWTIEM en (zij) bogen zich diep aan hen en (zij) waren boos (tot) Jahweh
13.
en (zij) verlieten (tot) Jahweh en (zij) werkten aan echtgenoot WLOSTRWT
14.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij Israël en (hij) gaf (...) hen bij (de) hand SXIM WISXW hen en (hij) verkocht (...) hen bij (de) hand vijanden (...) hen van rondom noch (zij) hebben gekund nog (eens) vast te staan voor vijanden (...) hen
15.
in alle die voert uit! hand Jahweh (zij) is geweest in hen aan herder zoals woord Jahweh en zoals (hij) heeft gezworen Jahweh aan hen en fabriceer! aan hen zeer
16.
en (hij) stond op Jahweh rechters en (zij) redden (...) hen van hand SXIEM
17.
en ook naar rechters (...) hen niet (zij) hebben toegehoord dat (zij) hebben gehoereerd na God anderen en (zij) bogen zich diep aan hen (zij) zijn afgeweken vlugge vanuit de weg die (zij) zijn gegaan vaders (...) hen aan nieuws voorschrift van Jahweh niet Ezau zo
18.
en dat (hij) heeft gevestigd Jahweh aan hen rechters en (hij) is geweest Jahweh met de rechter en (hij) heeft gered (...) hen van hand vijanden (...) hen alle dagen van (is het zo) dat berecht dat (hij) troostte Jahweh MNAQTM van aanzicht van aan helften (...) hen WDHQIEM
19.
en (hij) is geweest bij (de) dood (is het zo) dat berecht (zij) hebben gewoond en (zij) hebben kapot gemaakt om te wensen (...) hen te gaan na God anderen te bewerken (...) hen en zich diep te buigen aan hen niet (zij) hebben laten vallen van daden (...) hen en van generatie (...) jullie (de) harde
20.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij Israël en (hij) sprak wegens die (zij) zijn voorbijgegaan de volk deze (tot) verbonden van die (ik) heb opdracht gegeven (tot) vaders (...) hen noch (zij) hebben toegehoord aan klanken van
21.
ook ik niet (ik) voegde toe te verdrijven man van aanzichten (...) hen vanuit de volken die (hij) heeft verlaten Jozua en (hij) stierf
22.
opdat vluchten in hen (tot) Israël (is het zo) dat bewaar! (...) hen zij (tot) weg Jahweh te gaan in hen zoals bewaart! vaders (...) hen als niet
23.
en (hij) rustte Jahweh (tot) de volken (de) deze opdat niet (hij) heeft verdreven (...) hen vlugge noch (hij) heeft gegeven (...) hen bij (de) hand Jozua

Hoofdstuk 3

1.
en deze de volken die (hij) heeft rust gegeven Jahweh LNXWT in hen (tot) Israël (tot) alle die niet (zij) hebben geweten (tot) alle weg van schoonmoeder Kanaän
2.
lege opdat kennis wonen bouw! Israël te onderwijzen (...) hen strijd lege die vroeger niet (zij) hebben geweten (...) hen
3.
vijf (hij) is afgeweken (...) mij Filistijnen en alle (de) Kanaänitische WEßIDNI en de Heviet inwoner heuvel de Libanon vlugge echtgenoot Hermon tot te komen leren zak
4.
en (zij) waren LNXWT in hen (tot) Israël te weten (is het zo) dat (zij) hoorden toe (tot) voorschrift van Jahweh die geef opdracht! (tot) vaders (...) hen bij (de) hand Mozes
5.
en bouw! Israël (zij) hebben gewoond te midden van (de) Kanaänitische de angsten van en de Amoriet en de Fereziet en de Heviet en de Jebusiet
6.
en (zij) namen (tot) bebouwingen (...) hen aan hen aan vrouwen en (tot) bebouwingen (...) hen (zij) hebben gegeven aan zonen (...) hen en (zij) werkten (tot) hun God
7.
en (zij) hebben gemaakt bouw! Israël (tot) juich! bij bestudeer! Jahweh en (zij) lieten vergeten (tot) Jahweh hun God en (zij) werkten (tot) de echtgenoten en (tot) EASRWT
8.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij Israël en (hij) verkocht (...) hen bij (de) hand KWSN RSOTIM koning Syrië rivieren en (zij) werkten bouw! Israël (tot) KWSN RSOTIM acht twee
9.
en (zij) schreeuwden bouw! Israël naar Jahweh en (hij) stond op Jahweh red(t) aan zonen van Israël WISIOM (tot) Otniël zoon Kenaz broer hond de kleine (van)uit hem
10.
en (zij) was op hem wind Jahweh en (hij) berechtte (tot) Israël en uitgaande aan strijd en (hij) gaf Jahweh bij (hij) bedankte (tot) KWSN RSOTIM koning Syrië WTOZ (hij) bedankte op KWSN RSOTIM
11.
en (jij) was stil het land veertig jaar en (hij) stierf Otniël zoon Kenaz
12.
en (zij) hebben toegevoegd bouw! Israël te doen juich! bij bestudeer! Jahweh en (hij) versterkte Jahweh (tot) Eglon koning Moab op Israël op dat Ezau (tot) juich! bij bestudeer! Jahweh
13.
en (hij) verzamelde naar hem (tot) bouw! Ammon en Amelek en (hij) ging en (hij) sloeg (tot) Israël en (zij) veroverden (tot) stad de dadels
14.
en (zij) werkten bouw! Israël (tot) Eglon koning Moab acht tien jaar
15.
en (zij) schreeuwden bouw! Israël naar Jahweh en (hij) stond op Jahweh aan hen red(t) (tot) AEWD zoon Gera zoon de rechterhanden van man linkshandige hand dagen (...) ons en (zij) zondden weg bouw! Israël bij (hij) bedankte geschenk aan Eglon koning Moab
16.
en (hij) heeft gemaakt als AEWD zwaard en aan haar tweede monden CMD (zij) heeft geduurd en (hij) omgordde haar onder vandaan onderwijs! (...) hem op heup dagen (...) ons
17.
en (hij) bracht nader (tot) het geschenk aan Eglon koning Moab en Eglon man BRIA zeer
18.
en wees zoals schoondochter aan te bieden (tot) het geschenk en (hij) zond weg (tot) het volk (hij) heeft gedragen (...) mij het geschenk
19.
en hij woon! vanuit de afgodsbeelden die (tot) de Gilgal en (hij) sprak woord geheim aan mij naar jou kroon! en (hij) sprak stil! en voert uit! ontvreemd! (...) hem alle de staanders op hem
20.
WAEWD (hij) is gekomen naar hem en hij inwoner bij (jij) bent opgegaan het gebeurtenis die als alleen hij en (hij) sprak AEWD woord God aan mij naar jou en (hij) stond op boven de stoel
21.
en (hij) zond weg AEWD (tot) hand linkerhand (...) hem en (hij) nam (tot) het zwaard boven heup dagen (...) ons en (hij) blies (er)naar bij (de) buik (...) hem
22.
en (hij) kwam ook (is het zo) dat opgesteld andere ELEB en (hij) sloot de melk door ELEB dat niet stoppelveld het zwaard van buik (...) hem en uitgaande EPRSDNE
23.
en uitgaande AEWD EMXDRWNE en (hij) sloot deuren (is het zo) dat op haar bij (de) getuige (...) hem en schoen
24.
en hij uitgaande en slaven (...) hem (zij) zijn gekomen en (zij) lieten zien en hier is deuren (is het zo) dat op haar NOLWT en (zij) spraken maar belastingen (...) jou hij (tot) voeten (...) hem bij (de) kamer het gebeurtenis
25.
WIHILW tot schaam je! en hier is hij is (er) niet opening deuren (is het zo) dat op haar en (zij) namen (tot) (is het zo) dat doe(t) open en (zij) deedden open en hier is liggers (...) hen ga neer! naar land dode
26.
WAEWD (wij) redden tot ETMEMEM en hij kant (tot) de afgodsbeelden en (hij) redde ESOIRTE
27.
en wees bij komt! en (hij) blies bij (de) ramshoorn bij (de) heuvel Efraïm en (zij) zijn gedaald met hem bouw! Israël vanuit de heuvel en hij voor hen
28.
en (hij) sprak naar hen (zij) hebben achtervolgd na dat (hij) heeft gegeven Jahweh (tot) vijanden (...) jullie (tot) Moab bij (de) hand (...) jullie en (zij) zijn gedaald na hem en (zij) voegden samen (tot) trekken door de Jordaan aan Moab noch (zij) hebben gegeven man door te trekken
29.
en (zij) sloegen (tot) Moab bij (de) tijd die zoals tiental duizenden man alle olie en alle man macht noch (wij) redden man
30.
en (zij) werd vernederd Moab bij (de) dag dat in de plaats van hand Israël en (jij) was stil het land tachtig jaar
31.
en na hem (hij) is geweest SMCR zoon Anath en (hij) sloeg (tot) Filistijnen zes honderd man bij onderwijs(t) het rundvee en (hij) redde ook hij (tot) Israël

Hoofdstuk 4

1.
en (zij) hebben toegevoegd bouw! Israël te doen juich! bij bestudeer! Jahweh WAEWD dode
2.
en (hij) verkocht (...) hen Jahweh bij (de) hand (hij) begreep koning Kanaän die koning bij Hazor en aanvoerder (zij) hebben zich geschaard Sisera en hij bewoner bij (jij) hebt geploegd de volken
3.
en (zij) schreeuwden bouw! Israël naar Jahweh dat negen honderd wagen ijzer als en hij druk (tot) bouw! Israël bij (zij) is sterk geworden twintig jaar
4.
en Debora vrouw naar profeet vuur van LPIDWT zij (zij) heeft berecht (tot) Israël bij (de) tijd die
5.
en zij woon(t) in de plaats van dadel Debora tussen de wormen en tussen huis naar bij (de) heuvel Efraïm en (zij) verhieven vetstaart bouw! Israël aan rechtsregel
6.
en (jij) zond weg en (jij) noemde aan flits zoon ABINOM heilig(t) Nafthali en (jij) sprak naar hem toch? geef opdracht! Jahweh mijn God Israël aan jou en (jij) hebt getrokken bij (de) heuvel Thabor en (jij) hebt genomen met jou tiental duizenden man van zonen van Nafthali en van zonen van Zebulon
7.
en (ik) heb getrokken naar jou naar wadi Kison (tot) Sisera aanvoerder leger (hij) begreep en (tot) (zij) hebben gereden en (tot) (zij) hebben geruist (...) ons WNTTIEW bij (de) hand (...) jou
8.
en (hij) sprak vetstaart flits als (jij) ging met mij en (ik) ben gegaan en als niet (jij) ging met mij niet (ik) ging
9.
en (jij) sprak beweging (ik) ging met jou niets dat niet (jij) was glans (...) jou op de weg die (met) haar ga(a)(t) dat bij (de) hand vrouw (hij) verkocht Jahweh (tot) Sisera en (zij) stond op Debora en (jij) ging met flits tempel-prostituee
10.
en (hij) schreeuwde flits (tot) Zebulon en (tot) Nafthali tempel-prostituee en (hij) verhief bij (de) voeten (...) hem tiental duizend(en) van man en (zij) verhief met hem Debora
11.
en verbond de Keniet NPRD van Kain van zonen van HBB bruidegom Mozes en (hij) neeg tent (...) hem tot Elon BßONIM die (tot) heiligheid
12.
en (hij) werd verteld (...) hem aan Sisera dat blad flits zoon ABINOM heuvel Thabor
13.
en (hij) schreeuwde Sisera (tot) alle (zij) hebben gereden negen honderd wagen ijzer en (tot) alle het volk die (met) hem MHRST de volken naar wadi Kison
14.
en (jij) sprak woord naar flits sta op! dat dit vandaag die (hij) heeft gegeven Jahweh (tot) Sisera bij (de) hand (...) jou toch? Jahweh uitgaande voor jou en (hij) is gedaald flits vlugge Thabor en tiental duizenden man na hem
15.
en (hij) ruiste Jahweh (tot) Sisera en (tot) alle de wagen en (tot) alle het kamp aan mond van zwaard voor flits en (hij) is gedaald Sisera boven de rijtuig en (hij) vluchtte bij (de) voeten (...) hem
16.
en flits (hij) heeft achtervolgd na de wagen en na het kamp tot (jij) hebt geploegd de volken en (hij) liet vallen alle kamp Sisera aan mond van zwaard niet geblevene tot één
17.
en Sisera teken bij (de) voeten (...) hem naar tent (hij) verhief vuur van verbond de Keniet dat vrede tussen (hij) begreep koning Hazor en tussen huis verbond de Keniet
18.
en (jij) ging uit (hij) verhief tegemoet Sisera en (jij) sprak naar hem verblind! (er)naar liggers van verblind! (er)naar naar mij naar (je) zult vrezen en (hij) week af vetstaart naar de tent en (jij) bedekte (...) hem BSMIKE
19.
en (hij) sprak vetstaart geef te drinken! (...) mij toch een beetje water dat (ik) heb dorst gehad en (jij) deed open (tot) NAWD de melk en (jij) gaf te drinken (...) hem en (jij) bedekte (...) hem
20.
en (hij) sprak vetstaart sta vast! opening de tent en (hij) is geweest als man (hij) kwam en (hij) heeft gevraagd (...) jou en woord is er? mond man en (jij) hebt gesproken (er is) niet
21.
en (jij) nam (hij) verhief vuur van verbond (tot) pin de tent en (zij) plaatste (tot) EMQBT naar bij (de) hand en (jij) kwam naar hem BLAÐ en (jij) blies (tot) de pin BRQTW WTßNH bij (het) land en hij (wij) daalden (...) hen en (hij) vloog en (hij) stierf
22.
en hier is flits (hij) heeft achtervolgd (tot) Sisera en (jij) ging uit (hij) verhief hem tegemoet en (jij) sprak als aan jou en (ik) zag (...) jou (tot) de man die (met) haar zoek(t) en (hij) kwam vetstaart en hier is Sisera ga neer! dode en de pin BRQTW
23.
en (hij) werd vernederd God bij (de) dag dat (tot) (hij) begreep koning Kanaän voor bouw! Israël
24.
en (jij) ging hand bouw! Israël gang en harde op (hij) begreep koning Kanaän tot die (zij) hebben vernietigd (tot) (hij) begreep koning Kanaän

Hoofdstuk 5

1.
en (zij) zong Debora en flits zoon ABINOM bij (de) dag dat te spreken
2.
BPRO PROWT bij Israël BETNDB met zegent! Jahweh
3.
(zij) hebben toegehoord koningen (zij) hebben geluisterd RZNIM ik aan Jahweh ik (ik) zong (er)naar (ik) zong aan Jahweh mijn God Israël
4.
Jahweh bij uit te gaan (...) jou van bok bij (de) stap (...) jou van veld Edom land (zij) heeft lawaai gemaakt ook hemel NÐPW ook wolken NÐPW water
5.
(hij) heeft opgetild NZLW van aanzicht van Jahweh dit Sinaï van aanzicht van Jahweh mijn God Israël
6.
bij (de) dagen van SMCR zoon Anath bij (de) dagen van (hij) verhief (zij) hebben opgehouden manieren en ga! banen (zij) gingen manieren OQLQLWT
7.
(zij) hebben opgehouden PRZWN bij Israël (zij) hebben opgehouden tot dat (ik) ben opgestaan Debora dat (ik) ben opgestaan als bij Israël
8.
(hij) koos God maanden destijds brood dat worden wakker schild als vrees WRMH bij veertig duizend bij Israël
9.
hart (...) mij LHWQQI Israël EMTNDBIM bij (het) volk zegent! Jahweh
10.
rijd! ezelinnen ßHRWT inwoners van op Midian en ga! op weg spreekt!
11.
van klank MHßßIM tussen MSABIM daar (zij) gaven weldadigheden Jahweh (jij) hebt gelijk gehad PRZWNW bij Israël destijds (zij) zijn gedaald aan poorten met Jahweh
12.
word wakker! word wakker! Debora word wakker! word wakker! spreek! lied sta op! flits en (zij) is teruggekeerd gevangenschap (...) jou zoon ABINOM
13.
destijds (hij) is gedaald overlevende aan geweldige (mv) met Jahweh (hij) is gedaald aan mij bij (de) helden
14.
van mij Efraïm wortel (...) hen bij Amelek na jou Benjamin BOMMIK van mij Machir (zij) zijn gedaald MHQQIM en van Zebulon sta(a)(t) vroeg op bij (de) stam boek
15.
en Sarai bij Issaschar met woord en Issaschar zo flits bij (de) diepte wapen bij (de) voeten (...) hem BPLCWT Ruben grootheden HQQI hart
16.
waarom (jij) hebt gewoond tussen EMSPTIM aan nieuws dat lege (mv) kudden LPLCWT Ruben grote (mv) onderzoek! hart
17.
gedenkteken bij (de) kant de Jordaan buurman en Dan waarom (hij) woonde schepen die inwoner LHWP dagen en op van doorbraaken (...) hem (hij) woonde
18.
Zebulon met beledig! ziel (...) hem te sterven en Nafthali op hoogtes van veld
19.
(zij) zijn gekomen koningen (zij) hebben gestreden destijds (zij) hebben gestreden heers! Kanaän bij (zij) antwoordde (...) jou op water van Megiddo voordeel zilver niet (zij) hebben genomen
20.
vanuit hemel (zij) hebben gestreden de sterren MMXLWTM (zij) hebben gestreden met Sisera
21.
wadi Kison CRPM wadi QDWMIM wadi Kison TDRKI ziel (...) mij kracht
22.
destijds (is het zo) dat voor hen volg! paard MDERWT DERWT ridders (...) hem
23.
licht (...) hem MRWZ woord boodschapper Jahweh licht (...) hem vervloekte naar inwoners dat niet (zij) zijn gekomen aan hulp van Jahweh aan hulp van Jahweh bij (de) helden
24.
(jij) zegende van vrouwen (hij) verhief vuur van verbond de Keniet van vrouwen bij (de) tent (jij) zegende
25.
water (hij) heeft gevraagd melk (zij) heeft gegeven BXPL geweldige (mv) (zij) heeft aangeboden boter
26.
naar hand aan pin (jullie) zondden weg en naar rechterhand LELMWT werkzame (mv) WELME Sisera van grondwet hoofd (...) hem en helft WHLPE RQTW
27.
tussen naar voeten zoals kwaad ga neer! lig neer! tussen naar voeten zoals kwaad ga neer! wat betreft zoals kwaad daar ga neer! SDWD
28.
door (zij) zijn begonnen te (...) hen NSQPE en (jij) jammerde als Sisera door EASNB waarom? bij zes (zij) hebben gereden te komen waarom? (zij) zijn te laat gekomen keren van rijtuigen (...) hem
29.
wijze (mv) SRWTIE (jullie) antwoordden neus zij (jij) gaf terug Amarja aan haar
30.
toch? (zij) vondden (zij) verdeelden buit baarmoeder (ik) heb medelijden gehad (...) hen aan hoofd man buit ßBOIM aan Sisera buit ßBOIM (zij) heeft geborduurd ßBO (ik) heb geborduurd (...) hen aan halzen van buit
31.
zo (zij) gingen verloren alle vijanden (...) jou Jahweh en heb lief! (...) hem als uit te gaan de zon bij (jij) bent sterk geworden (...) hem en (jij) was stil het land veertig jaar

Hoofdstuk 6

1.
en (zij) hebben gemaakt bouw! Israël juich! bij bestudeer! Jahweh en (hij) gaf (...) hen Jahweh bij (de) hand Midian zeven twee
2.
WTOZ hand Midian op Israël van aanzicht van Midian Ezau aan hen bouw! Israël (tot) EMNERWT die bij (hij) heeft opgetild en (tot) de grotten en (tot) de forten
3.
en (hij) is geweest als nakomelingen Israël en blad Midian en Amelek en bouw! voorkant en (zij) zijn opgegaan op hem
4.
en (zij) legerden op hen en (zij) maakten kapot (tot) (hij) verwelkte het land tot in de richting van naar kracht noch (zij) lieten achter laat leven bij Israël en lammetje en os en ernstige
5.
dat zij en van nesten (...) hen (zij) verhieven en tenten (...) hen voert in! kruiken van sprinkhaan aan meerderheid en aan hen en aan kamelen (...) hen (er is) niet getal en voert in! bij (het) land te bederven (er)naar
6.
en (hij) putte Israël zeer van aanzicht van Midian en (zij) schreeuwden bouw! Israël naar Jahweh
7.
en wees dat (zij) hebben geschreeuwd bouw! Israël naar Jahweh op ADWT Midian
8.
en (hij) zond weg Jahweh man profeet naar bouw! Israël en (hij) sprak aan hen zo woord Jahweh mijn God Israël ik (is het zo) dat (ik) ben opgegaan (met) jullie van Egypte WAßIA (met) jullie van huis slaven
9.
en naast (met) jullie van hand Egypte en van hand alle druk! (...) jullie en (ik) verjoeg hen van aanzichten (...) jullie en (ik) gaf aan jullie (tot) land (...) hen
10.
en (zij) heeft gesproken aan jullie ik Jahweh jullie God niet (jullie) vreesden (tot) mijn God de Amoriet die (met) hen wonen bij (het) land (...) hen noch (jullie) hebben toegehoord bij (de) klanken van
11.
en (hij) kwam boodschapper Jahweh en inwoner in de plaats van (de) deze die bij (de) jonge ree die aan Joas vader (is het zo) dat help! en Gideon bij ons HBÐ tarwe bij (de) wijnpers LENIX van aanzicht van Midian
12.
en gezien naar hem boodschapper Jahweh en (hij) sprak naar hem Jahweh met jou held de macht
13.
en (hij) sprak naar hem Gideon bij mij liggers van en er is Jahweh met ons en waarom om uit te gaan (...) ons alle deze en waar? alle NPLATIW die vertelt! aan ons vaders-en (...) ons te spreken toch? van Egypte de hoogte (...) ons Jahweh en nu (wij) hebben verlaten Jahweh en (hij) gaf (...) ons bij (de) lepel Midian
14.
en (hij) wendde zich naar hem Jahweh en (hij) sprak aan jou bij (de) kracht (...) jou dit en (jij) hebt gered (tot) Israël van lepel Midian toch? (ik) heb gezonden (...) jou
15.
en (hij) sprak naar hem bij mij liggers van verhoging (ik) redde (tot) Israël hier is duizend(en) van (de) armelijke bij Manasse en ik (de) kleine bij (het) huis vader
16.
en (hij) sprak naar hem Jahweh dat (ik) was met jou en (jij) hebt geslagen (tot) Midian zoals man één
17.
en (hij) sprak naar hem als toch (ik) heb gevonden gratie bij (de) ogen (...) jou en (jij) hebt gedaan aan mij letter te dragen (er)naar woestijn met mij
18.
naar toch TMS hiervandaan tot bij (de) eiland naar jou en het weggaan (...) mij (tot) geschenk (...) mij en (ik) heb rust gegeven voor jou en (hij) sprak ik (ik) woonde tot terugkeren (...) jou
19.
en Gideon (hij) is gekomen en (hij) heeft gemaakt bokje geiten WAIPT meel voorschrift van het vlees daar BXL WEMRQ daar BPRWR en (hij) bracht naar buiten naar hem naar in de plaats van (de) deze en (hij) is genaderd
20.
en (hij) sprak naar hem boodschapper naar God neem! (tot) het vlees en (tot) het voorschrift van en geef rust! naar de rots die en (tot) EMRQ stort! en (hij) heeft gemaakt zo
21.
en (hij) zond weg boodschapper Jahweh (tot) einde EMSONT die bij (hij) bedankte en vermoeide bij (het) vlees en bij (het) voorschrift van en (zij) verhief het vuur vanuit de rots en (jij) at (tot) het vlees en (tot) het voorschrift van en boodschapper Jahweh beweging van ogen (...) hem
22.
en gezien Gideon dat boodschapper Jahweh hij en (hij) sprak Gideon ach liggers van Jahweh dat op zo (ik) heb gezien boodschapper Jahweh aanzicht naar aanzicht
23.
en (hij) sprak als Jahweh vrede aan jou naar (je) zult vrezen niet (jij) stierf
24.
en (hij) bouwde daar Gideon altaar aan Jahweh en (hij) noemde als Jahweh vrede tot vandaag deze hij (...) nog bij (de) jonge ree van vader (is het zo) dat help!
25.
en wees bij (de) nacht dat en (hij) sprak als Jahweh neem! (tot) stier de os die aan vader (...) jou en stier (de) tweede zeven twee en (jij) hebt afgebroken (tot) altaar de echtgenoot die aan vader (...) jou en (tot) (is het zo) dat (ik) weekte in die op hem (jij) zult uitgeroeid worden
26.
en (jij) hebt gebouwd altaar aan Jahweh jouw God op hoofd het vesting deze bij (de) orde en (jij) hebt genomen (tot) de stier (de) tweede en de opgang van ga(a)(t) op bij (de) houten (is het zo) dat (ik) weekte in die (jij) zult uitgeroeid worden
27.
en (hij) nam Gideon tien mensen van slaven (...) hem en (hij) heeft gemaakt zoals woord naar hem Jahweh en wees zoals gezien (tot) huis vader (...) hem en (tot) mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt om te doen dag (...) hen en (hij) heeft gemaakt nacht
28.
en (zij) stondden vroeg op mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt bij (het) rundvee en hier is (hij) heeft gesloopt altaar de echtgenoot en naar de Aser die op hem (zij) heeft gegraven en (tot) de stier (de) tweede dat wat opgaat op het altaar de bebouwing
29.
en (zij) spraken man naar zijn vriend water van (hij) heeft gedaan het woord deze en (zij) legden uit en (zij) zochten en (zij) spraken Gideon zoon Joas (hij) heeft gedaan het woord deze
30.
en (zij) spraken mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt naar Joas (hij) is tevoorschijn gehaald (tot) zoon (...) jou en (hij) stierf dat (hij) heeft gesloopt (tot) altaar de echtgenoot en dat (hij) heeft afgehakt (is het zo) dat (ik) weekte in die op hem
31.
en (hij) sprak Joas aan alle die sta(a)t vast! op hem (is het zo) dat (met) hen (jullie) twistten (...) hen aan echtgenoot als (met) hen (jullie) redden (...) hen hem die (hij) twistte als (hij) zal worden laten sterven tot het rundvee als God hij (hij) vermeerderde als dat (hij) heeft gesloopt (tot) altaar (...) hem
32.
en (hij) noemde als bij (de) dag dat Jerubbaal te spreken (hij) vermeerderde bij hem de echtgenoot dat (hij) heeft gesloopt (tot) altaar (...) hem
33.
en alle Midian en Amelek en bouw! voorkant (wij) verzamelden (...) hem samen en (zij) gingen voorbij en (zij) legerden bij (de) diepte Jizreël
34.
en wind Jahweh (zij) heeft zich bekleed (tot) Gideon en (hij) blies bij (de) ramshoorn en (hij) schreeuwde Abiëzer na hem
35.
en boodschappers wapen in alle Manasse en (hij) schreeuwde ook hij na hem en boodschappers wapen wat betreft en met Zebulon en met Nafthali en (zij) verhieven hen tegemoet
36.
en (hij) sprak Gideon naar naar God als jij bent er red(t) bij (de) handen van (tot) Israël zoals woord van
37.
hier is ik MßIC (tot) CZT de wol bij (de) vreemdeling (...) hen als dauw (hij) was op ECZE naar aan tak en op alle het land zwaard en (ik) heb geweten dat (jij) redde bij (de) handen van (tot) Israël zoals woord van
38.
en wees zo en jullie zijn er de volgende dag en (hij) strooide uit (tot) ECZE WIMß dauw vanuit ECZE volheid EXPL water
39.
en (hij) sprak Gideon naar naar God naar (hij) ontbrandde neus (...) jou bij mij en (ik) sprak (er)naar maar de keer (ik) beproefde toch lege de keer BCZE wees toch zwaard naar ECZE naar aan tak en op alle het land (hij) was dauw
40.
en (hij) heeft gemaakt God zo bij (de) nacht dat en wees zwaard naar ECZE naar aan tak en op alle het land (hij) is geweest dauw

Hoofdstuk 7

1.
en jullie zijn er Jerubbaal hij Gideon en alle het volk die (met) hem en (zij) legerden op oog bezorgde en kamp Midian (hij) is geweest als van Noorden van heuvel van de leraar bij (de) diepte
2.
en (hij) sprak Jahweh naar Gideon meerderheid het volk die (met) jou (ik) ben gestorven (tot) Midian bij (hij) leek opdat niet ITPAR op mij Israël te spreken handen van (zij) heeft gered aan mij
3.
en nu (hij) heeft genoemd toch bij (de) oren van het volk te spreken water van gezien en bezorgde inwoner WIßPR vlugge het gedenkteken en inwoner vanuit het volk twintig en twee duizend en tiental duizenden (zij) zijn gebleven
4.
en (hij) sprak Jahweh naar Gideon nog (eens) het volk meerderheid (hij) is naar beneden gehaald hen naar het water WAßRPNW aan jou daar en (hij) is geweest die woord naar jou dit (hij) ging (met) jou hij (hij) ging (met) jou en alle die woord naar jou dit niet (hij) ging met jou hij niet (hij) ging
5.
en (hij) werd naar beneden gehaald (tot) het volk naar het water en (hij) sprak Jahweh naar Gideon alle die ILQ bij (de) tong (...) hem vanuit het water zoals ILQ de hond TßIC hem alleen en alle die IKRO op zegen! (...) hem te drinken
6.
en wees getal EMLQQIM bij (hij) leek naar monden (...) hen drie honderd man en alle rest het volk als (zij) hebben achtervolgd op bij (de) zachtheden (...) hen te drinken water
7.
en (hij) sprak Jahweh naar Gideon bij drie honderd de man EMLQQIM (ik) redde (met) jullie en (ik) heb gegeven (tot) Midian bij (de) hand (...) jou en alle het volk (zij) gingen man aan plaats (...) hem
8.
en (zij) namen (tot) (zij) heeft gevangen het volk bij (hij) leek en (tot) SWPRTIEM en (tot) alle man Israël wapen man aan tenten (...) hem WBSLS honderd de man (hij) heeft gehouden en kamp Midian (hij) is geweest als onder vandaan bij (de) diepte
9.
en wees bij (de) nacht dat en (hij) sprak naar hem Jahweh sta op! daal! bij (het) kamp dat (ik) heb gegeven (...) hem bij (de) hand (...) jou
10.
en als gezien (met) haar te dalen daal! (met) haar en koe (hij) is geregeld naar het kamp
11.
en (jij) hebt toegehoord wat? (zij) spraken en andere (jullie) versterkten handen (...) jou en (jij) bent gedaald bij (het) kamp en (hij) is gedaald hij en koe schudt! naar einde de vijftig die bij (het) kamp
12.
en Midian en Amelek en alle bouw! voorkant ga neer! (...) hen bij (de) diepte zoals sprinkhaan aan meerderheid en aan kamelen (...) hen (er is) niet getal zoals zand SOL oever van de zee aan meerderheid
13.
en (hij) kwam Gideon en hier is man getal aan zijn vriend droom en (hij) sprak hier is droom (ik) heb gedroomd en hier is ßLIL brood dat worden wakker MTEPK bij (het) kamp Midian en (hij) kwam tot de tent en (zij) werden donker en (hij) liet vallen en (zij) keerden om (...) hem aan hoogte en ga neer! de tent
14.
en wegens zijn vriend en (hij) sprak (er is) niet deze niet als zwaard Gideon zoon Joas man Israël (hij) heeft gegeven naar God bij (hij) bedankte (tot) Midian en (tot) alle het kamp
15.
en wees toen Gideon (tot) getal de droom en (tot) (zij) hebben gebroken en (hij) boog zich diep en inwoner naar kamp Israël en (hij) sprak sta(a)t op! dat (hij) heeft gegeven Jahweh bij (de) hand (...) jullie (tot) kamp Midian
16.
WIHß (tot) drie honderd de man drie hoofden en (hij) gaf ramshoorns bij (de) hand allemaal en kruiken lege (mv) WLPDIM binnen de kruiken
17.
en (hij) sprak naar hen (van)uit mij (jullie) lieten zien en zo (jullie) maakten en hier is ik (hij) is gekomen bij (het) einde het kamp en (hij) is geweest zoals (ik) werd gedaan zo (jullie) maakten (...) hen
18.
en (ik) heb geblazen bij (de) ramshoorn ik en alle die (met) mij en (jullie) hebben geblazen bij (de) ramshoorns ook (met) hen omgevingen alle het kamp en (jullie) hebben gesproken aan Jahweh en aan Gideon
19.
en (hij) kwam Gideon en honderd man die (met) hem bij (het) einde het kamp hoofd EASMRT (is het zo) dat (jullie) sloegen (...) haar maar vestig! (zij) hebben gevestigd (tot) (is het zo) dat bewaar! (...) hen en (zij) bliezen bij (de) ramshoorns en (wij) verspreidden de kruiken die bij (hij) leek
20.
en (zij) bliezen drie van de hoofden bij (de) ramshoorns en (zij) braken de kruiken en (zij) hieldden bij (de) hand linkerhand (...) hen BLPDIM en bij (de) hand rechterhand (...) hen de ramshoorns te blazen en (zij) noemden zwaard aan Jahweh en aan Gideon
21.
en (zij) stondden vast man in de plaats van hem rondom aan kamp en (hij) rende alle het kamp en (zij) juichten WINIXW
22.
en (zij) bliezen drie honderd de ramshoorns en pas toe! Jahweh (tot) zwaard man bij (de) zijn vriend en in alle het kamp en (hij) vluchtte het kamp tot huis ESÐE (jij) hebt gebundeld (er)naar tot oever van rouw Mehola op ÐBT
23.
en (hij) schreeuwde man Israël van Nafthali en vanuit die en vanuit alle Manasse en (zij) achtervolgdenen na Midian
24.
en boodschappers wapen Gideon in alle heuvel Efraïm te spreken daalt! tegemoet Midian en voegt samen! aan hen (tot) het water tot huis naar graan en (tot) de Jordaan en (hij) schreeuwde alle man Efraïm en (zij) voegden samen (tot) het water tot huis naar graan en (tot) de Jordaan
25.
en (zij) voegden samen tweede Sarai Midian (tot) aangename en (tot) wolf en (zij) doodden (tot) ben(t) aangenaam pluk druiven! ben(t) aangenaam en (tot) wolf (zij) hebben gedood BIQB wolf en (zij) achtervolgdenen naar Midian en hoofd aangename en wolf (zij) hebben gebracht naar Gideon trek(t) door aan Jordaan

Hoofdstuk 8

1.
en (zij) spraken naar hem man Efraïm wat? het woord deze (jij) hebt gedaan aan ons opdat niet QRAWT aan ons dat (jij) bent gegaan aan het brood bij Midian en (zij) twistten (...) hen (met) hem bij (zij) is sterk geworden
2.
en (hij) sprak naar hen wat? (ik) heb gedaan nu zoals jullie toch? goede OLLWT Efraïm MBßIR Abiëzer
3.
bij (de) hand (...) jullie (hij) heeft gegeven God (tot) Sarai Midian (tot) aangename en (tot) wolf en wat? (ik) heb gekund te doen zoals jullie destijds RPTE wind (...) hen ontvreemd! (...) hem bij spreekt! het woord deze
4.
en (hij) kwam Gideon naar de Jordaan kant hij en drie honderd de man die (met) hem vermoeide (mv) en achtervolg! (...) hen
5.
en (hij) sprak aan mens (...) mij hutten geeft! toch als hak af! brood aan volk die bij (de) voeten van dat vermoeide (mv) zij en ik (hij) heeft achtervolgd na slachting en Tsalmuna heers! Midian
6.
en (hij) sprak Sarai hutten de lepel slachting en Tsalmuna nu bij (de) hand (...) jou dat (hij) heeft gegeven zich te scharen (...) jou brood
7.
en (hij) sprak Gideon daarom bij te geven Jahweh (tot) slachting en (tot) Tsalmuna bij (de) handen van WDSTI (tot) vlees (...) jullie (tot) QWßI de woestijn en (tot) EBRQNIM
8.
en (hij) verhief van daar Pnuel en (hij) sprak naar hen zoals deze en (zij) antwoordden hem mens (...) mij Pnuel zoals nederige mens (...) mij hutten
9.
en (hij) sprak ook aan mens (...) mij Pnuel te spreken bij keer terug! bij (de) vrede (ik) werd gesloopt (tot) (is het zo) dat kweek(t) deze
10.
en slachting en Tsalmuna BQRQR en kampen (...) hen volk (...) hen KHMST rijkdom duizend alle (is het zo) dat blijven over van alle kamp bouw! voorkant WENPLIM honderd en twintig duizend man stoppelveld zwaard
11.
en (hij) verhief Gideon weg (is het zo) dat woon! (...) mij bij (de) tenten van voorkant LNBH WICBEE en (hij) sloeg (tot) het kamp en het kamp (hij) is geweest veiligheid
12.
en (zij) vluchtten slachting en Tsalmuna en (hij) achtervolgden na hen en (hij) voegde samen (tot) tweede heers! Midian (tot) slachting en (tot) Tsalmuna en alle het kamp (hij) heeft laten schrikken
13.
en inwoner Gideon zoon Joas vanuit de strijd weg van hoogte EHRX
14.
en (hij) voegde samen jeugd van mens (...) mij hutten WISALEW en (hij) schreef naar hem (tot) Sarai hutten en (tot) ben oud! (er)naar zeventig en zeven man
15.
en (hij) kwam naar mens (...) mij hutten en (hij) sprak hier is slachting en Tsalmuna die (jullie) hebben beledigd mij te spreken de lepel slachting en Tsalmuna nu bij (de) hand (...) jou dat (hij) heeft gegeven aan mensen (...) jou EIOPIM brood
16.
en (hij) nam (tot) ben oud! (hij) heeft opgemerkt en (tot) QWßI de woestijn en (tot) EBRQNIM en (hij) heeft geweten bij hen (tot) mens (...) mij hutten
17.
en (tot) kweek(t) Pnuel (hij) heeft gesloopt en (hij) doodde (tot) mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt
18.
en (hij) sprak naar slachting en naar Tsalmuna (ik) was mooi de mensen die (jullie) hebben gedood bij Thabor en (zij) spraken zoals jij KMWEM één als (hij) heeft beschreven bouw! kroon!
19.
en (hij) sprak broer bouw! moeder (...) mij zij levende Jahweh als de dieren (...) hen hen niet (ik) heb gedood (met) jullie
20.
en (hij) sprak aan rest eerstgeborene (...) hem sta op! (hij) heeft gedood hen noch stoppelveld de jeugd (zij) zijn vernield dat gezien dat hij (...) nog jeugd
21.
en (hij) sprak slachting en Tsalmuna sta op! (met) haar en (hij) heeft getroffen bij ons dat zoals man moed (...) hem en (hij) stond op Gideon en (hij) doodde (tot) slachting en (tot) Tsalmuna en (hij) nam (tot) ESERNIM die bij (de) halzen van kamelen (...) hen
22.
en (zij) spraken man Israël naar Gideon heerser bij ons ook (met) haar ook zoon (...) jou ook zoon zoon (...) jou dat (jij) hebt gered (...) ons van hand Midian
23.
en (hij) sprak naar hen Gideon niet AMSL ik bij jullie noch (hij) heerste bouw! bij jullie Jahweh (hij) heerste bij jullie
24.
en (hij) sprak naar hen Gideon (ik) vroeg (er)naar (van)uit jullie vraag en geeft! aan mij man neusring (zij) hebben ontnomen dat neusringen van goud aan hen dat ISMOALIM zij
25.
en (zij) spraken geschonken (hij) heeft gegeven en (zij) spreidden uit (tot) de jurk en (zij) wierpen af daarnaar (-s) man neusring (zij) hebben ontnomen
26.
en wees gewicht neusringen van het goud die (hij) heeft gevraagd duizend en zeven honderd goud alleen vanuit ESERNIM WENÐIPWT en bij (het) bokje de purper SOL heers! Midian en alleen vanuit EONQWT die bij (de) halzen van kamelen (...) hen
27.
en (hij) heeft gemaakt hem Gideon aan priesterkleed WIßC hem bij (zij) hebben blootgelegd bij (de) jonge ree en (zij) hoereerden alle Israël na hem daar en wees aan Gideon en aan huis (...) hem aan valstrik
28.
en (hij) werd vernederd Midian voor bouw! Israël noch (zij) hebben toegevoegd te dragen hoofd (...) hen en (jij) was stil het land veertig jaar bij (de) dagen van Gideon
29.
en (hij) ging Jerubbaal zoon Joas en inwoner bij (het) huis (...) hem
30.
en aan Gideon (zij) zijn geweest zeventig zonen voer uit! heup (...) hem dat worden verlaten twisten (zij) zijn geweest als
31.
en bijvrouw (...) hem die bij (de) schouder (zij) heeft gebaard als ook zij zoon en pas toe! (tot) zijn naam Abimelech
32.
en (hij) stierf Gideon zoon Joas bij (de) ouderdom goeds en (hij) begroef bij (het) graf Joas vader (...) hem bij (de) jonge ree vader (is het zo) dat help!
33.
en wees zoals dode Gideon en (zij) keerden terug bouw! Israël en (zij) hoereerden na de echtgenoten en (zij) plaatsten aan hen echtgenoot verbond aan God
34.
noch (zij) hebben zich herinnerd bouw! Israël (tot) Jahweh hun God de redder hen van hand alle vijanden (...) hen van rondom
35.
noch Ezau genade met huis Jerubbaal Gideon zoals alle het goeds die (hij) heeft gedaan met Israël

Hoofdstuk 9

1.
en (hij) ging Abimelech zoon Jerubbaal dat (zij) is opgestaan naar broer moeder (...) hem en (hij) sprak naar hen en naar alle familie van huis vader moeder (...) hem te spreken
2.
spreekt! toch bij (de) oren van alle bij (de) hoge schouder wat? goede aan jullie de heerser bij jullie zeventig man alle bouw! Jerubbaal als heerser bij jullie man één en (jullie) hebben je herinnerd dat bot (...) jullie en vlees (...) jullie ik
3.
en (zij) spraken broer moeder (...) hem op hem bij (de) oren van alle bij (de) hoge schouder (tot) alle de woorden (de) deze en (hij) neeg hart (...) hen na Abimelech dat (zij) hebben gesproken broers (...) ons hij
4.
en (zij) gaven als zeventig zilver van huis echtgenoot verbond en (hij) huurde bij hen Abimelech mensen lege (mv) WPHZIM en (zij) gingen na hem
5.
en (hij) kwam huis vader (...) hem jonge ree (...) haar en (hij) doodde (tot) broers (...) hem bouw! Jerubbaal zeventig man op steen één en meer Jotham zoon Jerubbaal de kleine dat NHBA
6.
en (zij) verzamelden alle bij (de) hoge schouder en alle huis volheid en (zij) gingen en (zij) kroonden (tot) Abimelech aan koning met eik opgestelde die bij (de) schouder
7.
en (hij) werd verteld (...) hem aan Jotham en (hij) ging en (hij) stond vast bij (het) hoofd heuvel CRZIM en (hij) droeg klank (...) hem en (hij) noemde en (hij) sprak aan hen (zij) hebben toegehoord naar mij bij (de) hoge schouder en (hij) hoorde toe naar jullie God
8.
gang (zij) zijn gegaan de bomen LMSH op hen koning en (zij) spraken aan olijf heers! (er)naar op ons
9.
en (hij) sprak aan hen de olijf (is het zo) dat (ik) heb opgehouden (tot) bemest! die bij mij (zij) waren zwaar God en mensen en (ik) ben gegaan te zwerven op de bomen
10.
en (zij) spraken de bomen aan vijg ga! (tot) heers! op ons
11.
en (jij) sprak aan hen de vijg (is het zo) dat (ik) heb opgehouden (tot) MTQI en (tot) TNWBTI het goeds en (ik) ben gegaan te zwerven op de bomen
12.
en (zij) spraken de bomen aan wijnstok ga! (tot) heers! (...) mij op ons
13.
en (jij) sprak aan hen de wijnstok (is het zo) dat (ik) heb opgehouden (tot) most (...) mij (is het zo) dat maak(t) blij God en mensen en (ik) ben gegaan te zwerven op de bomen
14.
en (zij) spraken alle de bomen naar EAÐD aan jou (met) haar koning op ons
15.
en (hij) sprak EAÐD naar de bomen als bij (de) waarheid (met) hen zalf! (...) hen (met) mij aan koning op jullie (zij) zijn gekomen (zij) hebben medelijden gehad bij (de) schaduw (...) mij en als (er is) niet (jij) ging uit vuur vanuit EAÐD en (jij) at (tot) ceders van de Libanon
16.
en nu als bij (de) waarheid WBTMIM (jullie) hebben gedaan en (jullie) kroonden (tot) Abimelech en als goeds (jullie) hebben gedaan met Jerubbaal en met huis (...) hem en als als vergeld! handen (...) hem (jullie) hebben gedaan als
17.
die (hij) heeft gestreden vader op jullie en (hij) ging neer (tot) ziel (...) hem op een afstand en (hij) redde (met) jullie van hand Midian
18.
en (met) hen (jullie) zijn opgestaan op huis vader vandaag en (jullie) doodden (tot) zonen (...) hem zeventig man op steen één en (jullie) kroonden (tot) Abimelech zoon moeder (...) hem op bij (de) hoge schouder dat broers (...) jullie hij
19.
en als bij (de) waarheid WBTMIM (jullie) hebben gedaan met Jerubbaal en met huis (...) hem vandaag deze maakt blij! bij Abimelech en (hij) maakte blij ook hij bij jullie
20.
en als (er is) niet (jij) ging uit vuur van Abimelech en (jij) at (tot) bij (de) hoge schouder en (tot) huis volheid en (jij) ging uit vuur van echtgenoten van schouder en van huis volheid en (jij) at (tot) Abimelech
21.
en (hij) vluchtte Jotham en (hij) vluchtte en (hij) ging naar put en inwoner daar van aanzicht van Abimelech broers (...) hem
22.
en rechte Abimelech op Israël drie twee
23.
en (hij) zond weg God wind herder tussen Abimelech en tussen bij (de) hoge schouder WIBCDW bij (de) hoge schouder bij Abimelech
24.
te komen roof zeventig bouw! Jerubbaal en bloed (...) hen te plaatsen op Abimelech broers (...) hen die (hij) heeft gedood hen en op bij (de) hoge schouder die versterkt! (tot) handen (...) hem te doden (tot) broers (...) hem
25.
en (zij) plaatsten als bij (de) hoge schouder hinderlagen op hoofden van naar de heuvels en (zij) beroofden (tot) alle die (hij) ging voorbij op hen bij (de) weg en (hij) werd verteld aan Abimelech
26.
en (hij) kwam Gaäl zoon slaaf en broers (...) hem en (zij) gingen voorbij bij (de) schouder en (zij) verzekerden zich bij hem bij (de) hoge schouder
27.
en voert uit! het veld en (zij) plukten druiven (tot) wijngaarden (...) hen WIDRKW en (zij) hebben gemaakt ELWLIM en voert in! huis hun God en (zij) aten en (zij) dronken en (zij) vervloekten (tot) Abimelech
28.
en (hij) sprak Gaäl zoon slaaf water van Abimelech en water van schouder dat (wij) bewerkten (...) ons toch? zoon Jerubbaal en woning PQIDW (zij) hebben gewerkt (tot) mens (...) mij ernstige vader schouder en waarom? (wij) bewerkten (...) ons wij
29.
en water van (hij) gaf (tot) het volk deze bij (de) handen van en (ik) verwijderde (er)naar (tot) Abimelech en (hij) sprak aan Abimelech veelheid leger (...) jou en ga uit! (er)naar
30.
en (hij) hoorde toe woning aanvoerder (hij) heeft opgemerkt (tot) spreek! Gaäl zoon slaaf en (hij) ontbrandde neus (...) hem
31.
en (hij) zond weg boodschappers naar Abimelech bij (zij) was hoog (er)naar te spreken hier is Gaäl zoon slaaf en broers (...) hem komen dat (zij) is opgestaan en hier zijn zij smalle (mv) (tot) (hij) heeft opgemerkt op jou
32.
en nu sta op! nacht (met) haar en het volk die (met) jou en (hij) heeft in hinderlaag gelegen bij (het) veld
33.
en (hij) is geweest bij (het) rundvee zoals glans de zon (jij) stond vroeg op en (jij) bent uitgegaan op (hij) heeft opgemerkt en hier is hij en het volk die (met) hem uitgaanden naar jou en (jij) hebt gedaan als zoals (jij) vond hand (...) jou
34.
en (hij) stond op Abimelech en alle het volk die met hem nacht en (zij) lagen in hinderlaag op schouder vier hoofden
35.
en uitgaande Gaäl zoon slaaf en (hij) stond vast opening poort (hij) heeft opgemerkt en (hij) stond op Abimelech en het volk die (met) hem vanuit de hinderlaag
36.
en gezien Gaäl (tot) het volk en (hij) sprak naar woning hier is met (hij) werd naar beneden gehaald van hoofden van naar de heuvels en (hij) sprak naar hem woning (tot) schaduw naar de heuvels (met) haar (hij) heeft gezien zoals mensen
37.
en (hij) heeft toegevoegd nog (eens) Gaäl te spreken en (hij) sprak hier is met dalen bij vandaan ÐBWR het land en hoofd één (hij) is gekomen van weg eik MOWNNIM
38.
en (hij) sprak naar hem woning waar? dus monden (...) jou die (jij) sprak water van Abimelech dat (wij) bewerkten (...) ons toch? dit het volk die (jij) hebt verafschuwd (er)naar bij hem ga weg! toch nu en het brood bij hem
39.
en uitgaande Gaäl voor bij (de) hoge schouder en (hij) streed bij Abimelech
40.
en (zij) achtervolgdenen (...) hem Abimelech en (hij) vluchtte van aanzichten (...) hem en (zij) vielen doden twisten tot opening de poort
41.
en inwoner Abimelech bij (ik) was hoog (er)naar en (hij) verjoeg woning (tot) Gaäl en (tot) broers (...) hem om te wonen bij (de) schouder
42.
en wees de volgende dag en uitgaande het volk het veld en (hij) werd verteld (...) hem aan Abimelech
43.
en (hij) nam (tot) het volk WIHßM aan drie hoofden en (hij) lag in hinderlaag bij (het) veld en gezien en hier is het volk uitgaande vanuit (hij) heeft opgemerkt en (hij) stond op op hen en (hij) stond op
44.
en Abimelech en de hoofden die met hem kleedt uit! en (zij) stondden vast opening poort (hij) heeft opgemerkt en tweede de hoofden kleedt uit! op alle die bij (het) veld en (hij) stond op
45.
en Abimelech (hij) heeft gestreden bij (de) stad alle vandaag dat en (hij) voegde samen (tot) (hij) heeft opgemerkt en (tot) het volk die bij haar (hij) heeft gedood WITß (tot) (hij) heeft opgemerkt en (hij) zaaide (er)naar zout
46.
en (zij) hoorden toe alle bij (de) hoge kweek(t) schouder en voert in! naar ßRIH huis naar verbond
47.
en (hij) werd verteld aan Abimelech dat (is het zo) dat (jullie) verzamelden alle bij (de) hoge kweek(t) schouder
48.
en (hij) verhief Abimelech heuvel ßLMWN hij en alle het volk die (met) hem en (hij) nam Abimelech (tot) EQRDMWT bij (hij) bedankte en (hij) hakte af SWKT bomen en (hij) droeg (er)naar en pas toe! op dat (zij) zijn opgestaan en (hij) sprak naar het volk die met hem wat? (jullie) hebben gezien (ik) heb gedaan (zij) hebben zich gehaast Ezau zoals ik
49.
en (zij) hakten af ook alle het volk man SWKE en (zij) gingen na Abimelech en (zij) plaatsten op EßRIH en (zij) staken aan op hen (tot) EßRIH (hij) is verrot en (zij) stierven ook alle mens (...) mij kweek(t) schouder KALP man en vrouw
50.
en (hij) ging Abimelech naar TBß en (hij) legerde BTBß en (hij) voegde samen (er)naar
51.
en kweek(t) kracht (hij) is geweest binnen (hij) heeft opgemerkt en (zij) vluchtten daarnaar (-s) alle de mensen en de vrouwen en alle bij (de) hoge (hij) heeft opgemerkt en (zij) sloten bij (de) getuige (...) hen en (zij) verhieven op dak (is het zo) dat kweek(t)
52.
en (hij) kwam Abimelech tot (is het zo) dat kweek(t) en (hij) streed bij hem en (hij) is genaderd tot opening (is het zo) dat kweek(t) te verbranden (...) hem (hij) is verrot
53.
en (jij) ging neer vrouw één part wagen op hoofd Abimelech en (zij) rende (tot) schedel (...) hem
54.
en (hij) noemde (zij) heeft zich gehaast naar de jeugd verheven gereedschappen (...) hem en (hij) sprak als stoppelveld zwaard (...) jou WMWTTNI opdat niet (zij) spraken aan mij vrouw ERCTEW WIDQREW schudt! en (hij) stierf
55.
en (zij) lieten zien man Israël dat dode Abimelech en (zij) gingen man aan plaats (...) hem
56.
en inwoner God (tot) medemens van Abimelech die (hij) heeft gedaan aan vader (...) hem te doden (tot) zeventig broers (...) hem
57.
en (tot) alle medemens van mens (...) mij schouder (hij) heeft teruggegeven God bij (het) hoofd (...) hen en (zij) kwam naar hen (jij) hebt vervloekt Jotham zoon Jerubbaal

Hoofdstuk 10

1.
en (hij) stond op na Abimelech te redden (tot) Israël worm zoon PWAE zoon oom (...) hem man Issaschar en hij inwoner bij (de) doorn bij (de) heuvel Efraïm
2.
en (hij) berechtte (tot) Israël twintig en drie jaar en (hij) stierf en (hij) begroef bij (de) doorn
3.
en (hij) stond op na hem (hij) verlichtte de gedenktekens van en (hij) berechtte (tot) Israël twintig en twee jaar
4.
en wees als dertig zonen Rechabieten op dertig jonge ezels en dertig jonge ezels aan hen aan hen (zij) noemden boerderij van (hij) verlichtte tot vandaag deze die bij (het) land het gedenkteken
5.
en (hij) stierf (hij) verlichtte en (hij) begroef bij (zij) zijn opgestaan (...) hen
6.
en (hij) zal toevoegen (...) hem bouw! Israël te doen juich! bij bestudeer! Jahweh en (zij) werkten (tot) de echtgenoten en (tot) EOSTRWT en (tot) mijn God Syrië en (tot) mijn God Sidon en (tot) mijn God Moab en (tot) mijn God bouw! Ammon en (tot) mijn God Filistijnen en (zij) verlieten (tot) Jahweh noch OBDWEW
7.
en (hij) ontbrandde neus Jahweh bij Israël en (hij) verkocht (...) hen bij (de) hand Filistijnen en bij (de) hand bouw! Ammon
8.
WIROßW WIRßßW (tot) bouw! Israël in het jaar die acht tien jaar (tot) alle bouw! Israël die bij (de) kant de Jordaan bij (het) land de Amoriet die bij (het) gedenkteken
9.
en (zij) gingen voorbij bouw! Ammon (tot) de Jordaan aan het brood ook bij Juda en met Benjamin en bij (het) huis Efraïm en (jij) schiep aan Israël zeer
10.
en (zij) schreeuwden bouw! Israël naar Jahweh te spreken (wij) hebben gezondigd aan jou en dat (wij) hebben verlaten (tot) onze God en (wij) bewerkten (tot) de echtgenoten
11.
en (hij) sprak Jahweh naar bouw! Israël toch? van Egypte en vanuit de Amoriet en vanuit bouw! Ammon en vanuit Filistijnen
12.
WßIDWNIM en Amelek en van misdaad (zij) hebben gedrukt (met) jullie en (jullie) schreeuwden naar mij en (ik) redde (er)naar (met) jullie van hand (...) hen
13.
en (met) hen (jullie) hebben verlaten mij en (jullie) werkten God anderen daarom niet (ik) voegde toe te redden (met) jullie
14.
ga(a)t! en (zij) hebben geschreeuwd naar naar God die (jullie) hebben gekozen in hen deze (mv) (zij) redden aan jullie bij (de) tijd ßRTKM
15.
en (zij) spraken bouw! Israël naar Jahweh (wij) hebben gezondigd (hij) heeft gedaan (met) haar aan ons zoals alle (de) goede bij (de) ogen (...) jou maar (hij) heeft gered (...) ons toch vandaag deze
16.
en (zij) verwijderden (tot) mijn God het vreemde land nastaande (...) hen en (zij) werkten (tot) Jahweh WTQßR ziel (...) hem bij (de) werkzame Israël
17.
en (zij) schreeuwden bouw! Ammon en (zij) legerden bij (het) gedenkteken en (zij) verzamelden bouw! Israël en (zij) legerden bij (de) uitkijkpunt
18.
en (zij) spraken het volk Sarai gedenkteken man naar zijn vriend water van de man die (hij) begon te aan het brood bij bouw! Ammon (hij) was aan hoofd aan alle inwoners van gedenkteken

Hoofdstuk 11

1.
en (hij) deed open de gedenktekens van (hij) is geweest held macht en hij zoon vrouw hoereer(t) en baar(t) gedenkteken (tot) (hij) deed open
2.
en (jij) baarde vuur van gedenkteken als zonen en (zij) groeiden bouw! de vrouw en (zij) verjoegen (tot) (hij) deed open en (zij) spraken als niet TNHL bij (het) huis (wij) hebben gewenst dat zoon vrouw andere (met) haar
3.
en (hij) vluchtte (hij) deed open van aanzicht van broers (...) hem en inwoner bij (het) land goede WITLQÐW naar (hij) deed open mensen lege (mv) en voert uit! met hem
4.
en wees van dagen en (zij) streedden bouw! Ammon met Israël
5.
en wees zoals (zij) hebben gestreden bouw! Ammon met Israël en (zij) gingen ben oud! gedenkteken (jij) hebt genomen (tot) (hij) deed open van land goede
6.
en (zij) spraken LIPTH ga! (er)naar en (jij) bent geweest (er)naar aan ons aan officier en (zij) heeft gestreden bij bouw! Ammon
7.
en (hij) sprak (hij) deed open aan baarden van gedenkteken toch? (met) hen (jullie) hebben gehaat mij en (jullie) verjoegen (...) mij van huis vader en waarom? (jullie) zijn gekomen naar mij nu zoals smalle aan jullie
8.
en (zij) spraken ben oud! gedenkteken naar (hij) deed open daarom nu (wij) zijn teruggekeerd naar jou en (jij) bent gegaan met ons en (jij) hebt gestreden bij bouw! Ammon en (jij) bent geweest aan ons aan hoofd aan alle inwoners van gedenkteken
9.
en (hij) sprak (hij) deed open naar ben oud! gedenkteken als geven terug (met) hen mij aan het brood bij bouw! Ammon en (hij) heeft gegeven Jahweh hen voor ik (ik) was aan jullie aan hoofd
10.
en (zij) spraken ben oud! gedenkteken naar (hij) deed open Jahweh (hij) was nieuws BINWTINW als niet zoals woord (...) jou zo (hij) is gedaan
11.
en (hij) ging (hij) deed open met ben oud! gedenkteken en (zij) plaatsten het volk hem op hen aan hoofd en aan officier en (hij) sprak (hij) deed open (tot) alle woorden (...) hem voor Jahweh bij (de) uitkijkpunt
12.
en (hij) zond weg (hij) deed open boodschappers naar koning bouw! Ammon te spreken wat? aan mij en aan jou dat (jij) bent gekomen naar mij aan het brood bij (het) land (...) mij
13.
en (hij) sprak koning bouw! Ammon naar boodschappers van (hij) deed open dat lering Israël (tot) land (...) mij bij (de) beklimmingen (...) hem van Egypte van Arnon en tot EIBQ en tot de Jordaan en nu (zij) heeft teruggegeven (met) hen bij (de) vrede
14.
en Jozef nog (eens) (hij) deed open en (hij) zond weg boodschappers naar koning bouw! Ammon
15.
en (hij) sprak als zo woord (hij) deed open niet lering Israël (tot) land Moab en (tot) land bouw! Ammon
16.
dat vrouwen (...) hen van Egypte en (hij) ging Israël bij (de) woestijn tot zee riet en (hij) kwam tempel-prostituee
17.
en (hij) zond weg Israël boodschappers naar koning Edom te spreken (ik) trok door (er)naar toch bij (het) land (...) jou noch nieuws koning Edom en ook naar koning Moab wapen noch (hij) heeft gewenst en inwoner Israël bij (de) heiligheid
18.
en (hij) ging bij (de) woestijn en (hij) wendde zich af (tot) land Edom en (tot) land Moab en (hij) kwam van Oosten zon aan land Moab en (zij) legerden (...) hen bij (de) kant Arnon noch (zij) zijn gekomen bij (de) grens Moab dat Arnon grens Moab
19.
en (hij) zond weg Israël boodschappers naar Sihon koning de Amoriet koning Hesbon en (hij) sprak als Israël (wij) troken door (er)naar toch bij (het) land (...) jou tot plaats (...) mij
20.
noch (hij) heeft geloofd Sihon (tot) Israël kant bij (de) grens (...) hem en (hij) verzamelde Sihon (tot) alle met hem en (zij) legerden BIEßE en (hij) streed met Israël
21.
en (hij) gaf Jahweh mijn God Israël (tot) Sihon en (tot) alle met hem bij (de) hand Israël en (hij) stond op en (hij) veroverde Israël (tot) alle land de Amoriet bewoner het land die
22.
en (zij) veroverden (tot) alle grens de Amoriet van Arnon en tot EIBQ en vanuit de woestijn en tot de Jordaan
23.
en nu Jahweh mijn God Israël (hij) heeft verdreven (tot) de Amoriet van aanzicht van met hem Israël en (met) haar TIRSNW
24.
toch? (tot) die (hij) verdreef (...) jou KMWS jouw God hem TIRS en (tot) alle die (hij) heeft verdreven Jahweh onze God van aanzichten (...) ons hem NIRS
25.
en nu (de) goede goede (met) haar van Balak zoon Zippor koning Moab de meerderheid meerderheid met Israël als (hij) heeft gestreden (hij) heeft gestreden in hen
26.
bij (de) sabbat Israël bij Hesbon en naar bij (de) bebouwingen WBOROWR en naar bij (de) bebouwingen en in alle de steden die op handen van Arnon drie honderd jaar en waarom? niet (jullie) hebben gered bij (de) tijd die
27.
en ik niet (ik) heb gezondigd aan jou en (met) haar (hij) heeft gedaan (met) mij herder aan het brood bij mij (hij) berechtte Jahweh de rechter vandaag tussen bouw! Israël en tussen bouw! Ammon
28.
noch nieuws koning bouw! Ammon naar spreek! (hij) deed open die wapen naar hem
29.
en (zij) was op (hij) deed open wind Jahweh en (hij) ging voorbij (tot) het gedenkteken en (tot) Manasse en (hij) ging voorbij (tot) uitkijkpunt gedenkteken en van uitkijkpunt gedenkteken kant bouw! Ammon
30.
en (hij) woonde (hij) deed open gelofte aan Jahweh en (hij) sprak als geschonken te geven (...) hen (tot) bouw! Ammon bij (de) handen van
31.
en (hij) is geweest (is het zo) dat (hij) werd tevoorschijn gehaald die uitgaande van deur (...) mij huis-en van mij tegemoet bij keer terug! bij (de) vrede van zonen van Ammon en (hij) is geweest aan Jahweh WEOLITIEW blad
32.
en (hij) ging voorbij (hij) deed open naar bouw! Ammon aan het brood in hen en (hij) gaf (...) hen Jahweh bij (hij) bedankte
33.
en (hij) stond op MORWOR en tot (hij) is gekomen (...) jou (jij) hebt opgenoemd twintig stad en tot rouw als zijn hoog geslagen grootheid zeer en (zij) werden vernederd bouw! Ammon van aanzicht van bouw! Israël
34.
en (hij) kwam (hij) deed open de uitkijkpunt naar huis (...) hem en hier is dochter (...) hem (jij) bent uitgegaan hem tegemoet BTPIM WBMHLWT en lege zij IHIDE (er is) niet als (van)uit hem zoon of dochter
35.
en wees zoals zicht (...) hem haar en (hij) scheurde (tot) kledingstukken (...) hem en (hij) sprak ach dochter (...) mij EKRO EKROTNI en (tot) (jij) bent geweest BOKRI en ik (ik) heb geopend mond van naar Jahweh noch eet terug te keren
36.
en (jij) sprak naar hem vader (jij) hebt geopend (er)naar (tot) monden (...) jou naar Jahweh (hij) heeft gedaan aan mij zoals uitgaande van monden (...) jou na die (hij) heeft gedaan aan jou Jahweh wraak-en van vijanden (...) jou van zonen van Ammon
37.
en (jij) sprak naar naar vader (zij) heeft gemaakt aan mij het woord deze (hij) heeft losgelaten (van)uit mij twee maanden en (ik) ging (er)naar en (ik) ben gedaald op naar de heuvels en (ik) weende op BTWLI ik en (ik) heb achtervolgd
38.
en (hij) sprak ga! en (hij) zond weg haar tweede maanden en (jij) ging zij WROWTIE en (zij) weende op BTWLIE op naar de heuvels
39.
en wees van eind twee maanden en (jij) woonde naar naar vader en (hij) heeft gemaakt aan haar (tot) (zij) hebben gelofte afgelegd die gelofte en zij niet (zij) heeft geweten man en (zij) was wet bij Israël
40.
van dagen naar dagen (jullie) gingen dochters Israël LTNWT aan dochter (hij) deed open de gedenktekens van vier dagen in het jaar

Hoofdstuk 12

1.
en (hij) schreeuwde man Efraïm en (hij) ging voorbij naar Noorden en (zij) spraken LIPTH waarom? (jij) bent voorbijgegaan aan het brood bij bouw! Ammon en aan ons niet (jij) hebt genoemd te gaan met jou huis (...) jou (wij) verbrandden op jou (hij) is verrot
2.
en (hij) sprak (hij) deed open naar hen man twist! (ik) ben geweest ik en met mij en bouw! Ammon zeer WAZOQ (met) jullie noch (jullie) hebben gered mij van hand (...) hen
3.
en (ik) liet zien dat jij bent (er) niet red(t) en (ik) plaatste (er)naar ziel (...) mij bij (de) lepels van en (ik) trok door (er)naar naar bouw! Ammon en (hij) gaf (...) hen Jahweh bij (de) handen van en waarom (jullie) zijn opgegaan naar mij vandaag deze aan het brood bij mij
4.
en (hij) verzamelde (hij) deed open (tot) alle mens (...) mij gedenkteken en (hij) streed (tot) Efraïm en (zij) sloegen mens (...) mij gedenkteken (tot) Efraïm dat (zij) hebben gesproken vluchtelingen van Efraïm (met) hen gedenkteken binnen Efraïm binnen Manasse
5.
en (hij) voegde samen gedenkteken (tot) trekken door de Jordaan aan Efraïm en (hij) is geweest dat (zij) spraken vluchtelingen van Efraïm (ik) trok door (er)naar en (zij) spraken als mens (...) mij gedenkteken EAPRTI (met) haar en (hij) sprak niet
6.
en (zij) spraken als woord toch SBLT en (hij) sprak XBLT noch (hij) bereidde voor te spreken zo en (zij) grepen hem WISHÐWEW naar trekken door de Jordaan en (hij) liet vallen bij (de) tijd die van Efraïm veertig en twee duizend
7.
en (hij) berechtte (hij) deed open (tot) Israël zes twee en (hij) stierf (hij) deed open de gedenktekens van en (hij) begroef roeie uit! gedenkteken
8.
en (hij) berechtte na hem (tot) Israël ABßN van huis brood
9.
en wees als dertig zonen en dertig dochters wapen naar de straat en dertig dochters (hij) heeft gebracht aan zonen (...) hem vanuit de straat en (hij) berechtte (tot) Israël zeven twee
10.
en (hij) stierf ABßN en (hij) begroef bij (het) huis brood
11.
en (hij) berechtte na hem (tot) Israël Elon EZBWLNI en (hij) berechtte (tot) Israël rijkdom twee
12.
en (hij) stierf Elon EZBWLNI en (hij) begroef bij Elon bij (het) land Zebulon
13.
en (hij) berechtte na hem (tot) Israël (zij) hebben gewerkt (...) hen zoon lofzang EPROTWNI
14.
en wees als veertig zonen en dertig bouw! zonen Rechabieten op zeventig stad (...) hen en (hij) berechtte (tot) Israël acht twee
15.
en (hij) stierf (zij) hebben gewerkt (...) hen zoon lofzang EPROTWNI en (hij) begroef BPROTWN bij (het) land Efraïm bij (de) heuvel de Amelekiet

Hoofdstuk 13

1.
en (hij) zal toevoegen (...) hem bouw! Israël te doen juich! bij bestudeer! Jahweh en (hij) gaf (...) hen Jahweh bij (de) hand Filistijnen veertig jaar
2.
en wees man één van Zora van familie van (is het zo) dat (hij) heeft berecht (...) mij en zijn naam om te rusten en vuur (...) hem onvruchtbare noch (zij) heeft gebaard
3.
en gezien boodschapper Jahweh naar de vrouw en (hij) sprak vetstaart hier is toch (tot) onvruchtbare noch (jij) hebt gebaard en (jij) bent zwanger geworden en (jij) hebt gebaard zoon
4.
en nu (is het zo) dat bewaar! toch en naar (jij) dronk wijn en beloning en naar (jij) at alle onreine
5.
dat hier ben jij naar heuvel en (jij) hebt gebaard zoon en leraar niet (hij) verhief op hoofd (...) hem dat monnik God (hij) was de jeugd vanuit de buik en hij (hij) begon te te redden (tot) Israël van hand Filistijnen
6.
en (zij) kwam de vrouw en (jij) sprak naar aan man te spreken man naar God (hij) is gekomen naar mij en verschijning (...) hem zoals verschijning boodschapper naar God ontzagwekkende zeer noch SALTIEW waar hiervandaan hij en (tot) zijn naam niet (hij) heeft verteld aan mij
7.
en (hij) sprak aan mij hier ben jij naar heuvel en (jij) hebt gebaard zoon en nu naar (jij) dronk wijn en beloning en naar (jij) at alle onreinheid dat monnik God (hij) was de jeugd vanuit de buik tot dag sterft!
8.
en (hij) bad om te rusten naar Jahweh en (hij) sprak bij mij heren van man naar God die (jij) hebt gezonden invoer toch nog (eens) naar ons WIWRNW wat? (hij) is gedaan te schudden (is het zo) dat baar(t)
9.
en (hij) hoorde toe naar God bij (de) klank om te rusten en (hij) kwam boodschapper naar God nog (eens) naar de vrouw en zij woon(t) bij (het) veld en om te rusten naar man (er is) niet met haar
10.
en (jij) haastte je de vrouw en (zij) rende en (zij) vertelde naar aan man en (jij) sprak naar hem hier is (wij) lieten zien naar mij de man die (hij) is gekomen bij (de) dag naar mij
11.
en (hij) stond op en (hij) ging om te rusten na vuur (...) hem en (hij) kwam naar de man en (hij) sprak als (is het zo) dat (met) haar de man die woord van naar de vrouw en (hij) sprak ik
12.
en (hij) sprak om te rusten nu (hij) kwam woorden (...) jou wat? (hij) was rechtsregel de jeugd en handeling (...) hem
13.
en (hij) sprak boodschapper Jahweh naar om te rusten van alle die (ik) heb gesproken naar de vrouw (jij) bewaarde
14.
van alle die uitgaande van wijnstok de wijn niet (jij) at en wijn en beloning naar (zij) legde en alle onreinheid naar (jij) at alle die (ik) heb opdracht gegeven (er)naar (jij) bewaarde
15.
en (hij) sprak om te rusten naar boodschapper Jahweh NOßRE toch jou en (hij) is gedaan voor jou bokje geiten
16.
en (hij) sprak boodschapper Jahweh naar om te rusten als (zij) hield vast (...) mij niet eten bij (het) brood (...) jou en als (jij) deed blad aan Jahweh (zij) verhief (...) haar dat niet (hij) heeft geweten om te rusten dat boodschapper Jahweh hij
17.
en (hij) sprak om te rusten naar boodschapper Jahweh water van naam (...) jou dat (hij) kwam woorden (...) jou en (wij) zijn zwaar geweest (...) jou
18.
en (hij) sprak als boodschapper Jahweh waarom dit (jij) vroeg aan namen van en hij wonderlijke
19.
en (hij) nam om te rusten (tot) bokje de geiten en (tot) het geschenk en (hij) verhief op de rots aan Jahweh en om wonderlijk te zijn te doen en om te rusten en vuur (...) hem spiegel (...) hen
20.
en wees bij (de) beklimmingen ELEB boven het altaar naar de hemel en (hij) verhief boodschapper Jahweh BLEB het altaar en om te rusten en vuur (...) hem spiegel (...) hen en (zij) vielen op aanzichten (...) hen naar land
21.
noch (hij) heeft toegevoegd nog (eens) boodschapper Jahweh LERAE naar om te rusten en naar vuur (...) hem destijds (hij) heeft geweten om te rusten dat boodschapper Jahweh hij
22.
en (hij) sprak om te rusten naar vuur (...) hem dood (wij) stierven dat God (wij) hebben gezien
23.
en (jij) sprak als vuur (...) hem als wens Jahweh te doden (...) ons niet lering van hand (...) ons blad en geschenk noch (hij) heeft laten zien (...) ons (tot) alle deze WKOT niet (hij) heeft laten horen (...) ons zoals deze
24.
en (jij) baarde de vrouw zoon en (jij) noemde (tot) zijn naam Simson en (hij) groeide de jeugd en (hij) zegende (...) hem Jahweh
25.
en (jij) begon te wind Jahweh aan keer (...) hem bij (het) kamp Dan tussen Zora en tussen ASTAL

Hoofdstuk 14

1.
en (hij) is gedaald Simson naar Timna en gezien vrouw BTMNTE om te bouwen Filistijnen
2.
en (hij) verhief en (hij) werd verteld aan vader (...) hem en natie (...) hem en (hij) sprak vrouw (ik) heb gezien BTMNTE om te bouwen Filistijnen en nu neemt! haar aan mij aan vrouw
3.
en (hij) sprak als vader (...) hem en moeder (...) hem (is het zo) dat (er is) niet bij (de) dochters broers (...) jou en in alle met mij vrouw dat (met) haar ga(a)(t) (jij) hebt genomen vrouw van Filistijnen de onbesnedenen en (hij) sprak Simson naar vader (...) hem haar neem! aan mij dat zij (zij) heeft geeffend bij bestudeer!
4.
en vader (...) hem en moeder (...) hem niet (zij) hebben geweten dat van Jahweh zij dat vijg hij zoek(t) van Filistijnen en bij (de) tijd die Filistijnen voltooie(t) bij Israël
5.
en (hij) is gedaald Simson en vader (...) hem en moeder (...) hem naar Timna en voert in! tot wijngaarden van naar Timna en hier is jonge leeuw leeuwen (hij) heeft gebruld hem tegemoet
6.
en (jij) bereikte op hem wind Jahweh WISXOEW KSXO het bokje en iets (er is) niet bij (hij) bedankte noch (hij) heeft verteld aan vader (...) hem en natie (...) hem (tot) die (hij) heeft gedaan
7.
en (hij) is gedaald en (hij) sprak aan vrouw en (jij) effende bij bestudeer! Simson
8.
en inwoner van dagen (jij) hebt genomen (er)naar en (hij) week af te zien (tot) MPLT de leeuw en hier is getuige van DBWRIM BCWIT de leeuw en honing
9.
en (zij) is gedaald (...) hem naar lepels (...) hem en (hij) ging gang en eten en (hij) ging naar vader (...) hem en naar moeder (...) hem en (hij) gaf aan hen en (zij) aten noch (hij) heeft verteld aan hen dat MCWIT de leeuw daal! (er)naar de honing
10.
en (hij) is gedaald vader (...) hem naar de vrouw en (hij) heeft gemaakt daar Simson banket dat zo (zij) hebben gemaakt de jongemannen
11.
en wees zoals zicht (...) hen hem en (zij) namen dertig van kwaden en (zij) waren (met) hem
12.
en (hij) sprak aan hen Simson AHWDE toch aan jullie HIDE als vertel! (jullie) vertelden haar aan mij zeven dagen van het banket en (jullie) hebben gevonden en (ik) heb gegeven aan jullie dertig XDINIM en dertig HLPT kledingstukken
13.
en als niet je zult kunnen (...) hem te vertellen aan mij en (jij) hebt gegeven (...) hen (met) hen aan mij dertig XDINIM en dertig HLIPWT kledingstukken en (zij) spraken als naar punt HIDTK en (wij) hoorden toe (...) haar
14.
en (hij) sprak aan hen van het eten uitgaande voedsel en van kracht uitgaande zoete noch (zij) hebben gekund te vertellen EHIDE drie van dagen
15.
en wees bij (de) dag (de) zevende en (zij) spraken aan vuur van Simson dwaas (tot) man (...) jou en (hij) werd verteld aan ons (tot) EHIDE opdat niet (wij) verbrandden jou en (tot) huis vader (...) jou (hij) is verrot ELIRSNW (jullie) hebben genoemd aan ons toch?
16.
en (zij) weende vuur van Simson op hem en (jij) sprak lege (jullie) hebben gehaat (...) mij noch (jullie) hebben liefgehad (...) mij EHIDE HDT aan zonen van met mij en aan mij niet (jij) hebt verteld (er)naar en (hij) sprak aan haar hier is aan vader en naties van niet (ik) heb verteld en aan jou (ik) vertelde
17.
en (zij) weende op hem zeven de dagen die (hij) is geweest aan hen het banket en wees bij (de) dag (de) zevende en (hij) werd verteld aan haar dat EßIQTEW en (zij) vertelde EHIDE aan zonen van met haar
18.
en (zij) spraken als mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt bij (de) dag (de) zevende voordat (hij) kwam EHRXE wat? zoete van honing en wat? kracht van leeuw en (hij) sprak aan hen LWLA (jullie) hebben geploegd bij (het) koekalf (...) mij niet (jullie) hebben gevonden HIDTI
19.
en (jij) bereikte op hem wind Jahweh en (hij) is gedaald Askelon en (hij) sloeg (van)uit hen dertig man en (hij) nam (tot) HLIßWTM en (hij) gaf EHLIPWT LMCIDI EHIDE en (hij) ontbrandde neus (...) hem en (hij) verhief huis vader (...) hem
20.
en (zij) was vuur van Simson tot van zijn vriend die herder als

Hoofdstuk 15

1.
en wees van dagen bij (de) dagen van oogst tarwe en (hij) beval Simson (tot) vuur (...) hem bij (het) bokje geiten en (hij) sprak (ik) profeteerde (er)naar naar mijn vrouw (is het zo) dat (zij) is binnengedrongen noch (zij) hebben gegeven naar vader te komen
2.
en (hij) sprak naar vader woord (ik) heb gesproken dat (hij) heeft gehaat (jij) hebt gehaat (er)naar en (ik) zal geven tot van kwaad (...) jou toch? naar zus naar de kleine goeds (van)uit haar (zij) was toch aan jou in de plaats van haar
3.
en (hij) sprak aan hen Simson NQITI de keer van Filistijnen dat (hij) heeft gedaan ik volk (...) hen herder
4.
en (hij) ging Simson en (hij) voegde samen drie honderd vossen en (hij) nam LPDIM en (hij) wendde zich ZNB naar ZNB en pas toe! LPID één tussen tweede EZNBWT binnen
5.
en (hij) roeide uit vuur BLPIDIM en (hij) zond weg bij staan op Filistijnen en (hij) roeide uit MCDIS en tot (zij) is opgestaan en tot wijngaard olijf
6.
en (zij) spraken Filistijnen water van (hij) heeft gedaan deze en (zij) spraken Simson bruidegom (is het zo) dat (jij) benoemde dat lering (tot) vuur (...) hem en (hij) gaf tot van zijn vriend en (zij) verhieven Filistijnen en (zij) verbrandden haar en (tot) naar vader (hij) is verrot
7.
en (hij) sprak aan hen Simson als (jullie) maakten (...) hen zoals deze dat als (ik) heb gewroken bij jullie en andere AHDL
8.
en (hij) sloeg hen onderbeen op heup geslagen grootheid en (hij) is gedaald en inwoner BXOIP rots Etam
9.
en (zij) verhieven Filistijnen en (zij) legerden bij Juda WINÐSW bij (de) wang
10.
en (zij) spraken man Juda waarom (jullie) zijn opgegaan op ons en (zij) spraken gevangen te nemen (tot) Simson op ons te doen als zoals (hij) heeft gedaan aan ons
11.
en (zij) zijn gedaald drie van duizenden man van Juda naar XOIP rots Etam en (zij) spraken aan Simson toch? (jij) hebt geweten dat voltooie(t) bij ons Filistijnen en wat? deze (jij) hebt gedaan aan ons en (hij) sprak aan hen zoals Ezau aan mij zo (ik) heb gedaan aan hen
12.
en (zij) spraken als LAXRK (wij) zijn gedaald te geven (...) jou bij (de) hand Filistijnen en (hij) sprak aan hen Simson (is het zo) dat (zij) zijn verzadigd geweest aan mij opdat niet (jullie) troven (...) hen bij mij (met) hen
13.
en (zij) spraken als te spreken niet dat (hij) heeft gevangen genomen (wij) namen gevangen (...) jou en (zij) hebben gegeven (...) jou bij (hij) leek en dood! niet (wij) doodden (...) jou en (zij) namen gevangen (...) hem bij twee OBTIM maanden WIOLWEW vanuit de rots
14.
hij (hij) is gekomen tot wang en Filistijnen (zij) hebben gejuicht hem tegemoet en (jij) bereikte op hem wind Jahweh en (jullie) waren EOBTIM die op armen (...) hem zoals linnen (mv) die roeiet uit! (hij) is verrot WIMXW verboden (...) hem boven handen (...) hem
15.
en (hij) vond wang ernstige ÐRIE en (hij) zond weg (hij) bedankte en (hij) nam (er)naar en (hij) sloeg bij haar duizend man
16.
en (hij) sprak Simson bij (de) wang (de) ernstige ernstige HMRTIM bij (de) wang (de) ernstige (ik) heb geslagen duizend man
17.
en wees zoals schoondochter (...) hem te spreken en (hij) ging neer de wang van hand (...) hem en (hij) noemde aan plaats dat (jij) bent hoog geweest wang
18.
en (hij) had dorst zeer en (hij) noemde naar Jahweh en (hij) sprak (met) haar (jij) hebt gegeven bij (de) hand slaaf (...) jou (tot) (is het zo) dat (jij) schreeuwde om hulp (er)naar de grootheid (de) deze en nu (ik) stierf bij (de) dorst en (ik) ben gevallen bij (de) hand de onbesnedenen
19.
WIBQO God (tot) de kom die bij (de) wang en voert uit! (van)uit hem water en (hij) legde en (jij) woonde wind (...) hem en leve! op zo (hij) heeft genoemd daarnaar (-s) oog (is het zo) dat noem(t) die bij (de) wang tot vandaag deze
20.
en (hij) berechtte (tot) Israël bij (de) dagen van Filistijnen twintig jaar

Hoofdstuk 16

1.
en (hij) ging Simson OZTE en gezien daar vrouw hoereer(t) en (hij) kwam vetstaart
2.
LOZTIM te spreken (hij) is gekomen Simson hier is en (zij) legden opzij en (zij) lagen in hinderlaag als alle de nacht bij (de) poort (hij) heeft opgemerkt WITHRSW alle de nacht te spreken tot licht het rundvee en (wij) hebben gedood (...) hem
3.
en (hij) lag neer Simson tot halve de nacht en (hij) stond op bij (de) halve de nacht en (hij) greep bij (de) deuren poort (hij) heeft opgemerkt en (ik) heb me geschaamd EMZZWT en (hij) reisde (...) hen met de grendel en pas toe! op flanken (...) hem en (hij) verhief (...) hen naar hoofd de heuvel die op aanzicht van Hebron
4.
en wees na zo en (hij) had lief vrouw bij (de) wadi (hij) heeft gefloten en daarnaar (-s) Delila
5.
en (zij) verhieven vetstaart (hij) is afgeweken (...) mij Filistijnen en (zij) spraken aan haar dwaas hem en spiegel verhoging kracht (...) hem grote en verhoging (wij) zullen kunnen als WAXRNWEW te antwoorden (...) hem en wij (hij) heeft gegeven aan jou man duizend en honderd zilver
6.
en (jij) sprak Delila naar Simson (zij) heeft verteld toch aan mij verhoging zoals verhemelte grote en verhoging (jij) nam gevangen te antwoorden (...) jou
7.
en (hij) sprak vetstaart Simson als (hij) nam gevangen (...) mij bij zeven resten frisse (mv) die niet (zij) zijn vernield en (ik) ben ziek geworden en (ik) ben geweest zoals een de mens
8.
en (zij) verhieven aan haar (hij) is afgeweken (...) mij Filistijnen zeven resten frisse (mv) die niet (zij) zijn vernield en (jullie) namen gevangen (...) hem bij hen
9.
WEARB inwoner aan haar bij (de) kamer en (jij) sprak naar hem Filistijnen op jou Simson en (hij) brak af (tot) de resten zoals (hij) brak af snoer (is het zo) dat (jij) hebt uitgeschud BERIHW vuur noch (wij) werden bekend kracht (...) hem
10.
en (jij) sprak Delila naar Simson hier is ETLT bij mij en (jij) sprak naar mij als vloeien nu (zij) heeft verteld toch aan mij verhoging (jij) nam gevangen
11.
en (hij) sprak vetstaart als verbod (zij) namen gevangen (...) mij BOBTIM maanden die niet (hij) is gedaan bij hen handwerk en (ik) ben ziek geworden en (ik) ben geweest zoals een de mens
12.
en (jij) nam Delila OBTIM maanden en (jullie) namen gevangen (...) hem bij hen en (jij) sprak naar hem Filistijnen op jou Simson WEARB inwoner bij (de) kamer en (hij) brak af (...) hen boven (ik) heb gezaaid (...) hem KHWÐ
13.
en (jij) sprak Delila naar Simson tot hier is ETLT bij mij en (jij) sprak naar mij als vloeien (zij) heeft verteld aan mij verhoging (jij) nam gevangen en (hij) sprak vetstaart als TARCI (tot) zeven MHLPWT hoofden van met EMXKT
14.
en (jij) blies bij (de) pin en (jij) sprak naar hem Filistijnen op jou Simson en (hij) werd wakker van jaar (...) hem en (hij) reisde (tot) de pin EARC en (tot) EMXKT
15.
en (jij) sprak naar hem waar ben jij? (jij) sprak (ik) heb liefgehad (...) jou en hart (...) jou (er is) niet (met) mij dit drie twee keer ETLT bij mij noch (jij) hebt verteld aan mij verhoging zoals verhemelte grote
16.
en wees dat EßIQE als bij spreek! (er)naar alle de dagen WTALßEW WTQßR ziel (...) hem te sterven
17.
en (hij) werd verteld aan haar (tot) alle zijn hart en (hij) sprak aan haar leraar niet blad op hoofden van dat monnik God ik van buik moeder (...) mij als CLHTI en (hij) is afgeweken (van)uit mij zoals levende en (ik) ben ziek geworden en (ik) ben geweest zoals alle de mens
18.
en (zij) liet zien Delila dat (hij) heeft verteld aan haar (tot) alle zijn hart en (jij) zond weg en (jij) noemde LXRNI Filistijnen te spreken (zij) zijn opgegaan de keer dat (hij) heeft verteld aan haar (tot) alle zijn hart en (zij) zijn opgegaan vetstaart (hij) is afgeweken (...) mij Filistijnen en (zij) verhieven het zilver bij (hij) leek
19.
WTISNEW op zegen! (er)naar en (jij) noemde aan man WTCLH (tot) zeven MHLPWT hoofd (...) hem en (jij) begon te te antwoorden (...) hem en (hij) week af kracht (...) hem ontvreemd! (...) hem
20.
en (jij) sprak Filistijnen op jou Simson en (hij) is wakker geworden van jaar (...) hem en (hij) sprak (ik) ging uit zoals keer bij (de) keer en (ik) schudde en hij niet (hij) heeft geweten dat Jahweh (hij) is afgeweken ontvreemd! (...) hem
21.
WIAHZWEW Filistijnen WINQRW (tot) ogen (...) hem WIWRIDW hem OZTE WIAXRWEW bij (de) koper-en en wees ÐWHN bij (het) huis EAXIRIM
22.
en (hij) begon te poort hoofd (...) hem LßMH zoals CLH
23.
en (hij) is afgeweken (...) mij Filistijnen (wij) verzamelden (...) hem aan slachting slachting grote aan Dagon hun God en aan vreugde en (zij) spraken (hij) heeft gegeven onze God bij (de) hand (...) ons (tot) Simson vijand (...) ons
24.
en (zij) lieten zien (met) hem het volk en (zij) zullen loven (tot) hun God dat (zij) hebben gesproken (hij) heeft gegeven onze God bij (de) hand (...) ons (tot) vijand (...) ons en (tot) MHRIB land (...) ons en die veel (tot) doden (...) ons
25.
en wees dat goede hart (...) hen en (zij) spraken (zij) hebben genoemd aan Simson en (hij) wreef fijn aan ons en (zij) noemden aan Simson van huis EAXIRIM en Izak voor hen en (zij) stelden op hem tussen de staanders
26.
en (hij) sprak Simson naar de jeugd (is het zo) dat houd(t) bij (hij) bedankte (zij) heeft rust gegeven mij WEIMSNI (tot) de staanders die het huis juiste op hen en (ik) steunde op hen
27.
en het huis (hij) is vol geweest de mensen en de vrouwen en daarnaar (-s) alle (hij) is afgeweken (...) mij Filistijnen en op de dak zoals drie van duizenden man en vrouw laat zien! (...) hen bij wrijf fijn! Simson
28.
en (hij) noemde Simson naar Jahweh en (hij) sprak liggers van Jahweh (hij) heeft zich herinnerd (...) mij toch en versterk! (...) mij toch maar de keer deze naar God WANQME wraak één van schering bestudeer! van Filistijnen
29.
WILPT Simson (tot) tweede staanders van het midden die het huis juiste op hen en (hij) steunde op hen één bij (de) dagen (...) ons en één bij (de) linkerhand (...) hem
30.
en (hij) sprak Simson (jij) stierf ziel (...) mij met Filistijnen en (hij) neeg bij (de) kracht en (hij) liet vallen het huis op EXRNIM en op alle het volk die bij hem en (zij) waren (is het zo) dat sterven die (jij) hebt geruist bij sterft! twisten bevestig(t) (jij) hebt geruist bij leef! (...) hem
31.
en (zij) zijn gedaald broers (...) hem en alle huis vader (...) hem en (zij) droegen (met) hem en (zij) verhieven en (zij) begroeven hem tussen Zora en tussen ASTAL bij (het) graf om te rusten vader (...) hem en hij rechter (tot) Israël twintig jaar

Hoofdstuk 17

1.
en wees man vlugge Efraïm en zijn naam Micha
2.
en (hij) sprak natie (...) hem duizend en honderd het zilver die lering aan jou en (met) mij vetstaart van en ook (jij) hebt gesproken bij (de) oren van hier is het zilver (met) mij ik (ik) heb genomen (...) hem en (jij) sprak moeder (...) hem gezegende bouw! aan Jahweh
3.
en inwoner (tot) duizend en honderd het zilver natie (...) hem en (jij) sprak moeder (...) hem wijd! (ik) heb gewijd (tot) het zilver aan Jahweh van handen van aan zonen van te doen (hij) heeft gehouwen en van hut en nu (ik) gaf terug (...) ons aan jou
4.
en inwoner (tot) het zilver natie (...) hem en (jij) nam moeder (...) hem honderd paar zilver en (jij) gaf (...) hem LßWRP en (zij) heeft gemaakt (...) hem (hij) heeft gehouwen en van hut en wees bij (het) huis Micha
5.
en de man Micha als huis God en (hij) heeft gemaakt priesterkleed en (jij) liet los (...) hen en (hij) was vol (tot) hand één van zonen (...) hem en wees als aan priester
6.
bij (de) dagen die (er is) niet koning bij Israël man rechtuit bij (de) ogen (...) hem (zij) heeft gemaakt
7.
en wees jeugd van huis brood Juda van familie van Juda en hij Levi en hij vreemdeling daar
8.
en (hij) ging de man om op te merken van huis brood Juda te wonen wat betreft (hij) vond en (hij) kwam heuvel Efraïm tot huis Micha te doen weg (...) hem
9.
en (hij) sprak als Micha vanwaar? (jij) kwam en (hij) sprak naar hem Levi ik van huis brood Juda en ik beweging te wonen wat betreft (ik) vond
10.
en (hij) sprak als Micha (zij) is teruggekeerd met mij en (hij) is geweest aan mij aan vader en aan priester en ik (met) hen aan jou tiental zilver aan dagen en waarde kledingstukken en (jij) hebt uitgewist (...) jou en (hij) ging (is het zo) dat Levi
11.
en Joël (is het zo) dat Levi te wonen (tot) de man en wees de jeugd als zoals een van zonen (...) hem
12.
en (hij) was vol Micha (tot) hand (is het zo) dat Levi en wees als de jeugd aan priester en wees bij (het) huis Micha
13.
en (hij) sprak Micha nu (ik) heb geweten dat (hij) deed goed Jahweh aan mij dat (hij) is geweest aan mij (is het zo) dat Levi aan priester

Hoofdstuk 18

1.
bij (de) dagen die (er is) niet koning bij Israël en bij (de) dagen die stam (is het zo) dat (hij) heeft berecht (...) mij zoek(t) als erfgoed te wonen dat niet (zij) is gevallen als tot vandaag dat binnen stammen van Israël bij (het) erfgoed
2.
en (zij) zondden weg bouw! Dan van families (...) hen vijf mensen van einden (...) hen mensen bouw! macht van Zora WMASTAL aan voet (tot) het land en naar aan onderzoek en (zij) spraken naar hen ga(a)t! (zij) hebben onderzocht (tot) het land en voert in! heuvel Efraïm tot huis Micha en (zij) lieten overnachten daar
3.
deze (mv) met huis Micha en deze (mv) (zij) hebben herkend (tot) klank de jeugd (is het zo) dat Levi en (zij) verblindden daar en (zij) spraken als water van (hij) heeft gebracht (...) jou hierheen en wat? (met) haar (hij) heeft gedaan hier en wat? aan jou mond
4.
en (hij) sprak naar hen zoals dit WKZE (hij) heeft gedaan aan mij Micha en (hij) huurde (...) mij en (ik) was er als aan priester
5.
en (zij) spraken als (hij) heeft gevraagd toch bij God en (wij) wisten (er)naar (is het zo) dat (jij) bereikte weg (...) ons die wij voorbijgangers op haar
6.
en (hij) sprak aan hen de priester ga(a)t! volledig te zijn tegenover Jahweh weg (...) jullie die (jullie) gingen bij haar
7.
en (zij) gingen vijf de mensen en voert in! naar leeuw en (zij) lieten zien (tot) het volk die bij (zij) heeft nader gebracht woon(t) zich te verzekeren zoals rechtsregel ßDNIM stilte en veiligheid en (er is) niet van alle (mv) woord bij (het) land verover(t) (hij) heeft vastgehouden en afstanden deze (mv) MßIDNIM en woord (er is) niet aan hen met mens
8.
en voert in! naar broers (...) hen Zora WASTAL en (zij) spraken aan hen broers (...) hen wat? (met) hen
9.
en (zij) spraken hoogte en (wij) verhieven op hen dat (wij) hebben gezien (tot) het land en hier is goeds zeer en (met) hen MHSIM naar TOßLW te gaan te komen te veroveren (tot) het land
10.
als (hij) is gekomen (...) jullie (jij) kwam (...) hem naar met veiligheid en het land (jij) bent breder geworden handen dat (zij) heeft gegeven God bij (de) hand (...) jullie plaats die (er is) niet daar om te ontbreken alle woord die bij (het) land
11.
en (zij) reisden van daar van familie van (is het zo) dat (hij) heeft berecht (...) mij van Zora WMASTAL zes honderd man omgord! gereedschap strijd
12.
en (zij) verhieven en (zij) legerden bij Stad van bossen bij Juda op zo (zij) hebben genoemd aan plaats dat kamp Dan tot vandaag deze hier is na Stad van bossen
13.
en (zij) gingen voorbij van daar heuvel Efraïm en voert in! tot huis Micha
14.
en (zij) antwoordden vijf de mensen de voorbijgangers aan voet (tot) het land leeuw en (zij) spraken naar broers (...) hen (is het zo) dat (jullie) hebben geweten dat er is bij (de) huizen (de) deze priesterkleed en (jij) liet los (...) hen en (hij) heeft gehouwen en van hut en nu weet! wat? (jullie) maakten
15.
en (zij) verblindden daarnaar (-s) en voert in! naar huis de jeugd (is het zo) dat Levi huis Micha en (hij) vroeg (...) hem als volledig te zijn
16.
en zes honderd man HCWRIM gereedschap oorlogen (...) hen heft-en opening de poort die van zonen van Dan
17.
en (zij) verhieven vijf de mensen de voorbijgangers aan voet (tot) het land (zij) zijn gekomen daarnaar (-s) (zij) hebben genomen (tot) (is het zo) dat (hij) heeft gehouwen en (tot) het priesterkleed en (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen en (tot) naar het scherm en de priester opgesteld opening de poort en zes honderd de man (is het zo) dat omgord! gereedschap de strijd
18.
en deze (zij) zijn gekomen huis Micha en (zij) namen (tot) (hij) heeft gehouwen het priesterkleed en (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen en (tot) naar het scherm en (hij) sprak naar hen de priester wat? (met) hen maak! (...) hen
19.
en (zij) spraken als (de) stille plaats! hand (...) jou op monden (...) jou en aan jou met ons en (hij) is geweest aan ons aan vader en aan priester (de) goede te zijn (...) jou priester aan huis man één of te zijn (...) jou priester aan stam en aan familie bij Israël
20.
en (hij) was goed hart de priester en (hij) nam (tot) het priesterkleed en (tot) (is het zo) dat (jij) liet los (...) hen en (tot) (is het zo) dat (hij) heeft gehouwen en (hij) kwam te midden van het volk
21.
en (zij) wendden zich en (zij) gingen en (zij) plaatsten (tot) de kleine kinderen en (tot) het bezit en (tot) naar de eer voor hen
22.
deze (mv) ERHIQW van huis Micha en de mensen die bij (de) huizen die met huis Micha (wij) schreeuwden (...) hem WIDBIQW (tot) bouw! Dan
23.
en (zij) noemden naar bouw! Dan en (zij) legden opzij aanzichten (...) hen en (zij) spraken aan Micha wat? aan jou dat NZOQT
24.
en (hij) sprak (tot) mijn God die (ik) heb gedaan (jullie) hebben genomen en (tot) de priester en (jullie) gingen en wat? aan mij nog (eens) en wat? dit (jullie) spraken naar mij wat? aan jou
25.
en (zij) spraken naar hem bouw! Dan naar (jij) hoorde toe klank (...) jou met ons opdat niet (zij) troven bij jullie mensen verzet ziel en (jij) hebt verzameld (er)naar ziel (...) jou en ziel huis (...) jou
26.
en (zij) gingen bouw! Dan aan generatie (...) jullie en gezien Micha dat krachten deze (mv) (van)uit hem en (hij) wendde zich en inwoner naar huis (...) hem
27.
en deze (mv) (zij) hebben genomen (tot) die (hij) heeft gedaan Micha en (tot) de priester die (hij) is geweest als en voert in! op leeuw op met stilte en veiligheid en (zij) sloegen hen aan mond van zwaard en (tot) (hij) heeft opgemerkt verbrandt! (hij) is verrot
28.
en (er is) niet redder dat naar afstand zij van Sidon en woord (er is) niet aan hen met mens en zij bij (de) diepte die aan huis straat en (zij) bouwden (tot) (hij) heeft opgemerkt en (zij) hebben gewoond bij haar
29.
en (zij) noemden daar (hij) heeft opgemerkt Dan bij (de) naam Dan vaders (...) hen die baar(t) aan Israël daarentegen leeuw daar (hij) heeft opgemerkt LRASNE
30.
en (zij) vestigden aan hen bouw! Dan (tot) (is het zo) dat (hij) heeft gehouwen en Jonathan zoon verjaag! (...) hen zoon Manasse hij en zonen (...) hem (zij) zijn geweest priesters aan stam (is het zo) dat (hij) heeft berecht (...) mij tot dag ballingschap het land
31.
en (zij) plaatsten aan hen (tot) (hij) heeft gehouwen Micha die (hij) heeft gedaan alle dagen van te zijn huis naar God bij Sela

Hoofdstuk 19

1.
en wees bij (de) dagen die en koning (er is) niet bij Israël en wees man Levi vreemdeling (ik) heb gezegend heuvel Efraïm en (hij) nam als vrouw bijvrouw van huis brood Juda
2.
en (jij) hoereerde op hem bijvrouw (...) hem en (jij) ging van hem naar huis naar vader naar huis brood Juda en (zij) was daar dagen vier maanden
3.
en (hij) stond op naar man en (hij) ging na haar te spreken op naar hart terug te geven (...) hem en schudt! met hem en span ezeldrijvers en (jullie) brachten (...) hem huis naar vader en vrees (...) hem vader het meisje en (hij) maakte blij hem tegemoet
4.
en (hij) versterkte bij hem angst (...) ons vader het meisje en inwoner (met) hem drie van dagen en (zij) aten en (zij) dronken en (zij) lieten overnachten daar
5.
en wees bij (de) dag (de) vierde en (zij) stondden vroeg op bij (het) rundvee en (hij) stond op te gaan en (hij) sprak vader het meisje naar angst (...) ons XOD hart (...) jou mond van brood en andere (jullie) gingen
6.
en (zij) hebben gewoond en (zij) aten die twee samen en (zij) dronken en (hij) sprak vader het meisje naar de man ga erin mee! toch WLIN en (hij) was goed hart (...) jou
7.
en (hij) stond op de man te gaan WIPßR bij hem angst (...) ons en inwoner en (hij) overnachtte daar
8.
en jullie zijn er bij (het) rundvee bij (de) dag (de) vijfde te gaan en (hij) sprak vader het meisje XOD toch hart (...) jou WETMEMEW tot NÐWT vandaag en (zij) aten die twee
9.
en (hij) stond op de man te gaan hij en bijvrouw (...) hem en schudt! en (hij) sprak als angst (...) ons vader het meisje hier is toch RPE vandaag aangenaam te zijn aan doffer (...) hem toch hier is HNWT vandaag LIN mond en (hij) was goed hart (...) jou en (jullie) zijn vroeg opgestaan morgen aan weg (...) jullie en (jij) bent gegaan aan tent (...) jou
10.
noch (hij) heeft gewenst de man te overnachten en (hij) stond op en (hij) ging en (hij) kwam tot tegenover Jebus zij Jeruzalem en met hem span ernstige (mv) HBWSIM en bijvrouw (...) hem met hem
11.
zij met Jebus en vandaag daal! zeer en (hij) sprak de jeugd naar liggers (...) hem ga! (er)naar toch en (wij) verblindden (er)naar naar stad de Jebusiet (de) deze en (wij) lieten overnachten bij haar
12.
en (hij) sprak naar hem liggers (...) hem niet (wij) verblindden naar stad vreemdeling die niet van zonen van Israël hier is en (wij) zijn voorbijgegaan tot heuvel
13.
en (hij) sprak te schudden (...) hem aan jou en (wij) brachten nader (er)naar bij één de plaatsen en aan ons bij (de) heuvel of bij (de) wormen
14.
en (zij) gingen voorbij en (zij) gingen en (zij) kwam aan hen de zon naast de heuvel die aan Benjamin
15.
en (hij) verblindde (...) hem daar te komen te overnachten bij (de) heuvel en (hij) kwam en inwoner bij (de) straat (hij) heeft opgemerkt en (er is) niet man van Asaf hen naar het huis te overnachten
16.
en hier is man baard (hij) is gekomen vanuit handeling (...) hem vanuit het veld bij (de) aangename en de man vlugge Efraïm en hij vreemdeling bij (de) heuvel en mens (...) mij de plaats bouw! rechterhanden van
17.
en (hij) droeg ogen (...) hem en gezien (tot) de man de manier bij (de) breedte (hij) heeft opgemerkt en (hij) sprak de man de baard waarheen? (jij) ging en vanwaar? (jij) kwam
18.
en (hij) sprak naar hem voorbijgaan wij van huis brood Juda tot heup (...) mij heuvel Efraïm van daar ik en (ik) ging tot huis brood Juda en (tot) huis Jahweh ik beweging en (er is) niet man van Asaf mij naar het huis
19.
en ook haksel ook MXPWA er is aan ezels (...) ons en ook brood en wijn er is aan mij en aan waarheid (...) jou en te schudden met slaven (...) jou (er is) niet om te ontbreken alle woord
20.
en (hij) sprak de man de baard vrede aan jou lege alle om te ontbreken (...) jou op mij lege bij (de) straat naar (zij) overnachtte
21.
en (zij) brachten (...) hem aan huis (...) hem en (hij) verwelkte aan ernstige (mv) en (zij) wasten voeten (...) hen en (zij) aten en (zij) dronken
22.
deze (mv) doen goed (tot) hart (...) hen en hier is mens (...) mij (hij) heeft opgemerkt mens (...) mij bouw! slechtheid (zij) hebben zich afgewend (tot) het huis MTDPQIM op de deur en (zij) spraken naar de man echtgenoot het huis de baard te spreken (hij) is tevoorschijn gehaald (tot) de man die (hij) is gekomen naar huis (...) jou en (wij) wisten (...) ons
23.
en uitgaande naar hen de man echtgenoot het huis en (hij) sprak naar hen naar broer naar (jullie) achtervolgden toch na die (hij) is gekomen de man deze naar huis-en van naar (jullie) maakten (tot) het kadaver (de) deze
24.
hier is dochter (...) mij de maagd WPILCSEW (ik) haalde tevoorschijn (er)naar toch hen en nederige hen en Ezau aan hen (de) goede bij (de) ogen (...) jullie en aan man deze niet (jullie) maakten woord het kadaver (de) deze
25.
noch (zij) hebben gewenst de mensen aan nieuws als en (hij) versterkte de man bij (de) bijvrouw (...) hem en uitgaande naar hen de straat en (zij) hebben geweten haar WITOLLW bij haar alle de nacht tot het rundvee en (zij) zondden weg (er)naar bij (de) beklimmingen (de) zwarte
26.
en (zij) kwam de vrouw zich te wenden het rundvee en (zij) viel opening huis de man die naar heren daar tot het licht
27.
en (hij) stond op naar liggers bij (het) rundvee en (hij) deed open deuren het huis en uitgaande te gaan aan weg (...) hem en hier is de vrouw bijvrouw (...) hem (jij) bent gevallen opening het huis en naar handen op (is het zo) dat voeg toe!
28.
en (hij) sprak vetstaart sta op! en (wij) gingen (er)naar en (er is) niet (hij) heeft geantwoord en (hij) nam (er)naar op (de) ernstige en (hij) stond op de man en (hij) ging aan plaats (...) hem
29.
en (hij) kwam naar huis (...) hem en (hij) nam (tot) EMAKLT en (hij) versterkte bij (de) bijvrouw (...) hem WINTHE naar aan kernen aan twee rijkdom NTHIM en (hij) zond weg (er)naar in alle grens Israël
30.
en (hij) is geweest alle (hij) heeft laten zien en woord niet (zij) is geworden noch NRATE zoals deze tot van dag beklimmingen bouw! Israël van land Egypte tot vandaag deze plaatst! aan jullie op haar boom (...) hem en spreekt!

Hoofdstuk 20

1.
en voert uit! alle bouw! Israël en (zij) verzamelde de getuige zoals man één tot van Dan en tot put zeven en land het gedenkteken naar Jahweh de uitkijkpunt
2.
en (zij) stelden zich op hoeken alle het volk alle stammen van Israël bij (de) menigte met naar God vier honderd duizend man voeten van stoppelveld zwaard
3.
en (zij) hoorden toe bouw! Benjamin dat (zij) zijn opgegaan bouw! Israël de uitkijkpunt en (zij) spraken bouw! Israël spreekt! hoe? (zij) is geworden de herder (de) deze
4.
en wegens de man (is het zo) dat Levi man de vrouw ENRßHE en (hij) sprak de heuvel (...) haar die aan Benjamin (ik) ben gekomen ik en bijvrouw (...) mij te overnachten
5.
en (zij) wraakten op mij bij (de) hoge de heuvel en (zij) legden opzij op mij (tot) het huis nacht mij (zij) hebben geleken te doden en (tot) bijvrouw (...) mij nederige en (zij) stierf
6.
en Achaz bij (de) bijvrouw (...) mij WANTHE en (ik) zond weg (er)naar in alle veld (jij) hebt verworven Israël dat Ezau vuiligheid en kadaver bij Israël
7.
hier is kun! (...) jullie bouw! Israël brengt aan jullie woord en advies hierheen
8.
en (hij) stond op alle het volk zoals man één te spreken niet (wij) gingen man aan tent (...) hem noch (wij) verblindden man aan huis (...) hem
9.
en nu dit het woord die (hij) is gedaan aan heuvel op haar bij (het) lot
10.
en (wij) hebben genomen tien mensen aan honderd aan alle stammen van Israël en honderd aan duizend en duizend aan tienduizend (jij) hebt genomen (zij) heeft gevangen aan volk te doen te komen (...) hen aan heuvel Benjamin zoals alle het kadaver die (hij) heeft gedaan bij Israël
11.
en (hij) verzamelde alle man Israël naar (hij) heeft opgemerkt zoals man één verbonden
12.
en (zij) zondden weg stammen van Israël mensen in alle stammen van Benjamin te spreken wat? de herder (de) deze die (zij) is geworden bij jullie
13.
en nu geeft! (tot) de mensen bouw! slechtheid die bij (de) heuvel en (wij) doodden (...) hen en (wij) roeiden uit (er)naar herder van Israël noch (zij) hebben gewenst Benjamin aan nieuws bij (de) klank broers (...) hen bouw! Israël
14.
en (zij) verzamelden bouw! Benjamin vanuit de steden de heuvel (...) haar uit te gaan aan strijd met bouw! Israël
15.
WITPQDW bouw! Benjamin bij (de) dag dat van de steden twintig en zes duizend man stoppelveld zwaard alleen van inwoners van de heuvel (is het zo) dat (jullie) bevalen zeven honderd man jongeman
16.
van alle het volk deze zeven honderd man jongeman linkshandige hand dagen (...) ons alle dit gordijn bij (de) steen naar naar de poort noch (hij) zondigde
17.
en man Israël (is het zo) dat (jullie) bevalen alleen van Benjamin vier honderd duizend man stoppelveld zwaard alle dit man strijd
18.
en (zij) wraakten en (zij) verhieven huis naar en (hij) vroeg (...) hem bij God en (zij) spraken bouw! Israël water van (hij) verhief aan ons bij (het) begin aan strijd met bouw! Benjamin en (hij) sprak Jahweh Juda bij (het) begin
19.
en (zij) stondden op bouw! Israël bij (het) rundvee en (zij) legerden op de heuvel
20.
en uitgaande man Israël aan strijd met Benjamin en (zij) ordenden (met) hen man Israël strijd naar de heuvel
21.
en voert uit! bouw! Benjamin vanuit de heuvel en (zij) maakten kapot bij Israël bij (de) dag dat twee en twintig duizend man naar land
22.
en (hij) werd sterker het volk man Israël en (zij) hebben toegevoegd aan waarde strijd bij (de) plaats die (zij) hebben geordend daar bij (de) dag (de) eerste
23.
en (zij) verhieven bouw! Israël en (zij) weenden voor Jahweh tot (de) aangename en (hij) vroeg (...) hem bij Jahweh te spreken (is het zo) dat (ik) voegde toe te naderen aan strijd met bouw! Benjamin broer en (hij) sprak Jahweh (zij) zijn opgegaan naar hem
24.
en (zij) brachten nader bouw! Israël naar bouw! Benjamin bij (de) dag (de) tweede
25.
en uitgaande Benjamin hen tegemoet vanuit de heuvel bij (de) dag (de) tweede en (zij) maakten kapot bij bouw! Israël nog (eens) acht rijkdom duizend man naar land alle deze trek uit! zwaard
26.
en (zij) verhieven alle bouw! Israël en alle het volk en voert in! huis naar en (zij) weenden en (zij) hebben gewoond daar voor Jahweh WIßWMW bij (de) dag dat tot (de) aangename en (zij) verhieven beklimmingen en vergoedingen voor Jahweh
27.
en (hij) vroeg (...) hem bouw! Israël bij Jahweh en naam [van] kist verbond naar God bij (de) dagen die
28.
en Pinehas zoon Eleazar zoon Aäron sta vast! voor hem bij (de) dagen die te spreken (is het zo) dat verzamel(t) nog (eens) uit te gaan aan strijd met bouw! Benjamin broer als AHDL en (hij) sprak Jahweh (zij) zijn opgegaan dat morgen (ik) zal geven (...) ons bij (de) hand (...) jou
29.
en pas toe! Israël lig in hinderlaag! (...) hen naar de heuvel rondom
30.
en (zij) verhieven bouw! Israël naar bouw! Benjamin bij (de) dag (de) derde en (zij) ordenden naar de heuvel zoals keer bij (de) keer
31.
en voert uit! bouw! Benjamin tegemoet het volk (is het zo) dat breekt af! vanuit (hij) heeft opgemerkt en (zij) begonen te te slaan van het volk doden zoals keer bij (de) keer BMXLWT die één blad huis naar en één heuvel (...) haar bij (het) veld zoals derde (mv) man bij Israël
32.
en (zij) spraken bouw! Benjamin worden verslagen zij voor ons KBRASNE en bouw! Israël (zij) hebben gesproken (wij) vluchtten (er)naar WNTQNWEW vanuit (hij) heeft opgemerkt naar EMXLWT
33.
en alle man Israël (zij) zijn opgestaan van plaats (...) hem en (zij) ordenden bij (de) echtgenoot dadel en (hij) heeft in hinderlaag gelegen Israël MCIH van plaats (...) hem van grot heuvel
34.
en voert in! op een afstand aan heuvel tiental duizenden man jongeman van alle Israël en de strijd (zij) is zwaar geweest en zij niet (zij) hebben geweten dat (jij) hebt aangeraakt op hen de herder
35.
en (hij) sloeg Jahweh (tot) Benjamin voor Israël en (zij) maakten kapot bouw! Israël bij Benjamin bij (de) dag dat twintig en vijf duizend en honderd man alle deze stoppelveld zwaard
36.
en (zij) lieten zien bouw! Benjamin dat (zij) hebben geslagen en (zij) gaven man Israël plaats aan Benjamin dat (zij) hebben zich verzekerd naar (is het zo) dat (hij) heeft in hinderlaag gelegen die zijn naam naar de heuvel
37.
WEARB EHISW en (zij) kleedden uit naar de heuvel en (hij) trok (is het zo) dat (hij) heeft in hinderlaag gelegen en (hij) sloeg (tot) alle (hij) heeft opgemerkt aan mond van zwaard
38.
en de ontmoeting (hij) is geweest aan man Israël met (is het zo) dat (hij) heeft in hinderlaag gelegen de meerderheid aan de beklimmingen (...) hen om te dragen (is het zo) dat maak! (...) hen vanuit (hij) heeft opgemerkt
39.
en (hij) keerde om man Israël bij (de) strijd en Benjamin (hij) is begonnen te te slaan doden bij (de) man Israël zoals derde (mv) man dat (zij) hebben gesproken maar (wij) sloegen (hij) heeft geslagen hij voor ons zoals strijd (is het zo) dat in de eerste plaats
40.
WEMSAT (zij) is begonnen te op te gaan vanuit (hij) heeft opgemerkt staander maak! (...) hen en (hij) wendde zich Benjamin na hem en hier is blad zoals nacht (hij) heeft opgemerkt naar de hemel
41.
en man Israël (hij) heeft omgekeerd WIBEL man Benjamin dat (hij) heeft gezien dat (zij) heeft aangeraakt op hem de herder
42.
en (zij) wendden zich voor man Israël naar weg de woestijn en de strijd EDBIQTEW en die van de steden maken kapot hem bij (het) midden (...) hem
43.
omsingelt! (tot) Benjamin ERDIPEW om te rusten (er)naar EDRIKEW tot tegenover de heuvel van Oosten zon
44.
en (zij) vielen van Benjamin acht rijkdom duizend man (tot) alle deze mens (...) mij macht
45.
en (zij) wendden zich en (zij) vluchtten naar de woestijn naar rots de granaatappel en (zij) richtten aan (...) hem BMXLWT vijf duizenden man WIDBIQW na hem tot CDOM en (zij) sloegen (van)uit hem duizenden man
46.
en wees alle (is het zo) dat ga neer! (...) hen van Benjamin twintig en vijf duizend man stoppelveld zwaard bij (de) dag dat (tot) alle deze mens (...) mij macht
47.
en (zij) wendden zich en (zij) vluchtten naar de woestijn naar rots de granaatappel zes honderd man en (zij) hebben gewoond bij (de) rots granaatappel vier maanden
48.
en man Israël woont! naar bouw! Benjamin en (hij) stond op aan mond van zwaard merk(t) op van onschuldige tot vee tot alle (is het zo) dat (wij) vondden ook alle de steden (is het zo) dat bevinden zich zendt weg! (hij) is verrot

Hoofdstuk 21

1.
en man Israël (hij) heeft gezworen bij (de) uitkijkpunt te spreken man (van)uit hem niet (hij) gaf dochter (...) hem aan Benjamin aan vrouw
2.
en (hij) kwam het volk huis naar en (zij) hebben gewoond daar tot (de) aangename voor naar God en (zij) droegen klank (...) hen en (zij) weenden geween grote
3.
en (zij) spraken waarom Jahweh mijn God Israël (zij) is geweest deze bij Israël aan de opname vandaag van Israël stam één
4.
en wees de volgende dag en (zij) stondden vroeg op het volk en (zij) bouwden daar altaar en (zij) verhieven beklimmingen en vergoedingen
5.
en (zij) spraken bouw! Israël water van die niet blad bij (de) menigte van alle stammen van Israël naar Jahweh dat naar de week de grootheid (zij) is geweest te bevestigen niet blad naar Jahweh de uitkijkpunt te spreken dood (hij) zal worden laten sterven
6.
en (zij) troostten bouw! Israël naar Benjamin broers (...) hem en (zij) spraken NCDO vandaag stam één van Israël
7.
wat? (hij) is gedaan aan hen aan overgebleven (mv) aan vrouwen en wij (wij) hebben gezworen bij Jahweh opdat niet te geven aan hen van bebouwingen (...) ons aan vrouwen
8.
en (zij) spraken water van één van stammen van Israël die niet blad naar Jahweh de uitkijkpunt en hier is niet (hij) is gekomen man naar het kamp MIBIS gedenkteken naar de menigte
9.
WITPQD het volk en hier is (er is) niet daar man word(t) bewoond (...) mij droogte gedenkteken
10.
en (zij) zondden weg daar de getuige twee rijkdom duizend man van zonen van de macht en (zij) gaven opdracht hen te spreken ga(a)t! en (jullie) hebben geslagen (tot) bewoners van droogte gedenkteken aan mond van zwaard en de vrouwen en de kleine kinderen
11.
en dit het woord die (jullie) maakten alle man en alle vrouw (jij) hebt geweten bed man THRIMW
12.
en (zij) vondden word(t) bewoond (...) mij (hij) beschaamde gedenkteken vier honderd meisje maagd die niet (zij) heeft geweten man aan bed man en voert in! hen naar het kamp Sela die bij (het) land Kanaän
13.
en (zij) zondden weg alle de getuige en (zij) spraken naar bouw! Benjamin die bij (de) rots granaatappel en (zij) noemden aan hen vrede
14.
en inwoner Benjamin bij (de) tijd die en (zij) gaven aan hen (is het zo) dat worden verlaten die (zij) hebben geleefd van vrouwen van droogte gedenkteken noch (zij) hebben gevonden aan hen zo
15.
en het volk (wij) waren bronstig aan Benjamin dat (hij) heeft gedaan Jahweh doorbraak bij (de) stammen van Israël
16.
en (zij) spraken ben oud! de getuige wat? (hij) is gedaan aan overgebleven (mv) aan vrouwen dat NSMDE van Benjamin vrouw
17.
en (zij) spraken (jij) hebt veroverd naar vluchteling aan Benjamin noch (hij) wiste uit stam van Israël
18.
en wij niet (wij) zullen kunnen te geven aan hen worden verlaten van bebouwingen (...) ons dat (zij) hebben gezworen bouw! Israël te spreken vervloekte (hij) heeft gegeven vrouw aan Benjamin
19.
en (zij) spraken hier is feest Jahweh bij (de) kwartel van dagen naar dagen die naar van Noorden aan huis naar naar Oosten de zon LMXLE dat wat opgaat van huis naar dat (zij) is opgestaan en droog(t) af LLBWNE
20.
en (hij) gaf opdracht (tot) bouw! Benjamin te spreken ga(a)t! en (jullie) hebben in hinderlaag gelegen bij (de) wijngaarden
21.
en (jullie) hebben gezien en hier is als voert uit! dochters SILW aan zand bij om ziek te worden en (jullie) zijn uitgegaan vanuit de wijngaarden WHÐPTM aan jullie man vuur (...) hem om te bouwen SILW en (jullie) zijn gegaan land Benjamin
22.
en (hij) is geweest dat voert in! vaders (...) hen of broers (...) hen aan meerderheid naar ons en (wij) hebben gesproken naar hen (zij) zijn gelegerd (...) ons hen dat niet (wij) hebben genomen man vuur (...) hem bij (de) strijd dat niet (met) hen (jij) hebt gegeven (...) hen aan hen zoals tijd (jullie) maakten je schuldig
23.
en (zij) hebben gemaakt zo bouw! Benjamin en (zij) droegen worden verlaten aan getal (...) hen vanuit (is het zo) dat ontheiligen die (zij) hebben beroofd en (zij) gingen en (zij) keerden terug naar (jullie) hebben verworven en (zij) bouwden (tot) de steden en (zij) hebben gewoond bij hen
24.
en (zij) wandelden rond van daar bouw! Israël bij (de) tijd die man aan stam (...) hem en aan familie (...) hem en voert uit! van daar man aan erfgoed (...) hem
25.
bij (de) dagen die (er is) niet koning bij Israël man rechtuit bij (de) ogen (...) hem (zij) heeft gemaakt