1_ABD	verloren gaan (ging verloren, is verloren gegaan)
3_ABD	verlie'zen (verloor, h. verloren)
1_ABE	wens'en (wenste, h. gewenst)	, willen, hoeven
1_ABL	rouw'en (rouwde, h. gerouwd)
1_AEB	lief'hebben (had lief, h. liefgehad)
1_AHR	te laat ko'men (kwam te laat, is te laat gekomen)
1_AHZ	grij'pen (greep, h. gegrepen)
3_AIBD	verlie'zen (verloor, h. verloren)
3_AIHL	toe'wensen (wenste toe, h. toegewenst)
3_AISR	beves'tigen (bevestigde, h. bevestigd)
1_AKL	e'ten (at, h. gegeten)
3_AMLL	ongelukkig ma'ken (maakte ongelukkig, h. ongelukkig gemaakt)	, SV: kwelen
1_AMR	spre'ken (sprak, h. gesproken)
1_AMß	sterk zijn (was sterk, is sterk geweest)
1_APX	op'houden (hield op, is opgehouden)	, tot een einde komen
1_ARB	in hinderlaag lig'gen (lag in hinderlaag, h. in hinderlaag gelegen)
3_ARH	gastvrijheid verle'nen (verleende gastvrijheid, h. gastvrijheid verleend)
1_ARK	du'ren (duurde, h. geduurd)
1_ASM	z. schuldig ma'ken (maakte z. schuldig, h. z. schuldig gemaakt)
3_AWE	bege'ren (begeerde, h. begeerd)
1_AXP	verza'melen (verzamelde, h. verzameld)
1_AXR	gevangen ne'men (nam gevangen, h. gevangen genomen)
1_AßR	op'bergen (borg op, h. opgeborgen)
1_BAS	verrot'ten (verrotte, is verrot)	, stinken
1_BDL	schei'den (scheidde, is gescheiden)
1_BHR	kie'zen (koos, h. gekozen)
3_BIIS	bescha'men (beschaamde, h. beschaamd)
3_BIKR	voor'trekken (trok voor, h. voorgetrokken)
3_BIOR	uit'roeien (roeide uit, h. uitgeroeid)	, uitbranden
3_BIQR	bezoe'ken (bezocht, h. bezocht)	, bekritiseren
3_BIQS	zoe'ken (zocht, h. gezocht)
3_BIQS	verzoe'ken (verzocht, h. verzocht)
3_BIRK	ze'genen (zegende, h. gezegend)	, groeten
3_BISR	aan'kondigen (kondigde aan, h. aangekondigd)
3_BIÐA	uit'spreken (sprak uit, h. uitgesproken)
3_BÐH	z. verze'keren (verzekerde z., h. z. verzekerd)	vrije vertaling; vergrotende trap van vertrouwen (op): zich verzekeren (bij)
1_BKE	we'nen (weende, h. geweend)
3_BKE	bewe'nen (beweende, h. beweend)
3_BKR	voor'trekken (trok voor, h. voorgetrokken)
1_BLO	slik'ken (slikte, h. geslikt)	, opslokken
1_BNE	bouw'en (bouwde, h. gebouwd)	BN, opbouwen
3_BOR	uit'roeien (roeide uit, h. uitgeroeid)	, uitbranden
3_BQR	bezoe'ken (bezocht, h. bezocht)	, bekritiseren
1_BRA	schep'pen (schiep, h. geschapen)
1_BRH	vluch'ten (vluchtte, is gevlucht)
3_BRK	ze'genen (zegende, h. gezegend)	, groeten
1_BWA	ko'men (kwam, is gekomen)	BA
1_BWS	z. scha'men (schaamde z., h. z. geschaamd)
3_BWXX	vertrap'pen (vertrapte, h. vertrapt)
1_BWZ	min'achten (minachtte, h. geminacht)	, verachten
1_BZE	min'achten (minachtte, h. geminacht)	, verachten
1_BZZ	plun'deren (plunderde, h. geplunderd)
3_BßO	uit'voeren (voerde uit, h. uitgevoerd)	, doorvoeren
1_BßO	af'breken (brak af, h. afgebroken)	(van brood)
1_BßR	druiven pluk'ken (plukte druiven, h. druiven geplukt)
3_BIßO	uit'voeren (voerde uit, h. uitgevoerd)	, doorvoeren
3_BÐA	uit'spreken (sprak uit, h. uitgesproken)
1_BÐH	vertrouw'en (vertrouwde, h. vertrouwd)
1_CAL	verlos'sen (verloste, h. verlost)
1_CAE	z. verhef'fen (verhief z., h. z. verheven)
1_CBR	sterk wor'den (werd sterk, is sterk geworden)
1_CDL	groei'en (groeide, is gegroeid)
1_CDR	een omheining op'richten (richtte een omheining op, h. een omheining opgericht)	, = afrasteren?
3_CDR	omhei'nen (omheinde, h. omheind)
3_CIDL	kwe'ken (kweekte, h. gekweekt)
3_CIDR	omhei'nen (omheinde, h. omheind)
1_CIL	z. verheu'gen (verheugde z., h. z. verheugd)
3_CILE	onthul'len (onthulde, h. onthuld)
3_CIML	la'ten ontwennen (liet ontwennen, h. laten ontwennen)	='spenen'
3_CIRS	verja'gen (verjoeg, h. verjaagd)
3_CLCL	rol'len (rolde, h. gerold)
1_CLE	in verbanning gaan (ging in verbanning, is in verbanning gegaan)
3_CLE	onthul'len (onthulde, h. onthuld)
1_CLL	draai'en (draaide, h. gedraaid)
1_COR	bestraf'fen (bestrafte, h. bestraft)	, berispen, SV: schelden
1_CRO	vermin'deren (verminderde, h. verminderd)
1_CRS	verja'gen (verjoeg, h. verjaagd)
3_CRS	verja'gen (verjoeg, h. verjaagd)
1_CML	vergel'den (vergold, h. vergolden)
1_CML	rijp wor'den (werd rijp, is rijp geworden)	, ontwennen
1_CMR	beëin'digen (beëindigde, h. beëindigd)
1_CNB	ste'len (stal, h. gestolen)
1_CWO	ster'ven (stierf, is gestorven)
1_CWR	wo'nen (woonde, h. gewoond)	CR
1_CZL	bero'ven (beroofde, h. beroofd)
1_CZM	snoei'en (snoeide, h. gesnoeid)
1_DBQ	plak'ken (plakte, h. geplakt)	, kleven, vasthouden aan
3_DIBR	spre'ken (sprak, h. gesproken)
1_DIN	berech'ten (berechtte, h. berecht)
3_DISN	bemes'ten (bemestte, h. bemest)	(kunstmatig)
1_DLE	put'ten (putte, h. geput)
1_DME	lij'ken (leek, h. geleken)	, schijnen
1_DRS	uit'leggen (legde uit, h. uitgelegd)
1_DRS	ei'sen (eiste, h. geeist)
1_DWR	wo'nen (woonde, h. gewoond)
5_EABID	verloren laten gaan (liet verloren gaan, h. verloren laten gaan)	afgeleid van ABD
5_EAIR	verlich'ten (verlichtte, h. verlicht)
5_EAKIL	voe'den (voedde, h. gevoed)
5_EAMIN	gelo'ven (geloofde, h. geloofd)
5_EARIK	verleng'en (verlengde, h. verlengd)
5_EAZIN	luis'teren (luisterde, h. geluisterd)
5_EBIA	breng'en (bracht, h. gebracht)
5_EBIN	begrij'pen (begreep, h. begrepen)
5_EWBIS	la'ten opdrogen (liet opdrogen, h. laten opdrogen)	afgeleid van 1_IBS
5_EBIÐ	kij'ken (keek, h. gekeken)
5_ECBIL	beper'ken (beperkte, h. beperkt)	, SV: bepalen (dwz. omheinen)
1_ECE	uit'spreken (sprak uit, h. uitgesproken)	, denken
5_ECDIL	vergro'ten (vergrootte, h. vergroot)
5_ECID	vertel'len (vertelde, h. verteld)
5_ECIO	toe'komen (kwam toe, is toegekomen)
5_EDWE	bedan'ken (bedankte, h. bedankt)
5_EHÐIA	la'ten zondigen (liet zondigen, h. laten zondigen)	, missen (doel)
5_EHL	te begin'nen (begon te, is begonnen te)
5_EHNIP	vlei'en (vleide, h. gevleid)
5_EHRID	la'ten schrikken (liet schrikken, h. laten schrikken)
5_EHZIQ	hou'den (hield, h. gehouden)
5_EHZIR	terug'geven (gaf terug, h. teruggegeven)
1_EIE	zijn (was, is geweest)
5_EIKE	slaan (sloeg, h. geslagen)
5_EILIL	jam'meren (jammerde, h. gejammerd)
5_EIÐIB	goed doen (deed goed, h. goed gedaan)	, verbeteren
5_EKE	slaan (sloeg, h. geslagen)
5_EKIN	voor'bereiden (bereidde voor, h. voorbereid)	, klaarmaken
5_EKIR	herken'nen (herkende, h. herkend)
5_EKN	berei'den (bereidde, h. bereid)	, constructie a.d.h.v. EKINWTI
5_EKNIO	onderwer'pen (onderwierp, h. onderworpen)
5_EKOIX	boos ma'ken (maakte boos, h. boos gemaakt)
5_EKRIT	vernie'tigen (vernietigde, h. vernietigd)
5_ELIN	la'ten overnachten (liet overnachten, h. laten overnachten)
1_ELK	gaan (ging, is gegaan)	, lopen
3_ELK	gaan (ging, is gegaan)	, lopen
3_ELL	lo'ven (loofde, h. geloofd)
5_EMD	af'meten (mat af, h. afgemeten)	constructie: causatief van MDD (meten)
1_EME	rui'sen (ruiste, h. geruist)
5_EMIS	wij'ken (week, is geweken)	(constructie uit IMIS)
5_EMIT	do'den (doodde, h. gedood)	, doodslaan
5_EMLIK	kro'nen (kroonde, h. gekroond)
5_EMR	verbit'teren (verbitterde, h. verbitterd)
5_ENID	schud'den (schudde, h. geschud)
5_ENIH	rust ge'ven (gaf rust, h. rust gegeven)
5_ENIP	zwaai'en (zwaaide, h. gezwaaid)	(opwaarts, zie TNWPE)
5_EOBIR	o'verbrengen (bracht over, h. overgebracht)
5_EOID	getui'gen (getuigde, h. getuigd)	
5_EOIR	op'merken (merkte op, h. opgemerkt)	, wekken
5_EOMID	op'stellen (stelde op, h. opgesteld)
5_EPIL	la'ten vallen (liet vallen, h. laten vallen)
5_EPLIÐ	eruit la'ten (liet eruit, h. eruit gelaten)
1_EPK	om'keren (keerde om, h. omgekeerd)
5_EPRID	schei'den (scheidde, is gescheiden)
5_EPQID	neer'leggen (legde neer, h. neergelegd)
5_EQDIS	wij'den (wijdde, h. gewijd)	, opdragen
5_EQIM	ves'tigen (vestigde, h. gevestigd)
5_EQIß	wakker wor'den (werd wakker, is wakker geworden)
5_EQIß	wakker ma'ken (maakte wakker, h. wakker gemaakt)
5_EQL	verlich'ten (verlichtte, h. verlicht)
5_EQRIB	aan'bieden (bood aan, h. aangeboden)	, eig. offeren, nabij brengen
5_EQSIB	op'letten (lette op, h. opgelet)
5_EQÐIR	la'ten roken (liet roken, h. laten roken)	, zie QDR (donker worden)
5_ERAE	la'ten zien (liet zien, h. laten zien)	, tonen, aanwijzen
5_ERBE	vermeer'deren (vermeerderde, h. vermeerderd)
1_ERC	do'den (doodde, h. gedood)
1_ERE	zwanger wor'den (werd zwanger, is zwanger geworden)
5_ERIM	op'tillen (tilde op, h. opgetild)
5_ERIO	jui'chen (juichte, h. gejuicht)	, schallen
5_ERPE	los'laten (liet los, h. losgelaten)
1_ERX	af'breken (brak af, h. afgebroken)
5_ESAIR	ach'terlaten (liet achter, h. achtergelaten)	, overlaten, laten
5_ESBIT	stop'zetten (zette stop, h. stopgezet)
5_ESHIT	kapot ma'ken (maakte kapot, h. kapot gemaakt)	, SV: verderven
5_ESIB	terug'geven (gaf terug, h. teruggegeven)	, antwoorden
5_ESIC	berei'ken (bereikte, h. bereikt)	, verkrijgen
5_ESKIL	wijs wor'den (werd wijs, is wijs geworden)	, begrijpen
5_ESKIM	vroeg op'staan (stond vroeg op, is vroeg opgestaan)
5_ESLIK	af'werpen (wierp af, h. afgeworpen)
5_ESLIM	voltooi'en (voltooide, h. voltooid)	, vrede maken, z. schikken (in)
5_ESMID	uit'roeien (roeide uit, h. uitgeroeid)
5_ESMIO	la'ten horen (liet horen, h. laten horen)
5_ESPIL	verne'deren (vernederde, h. vernederd)
7_ESTHWE	z. diep bui'gen (boog z. diep, h. z. diep gebogen)
7_ESTHWWE	z. diep bui'gen (boog z. diep, h. z. diep gebogen)
5_ESQE	te drinken ge'ven (gaf te drinken, h. te drinken gegeven)
7_ETABL	rouw'en (rouwde, h. gerouwd)
7_ETAHD	z. vere'nigen (verenigde z., h. z. verenigd)
5_ETAIM	pas'sen (paste, h. gepast)	, aanpassen
7_ETAMß	z. in'spannen (spande z. in, h. z. ingespannen)
7_ETAPQ	z. bedwing'en (bedwong z., h. z. bedwongen)
7_ETAZR	z. uit'rusten (rustte z. uit, h. z. uitgerust)
7_ETBQO	o'penspringen (sprong open, is opengesprongen)
7_ETBWNN	beschouw'en (beschouwde, h. beschouwd)	(hit' 1_van BWN)
7_ETCRD	z. krab'ben (krabde z., h. z. gekrabd)
7_ETELK	rond'wandelen (wandelde rond, h. rondgewandeld)
7_ETELL	z. prij'zen (prees z., h. z. geprezen)	, SV: zich beroemen
7_ETHLQ	verde'len (verdeelde, h. verdeeld)	, onderling ~, uitglijden
7_ETHZQ	sterker wor'den (werd sterker, is sterker geworden)
7_ETIOß	beraad'slagen (beraadslaagde, h. beraadslaagd)	, overleggen
7_ETIßB	z. op'stellen (stelde z. op, h. z. opgesteld)	(~ naast, tegen)
5_ETMID	voort'duren (duurde voort, h. voortgeduurd)	, volharden
7_ETNBA	in vervoering ra'ken (raakte in vervoering, is in vervoering geraakt)	(NBV); SV: profeteren (vanwege wederkerige vorm waarschijnlijk onjuist)
7_ETPLL	bid'den (bad, h. gebeden)
7_ETRHß	z. was'sen (waste z., h. z. gewassen)
5_EWAIL	erin mee'gaan (ging erin mee, is erin meegegaan)	, WB: erin toestemmen, beginnen; SV: onderwinden
6_EWBL	vervoerd wor'den (werd vervoerd, is vervoerd)	, zie IWBL (stroom)
6_EWCD	verteld wor'den (werd verteld, is verteld)
5_EWDE	bedan'ken (bedankte, h. bedankt)	, bekennen
5_EWDIO	mee'delen (deelde mee, h. meegedeeld)
6_EWDO	bekend wor'den (werd bekend, is bekend)	constr. van 2_NWDO (bekend worden)
1_EWE	zijn (was, is geweest)
6_EWKH	bewezen wor'den (werd bewezen, is bewezen)
5_EWKIH	bewij'zen (bewees, h. bewezen)	, SV: bestraffen
6_EWKNO	onderworpen wor'den (werd onderworpen, is onderworpen)
6_EWLID	voort'brengen (bracht voort, h. voortgebracht)	, 1_verwekken
5_EWNE	bedrie'gen (bedroog, h. bedrogen)
5_EWOIL	nuttig zijn (was nuttig, is nuttig geweest)
6_EWRD	naar beneden gehaald wor'den (werd naar beneden gehaald, is naar beneden gehaald)
5_EWRIS	verdrij'ven (verdreef, h. verdreven)	, modern: doen erven (het tegenovergestelde?!)
6_EWRM	opgeheven wor'den (werd opgeheven, is opgeheven)
5_EWSIO	red'den (redde, h. gered)	, verlossen, helpen
5_EWXIP	toe'voegen (voegde toe, h. toegevoegd)
6_EWXP	la'ten toevoegen (liet toevoegen, h. laten toevoegen)	, laten voortgaan
6_EWßA	tevoorschijn gehaald wor'den (werd tevoorschijn gehaald, is tevoorschijn gehaald)
5_EWßIA	tevoorschijn ha'len (haalde tevoorschijn, h. tevoorschijn gehaald)
5_EXB	opzij leg'gen (legde opzij, h. opzij gelegd)	, aan tafel gaan (modern?)
5_EXB	la'ten rondgaan (liet rondgaan, h. laten rondgaan)	(constructie)
5_EXCIR	in quarantaine breng'en (bracht in quarantaine, h. in quarantaine gebracht)	, SV: opsluiten; WB (ook): uitleveren
5_EXIR	verwij'deren (verwijderde, h. verwijderd)
5_EXK	uit'gieten (goot uit, h. uitgegoten)	(SV), storten (SV)
5_EXK	la'ten overdekken (liet overdekken, h. laten overdekken)	(constructie)
5_EXTIR	verber'gen (verborg, h. verborgen)
5_EZEIR	waar'schuwen (waarschuwde, h. gewaarschuwd)
5_EßDIQ	gelijk ge'ven (gaf gelijk, h. gelijk gegeven)
5_EßIB	op'stellen (stelde op, h. opgesteld)	(~ naast, tegen)
5_EßIL	red'den (redde, h. gered)
5_EßIT	aan'steken (stak aan, h. aangestoken)
5_EßLIH	sla'gen (slaagde, is geslaagd)
5_EßMID	verbin'den (verbond, h. verbonden)
5_EßMIH	la'ten groeien (liet groeien, h. laten groeien)
5_EÐE	om'buigen (boog om, is omgebogen)	, verbuigen
7_EÐER	z. zui'veren (zuiverde z., h. z. gezuiverd)	(constr. op basis van WEÐERW 'en reinigt u'
5_EÐIB	goed doen (deed goed, h. goed gedaan)	, verbeteren
3_HBL	sabote'ren (saboteerde, h. gesaboteerd)
1_HBL	verwon'den (verwondde, h. verwond)
1_HBQ	omar'men (omarmde, h. omarmd)
3_HBQ	omhel'zen (omhelsde, h. omhelsd)
1_HBR	z. aan'sluiten (sloot z. aan, h. z. aangesloten)
3_HBR	sa'menbinden (bond samen, h. samengebonden)
1_HBS	verbin'den (verbond, h. verbonden)
1_HCC	vie'ren (vierde, h. gevierd)	, feestvieren
1_HCR	omgor'den (omgordde, h. omgord)
1_HDL	op'houden (hield op, h. opgehouden)	//(*** lijdend?
1_HDR	bin'nendringen (drong binnen, is binnengedrongen)
3_HIBL	sabote'ren (saboteerde, h. gesaboteerd)
3_HIBQ	omhel'zen (omhelsde, h. omhelsd)
3_HIBR	sa'menbinden (bond samen, h. samengebonden)
1_HIE	le'ven (leefde, h. geleefd)	HI
3_HIE	la'ten leven (liet leven, h. laten leven)
3_HILL	onthei'ligen (ontheiligde, h. ontheiligd)	, fluiten
3_HILQ	verde'len (verdeelde, h. verdeeld)
3_HIRP	bele'digen (beledigde, h. beledigd)
3_HISB	bere'kenen (berekende, h. berekend)
3_HIZQ	verster'ken (versterkte, h. versterkt)
1_HKM	wijs wor'den (werd wijs, is wijs geworden)
1_HLE	ziek wor'den (werd ziek, is ziek geworden)
1_HLM	dro'men (droomde, h. gedroomd)
1_HLß	uit'trekken (trok uit, h. uitgetrokken)	, uitdoen
1_HMD	bege'ren (begeerde, h. begeerd)
5_HMIR	verwis'selen (verwisselde, h. verwisseld)
1_HML	medelijden heb'ben (had medelijden, h. medelijden gehad)
1_HMX	bero'ven (beroofde, h. beroofd)
1_HNE	le'geren (legerde, is gelegerd)
1_HNN	gratie verle'nen (verleende gratie, h. gratie verleend)
1_HNP	gevleid wor'den (werd gevleid, is gevleid)	(bedacht o.b.v. EHNIP (vleien))
1_HNÐ	bal'semen (balsemde, h. gebalsemd)
1_HPR	gra'ven (groef, h. gegraven)
1_HPß	wen'sen (wenste, h. gewenst)
1_HQR	onderzoe'ken (onderzocht, h. onderzocht)
1_HRB	vernield wor'den (werd vernield, is vernield)
1_HRD	schrik'ken (schrok, is geschrokken)	, angstig zijn
1_HRE	ontbran'den (ontbrandde, is ontbrand)
5_HRIM	verhef'fen (verhief, h. verheven)
3_HRP	bele'digen (beledigde, h. beledigd)
1_HRS	ploe'gen (ploegde, h. geploegd)
1_HRS	stil zijn (was stil, is stil geworden)
1_HRß	in'snijden (sneed in, h. ingesneden)	, beslissen (modern?)
1_HSB	den'ken (dacht, h. gedacht)
7_HSTHWE	z. diep bui'gen (boog z. diep, h. z. diep gebogen)	(zie 1_SHE)
1_HSQ	bege'ren (begeerde, h. begeerd)	, verlangen naar
1_HWR	bleek wor'den (werd bleek, is bleek geworden)
1_HWS	z. haas'ten (haastte z., h. z. gehaast)
1_HWS	voe'len (voelde, h. gevoeld)	, merken
1_HWWR	bleek wor'den (werd bleek, is bleek geworden)
1_HWX	medelijden heb'ben (had medelijden, h. medelijden gehad)	, sparen, SV: verschonen
1_HXE	bescherming zoe'ken (zocht bescherming, h. bescherming gezocht)
1_HXR	ontbre'ken (ontbrak, h. ontbroken)	, missen
1_HWC	een cirkel trek'ken (trok een cirkel, h. een cirkel getrokken)
1_HWC	vie'ren (vierde, h. gevierd)	, feestvieren (eig. HC)
1_HZE	voorspel'len (voorspelde, h. voorspeld)
1_HZQ	sterk zijn (was sterk, is sterk geworden)
1_HÐA	zon'digen (zondigde, h. gezondigd)
1_IBS	droog zijn (was droog, is droog geweest)
3_IBS	droog'maken (maakte droog, h. droog gemaakt)
3_IIBS	droog'maken (maakte droog, h. droog gemaakt)
1_ICO	moeite doen (deed moeite, h. moeite gedaan)
1_ICS	na'deren (naderde, is genaderd)
1_IDO	we'ten (wist, h. geweten)
1_IEI	er zijn (was er, is er geweest)
1_IHM	bronstig zijn (was bronstig, is bronstig geweest)	SV: verhit worden
3_IIBA	in'voeren (voerde in, h. ingevoerd)
3_IIBB	jam'meren (jammerde, h. gejammerd)
3_IIHD	toe'wijzen (wees toe, h. toegewezen)
3_IIHL	ho'pen (hoopte, h. gehoopt)
3_IILD	bij de geboorte hel'pen (hielp bij de geboorte, h. bij de geboorte geholpen)
3_IISM	toe'passen (paste toe, h. toegepast)
3_IISR	ef'fenen (effende, h. geeffend)
3_IIXD	ves'tigen (vestigde, h. gevestigd)	, stichten
3_IIßA	uit'voeren (voerde uit, h. uitgevoerd)
3_IIßB	vast'zetten (zette vast, h. vastgezet)
3_IIßR	fabrice'ren (fabriceerde, h. gefabriceerd)
1_IKL	kun'nen (kon, h. gekund)
1_IKWL	kun'nen (kon, h. gekund)
1_ILD	ba'ren (baarde, h. gebaard)
1_ILK	gaan (ging, is gegaan)	, lopen?
3_ILL	hui'len (huilde, h. gehuild)
1_IOS	ma'ken (maakte, h. gemaakt)
3_IOß	advise'ren (adviseerde, h. geadviseerd)
1_IPE	mooi zijn (was mooi, is mooi geweest)
1_IQD	bran'den (brandde, h. gebrand)	, gloeien
1_IQß	wakker wor'den (werd wakker, is wakker geworden)
1_IRA	vre'zen (vreesde, h. gevreesd)
1_IRD	da'len (daalde, is gedaald)
1_IRE	wer'pen (wierp, h. geworpen)
1_IRE	schie'ten (schoot, h. geschoten)
1_IRS	vero'veren (veroverde, h. veroverd)	, erven
1_ISB	wo'nen (woonde, h. gewoond)
3_ISR	ef'fenen (effende, h. geeffend)
4_IWBS	droog gemaakt wor'den (werd droog gemaakt, is droog gemaakt)
4_IWLD	geboren wor'den (werd geboren, is geboren)
4_IWSB	bewoond wor'den (werd bewoond, is bewoond)
3_IXD	ves'tigen (vestigde, h. gevestigd)	, stichten
1_IXP	toe'voegen (voegde toe, h. toegevoegd)
1_IßA	uit'gaan (ging uit, is uitgegaan)
3_IßA	uit'voeren (voerde uit, h. uitgevoerd)
3_IßB	vast'zetten (zette vast, h. vastgezet)
1_IßQ	uit'gieten (goot uit, h. uitgegoten)
1_IßR	schep'pen (schiep, h. geschapen)
3_IßR	fabrice'ren (fabriceerde, h. gefabriceerd)
1_IÐB	goed zijn (was goed, is goed geweest)
1_KBD	zwaar zijn (was zwaar, is zwaar geweest)
1_KBE	uit'gaan (ging uit, is uitgegaan)	(van een vuur oid)
3_KBE	uit'doven (doofde uit, h. uitgedoofd)
1_KBS	onderdruk'ken (onderdrukte, h. onderdrukt)	, veroveren
1_KEE	donker wor'den (werd donker, is donker geworden)
3_KHS	lie'gen (loog, h. gelogen)	, ontkennen
3_KIBD	e'ren (eerde, h. geëerd)
3_KIBD	schoon'maken (maakte schoon, h. schoongemaakt)
3_KIBE	uit'doven (doofde uit, h. uitgedoofd)
3_KIBX	was'sen (waste, h. gewassen)	(van kleren)
3_KIHD	verber'gen (verborg, h. verborgen)	, verloochenen
3_KIHS	lie'gen (loog, h. gelogen)	, ontkennen
3_KILE	beëin'digen (beëindigde, h. beëindigd)
3_KINE	noe'men (noemde, h. genoemd)	, bijnaam geven, bestempelen als
3_KIPR	verzoe'nen (verzoende, h. verzoend)
3_KITR	omsing'elen (omsingelde, h. omsingeld)
3_KIXE	bedek'ken (bedekte, h. bedekt)
1_KLA	gevangen zet'ten (zette gevangen, h. gevangen gezet)
1_KLE	ein'digen (eindigde, is geëindigd)	, klaar zijn
3_KNE	noe'men (noemde, h. genoemd)
1_KOX	boos zijn (was boos, is boos geweest)
3_KPR	verzoe'nen (verzoende, h. verzoend)
1_KPR	ontken'nen (ontkende, h. ontkend)
3_KPTR	dicht'knopen (knoopte dicht, h. dichtgeknoopt)
1_KRE	gra'ven (groef, h. gegraven)
1_KRT	af'hakken (hakte af, h. afgehakt)	, vellen, ook: sluiten (v.e. verbond)
1_KSL	strui'kelen (struikelde, is gestruikeld)	, mislukken
1_KTB	schrij'ven (schreef, h. geschreven)
3_KTR	omsing'elen (omsingelde, h. omsingeld)
1_KWM	op'staan (stond op, is opgestaan)
4_KWNN	op'zetten (zette op, h. opgezet)	, vestigen
4_KWXE	bedekt wor'den (werd bedekt, is bedekt)
3_KXE	bedek'ken (bedekte, h. bedekt)
1_KZB	lie'gen (loog, h. gelogen)
1_LBS	z. bekle'den (bekleedde z., h. z. bekleed)
1_LHM	strij'den (streed, h. gestreden)
1_LHß	druk'ken (drukte, h. gedrukt)	, in het nauw brengen
3_LIKD	sa'menvoegen (voegde samen, h. samengevoegd)
3_LIQÐ	verza'melen (verzamelde, h. verzameld)
3_LIMD	onderwij'zen (onderwees, h. onderwezen)
1_LKD	gevang'ennemen (nam gevangen, h. gevangengenomen)
3_LKD	sa'menvoegen (voegde samen, h. samengevoegd)
1_LMD	stude'ren (studeerde, h. gestudeerd)	, leren (actief)
1_LOC	spot'ten (spotte, h. gespot)	, bespotten
1_LQH	ne'men (nam, h. genomen)
1_LQÐ	verza'melen (verzamelde, h. verzameld)
1_LWN	overnach'ten (overnachtte, h. overnacht)
3_MAN	wei'geren (weigerde, h. geweigerd)
1_MAX	veraf'schuwen (verafschuwde, h. verafschuwd)
1_MDD	me'ten (mat, h. gemeten)
1_MEL	besnij'den (besneed, h. besneden)
3_MER	z. haas'ten (haastte z., h. z. gehaast)
1_MHE	uit'wissen (wiste uit, h. uitgewist)	SV: (ook) uitdelgen
3_MIER	z. haas'ten (haastte z., h. z. gehaast)
3_MILÐ	red'den (redde, h. gered)	, bevrijden
3_MINE	benoe'men (benoemde, h. benoemd)	, aanstellen
3_MITN	verzach'ten (verzachtte, h. verzacht)	, matigen
1_MKR	verko'pen (verkocht, h. verkocht)
1_MLA	vol zijn (was vol, is vol geweest)
3_MLA	vervul'len (vervulde, h. vervuld)
1_MLK	heer'sen (heerste, h. geheerst)
3_MLÐ	red'den (redde, h. gered)	, bevrijden
1_MNE	op'noemen (noemde op, h. opgenoemd)	, tellen
3_MNE	benoe'men (benoemde, h. benoemd)	, aanstellen
1_MNO	terug'houden (hield terug, h. teruggehouden)	, belemmeren, verhinderen
1_MOÐ	vermin'deren (verminderde, h. verminderd)
1_MOK	sa'mendrukken (drukte samen, h. samengedrukt)
1_MOL	ontvreem'den (ontvreemdde, h. ontvreemd)	, misbruik maken van vertrouwen
1_MRD	in opstand ko'men (kwam in opstand, is in opstand gekomen)
3_MRMR	verbit'teren (verbitterde, h. verbitterd)
3_MRR	verbit'teren (verbitterde, h. verbitterd)
1_MSH	zal'ven (zalfde, h. gezalfd)
1_MSK	trek'ken (trok, h. getrokken)	, aantrekken
1_MSL	heer'sen (heerste, h. geheerst)	, gelijkenis vertellen
3_MTN	verzach'ten (verzachtte, h. verzacht)	, matigen
1_MWL	besnij'den (besneed, h. besneden)
1_MWT	ster'ven (stierf, is gestorven)
1_MßA	vin'den (vond, h. gevonden)
1_NAM	redevoering hou'den (hield redevoering, h. redevoering gehouden)
1_NAP	echt'breken (brak echt, h. echtgebroken)	, ontucht plegen
2_NAWT	toe'stemmen (stemde toe, h. toegestemd)
3_NAß	sma'den (smaadde, h. gesmaad)
2_NBA	profete'ren (profeteerde, h. geprofeteerd)	, voorspellen
3_NBA	profete'ren (profeteerde, h. geprofeteerd)	, voorspellen
2_NBEL	schrik'ken (schrok, is geschrokken)
1_NBL	verwel'ken (verwelkte, is verwelkt)
2_NBNE	gebouwd wor'den (werd gebouwd, is gebouwd)
1_NBÐ	ontkie'men (ontkiemde, is ontkiemd)
3_NCB	af'drogen (droogde af, h. afgedroogd)
1_NCE	schij'nen (scheen, h. geschenen)	, glanzen
3_NCN	muzice'ren (muziceerde, h. gemuziceerd)	, muziek maken
1_NCO	aan'raken (raakte aan, h. aangeraakt)
1_NCP	slaan (sloeg, h. geslagen)	, stoten
2_NCP	verslagen wor'den (werd verslagen, is verslagen)
3_NCS	naderbij ko'men (kwam naderbij, is naderbij gekomen)
1_NDB	schen'ken (schonk, h. geschonken)	(v.e. gift)
1_NDD	zwer'ven (zwierf, h. gezworven)
2_NDME	weggevaagd wor'den (werd weggevaagd, is weggevaagd)	, lijd. vorm van DME in de betekenis van 'ophouden te bestaan'
1_NDR	gelofte afleg'gen (legde gelofte af, h. gelofte afgelegd)
2_NDRS	verzocht wor'den (werd verzocht, is verzocht)	(geeist worden en uitgelegd worden zijn minder waarschijnlijk)
1_NEC	bestu'ren (bestuurde, h. bestuurd)	SV: drijven, leiden
2_NEIE	wor'den (werd, is geworden)
1_NER	stro'men (stroomde, is gestroomd)	, stralen
1_NHL	verwer'ven (verwierf, h. verworven)	, erven
3_NHM	troos'ten (troostte, h. getroost)
3_NHS	vermoe'den (vermoedde, h. vermoed)	, raden
1_NHT	lan'den (landde, is geland)
1_MHß	vermor'zelen (vermorzelde, h. vermorzeld)
3_NICN	muzice'ren (muziceerde, h. gemuziceerd)	, muziek maken
3_NIOR	schud'den (schudde, h. geschud)
3_NIOR	uit'kloppen (klopte uit, h. uitgeklopt)
1_MWÐ	wan'kelen (wankelde, h. gewankeld)
2_NEPK	veranderd wor'den (werd veranderd, is veranderd)	, omgedraaid w., veranderen
1_NHL	er'ven (erfde, h. geërfd)	, verwerven (modern?)
2_NIÐS	opgegeven wor'den (werd opgegeven, is opgegeven)	, verlaten worden
3_NIAß	sma'den (smaadde, h. gesmaad)
2_NIBA	profete'ren (profeteerde, h. geprofeteerd)	, voorspellen
3_NIBA	profete'ren (profeteerde, h. geprofeteerd)	, voorspellen
3_NIBL	bevui'len (bevuilde, h. bevuild)
3_NICB	af'drogen (droogde af, h. afgedroogd)
2_NICP	verslagen wor'den (werd verslagen, is verslagen)
3_NICS	naderbij ko'men (kwam naderbij, is naderbij gekomen)
3_NIHM	troos'ten (troostte, h. getroost)
3_NIHS	vermoe'den (vermoedde, h. vermoed)	, raden
3_NIPH	op'blazen (blies op, h. opgeblazen)	, oppompen
3_NIPL	neer'gaan (ging neer, is neergegaan)	intensief van vallen NPL?
3_NIPß	verbrij'zelen (verbrijzelde, h. verbrijzeld)
3_NIQE	schoon'maken (maakte schoon, h. schoongemaakt)
2_NISA	gedragen wor'den (werd gedragen, is gedragen)	, verdreven, getrouwd
2_NITN	gegeven wor'den (werd gegeven, is gegeven)
2_NITQ	afgebroken wor'den (werd afgebroken, is afgebroken)	, afgesneden w.
3_NITQ	af'breken (brak af, h. afgebroken)	, afsnijden
3_NIXD	probe'ren (probeerde, h. geprobeerd)
3_NIßH	overwin'nen (overwon, h. overwonnen)
1_NIÐS	verlaten wor'den (werd verlaten, is verlaten)
2_NITN	gegeven wor'den (werd gegeven, is gegeven)	, mogelijk zijn
2_NITß	gesloopt wor'den (werd gesloopt, is gesloopt)	, verpletteren w.
1_NKH	aanwezig zijn (was aanwezig, is aanwezig geweest)
2_NKNO	vernederd wor'den (werd vernederd, is vernederd)	(SV); wb: z. onderwerpen
2_NKRT	afgehakt wor'den (werd afgehakt, is afgehakt)	, uitgeroeid worden, vernield worden
2_NKTB	geschreven wor'den (werd geschreven, is geschreven)
2_NLHM	strij'den (streed, h. gestreden)	, vechten
2_NLWE	z. bij'voegen (voegde z. bij, h. z. bijgevoegd)
2_NMDD	gemeten wor'den (werd gemeten, is gemeten)
2_NMLÐ	ontsnap'pen (ontsnapte, is ontsnapt)	, ontvluchten
2_NMßA	z. bevin'den (bevond z., h. z. bevonden)	, gevonden worden
1_NOM	aangenaam zijn (was aangenaam, is aangenaam geweest)
1_NOR	uit'schudden (schudde uit, h. uitgeschud)
2_NORK	geregeld wor'den (werd geregeld, is geregeld)
2_NOSE	gedaan wor'den (werd gedaan, is gedaan)	, gemaakt worden
2_NOWR	ontwa'ken (ontwaakte, is ontwaakt)	, aangemoedigd w.
1_NPH	uit'ademen (ademde uit, h. uitgeademd)
3_NPH	op'blazen (blies op, h. opgeblazen)
1_NPL	val'len (viel, is gevallen)
2_NPQD	geteld wor'den (werd geteld, is geteld)
1_NPß	versprei'den (verspreidde, h. verspreid)
3_NPß	verbrij'zelen (verbrijzelde, h. verbrijzeld)
1_NQB	vast'stellen (stelde vast, h. vastgesteld)	, noemen, een gat graven
1_NQD	stip'pelen (stippelde, h. gestippeld)
2_NQDS	geheiligd wor'den (werd geheiligd, is geheiligd)	, afgeleid van QDS (vertaling van POL-vorm is helaas onbekend)
1_NQM	wre'ken (wraakte, h. gewroken)
1_NQR	uit'steken (stak uit, h. uitgestoken)
2_NQRA	genoemd wor'den (werd genoemd, is genoemd)	, geroepen w., gelezen w.
2_NQRO	scheu'ren (scheurde, is gescheurd)
2_NQWE	verzameld wor'den (werd verzameld, is verzameld)
2_NQWWE	verzameld wor'den (werd verzameld, is verzameld)
1_NSA	dra'gen (droeg, h. gedragen)	, trouwen, vergeven, aanheffen
2_NSA	gedragen wor'den (werd gedragen, is gedragen)	, verdreven, getrouwd
2_NSAR	blij'ven (bleef, is gebleven)	, overblijven
1_NSB	bla'zen (blies, h. geblazen)
2_NSBO	zwe'ren (zwoer, h. gezworen)
1_NSK	bij'ten (beet, h. gebeten)
2_NSKH	vergeten wor'den (werd vergeten, is vergeten)
2_NSKL	van kinderen beroofd wor'den (werd van kinderen beroofd, is van kindere beroofd)	constr. uit 1_SKL (kinderen verliezen)
1_NSM	a'demen (ademde, h. geademd)
2_NSON	steu'nen (steunde, h. gesteund)	//(*** of lijdend: "is gesteund"?)
1_NSP	uit'ademen (ademde uit, h. uitgeademd)	, blazen, uitblazen
1_NSQ	kus'sen (kuste, h. gekust)
1_NSR	af'vallen (viel af, is afgevallen)	v. bladeren, uitvallen
1_NTN	ge'ven (gaf, h. gegeven)
2_NTN	gegeven wor'den (werd gegeven, is gegeven)
2_NTQ	afgebroken wor'den (werd afgebroken, is afgebroken)	, afgesneden w.
3_NTQ	af'breken (brak af, h. afgebroken)	, afsnijden
1_NTß	slo'pen (sloopte, h. gesloopt)	, verpletteren
2_NTß	gesloopt wor'den (werd gesloopt, is gesloopt)	, verpletteren w.
2_NWDO	bekend wor'den (werd bekend, is bekend geworden)
1_NWH	rus'ten (rustte, h. gerust)
2_NWLD	geboren wor'den (werd geboren, is geboren)
1_NWO	zwer'ven (zwierf, h. gezworven)	, bewegen (willekeurig)
2_NWTR	o'verblijven (bleef over, is overgebleven)
1_NWX	vluch'ten (vluchtte, is gevlucht)
2_NXB	z. af'wenden (wendde z. af, h. z. afgewend)
3_NXE	beproe'ven (beproefde, h. beproefd)	, proberen
1_NXK	uit'gieten (goot uit, h. uitgegoten)	, plengen (offer), smelten (metaal)
2_NXLH	vergeven wor'den (werd vergeven, is vergeven)
1_NXO	rei'zen (reisde, h. gereisd)
2_NZER	gewaarschuwd zijn (werd gewaarschuwd, is gewaarschuwd)	, voorzichtig zijn
2_NZRO	gezaaid wor'den (werd gezaaid, is gezaaid)
3_NßH	overwin'nen (overwon, h. overwonnen)
1_Nßß	blin'ken (blonk, h. geblonken)	, schitteren
1_NÐE	nei'gen (neeg, is genegen)	, wijken
1_NÐO	plan'ten (plantte, h. geplant)
1_NÐS	verla'ten (verliet, h. verlaten)	, opgeven, prijsgeven
1_NÐS	verlaten wor'den (werd verlaten, is verlaten)
2_NÐS	opgegeven wor'den (werd opgegeven, is opgegeven)	, verlaten worden
1_OBD	wer'ken (werkte, h. gewerkt)
1_OBR	voorbij'gaan (ging voorbij, is voorbijgegaan)	, passeren, overtreden, oversteken
1_OCB	hartstochtelijk bemin'nen (beminde hartstochtelijk, h. hartstochtelijk bemind)	, wellustig ~
3_OIBD	bewer'ken (bewerkte, h. bewerkt)
3_OIBR	door'trekken (trok door, is doorgetrokken)	(SV) (constructie)
3_OIIN	bestude'ren (bestudeerde, h. bestudeerd)
3_OILE	verhef'fen (verhief, h. verheven)	, verheerlijken
3_OIMD	vast'staan (stond vast, h. vastgestaan)	eigen intensief van OMD; modern OIMD is 'zetten van zetsel'
3_OIRE	bloot'leggen (legde bloot, h. blootgelegd)
3_OIWWT	verdraai'en (verdraaide, h. verdraaid)
3_OIßB	bedroe'ven (bedroefde, h. bedroefd)
3_OIÐR	bekro'nen (bekroonde, h. bekroond)	, versieren
1_OLE	op'gaan (ging op, is opgegaan)
3_OLE	verhef'fen (verhief, h. verheven)	, verheerlijken
1_OLZ	vrolijk zijn (was vrolijk, is vrolijk geweest)
1_OMD	staan (stond, h. gestaan)
1_OML	zwoe'gen (zwoegen, h. gezwoegd)	, hard werken
1_OMQ	diep zijn (was diep, is diep geweest)
1_ONE	ant'woorden (antwoordde, h. geantwoord)
1_OQB	vol'gen (volgde, h. gevolgd)	, opsporen, op de hielen zitten
1_ORB	aangenaam zijn (was aangenaam, is aangenaam geweest)
1_ORB	borg staan (stond borg, h. borg gestaan)
3_ORE	bloot'leggen (legde bloot, h. blootgelegd)
1_ORK	or'denen (ordende, h. geordend)	, regelen, dekken (tafel)
1_ORP	drui'pen (droop, h. gedropen)
1_OSE	doen (deed, h. gedaan)	, maken, veroorzaken
1_OSQ	tekort doen (deed tekort, h. tekort gedaan)
1_OSR	een tiende ne'men (nam een tiende, h. een tiende genomen)
1_OTR	bid'den (bad, h. gebeden)	, verzoeken
1_OWC	cirkel trek'ken (trok cirkel, h. cirkel getrokken)
1_OWC	koek bak'ken (bakte koek, h. koek gebakken)
3_OWLL	aan'richten (richtte aan, h. aangericht)
1_OWP	vlie'gen (vloog, h. gevlogen)
1_OWR	wakker wor'den (werd wakker, is wakker geworden)
3_OWR	verblin'den (verblindde, h. verblind)	, blind maken
3_OWT	verdraai'en (verdraaide, h. verdraaid)
1_OZB	verla'ten (verliet, h. verlaten)
1_OZR	hel'pen (hielp, h. geholpen)
3_OßB	bedroe'ven (bedroefde, h. bedroefd)
1_OßM	machtig wor'den (werd machtig, is machtig geworden)
1_OßM	slui'ten (sloot, h. gesloten)	(van ogen)
1_OßR	vast'houden (hield vast, h. vastgehouden)	SV: besluiten, toesluiten
1_OÐR	omge'ven (omgaf, h. omgeven)	, omsingelen
3_OÐR	bekro'nen (bekroonde, h. bekroond)	, versieren
1_PCO	tref'fen (trof, h. getroffen)	, beschadigen
3_PCR	ach'terblijven (bleef achter, is achtergebleven)
3_PCR	krepe'ren (krepeerde, is gekrepeerd)
1_PCS	ontmoe'ten (ontmoette, h. ontmoet)
1_PDE	bevrij'den (bevrijdde, h. bevrijd)	, loskopen
3_PHD	bang zijn (was bang, is bang geweest)
1_PHT	minder wor'den (werd minder, is minder geworden)	, verminderen
3_PICR	achterblij'ven (bleef achter, is achtergebleven)
3_PICR	krepe'ren (krepeerde, is gekrepeerd)
3_PIHD	bang zijn (was bang, is bang geweest)
3_PILC	split'sen (splitste, h. gesplitst)
3_PIQD	beve'len (beval, h. bevolen)
3_PISÐ	uit'kleden (kleedde uit, h. uitgekleed)
3_PITH	open doen (deed open, h. open gedaan)	, bedacht intensief van PTH
1_PLA	wonderlijk zijn (was wonderlijk, is wonderlijk geweest)	(constructie)
1_PLH	ploe'gen (ploegde, h. geploegd)
1_PNE	z. wen'den (wendde z., h. z. gewend)
1_PQD	bekij'ken (bekeek, h. bekeken)	, tellen
3_PQD	beve'len (beval, h. bevolen)
1_PQH	o'penen (opende, h. geopend)	(v. ogen)
1_PRA	in opstand ko'men (kwam in opstand, is in opstand gekomen)
1_PRE	vruchtbaar zijn (was vruchtbaar, is vruchtbaar geweest)
1_PRH	bloei'en (bloeide, h. gebloeid)	, gedijen
3_PRK	kapot'breken (brak kapot, h. kapotgebroken)
1_PRS	uit'spreiden (spreidde uit, h. uitgespreid)
1_PRS	z. af'zonderen (zonderde z. af, h. z. afgezonderd)
3_PRS	verkla'ren (verklaarde, h. verklaard)	, uitleggen
1_PRX	uit'spreiden (spreidde uit, h. uitgespreid)	, breken, snijden van brood
3_PRZL	beslaan' (besloeg, h. beslagen)	zie znw. PRZL (ijzer)
1_PRß	doorbre'ken (brak door, h. doorgebroken)
1_PSE	z. verbrei'den (verbreidde z., h. z. verbreid)
1_PSO	misdrij'ven (misdreef, h. misdreven)	, moedwillig zondigen
1_PSÐ	uit'gaan (ging uit, is uitgegaan)	, off.: zich uitbreiden, overvallen, uitkleden
1_PTH	o'penen (opende, h. geopend)
1_PXH	o'verslaan (sloeg over, h. overgeslagen)
1_PXL	houw'en (houwde, h. gehouwen)
1_PßE	o'penen (opende, h. geopend)	(mond)
1_PßO	verwon'den (verwondde, h. verwond)
1_PÐR	vrij'laten (liet vrij, h. vrijgelaten)	, ontslaan
3_QBL	ontvang'en (ontving, h. ontvangen)
1_QBL	z. bekla'gen (beklaagde z., h. z. beklaagd)
1_QBR	begra'ven (begroef, h. begraven)
3_QBß	verza'melen (verzamelde, h. verzameld)
1_QDM	voor'gaan (ging voor, is voorgegaan)
1_QDR	donker wor'den (werd donker, is donker geworden)
3_QDS	hei'ligen (heiligde, h. geheiligd)
1_QEL	verza'melen (verzamelde, h. verzameld)	(v. mensen)
3_QIBL	ontvang'en (ontving, h. ontvangen)
3_QIBß	verza'melen (verzamelde, h. verzameld)
3_QIDS	hei'ligen (heiligde, h. geheiligd)
3_QILL	vervloe'ken (vervloekte, h. vervloekt)
3_QISR	verbin'den (verbond, h. verbonden)
3_QIßP	z. kwaad ma'ken (maakte z. kwaad, h. z. kwaad gemaakt)	(constructie)
3_QLL	vervloe'ken (vervloekte, h. vervloekt)
3_QRB	nader breng'en (bracht nader, h. nader gebracht)
3_QIM	hand'haven (handhaafde, h. gehandhaafd)	, nakomen (v.e. belofte)
3_QISÐ	versie'ren (versierde, h. versierd)
3_QIÐR	ro'ken (rookte, h. gerookt)	=offeren door verbranding, modern: mopperen
1_QNA	jaloers zijn (was jaloers, is jaloers geweest)
1_QNE	ko'pen (kocht, h. gekocht)
1_QRA	noe'men (noemde, h. genoemd)
1_QRB	nader ko'men (kwam nader, is nader gekomen)
3_QRB	nader breng'en (bracht nader, h. nader gebracht)
1_QRE	gebeu'ren (gebeurde, is gebeurd)
1_QRN	groei'en (groeide, is gegroeid)	, stralen (homoniem!)
1_QRO	scheu'ren (scheurde, h. gescheurd)
1_QRS	stol'len (stolde, is gestold)
1_QSE	hard wor'den (werd hard, is hard geworden)
1_QSR	verbin'den (verbond, h. verbonden)	, binden, dichtbinden
3_QWE	ho'pen (hoopte, h. gehoopt)
1_QWM	op'staan (stond op, is opgestaan)
1_QßP	boos wor'den (werd boos, is boos geworden)
3_QÐR	ro'ken (rookte, h. gerookt)	=offeren door verbranding, modern: mopperen
1_QÐR	pluk'ken (plukte, h. geplukt)	(v. vruchten)
1_RAE	zien (zag, h. gezien)
1_RBE	veel zijn (was veel, is veel geweest)
1_RCS	opgewonden zijn (was opgewonden, is opgewonden geweest)
1_RCO	rustig zijn (was rustig, is rustig geweest)
1_RCZ	boos zijn (was boos, is boos geweest)
1_RDP	achtervol'gen (achtervolgden, h. achtervolgd)
1_RHB	breder wor'den (werd breder, is breder geworden)
1_RHß	was'sen (waste, h. gewassen)	, baden
3_RHM	medelijden heb'ben (had medelijden, h. medelijden gehad)	~ met ..., z. ontfermen over
1_RHQ	ver zijn (was ver, is ver geweest)
1_RIB	twis'ten (twistte, h. getwist)
3_RICS	opgewonden ma'ken (maakte opgewonden, h. opgewonden gemaakt)
3_RIHP	z. laten zwe'ven (liet z. zweven, h. z. laten zweven)	afgeleid van MRHPT en RHP (zweven), zie ook deut. 32:11; blijven hangen, fladderen, opstuwen?
3_RINN	rod'delen (roddelde, h. geroddeld)	, kwade geruchten verspreiden
3_RIHM	medelijden heb'ben (had medelijden, h. medelijden gehad)	~ met ..., z. ontfermen over
3_RIPA	gene'zen (genas, h. genezen)
1_RKB	rij'den (reed, h. gereden)
1_RKL	ven'ten (ventte, h. gevent)	, handelen
1_RNN	zing'en (zong, h. gezongen)
3_RNN	rod'delen (roddelde, h. geroddeld)	, kwade geruchten verspreiden
1_ROB	honger heb'ben (had honger, h. honger gehad)
1_ROE	achtervol'gen (achtervolgde, h. achtervolgd)	, weiden, vervolgen?
1_ROS	lawaai ma'ken (maakte lawaai, h. lawaai gemaakt)
3_RPA	gene'zen (genas, h. genezen)
1_RQM	bordu'ren (borduurde, h. geborduurd)
1_RWE	genoeg drin'ken (dronk genoeg, h. genoeg gedronken)
1_RWM	hoog zijn (was hoog, is hoog geweest)
3_RWMM	verhef'fen (verhief, h. verheven)
1_RWß	ren'nen (rende, h. gerend)	, (hard) lopen
1_RZE	mager wor'den (werd mager, is mager geworden)
1_RßH	vermoor'den (vermoordde, h. vermoord)
1_SAB	put'ten (putte, h. geput)
1_SAC	brul'len (brulde, h. gebruld)
1_SAL	vra'gen (vroeg, h. gevraagd)
1_SBB	rond'gaan (ging rond, is rondgegaan)
1_SBO	verzadigd zijn (was verzadigd, is verzadigd geweest)
1_SBR	bre'ken (brak, h. gebroken)
1_SBT	rus'ten (rustte, h. gerust)
3_SBß	in'vlechten (vlechtte in, h. ingevlecht)	, indelen
1_SDD	bero'ven (beroofde, h. beroofd)
1_SHD	om'kopen (kocht om, h. omgekocht)
3_SHD	om'kopen (kocht om, h. omgekocht)
3_SIHD	om'kopen (kocht om, h. omgekocht)
1_SHE	z. buk'ken (bukte z., h. z. gebukt)
1_SHQ	fijn'wrijven (wreef fijn, h. fijngewreven)
3_SHT	beder'ven (bedierf, h. bedorven)	, kapotmaken
1_SHÐ	slach'ten (slachtte, h. geslacht)
3_SIBR	verbrij'zelen (verbrijzelde, h. verbrijzeld)
1_SIH	spre'ken (sprak, h. gesproken)
3_SIHQ	spe'len (speelde, h. gespeeld)
3_SIKB	neer'liggen (lag neer, is gaan liggen)
3_SIKH	la'ten vergeten (liet vergeten, h. laten vergeten)
3_SIKN	behui'zen (behuisde, h. behuisd)
3_SILH	weg'zenden (zond weg, h. weggezonden)
3_SILK	neer'gaan (ging neer, is neergegaan)	constructie uit ESLIK (afwerpen)
3_SILM	beta'len (betaalde, h. betaald)
1_SIM	plaat'sen (plaatste, h. geplaatst)	, (neer)leggen, zetten
3_SIMH	blij ma'ken (maakte blij, h. blij gemaakt)	, verheugen (actief)
3_SIMR	bewa'ren (bewaarde, h. bewaard)	, conserveren
3_SIQR	lie'gen (loog, h. gelogen)
3_SIQß	veraf'schuwen (verafschuwde, h. verafschuwd)
1_SIR	zing'en (zong, h. gezongen)
3_SIRP	verbran'den (verbrandde, h. verbrand)	(constructie)
1_SIS	z. verblij'den (verblijdde z., h. z. verblijd)
1_SIT	leg'gen (legde, h. gelegd)	, zetten
3_SIWWO	om hulp schreeuw'en (schreeuwde om hulp, h. om hulp geschreeuwd)
1_SKB	lig'gen (lag, h. gelegen)
1_SKH	verge'ten (vergat, h. vergeten)
1_SKN	wo'nen (woonde, h. gewoond)
3_SKN	behui'zen (behuisde, h. behuisd)
1_SKR	hu'ren (huurde, h. gehuurd)
1_SLH	zen'den (zond, h. gezonden)
1_SLM	volledig zijn (was volledig, is volledig geweest)
1_SLL	ontne'men (ontnam, h. ontnomen)	, beroven
1_SLP	uit'trekken (trok uit, h. uitgetrokken)
1_SLÐ	heer'sen (heerste, h. geheerst)
1_SLÐ	beheer'sen (beheerste, h. beheerst)
1_SMH	blij zijn (was blij, is blij geweest)
3_SMH	blij ma'ken (maakte blij, h. blij gemaakt)	, verheugen (actief)
1_SMN	vet wor'den (werd vet, is vet geworden)
1_SMO	toe'horen (hoorde toe, h. toegehoord)
1_SMR	hou'den (hield, h. gehouden)	, bewaken, behoeden, bewaren
1_SNA	ha'ten (haatte, h. gehaat)
1_SPK	stor'ten (stortte, h. gestort)	, uitgieten, morsen
1_SPL	laag zijn (was laag, is laag geweest)
1_SPÐ	berech'ten (berechtte, h. berecht)
1_SQL	we'gen (woog, h. gewogen)	, overleggen
1_SQÐ	stil zijn (was stil, is stil geweest)	, kalm zijn
3_SQß	veraf'schuwen (verafschuwde, h. verafschuwd)
1_SRE	in'weken (weekte in, h. ingeweekt)
1_SRE	wor'stelen (worstelde, h. geworsteld)
1_SRP	verbran'den (verbrandde, h. verbrand)
1_SRQ	flui'ten (floot, h. gefloten)
3_SRT	die'nen (diende, h. gediend)
1_SRß	krioe'len (krioelde, h. gekrioeld)
1_STE	drin'ken (dronk, h. gedronken)
1_STL	plan'ten (plantte, h. geplant)
1_SWB	terug'keren (keerde terug, is teruggekeerd)
3_SWO	om hulp schreeuw'en (schreeuwde om hulp, h. om hulp geschreeuwd)
4_SWPR	verbeterd wor'den (werd verbeterd, is verbeterd geworden)
1_SWWE	gelijk zijn (was gelijk, is gelijk geweest)	, waard zijn
1_SÐÐ	rond'trekken (trok rond, is rondgetrokken)	constr. van 3_SWÐÐ tbv SWÐ in 2 Sam 24:2
3_SWÐÐ	rond'zwerven (zwierf rond, h. rondgezworven)
1_TAB	bege'ren (begeerde, h. begeerd)
3_TAR	beschrij'ven (beschreef, h. beschreven)
3_TIAR	beschrij'ven (beschreef, h. beschreven)
3_TIKN	eerlijk zijn (was eerlijk, is eerlijk geweest)	constr. tbv ITKN in Ezechiel, SV: 'recht zijn'; zie ook KN
3_TIMR	op'rijzen (rees op, is opgerezen)
1_TLE	op'hangen (hing op, h. opgehangen)
1_TME	z. verba'zen (verbaasde z., h. z. verbaasd)	, verwonderd zijn
1_TMM	volledig zijn (was volledig, is volledig geweest)
3_TMR	op'rijzen (rees op, is opgerezen)
4_TOB	verafschuwd zijn (werd verafschuwd, is verafschuwd)
1_TOE	verkeerd lo'pen (liep verkeerd, is verkeerd gelopen)	, 'dwalen'
1_TQO	bla'zen (blies, h. geblazen)
1_TQO	in'steken (stak in, h. ingestoken)
1_TRß	een uitvlucht heb'ben (had een uitvlucht, h. een uitvlucht gehad)
4_TWOB	verafschuwd zijn (werd verafschuwd, is verafschuwd)
1_TWR	verspie'den (verspiedde, h. verspied)
1_XBB	rond'gaan (ging rond, is rondgegaan)
1_XCR	slui'ten (sloot, h. gesloten)
4_XCR	gesloten wor'den (werd gesloten, is gesloten)
3_XICR	slui'ten (sloot, h. gesloten)	(constructie), SV: toesluiten
3_XIKK	bedek'ken (bedekte, h. bedekt)
3_XIKL	verij'delen (verijdelde, h. verijdeld)
3_XIPE	te gronde rich'ten (richtte te gronde, h. te gronde gericht)	constr. uit NXPE
3_XIPR	vertel'len (vertelde, h. verteld)
3_XIRB	wei'geren (weigerde, h. gewijgerd)
1_XKK	overdek'ken (overdekte, h. overdekt)
3_XKK	bedek'ken (bedekte, h. bedekt)
3_XKL	verij'delen (verijdelde, h. verijdeld)
1_XLH	verge'ven (vergaf, h. vergeven)
1_XLL	ba'nen (baande, h. gebaand)	, aanleggen v.e. weg
1_XMK	steu'nen (steunde, h. gesteund)	, vertrouwen
3_XNWR	verblin'den (verblindde, h. verblind)
4_XNWR	verblind wor'den (werd verblind, is verblind)
1_XPD	bewe'nen (beweende, h. beweend)	, rouwrede uitspreken
1_XPR	tel'len (telde, h. geteld)
3_XPR	vertel'len (vertelde, h. verteld)
3_XRB	wei'geren (weigerde, h. gewijgerd)
1_XRR	opstandig zijn (was opstandig, is opstandig geweest)
1_XTR	bestrij'den (bestreed, h. bestreden)	, off: tegenspreken, weerleggen, vernietigen
1_XTR	verber'gen (verborg, h. verborgen)
3_XWBB	omsing'gelen (omsingelde, h. omsingeld)
4_XWCR	gesloten wor'den (werd gesloten, is gesloten)
4_XWKK	overdekt wor'den (werd overdekt, is overdekt)
1_XWR	af'wijken (week af, is afgeweken)	, z. afwenden
1_ZBH	slach'ten (slachtte, h. geslacht)	, offeren
3_ZIKE	rei'nigen (reinigde, h. gereinigd)
3_ZIKE	vrij'spreken (sprak vrij, h. vrijgesproken)
3_ZIMR	zing'en (zong, h. gezongen)
3_ZKE	rei'nigen (reinigde, h. gereinigd)
3_ZKE	vrij'spreken (sprak vrij, h. vrijgesproken)
1_ZKR	z. herin'neren (herinnerde z., h. z. herinnerd)	, onthouden
1_ZMM	plannen sme'den (smeedde plannen, h. plannen gesmeed)	, kwade bedoelingen hebben
1_ZOM	woedend zijn (was woedend, is woedend geweest)
1_ZOP	boos zijn (was boos, is boos geweest)
1_ZOQ	schreeuw'en (schreeuwde, h. geschreeuwd)
1_ZNE	hoere'ren (hoereerde, h. gehoereerd)
1_ZNH	op'geven (gaf op, h. opgegeven)	, in de steek laten
1_ZQN	oud zijn (was oud, is oud geweest)
1_ZRE	uit'strooien (strooide uit, h. uitgestrooid)
1_ZRH	rij'zen (rees, is gerezen)	(vd zon), stralen
1_ZRO	zaai'en (zaaide, h. gezaaid)
1_ZRQ	gooi'en (gooide, h. gegooid)
1_ZWB	vloei'en (vloeide, h. gevloeid)	v. bloed e.d.
1_ZWN	onderhou'den (onderhield, h. onderhouden)
1_ßBA	z. scha'ren (schaarde z., h. z. geschaard)
1_ßDQ	gelijk heb'ben (had gelijk, h. gelijk gehad)
1_ßHQ	lach'en (lachte, h. gelachen)
3_ßILH	berei'ken (bereikte, h. bereikt)	(constructie: 'zorgen voor succes/geschiktheid') SV: vaardig worden
3_ßIPE	overtrek'ken (overtrok, h. overtrokken)	, bedekken?
3_ßIWWE	opdracht ge'ven (gaf opdracht, h. opdracht gegeven)	, opdragen, bevelen
1_ßLH	sla'gen (sloeg, h. geslagen)	, oversteken
1_ßMA	dorst heb'ben (had dorst, h. dorst gehad)
1_ßMD	kop'pelen (koppelde, h. gekoppeld)
1_ßMH	groei'en (groeide, is gegroeid)
1_ßOD	stap'pen (stapte, is gestapt)	, marcheren
1_ßOQ	schreeuw'en (schreeuwde, h. geschreeuwd)
1_ßPE	uit'kijken (keek uit, h. uitgekeken)
3_ßPE	bedek'ken (bedekte, h. bedekt)
1_ßRR	bun'delen (bundelde, h. gebundeld)	, SV: binden, verzamelen
1_ßWD	vang'en (ving, h. gevangen)	(jacht)
3_ßWE	opdracht ge'ven (gaf opdracht, h. opdracht gegeven)	, opdragen, bevelen
1_ÐBH	slach'ten (slachtte, h. geslacht)
1_ÐBL	do'pen (doopte, h. gedoopt)
3_ÐER	zui'veren (zuiverde, h. gezuiverd)
3_ÐIER	zui'veren (zuiverde, h. gezuiverd)
3_ÐIMA	onrein verkla'ren (verklaarde onrein, h. onrein verklaard)	, verontreinigen
3_ÐMA	onrein verkla'ren (verklaarde onrein, h. onrein verklaard)	, verontreinigen
1_ÐMN	verber'gen (verborg, h. verborgen)	, verstoppen
1_ÐOM	proe'ven (proefde, h. geproefd)
1_ÐRP	verscheu'ren (verscheurde, h. verscheurd)
